id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.050 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070328.4 Arrest- Rolnummer: 50/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-14 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-06-29 11:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 154bis, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg, ingesteld door Paul De Mulder en Chantal Geuvens. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelastingen - Overwerk - Instelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent -
- Privésector - Belastingvermindering - Interprofessioneel akkoord -
- Overheidssector - Ontstentenis van vermindering. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 154bis,L1 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Wet - 03-07-2005 - 23 - 46 ELI link Pub nr 2005012166 Tekst van de beslissing Rolnummers 3766 en 3846 Arrest nr. 50/2007 van 28 maart 2007 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 154bis, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg, ingesteld door Paul De Mulder en Chantal Geuvens. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 september 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 september 2005, heeft Paul De Mulder, wonende te 7022 Hyon, rue des Américains 11, beroep tot vernietiging ingesteld van de woorden « en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » in artikel 154bis, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2005). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 januari 2006, heeft Chantal Geuvens, wonende te 6200 Châtelet, rue du Carabinier Français 14, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde woorden in voormeld artikel 154bis, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3766 en 3846 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 5 december 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Detry, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3766; . Mr. M. Bourgys loco Mr. G. Generet, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3846; . B. Druart, auditeur-generaal van Financiën, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de verzoekende partijen A.
- Paul De Mulder en Chantal Geuvens beweren dat zij er belang bij hebben de vernietiging te vorderen van de woorden « en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » in artikel 154bis, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 « houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg », omdat die woorden hun de belastingvermindering ontzeggen die is voorgeschreven bij die nieuwe bepaling van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- De twee verzoekende partijen stellen vast dat zij geregeld - de eerste als statutaire arbeider van de intercommunale « Centre Hospitalier Universitaire Ambroise Paré », de tweede als statutaire verpleegster van de « Intercommunale de Santé Publique du Pays de Charleroi » - overwerk presteren dat recht geeft op de toeslag bedoeld in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart
- Ten aanzien van de middelen A.
- De twee verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. A.3.
- Paul De Mulder is van mening dat de woorden waarvan hij de vernietiging vordert, een discriminatie teweegbrengen tussen twee categorieën van werknemers die overwerk presteren in de zin van hoofdstuk III, afdeling 2, van de wet van 16 maart 1971 en een toeslag ontvangen in de zin van artikel 29 van die wet vanwege het lastige en « veeleisende » karakter van die prestaties : degenen van wie de werkgever is onderworpen aan de wet van 5 december 1968 en degenen van wie de werkgever niet aan die wet is onderworpen. Hij merkt op dat enkel de eerstgenoemden de bij artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde belastingvermindering genieten betreffende de toeslag die zij ontvangen vanwege het overwerk. De verzoekende partij merkt op dat zij tewerkgesteld is in een openbare instelling die « geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging [verleent] » in de zin van artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart 1971, waarop hoofdstuk III, afdeling 2, van die wet van toepassing is. Zij wijst evenwel erop dat die instelling niet is onderworpen aan de wet van 5 december 1968, met toepassing van artikel 2, § 3, 1, van die wet. Zij stelt derhalve vast dat zij de belastingvermindering niet kan genieten, hoewel zij geregeld meer dan negen uur per dag en meer dan negenendertig uur per week werkt. De verzoekende partij is van oordeel dat het voormelde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Zij merkt op de dat de federale Regering, door artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 voor te stellen, de werknemers van de profitsector en die van de non-profitsector beoogde, met uitsluiting van de werknemers die zijn tewerkgesteld door de overheidsbedrijven van die tweede sector. Aangezien zij geen enkele andere verantwoording voor die uitsluiting van de openbare diensten vindt, veronderstelt zij dat die voortvloeit uit de omstandigheid dat de sociale partners, die de federale Regering hebben gevraagd die maatregel aan te nemen, enkel voor de privésector hebben onderhandeld, zelfs al hebben zij daarom een dergelijke uitsluiting nog niet aanbevolen. De verzoekende partij besluit daaruit dat de voorwaarde voor het toekennen van het voormelde fiscale voordeel een onverantwoord onderscheid teweegbrengt onder werknemers die zich in identieke situaties bevinden, en een voorrecht dat bij artikel 172 van de Grondwet is verboden. A.3.
- Paul De Mulder voegt eraan toe dat de toeslag verbonden aan het overwerk tot doel heeft het lastige karakter te compenseren van de prestaties die de normale arbeidsduur overschrijden en het beroep van de werkgever op dergelijke prestaties af te remmen. De aangevochten bepaling zou evenwel tot doel hebben het overwerk aan te moedigen. Hij merkt op dat de bijkomende inspanningen die zulk werk vereist, zowel voor de werknemers van de privésector als voor die van de openbare sector gelden. Hij is derhalve van mening dat de belastingvermindering die een stijging van het nettoloon als gevolg van het overwerk mogelijk maakt, moet worden toegekend aan alle werknemers die de voormelde toeslag genieten. 4 De verzoekende partij stelt dat de toepassing van de wetgeving betreffende de arbeidsduur op de openbare instellingen « die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of [op] instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen » wordt verantwoord door de gelijkenis tussen hun arbeidsvoorwaarden en die van de overeenkomstige privéondernemingen. Zij verwijst in dat verband naar het arrest nr. 130/
- Zij voegt eraan toe dat de evolutie van de wetgeving - met name die van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven - getuigt van een steeds toenemende concurrentie tussen die ondernemingen en die openbare instellingen. De verzoekende partij merkt ook op dat in de « eisenbundel 2005-2006 van de organisaties van het gemeenschappelijk vakbondsfront », die op 3 maart 2005 naar de Eerste Minister werd gestuurd die voorzitter is van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsbedrijven (Comité A), bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 19 december 1974 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid de en vakbonden van haar personeel », met het oog op de onderhandeling over een intersectorieel akkoord 2005-2006, de toepassing wordt geëist van de in het voormelde ontwerp van interprofessioneel akkoord opgenomen maatregelen die door de federale Regering zijn overgenomen. Zij merkt op dat die onderhandelingen op 9 december 2005 nog niet waren begonnen. Zij preciseert dat zij er geen enkel belang bij had de nieuwe fiscale maatregelen betreffende de werkgevers te betwisten en dat zij niet inziet hoe de uitschakeling van een discriminatie onder werknemers onverenigbaar zou zijn met de wil van de sociale partners van de privésector, die niet bevoegd waren om voor de overheidssector te onderhandelen en dat ook niet wensten te doen. A.4.
- Chantal Geuvens is van mening dat, door aan de personen die zijn tewerkgesteld door « instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen » het voordeel te weigeren van de belastingvermindering die is voorgeschreven bij het nieuwe artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de woorden waarvan zij de vernietiging vordert, een discriminatie teweegbrengen tussen de werknemers van de overheidssector die zijn onderworpen aan de wet van 16 maart 1971 en de werknemers van de privésector die aan dezelfde wet zijn onderworpen. Zij is van mening dat die discriminatie des te flaganter is daar hoofdstuk V van de wet van 3 juli 2005 tot doel heeft de flexibiliteit van de arbeidsorganisatie te verhogen en van toepassing is op de werknemers van de overheidsector die actief zijn in de gezondheidszorg, zoals de verzoekende partij. Zij is van mening dat de situatie van de werknemers van de overheidssector van de gezondheidszorg vergelijkbaar is met die van de werknemers van de privésector van de gezondheidszorg, vermits die twee categorieën van personen bijzonder vaak overwerk presteren en een arbeid van dezelfde aard uitoefenen, wat trouwens verantwoordt dat zij ook aan de wet van 16 maart 1971 zijn onderworpen. Volgens de verzoekende partij bevat de parlementaire voorbereiding van de aangevochten bepaling geen verantwoording voor het verschil in behandeling. Zij merkt op dat de aangevochten bepaling de wil van de sociale partners weergeeft die tot uiting is gebracht tijdens de onderhandeling over een interprofessioneel akkoord, om een betere competitiviteit te verzekeren door de fiscale druk voor de werknemer te verlichten, maar ook voor de werkgever - door de vermindering van de bedrijfsvoorheffing zoals bepaald in artikel 25 van de wet van 3 juli
- De verzoekende partij vindt in de parlementaire voorbereiding geen reden die de wetgever ertoe heeft gebracht de nieuwe bepalingen betreffende overwerk die een verhoging van de flexibiliteit beogen en niet die welke betrekking hebben op de voormelde belastingvermindering, toepasselijk te maken op de werknemers die zijn tewerkgesteld in de overheidssector van de gezondheidszorg. Zij merkt op dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp wordt verwezen naar de wet van 16 maart 1971 en naar de wet van 5 december
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 juli 1964 « betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sector van ’s Lands bedrijfsleven » en van de wet van 6 juli 1964 « op de zondagsrust » - die zijn gecoördineerd bij de wet van 16 maart 1971 - en uit B.3 van het arrest nr. 130/99 leidt zij af dat het niet de aard van de juridische band tussen de werknemer en degene die hem tewerkstelt is, maar de aard van de door laatstgenoemde uitgeoefende activiteit die ten grondslag ligt aan het onderscheid dat tot uiting is gebracht in artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart 1971, zodat de aangevochten bepaling in strijd lijkt te zijn met de doelstelling van die wet. Zij voegt eraan toe dat die tegenstrijdigheid des te duidelijker is daar, volgens de parlementaire voorbereiding van artikel 2, § 3, 1, van de wet van 5 december 1968, de uitsluiting van de door de overheid tewerkgestelde personen uit de toepassingssfeer van die wet wordt verantwoord door de omstandigheid dat zij vallen onder een statutaire regeling die zich moeilijk leent tot de procedure die wordt gevolgd bij de collectieve arbeidsovereenkomsten. Daarnaast merkt zij op dat de toepassingssfeer van die wet, overeenkomstig artikel 2, § 3, 1, tweede lid van die wet, tot die personen kan worden uitgebreid. 5 De verzoekende partij stelt vervolgens dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust : het overheids- of privékarakter van de werkgever van de werknemers die overwerk presteren. Zij voegt eraan toe dat de vergeleken categorieën geen verband lijken te houden met het nagestreefde doel, vermits de werknemers van de overheidssector van de gezondheidszorg worden uitgesloten terwijl, zoals die van de privésector, zij aan de wet van 16 maart 1971 zijn onderworpen vanwege de aard van de activiteit van hun werkgever. Voorts beweert zij dat de belastingvermindering de betrokken categorieën niet raakt vermits de wetgever tot doel had de activiteiten van de overheidssector uit te sluiten en vermits door het verschil in behandeling de doelstelling van uitsluiting van de activiteiten die een openbaar ambt vormen, niet kan worden bereikt. Tot slot merkt zij op dat de aangevochten bepaling op een onevenredige wijze inbreuk maakt op de rechten van de werknemers van de overheidssector van de gezondheidszorg. Volgens de verzoekende partij zou het nagestreefde doel op een meer adequate wijze kunnen worden bereikt door de belastingvermindering te ontzeggen aan de werknemers die zijn tewerkgesteld door een werkgever die een activiteit uitoefent die verband houdt met een openbare gezagsfunctie en door die vermindering toe te kennen aan de werknemers van overheidsinstellingen die de activiteiten uitoefenen of de zorg verstrekken die zijn bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart
- Zulks zou het mogelijk maken het voordeel van die belastingvermindering niet te weigeren aan de werknemers van de overheidssector van de gezondheidszorg van wie de werkgever een activiteit uitoefent die gelijkt op die van de werkgever van de werknemers van de privésector. De verzoekende partij is van oordeel dat de inbreuk op de rechten als gevolg van de aangevochten bepaling sterker is dan de voordelen die die bepaling oplevert. A.4.
- Chantal Geuvens voegt eraan toe dat hoofdstuk V van de wet van 3 juli 2005 - dat ook een gedeelte van het interprofessioneel akkoord 2005-2006 omzet - van toepassing is op de werknemers van de overheidssector van de gezondheidszorg, zodat de omstandigheid dat het ontwerp van interprofessioneel akkoord 2005-2006 enkel betrekking zou hebben op de privésector, het verschil in behandeling niet kan verantwoorden - dat voortvloeit uit de woorden die zijn bedoeld in het beroep tot vernietiging - tussen die werknemers en hun collega’s van de privésector. Chantal Geuvens preciseert bovendien dat zij de keuze betwist van een criterium van onderscheid op grond van de juridische aard - privé of publiek - van de werkgever, en niet de keuze van een criterium van onderscheid op grond van de aard van de uitgeoefende activiteit. Zij leidt daaruit af dat de aangevochten bepaling in strijd is met de doelstelling van de wet van 16 maart
- Zij merkt op dat de keuze van het tweede criterium het ook mogelijk zou hebben gemaakt de doelstelling van artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 te bereiken. In dat verband wijst zij erop dat de overheidsdiensten ook de rentabiliteit beogen, dat de ontwikkeling van activiteiten en het creëren van jobs doelstellingen van algemeen belang zijn die beide sectoren van de gezondheidszorg gemeen hebben en dat de verbetering van de kwaliteit van de verstrekte zorg in de overheidsinstellingen van de sector - die zou voortvloeien uit de toekenning van de voormelde belastingvermindering aan hun werknemers - in het interprofessioneel akkoord 2005-2006 is aangevoerd. Zij besluit daaruit dat de wetgever, zoals in artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart 1971, een onderscheid had moeten maken op grond van de aard van de activiteit van de werkgever. A.5.
- De Ministerraad vraagt zich af of de verzoekende partij in de zaak nr. 3846 niet kritiek uit op een algemeen verschil in behandeling tussen de werknemers van de overheidssector en die van de privésector en op een specifiek verschil in behandeling tussen de werknemers van de overheidssector van de gezondheidszorg en die van de privésector. A.5.
- De Ministerraad stelt vast dat, rekening houdend met artikel 2, § 3, 1, van de wet van 5 december 1968, de woorden waarvan de verzoekende partijen de vernietiging vorderen bijna alle werknemers van de overheidssector uitsluiten van het voordeel van de belastingvermindering die is ingevoerd bij artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
- Hij voegt eraan toe dat het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen de werknemers van de overheidssector en die van de privésector beantwoordt aan de wil van de wetgever en redelijk verantwoord is. De Ministerraad merkt op dat het beroep tot vernietiging het criterium van onderscheid beoogt waarop het verschil in behandeling berust en dat aan dat criterium aandacht is geschonken tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 23 van de wet van 3 juli
- Hij preciseert dat de bestreden bepaling relevant is ten aanzien van de doelstelling van algemeen belang die door de wetgever wordt nagestreefd. Hij voert aan dat de gevolgen van dat onderscheid een redelijk verband van evenredigheid met die doelstellingen vertonen. Hij merkt in dat verband op dat een eigen interprofessioneel akkoord voor de openbare sector, dat de verbetering van de competitiviteit van de ondernemingen zou beogen, moeilijk denkbaar is. De Ministerraad wijst erop dat 6 artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat de kosten van de eerste vijfenzestig uren overwerk wil verminderen, getrouw één van de maatregelen omzet van het ontwerp van interprofessioneel akkoord 2005-2006 die bestemd is om de competitiviteit van de ondernemingen te versterken en jobs te creëren. Hij beweert dat die doelstelling van algemeen belang enkel in de privésector kan worden nagestreefd, zodat de fiscale maatregel niet tot de overheidssector moest worden uitgebreid. De Ministerraad merkt in dat verband op dat de doelstelling van rentabiliteit van de overheidsdiensten erop gericht is aan de bevolking een efficiënte dienst te verlenen, terwijl te dezen de wetgever de « economische rentabiliteit » op het oog heeft die verband houdt met de competitiviteit van ondernemingen die met mekaar concurreren, zodat het criterium van de aard van de door de werkgever uitgeoefende activiteit niet relevant zou zijn. De Ministerraad merkt daarnaast nog op dat het verschil in behandeling ook redelijk verantwoord is door het radicale verschil tussen de prioriteiten van een interprofessioneel akkoord in de privésector (competitiviteit en ontwikkeling van de ondernemingen, het creëren van jobs) en de prioriteiten van een dergelijk akkoord in de overheidssector (versterking van het statutair verband, arbeidsvoorwaarden, hervorming van de loopbaan van de ambtenaren, welzijn op het werk en opleiding, enz.). Hij merkt op dat de enige geldelijke aspecten van het sectorieel akkoord 2003-2004 voor het federale administratieve openbaar ambt bestaan in de afschaffing en de vergoeding van de carensdag voor het contractueel personeel en het gratis openbaar vervoer. A.5.
- De Ministerraad is van mening dat de aangevochten bepaling niet in strijd is met de doelstelling van de wet van 16 maart 1971 en merkt op dat de werknemers van de openbare gezondheidsinstellingen de overwerktoeslag voor tijdelijke arbeid blijven genieten. Hij merkt op dat de toepassing van die wet op het personeel van de gezondheidsinstellingen die afhangen van de overheid en van overheidsinstellingen een regel is die reeds ingeschreven was in de voormelde wet van 15 juli 1964, die aan dat personeel dezelfde bescherming wil toekennen als aan het personeel van de privé- instellingen actief in de gezondheidszorg : de vergoeding voor overwerk, als compensatie voor de bijkomende inspanning die van de werknemer wordt gevraagd. De Ministerraad is van oordeel dat de aangevochten bepaling een andere doelstelling heeft, dat het dus niet nodig is de toepassingssfeer ervan uit te breiden naar de openbare zorgverstrekkende instellingen en dat het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit, verantwoord is. Hij merkt in dat verband op dat de gemeenschap de kosten voor de verwezenlijking van die doelstelling van algemeen belang op zich neemt, maar dat de identieke last voor de werknemers van de overheidsinstellingen en voor die van de privé-instellingen niet verantwoordt dat de gemeenschap, zonder een « terugverdieneffect » te genieten, de kosten van een louter persoonlijk voordeel voor de werknemers op zich neemt. Hij merkt op dat, anders dan hoofdstuk V van de wet van 3 juli 2005, artikel 23 van die wet niet tot doel heeft de wet van 16 maart 1971 te wijzigen, zodat het niet abnormaal is dat de werknemers van de overheidssector in de gezondheidszorg niet de nieuwe belastingvermindering genieten. De verwijzing, in de aangevochten bepaling, naar de wet van 16 maart 1971 zou geen ander doel hebben dat de toepassingssfeer van die belastingvermindering zeer precies te omschrijven. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het niet relevant is het arrest nr. 130/99 als argument aan te voeren, vermits het verschil in behandeling dat in het beroep tot vernietiging wordt bekritiseerd, niet, zoals in die zaak, gegrond is op de aard van de functie die wordt uitgeoefend door degene die de werknemer tewerkstelt maar enkel op de hoedanigheid van de werkgever. De Ministerraad is ook van mening dat de doelstelling van artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 verschilt van die van artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart 1971 en dat het verschil tussen de toepassingssfeer van hoofdstuk V van de wet van 3 juli 2005 en die van de aangevochten bepaling geen aanleiding geeft tot tegenstrijdigheid en niet moest worden verantwoord, vermits het om twee onafhankelijke maatregelen gaat, waarvan de eerste de bescherming van de werknemers en de werkorganisatie beoogt en zich harmonieus in de wet van 16 maart 1971 integreert, en waarvan de tweede beantwoordt aan een algemeen economisch belang. Tot slot merkt hij op dat de woorden bedoeld in het beroep tot vernietiging niet tot doel hebben de werknemers van de overheidssector uit te sluiten van het voordeel van de belastingvermindering en dat die uitsluiting enkel het gevolg is van het nagestreefde doel. Hij herinnert eraan dat die doelstelling enkel in de privésector kan worden bereikt, wat verklaart dat enkel de personen van die sector de voormelde belastingvermindering kunnen genieten. A.5.
- Ten slotte merkt de Ministerraad op dat de vernietiging van de in het beroep bedoelde woorden niet zou leiden tot een uitbreiding, naar de werkgever die niet aan de wet van 5 december 1968 is onderworpen, van de toepassingssfeer van de maatregel die is voorgeschreven bij artikel 25 van de wet van 3 juli 2005, die de aan de wet van 5 december 1968 onderworpen werkgever ervan vrijstelt aan de Schatkist een deel te storten van de bedrijfsvoorheffing betreffende de vergoedingen voor overwerk. Hij leidt daaruit af dat die vernietiging een nieuw verschil in behandeling zou teweegbrengen dat niet meer verantwoord zou zijn ten aanzien van de doelstelling van de sociale partners dat door de Regering is overgenomen. Enkel de werkgevers onderworpen 7 aan de wet van 5 december 1968 zouden de volledige bedrijfsvoorheffing op de vergoedingen voor overwerk inhouden, zonder een gedeelte ervan aan de Schatkist te moeten storten, terwijl alle werknemers de nieuwe belastingvermindering zouden genieten. Een dergelijke situatie zou onverenigbaar zijn met de wil van de sociale partners en van de wetgever om de voordelen van de fiscale maatregel op een gelijke manier te verdelen tussen de werknemer die overwerk presteert en zijn werkgever. Zij zou bovendien incoherent zijn met de doelstelling van de bestrijding van de werkloosheid, vermits het in de overheidssector de personen zijn die het minst tot de realisatie van dat doel bijdragen - namelijk de werknemers - die de nieuwe fiscale maatregel zouden genieten. De Ministerraad is ook van mening dat de maatregel niet onevenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel en dat een uitbreiding van de toepassingssfeer van de voormelde belastingsvermindering ten voordele van de werknemers van de overheidssector van de gezondheidszorg niet verantwoord is want hij zou het niet mogelijk maken het nagestreefde doel te bereiken. Hij vraagt zich bovendien af of een dergelijke uitbreiding geen discriminatie zou teweegbrengen ten nadele van de andere belastingplichtigen van de openbare sector. -B- Ten aanzien van het onderwerp van de beroepen B.1.
- Artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 « houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg » voegt in titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een onderafdeling IIIbis in met als opschrift « Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag », die een artikel 154bis bevat dat luidt : « Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers : - die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; - en die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag. De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd. 8 De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten ». B.1.
- Uit de uiteenzetting van de verzoekschriften blijkt dat de beroepen tot vernietiging alleen betrekking hebben op de grondwettigheid van de woorden « en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ». Ten aanzien van het belang B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
- Artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971, vervangen bij artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 « houdende maatregelen met het oog op de beperking van het overwerk » en vervolgens gewijzigd bij artikel 83 van de herstelwet van 22 januari 1985 « houdende sociale bepalingen », bij artikel 183 van de programmawet van 22 december 1989 en bij artikel 12 van de wet van 10 juni 1993 « tot omzetting van sommige bepalingen van het interprofessioneel akkoord van 9 december 1992 », luidt : « §
- Overwerk wordt betaald tegen een bedrag dat ten minste 50 pct. hoger is dan het gewone loon. Deze vermeerdering bedraagt 100 pct. voor overwerk op zondag of op de rustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de betaalde feestdagen. §
- Voor de toepassing van dit artikel wordt als overwerk aangemerkt, arbeid verricht boven 9 uren per dag of 40 uren per week of boven de lagere grenzen vastgesteld overeenkomstig artikel
- In afwijking van het eerste lid wordt de arbeid verricht met naleving van de voorwaarden en de grenzen die van toepassing zijn op een arbeidsregeling bedoeld bij de artikelen 20, 20bis, 22, 1° en 2°, en 23, niet als overwerk aangemerkt. §
- De Koning kan sommige prestaties van deeltijds tewerkgestelde werknemers, die de bij de vorige paragraaf vastgestelde grenzen niet bereiken, met overwerk gelijkstellen. 9 §
- Een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités kan toelaten dat de krachtens § 1 verschuldigde toeslag in bijkomende inhaalrust wordt omgezet. In het kader van dergelijke overeenkomst geeft elk uur overwerk, dat met een toeslag van 50 % moet worden betaald, recht op ten minste een half uur inhaalrust, terwijl elk uur overwerk, dat met een toeslag van 100 % wordt betaald, recht geeft op ten minste één uur inhaalrust ». B.3.
- Uit artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart 1971, gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 4 december 1998 « tot omzetting van sommige bepalingen van de EG-richtlijn 93/104 van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd », blijkt dat artikel 29 van de wet van 16 maart 1971 niet van toepassing is op : « de personen tewerkgesteld door het Rijk, de provinciën, de gemeenten, de openbare instellingen die er onder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien zij tewerkgesteld zijn door instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen ». B.
- De verzoekende partijen zijn tewerkgesteld door instellingen die onder de gemeenten ressorteren en geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen in de zin van artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart
- Zij betogen dat zij ertoe kunnen worden gebracht overwerk te presteren in de zin van artikel 29, § 2, van dezelfde wet, op grond waarvan zij tot vergoeding van dat werk recht hebben op een overwerktoeslag. B.
- Met de in B.1.2 bedoelde woorden behoudt de bestreden bepaling het voordeel van de daarbij ingevoerde belastingvermindering voor aan de werknemers die zijn tewerkgesteld door een werkgever die is onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. B.6.
- Artikel 2, § 3, 1, eerste lid, van de wet van 5 december 1968, gewijzigd bij artikel 95 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, luidt : « Deze wet is niet van toepassing op :
- degenen die in dienst zijn van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschapscommissies, de provincies, de gemeenten, de daaronder ressorterende openbare 10 instellingen en de instellingen van openbaar nut met uitzondering van de NV Federale Participatiemaatschappij, van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, van het Participatiefonds, van de Nationale Delcrederedienst, van de Nationale Bank van België, van de NV CREDIBE en van de NV Nationale Loterij ». B.6.
- De werkgever van de verzoekende partijen is derhalve niet onderworpen aan de wet van 5 december
- B.
- De in B.1.2 bedoelde woorden hebben dus tot gevolg dat de verzoekende partijen de bij het nieuwe artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevoerde belastingvermindering niet genieten, zodat zij hun situatie rechtstreeks en ongunstig kunnen aantasten. B.
- De beroepen zijn ontvankelijk in zoverre de in B.1.2 bedoelde woorden tot gevolg hebben het voordeel van die belastingvermindering te ontzeggen aan de werknemers die zijn tewerkgesteld door een overheidsinstelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent. Ten gronde B.
- Uit de uiteenzetting van de verzoekschriften blijkt dat het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 - met de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling zouden invoeren tussen : - twee categorieën van werknemers aan wie op grond van artikel 29 van de wet van 16 maart 1971 een overwerktoeslag wordt toegekend : diegenen op wie de wet van 5 december 1968 van toepassing is en diegenen die zijn tewerkgesteld door een overheidinstelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent; - twee categorieën van werknemers aan wie op grond van artikel 29 van de wet van 16 maart 1971 een overwerktoeslag wordt toegekend en die zijn tewerkgesteld door een 11 instelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent : enerzijds, diegenen die zijn tewerkgesteld door een privé-instelling en, anderzijds, diegenen die zijn tewerkgesteld door een overheidsinstelling. B.
- In beginsel zijn op de werknemers van de overheidssector en de werknemers van de privésector verschillende regels van toepassing. Aangezien het door de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoord is dat zij aan verschillende systemen onderworpen zijn, kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt. B.
- De werknemers uit de privésector genieten de belastingvermindering waarin artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziet, terwijl de werknemers die behoren tot de overheidssector in de regel dat belastingvoordeel niet kunnen genieten. B.12.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of op de werknemers in kwestie de wet van 5 december 1968 van toepassing is. Dat criterium is tevens pertinent ten opzichte van het door de wetgever nagestreefde doel. De bestreden wetsbepaling is het concrete resultaat van een ontwerp van interprofessioneel akkoord waarover voor de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2006 is onderhandeld tussen de sociale partners van de privésector. Hoewel dat akkoord in de ontwerpfase is gebleven doordat een vakorganisatie heeft geweigerd ertoe toe te treden, beoogde de wetgever niettemin de « uitvoering van het ontwerp van interprofessioneel akkoord 2005-2006, dat de Regering tot het hare heeft gemaakt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1767/001, p. 6). B.12.
- Een ontwerp van interprofessioneel akkoord kan bepalingen bevatten die betrekking hebben op verschillende onderwerpen en die zoals de onderhandelaars ervan dat hebben gewild met elkaar kunnen zijn verbonden. B.12.
- Uit de lezing van het ontwerp van interprofessioneel akkoord van 18 januari 2005 blijkt dat onderlinge verbintenissen zijn aangegaan, met name wat betreft de loonnorm, 12 het algemeen niveau van sommige investeringen, de opleiding en de arbeidsorganisatie. Verschillende van die verbintenissen vereisten een overheidsfinanciering waarvan de regeling in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet als volgt wordt gepreciseerd : « De regering heeft met het oog op de uitvoering van dat akkoord een aanzienlijke budgettaire inspanning gedaan : – een fiscale maatregel van 80 miljoen euro voor de nieuwe regeling inzake overuren; – een verbreding van de maatregel van niet-storting van de voorheffing voor de vennootschappen, wat neerkomt op een fiscale uitgave van 120 miljoen euro; – een belastinguitgave van 80 miljoen euro ten behoeve van de minima; – een uitbreiding van het geldingsgebied van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, wat 7 miljoen euro zal kosten; – een toewijzing van 5 miljoen euro voor het Fonds ter bevordering van de toegang tot arbeid voor personen met een handicap » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1767/005, pp. 3 en 4). B.12.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de belastingvermindering waarin artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziet, één van de financieringsmaatregelen is die de Staat heeft beslist op zich te nemen teneinde het ontwerp van interprofessioneel akkoord te kunnen uitvoeren. B.
- Gelet op het voorgaande, is het niet kennelijk onredelijk dat de wetgever dat belastingvoordeel niet toekent aan de werknemers die zijn tewerkgesteld door een overheidsinstelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent. Hij vermocht immers rekening ermee te houden dat dat voordeel uitvoering geeft aan een ontwerp van interprofessioneel akkoord dat niet van toepassing is op die werknemers en waarvan de onderling aangegane verbintenissen met elkaar verbonden kunnen zijn. B.
- Het enige middel in de zaak nr. 3766 en het enige middel in de zaak nr. 3846 zijn niet gegrond. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div