id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.046 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070321.13 Arrest- Rolnummer: 46/2007 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-30 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-06-29 10:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat de daarin bepaalde sanctie van niet-ontvankelijkheid niet van toepassing is op een bij conclusie ingestelde tegenvordering die gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering in de Kruispuntbank van Ondernemingen niet is ingeschreven of op een activiteit die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, schendt artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat de daarin bepaalde sanctie van niet-ontvankelijkheid eveneens van toepassing is op een bij conclusie ingestelde tegenvordering die gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering in de Kruispuntbank van Ondernemingen niet is ingeschreven of op een activiteit die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, schendt artikel 14, vierde lid, van de voormelde wet van 16 januari 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - ONDERNEMING - Kruispuntbank van ondernemingen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Handelsrecht - Kruispuntbank van Ondernemingen - Verplichte inschrijving - Activiteit waarvoor de onderneming niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming is ingeschreven - Burgerlijke sancties - Niet-ontvankelijkheid van de rechtsvordering -
- Vordering ingeleid bij deurwaardersexploot -
- Tegenvordering ingesteld bij conclusie. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-01-2003 - 14,L4 - 34 ELI link Pub nr 2003011027 Tekst van de beslissing Rolnummer 3996 Arrest nr. 46/2007 van 21 maart 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen », gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 mei 2006 in zake de nv « Keravisie » tegen de bvba « Hermitage » en Jan Thys, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 31 mei 2006, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet geschonden door de discriminatoire behandeling gemaakt in artikel 14 in het algemeen en artikel 14, vierde lid, in het bijzonder van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een kruispuntbank voor ondernemingen tussen, enerzijds, de onderneming wiens vordering ingeleid bij deurwaardersexploot onontvankelijk wordt verklaard daar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel, waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven en, anderzijds, de onderneming wiens tegenvordering gesteld bij conclusie ontvankelijk wordt verklaard niettegenstaande haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Keravisie » (voorheen « Ceramega »), met maatschappelijke zetel te 1702 Groot-Bijgaarden, ’t Hofveld 4A; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 30 januari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. A. De Wael, tevens loco Mr. H. Van Hoogenbemt, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de nv « Keravisie »; . Mr. P. De Maeyer, tevens loco Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Tussen de partijen voor het verwijzende rechtscollege - twee rechtspersonen - bestaat een geschil in hoger beroep nopens facturen betreffende commissievoorschotten en eindafrekeningen in het kader van een agentuurovereenkomst. Op grond van artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, is een vordering van een handels- of ambachtsonderneming die in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, onontvankelijk indien zij gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege geldt die bepaling enkel voor vorderingen ingeleid bij deurwaardersexploot, en niet voor een tegenvordering ingesteld bij conclusie, zoals in de zaak voor het verwijzende rechtscollege. III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad merkt op dat de vermelding van het inschrijvingsnummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen op de inleidende dagvaarding, waarin artikel 14, eerste tot derde lid, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank voorziet, een element van identificatie van de eisende partij is, zodat bij gebrek eraan, de vordering, zelfs ambtshalve, onontvankelijk moet worden verklaard. Het voorschrift met betrekking tot het maatschappelijk doel van een ingeschreven onderneming betreft niet de identificatie van een partij en is bovendien onderworpen aan een andere regeling in verband met de vaststelling van de onontvankelijkheid. Hoewel een verschil in sanctie kan worden aanvaard met betrekking tot de vermelding van het inschrijvingsnummer op de gedingstukken - vermits er met betrekking tot de tegenvordering bij conclusie geen probleem van identificatie van de ter zake eisende partij kan zijn - kan dat onderscheid niet worden gemaakt met betrekking tot de verplichting om binnen de perken van het maatschappelijk doel te handelen, vermits de belangen en verplichtingen van de beide partijen immers dezelfde lijken te zijn. In de interpretatie die de rechtscolleges in eerste aanleg en in hoger beroep eraan hebben gegeven, schendt de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- Volgens de Ministerraad kan aan het vierde lid van het voormelde artikel 14 evenwel ook een grondwetsconforme interpretatie worden gegeven. Doordat daarin niet meer uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een deurwaardersexploot, kan die bepaling derhalve ook worden gelezen als een algemene regel van ontvankelijkheid van de vorderingen op grond van het maatschappelijk doel van de betrokken onderneming. De betrokken bepaling is een loutere overname van de artikelen 40 tot en met 42 van de gecoördineerde wetten van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister, en zonder enige wil die regeling te wijzigen. Artikel 14, vierde lid, van de voormelde wet is wellicht algemener geformuleerd dan artikel 42 van de gecoördineerde wetten op het handelsregister, doch nergens blijkt de wil van de wetgever om het toepassingsgebied van de regel te willen inperken. De Ministerraad meent dan ook dat aan de in het geding zijnde bepaling een grondwetsconforme interpretatie kan worden gegeven. Standpunt van de nv « Keravisie » A.
- Het verschil in behandeling dat door het in het geding zijnde wetsartikel in het leven wordt geroepen, is volgens de nv « Keravisie » kennelijk enkel en alleen ontstaan uit een onzorgvuldige overname van bepalingen uit de wet op het handelsregister. De parlementaire voorbereiding geeft geen verantwoording voor de wijziging van de formulering en het daardoor in het leven geroepen verschil in behandeling, terwijl op verschillende plaatsen wordt bevestigd dat het gaat om een overname van de regeling in artikel 42 van de wet op het 4 handelsregister. Het in het geding zijnde artikel 14 neemt eigenlijk de inhoud over van wat in de wet op het handelsregister over verschillende artikelen was gespreid, zonder dat werd aangegeven waarom de werkingssfeer van het laatste lid beperkt zou moeten worden tot de inleiding van vorderingen bij dagvaarding. Die partij is dan ook van oordeel dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden. A.
- De nv « Keravisie » laat bovendien opmerken dat door de in het geding zijnde bepaling ook een discriminatie in het leven wordt geroepen tussen de rechtssubjecten tegen wie een vordering wordt ingesteld, naargelang dat geschiedt bij gedinginleidende dagvaarding dan wel bij tegen- of tusseneis. -B- B.
- De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen » met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling zou instellen tussen, enerzijds, de onderneming die optreedt als eiseres op hoofdvordering en waarvan de vordering ingeleid bij deurwaardersexploot, onontvankelijk is wanneer zij gebaseerd is op een activiteit waarvoor zij niet is ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen of op een activiteit die niet valt onder haar maatschappelijk doel, en, anderzijds, de onderneming die optreedt als eiseres op bij conclusie ingestelde tegenvordering en die niet aan de voormelde voorwaarden dient te voldoen. B.
- Artikel 14 van de voormelde wet van 16 januari 2003 luidt als volgt : « Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer. Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen. Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit 5 waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen ». B.
- De in artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 omschreven sancties zijn, naar luid van de parlementaire voorbereiding, « een herformulering van de artikelen 41 en 42 van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister en de artikelen 28 en 29 van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2058/001, p. 23). Artikel 42 van de bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister, dat zelf teruggaat op artikel 37 van de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister (Belgisch Staatsblad, 25 juli 1956), luidde, vóór het met ingang van 1 juli 2003 (artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003, Belgisch Staatsblad, 19 mei 2003, tweede editie) werd opgeheven bij artikel 72, 2°, van de voormelde wet van 16 januari 2003 : « Onontvankelijk is elke hoofdeis, tegeneis of eis tot tussenkomst welke zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering. De niet-ontvankelijkheid is gedekt indien zij niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld ». B.
- In de door het verwijzende rechtscollege gegeven interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, berust het verschil in behandeling tussen beide categorieën van ondernemingen op een objectief criterium, namelijk de wijze waarop de vordering van de onderneming is ingeleid, respectievelijk bij deurwaardersexploot en bij conclusie. B.
- Het vereiste dat de bij deurwaardersexploot ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat derhalve terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een 6 handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand., Senaat, 1955-1956, zitting van 29 november 1956, p. 47; Pasin., 1956, pp. 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie. Die zorg geldt evenzeer voor de tegenvorderingen die door ondernemingen bij wege van conclusie worden ingesteld. Voor het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling is in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling geen verantwoording gegeven en het Hof ziet niet in op welke gronden het verschil zou kunnen worden verantwoord. Doordat de ondernemingen op het vlak van hun vorderingen verschillend worden behandeld, naargelang de vordering wordt ingesteld bij deurwaardersexploot dan wel bij conclusie, wordt een verschil in behandeling ingesteld dat niet redelijk is verantwoord. B.
- In de door het verwijzende rechtscollege gegeven interpretatie is artikel 14 van de voormelde wet van 16 januari 2003 onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.
- De in het geding zijnde bepaling kan evenwel ook, zoals de Ministerraad aangeeft, worden geïnterpreteerd als een - weliswaar minder accurate - « herformulering » van artikel 42 van de bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister, waarbij de wetgever noch van de ratio legis noch van de draagwijdte van dat artikel wou afwijken. In die interpretatie is de daarin bepaalde sanctie van niet- ontvankelijkheid bijgevolg eveneens van toepassing op elke tegeneis die niet bij deurwaardersexploot wordt ingesteld. B.
- In de in B.7 vermelde interpretatie bestaat het in de prejudiciële vraag opgeworpen verschil in behandeling niet en dient zij ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat de daarin bepaalde sanctie van niet-ontvankelijkheid niet van toepassing is op een bij conclusie ingestelde tegenvordering die gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering in de Kruispuntbank van Ondernemingen niet is ingeschreven of op een activiteit die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, schendt artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat de daarin bepaalde sanctie van niet-ontvankelijkheid eveneens van toepassing is op een bij conclusie ingestelde tegenvordering die gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering in de Kruispuntbank van Ondernemingen niet is ingeschreven of op een activiteit die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, schendt artikel 14, vierde lid, van de voormelde wet van 16 januari 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div