← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.051

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.051 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070328.1 Arrest- Rolnummer: 51/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-14 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-06-29 10:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 2 december 2004 tot geldigverklaring van het besluit van 12 september 2002 houdende het gewestelijk ontwikkelingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, ingesteld door Nicolas Jancen en Vladimir Jancen. Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Gewestelijk ontwikkelingsplan - Wettelijke validatie. Wettelijke bepalingen: Ordonnantie (Brussel) - 02-12-2004 - 42 ELI link Pub nr 2005031381 Tekst van de beslissing Rolnummer 3971 Arrest nr. 51/2007 van 28 maart 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 2 december 2004 tot geldigverklaring van het besluit van 12 september 2002 houdende het gewestelijk ontwikkelingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, ingesteld door Nicolas Jancen en Vladimir Jancen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 april 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 april 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 2 december 2004 tot geldigverklaring van het besluit van 12 september 2002 houdende het gewestelijk ontwikkelingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 oktober 2005, tweede editie), door Nicolas Jancen, wonende te 1180 Brussel, Private Weg ’t Cortenbosch 39, en Vladimir Jancen, wonende te 1180 Brussel, Groeselenbergstraat

  1. Op de openbare terechtzitting van 28 februari 2007 : - zijn verschenen : Mr. A. Delfosse en Mr. M. Pilcer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de situatie van de verzoekende partijen A.
  2. De verzoekende partijen voeren aan dat zij eigenaar zijn van een hotel op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Een van hen heeft in 1998 een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning ingediend voor werkzaamheden in dat gebouw. Die vergunning is toegekend op 23 oktober 2003, maar maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring dat de stad Brussel heeft ingesteld bij de Raad van State, waarvoor het beroep nog steeds hangende is. Het gewestelijk ontwikkelingsplan (hierna : GewOP), aangenomen op 12 september 2002 door de Gewestregering, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2002, is een instrument voor de globale planning van de gewestelijke ontwikkeling en benadeelt de verzoekende partijen in zoverre het een goed dat hun toebehoort, opneemt in een perimeter voor begroening en de realisatie van groene ruimten, waarin de mogelijkheid om het mechanisme te genieten dat is ingevoerd door het voorschrift 0.9 van het gewestelijk bestemmingsplan en, in voorkomend geval, door een soortgelijk voorschrift van de toepasselijke bijzondere bestemmingsplannen, niet zal bestaan voor de in huizenblokken gesitueerde goederen. Zij hebben daarvan de nietigverklaring gevorderd bij de Raad van State, door aan te voeren dat het GewOP een verordenende handeling was die voor advies aan de afdeling wetgeving had moeten worden voorgelegd. In zijn verslag van oktober 2003 stelt het auditoraat van de Raad van State hen in het gelijk. 3 In november 2004 wordt voor het Brusselse Parlement een voorstel van ordonnantie ingediend om het besluit van 12 september 2002 te bekrachtigen, gelet op het risico dat dat besluit door de Raad van State nietig wordt verklaard en op de nadelige gevolgen van die nietigverklaring, waarbij de aanneming van een nieuw plan de tenuitvoerlegging kan vertragen van elk beleid dat van het plan afhankelijk is. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.
  3. De verzoekende partijen voeren aan dat zij over het vereiste belang bij het beroep beschikken. Zij worden immers rechtstreeks door de bestreden handeling geraakt in zoverre die hun de mogelijkheid ontneemt dat het beroep tot nietigverklaring dat zij tegen het GewOP bij de Raad van State hebben ingesteld, tot een goed einde wordt gebracht. Ten gronde A.
  4. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet en van het beginsel van de scheiding der machten. De verzoekende partijen voeren aan dat de wettelijke bekrachtiging door de bestreden ordonnantie hun het voordeel van hun beroep bij de Raad van State ontneemt, terwijl geen enkele uitzonderlijke omstandigheid dat verantwoordt, en dat zij afbreuk doet aan de scheiding der machten, terwijl de bevoegdheid om geschillen te beslechten is voorbehouden aan de rechtscolleges en artikel 13 van de Grondwet verbiedt dat de bij de wet ingevoerde rechtsmiddelen worden afgewend. A.
  5. De verzoekende partijen betwisten de motieven die de wetgever aanvoert om de aanneming van de bestreden handeling te verantwoorden. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de ordonnantie ertoe strekt het ernstige risico van een nietigverklaring door de Raad van State af te wenden, terwijl die handelwijze reeds in 1983 werd veroordeeld in een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en daarna in het arrest nr. 30/93 van het Hof. A.
  6. Volgens de verzoekende partijen is de verantwoording die is afgeleid uit het feit dat de gedeeltelijke nietigverklaring van het GewOP, ook al wordt die tot enkele percelen beperkt, gevolgen zal hebben voor alle bepalingen van het GewOP, vermits de exceptie van onwettigheid vervat in artikel 159 van de Grondwet het mogelijk zou maken elke op dat plan gegronde beslissing in het geding te brengen, niet aanvaardbaar, daar er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de eventuele gedeeltelijke nietigverklaring van het GewOP en de mogelijkheid de wettigheid ervan te betwisten door middel van artikel 159 van de Grondwet, aangezien dat artikel autonoom kan worden aangevoerd (ook al vergemakkelijkt een nietigverklaring het bewijs van de onwettigheid). Het is evenmin juist dat de bekrachtiging het mogelijk zou maken dat beslissingen die op het GewOP zijn gegrond of daarnaar verwijzen, niet in het geding worden gebracht door middel van artikel 159 van de Grondwet. Op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 kunnen de hoven en rechtbanken en de Raad van State de bestaanbaarheid van de Brusselse ordonnanties met de Grondwet immers nagaan, met uitzondering van de artikelen die aan de exclusieve toetsing door het Arbitragehof zijn onderworpen en van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de respectieve bevoegdheden van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten. De bestreden handeling is echter in het bijzonder voor kritiek vatbaar in het licht van het beginsel van de scheiding der machten en van de artikelen van de Grondwet die de jurisdictionele instantie de bevoegdheid toekennen om geschillen te beslechten. Zij is in strijd met artikel 162 van de Grondwet. Het risico dat elke op het GewOP gegronde beslissing wordt betwist op basis van artikel 159 van de Grondwet lijkt ten slotte niet vast te staan, vermits men zich bijvoorbeeld niet kan inbeelden dat de gemeenten geen kennis hebben gehad van het advies van het auditoraat van oktober
  7. In de parlementaire voorbereiding wordt echter geen gewag gemaakt van betwistingen, terwijl het voorstel van ordonnantie pas in november 2004 is ingediend en de ordonnantie van 2 december 2004 pas in oktober 2005 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Het risico dat de samenhang van het gewestelijk beleid wordt aangetast, is dus niet aangetoond. A.
  8. Volgens de verzoekende partijen is de verantwoording die is afgeleid uit het feit dat het GewOP nauwkeurige juridische gevolgen heeft, alsook een rechtstreekse weerslag op talrijke bepalingen (inzake begroting, ruimtelijke ordening en steun aan de gemeenten), en uit het feit dat het niet redelijk denkbaar is dat 4 die bepalingen worden gewijzigd, evenmin aanvaardbaar, aangezien er nauwelijks meer dan dertien teksten zijn die, in sommige van de bepalingen ervan, naar het GewOP verwijzen. Sinds de onwettigheid ervan is aangeklaagd, was het mogelijk de vereiste wijzigingen aan te brengen, in plaats van de rechten van de rechtzoekenden aan te tasten. A.
  9. De verzoekende partijen betwisten ook de verantwoording die is afgeleid uit het feit dat het, gelet op de duur van de totstandkomingsprocedure, niet denkbaar zou zijn een nieuw GewOP aan te nemen binnen termijnen die de tenuitvoerlegging van het gewestelijk beleid dat onder het GewOP valt, niet in het gedrang zouden brengen, vermits de onwettigheid reeds in oktober 2003 is aangeklaagd en in de twee daaropvolgende jaren een nieuw GewOP tot stand had kunnen worden gebracht. A.
  10. De verzoekende partijen betwisten ten slotte de verantwoording die is afgeleid uit het feit dat het GewOP nauwkeurige juridische gevolgen heeft die een weerslag hebben op de tenuitvoerlegging van talrijke begrotingsbepalingen. Het is immers tegenstrijdig om aldus het verordenende karakter van het GewOP aan te voeren, terwijl dat karakter - waarop de Raad van State in 1998 nochtans had gewezen in zijn advies betreffende de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw - de Gewestregering niet ertoe had gebracht het GewOP voor advies aan de Raad van State voor te leggen. Hoe dan ook konden andere middelen worden aangewend om het gewestelijk beleid te vrijwaren. Evenzo is de rechtszekerheid niet toegenomen en zelfs niet gevrijwaard door de bestreden bekrachtiging, vermits de grondwettigheid van de beslissingen die zouden worden genomen door naar het aldus bekrachtigde GewOP te verwijzen, voor de rechtscolleges zal kunnen worden bestreden op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. -B- B.
  11. De ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 2 december 2004 tot geldigverklaring van het besluit van 12 september 2002 houdende het gewestelijk ontwikkelingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bepaalt : « Artikel
  12. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet. Art.
  13. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 september 2002 tot goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan wordt geldig verklaard met ingang van de datum waarop het in werking treedt. Deze geldigverklaring sorteert effect tot het in werking treden van het volgend ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan aangenomen overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Art.
  14. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. […] ». 5 B.
  15. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepalingen dat zij de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet en het beginsel van de scheiding der machten schenden, doordat de bekrachtiging bij artikel 2 van de ordonnantie van 2 december 2004 hun het voordeel ontneemt van het beroep dat zij voor de Raad van State hadden ingesteld om de nietigverklaring te verkrijgen van het besluit van 12 december 2002 en doordat die bekrachtiging de rechtscolleges belet geschillen te beslechten die onder hun uitsluitende bevoegdheid vallen. B.
  16. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden ordonnantie wordt gewezen op het voornemen van de auteurs van het voorstel dat aan de basis ervan ligt : «
  17. Op 20 september 2001, keurde de Brusselse Hoofdstedelijke Regering het ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan goed. Dit ontwerp is niet voorafgaandelijk om advies aan de Afdeling Wetgeving van de Raad van State voorgelegd. Op 12 september 2002, heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering het gewestelijk ontwikkelingsplan goedgekeurd. De tekst van dit besluit is evenmin om advies voorgelegd. Tegen dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 september 2002 houdende goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan, zijn verschillende beroepen tot nietigverklaring ingediend. In een verslag van 6 oktober 2003, besluit de auditeur-verslaggever dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Hij is van oordeel dat men het gewestelijk ontwikkelingsplan voorafgaandelijk om advies aan de Afdeling Wetgeving van de Raad van State had moeten voorleggen, vermits dit besluit een verordenende draagwijdte zou hebben.
  18. De eventuele gevolgen van zo'n, zelfs gedeeltelijke nietigverklaring, zijn tweeërlei. Enerzijds, ten opzichte van de percelen waarvoor de nietigverklaring is uitgesproken en, anderzijds, ten opzichte van het geheel van de bepalingen van het gewestelijk plan. De uitzondering van onwettelijkheid, vervat in artikel 159 van de Grondwet, zou het mogelijk maken terug te komen op elke beslissing die op het gewestelijk ontwikkelingsplan gebaseerd zou zijn. De waarschijnlijke gebreken van het gewestelijk ontwikkelingsplan zouden dus door het opstellen van een nieuw plan moeten worden bijgestuurd. Gezien de verplichting om een milieueffectenrapport op te stellen, alsook een nieuw openbaar onderzoek te houden, moet men rekening houden met de impact van de duur van die bijsturingsprocedure voor tal van gewestelijke beleidsgebieden waar de uitvoering van het beleid onder meer afhankelijk is van de overeenstemming van de projecten met de voorschriften van het GewOP. 6 Belangrijke budgetten die onder meer aan de gemeenten en aan de economische ontwikkeling besteed worden, dreigen in zekere zin bevroren te worden gedurende de opstelling van het nieuw gewestelijk ontwikkelingsplan. Immers, aan bepaalde elementen van het gewestelijk ontwikkelingsplan zijn welbepaalde juridische effecten verbonden door verschillende wetgevingen of verordeningen. Die juridische effecten hebben een rechtstreekse weerslag op de uitvoering van talloze begrotingsbepalingen. Zonder volledig te zijn, kan men vermelden : - artikel 46 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals gewijzigd door de ordonnantie van 20 december 2002 dat in een verhoging van het fiscaal abattement voorziet ' wanneer de verkrijging een onroerend goed betreft dat ligt binnen een ruimte voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting en de stadsvernieuwing, zoals afgebakend in het gewestelijk ontwikkelingsplan tot uitvoering van de artikelen 16 tot 24 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw '; - de ordonnantie van 21 december 1998 tot vaststelling van de regels voor de verdeling van de algemene dotatie aan de gemeenten van het Gewest; ordonnantie die, op het gebied van de verdeling van de dotaties-uitgaven, bepaalt dat ' het vijfde deel, gelijk aan twintig percent, wordt verdeeld naar rata van de oppervlakte van het gemeentelijk grondgebied gelegen in de ruimte voor verhoogde ontwikkeling van de huisvesting zoals deze werd afgebakend door het gewestelijk ontwikkelingsplan vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 16 tot 24 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw '; - de ordonnantie van 16 juli 1998 betreffende de toekenning van subsidies om investeringen van openbaar nut aan te moedigen, die de subsidieerbare investeringen als volgt bepaalt : ' wat betreft de wegeninfrastructuur : a) de realisatie van wegen voorzien in het gewestelijk ontwikkelingsplan of in de gemeentelijke ontwikkelingsplannen; ' en ' wat betreft de groene ruimte : a) de verwerving van terreinen die zullen dienen als groene ruimte toegankelijk voor het publiek, indien het terrein gelegen is in het gebied voor prioritaire ingroening op het gewestelijk ontwikkelingsplan of indien dit plan voorziet in de aanleg van een groene ruimte op die plaats; '. Evenzo, wordt voor de berekening van de subsidie bepaald : ' dit percentage wordt echter verhoogd tot zestig percent voor de werken en studies die voorkomen in de lijst van de prioriteiten van het gewestelijk ontwikkelingsplan die de Regering vastlegde '; - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 mei 2002 betreffende de toekenning van premies voor de verfraaiing van gevels, dat de premie afhankelijk maakt van het feit of het gebouw al dan niet gelegen is in een ruimte voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting en de renovatie, dan wel langs een structurerende ruimte in het gewestelijk ontwikkelingsplan. Hetzelfde geldt voor het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke 7 Regering van 13 juni 2002 betreffende de toekenning van premies voor de renovatie van het woonmilieu; - het besluit van 28 maart 2002 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toekenning van toelagen aan verenigingen of groeperingen van verenigingen die een lokaal ontwikkelingsprogramma uitvoeren op het vlak van geïntegreerde stadsrenovatie, dat in zijn artikel 9 als toekenningsvoorwaarden voor de subsidie verplicht ' voor de vereniging die op plaatselijk vlak actief is inzake adviesverlening betreffende renovatie : (…) b) hoofdzakelijk werkzaam te zijn in de ruimte voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting en de renovatie '. Het is totaal onredelijk om de talloze verordenende of wettelijke bepalingen die naar het GewOP verwijzen, te willen wijzigen. Het is evenmin wenselijk te hopen op de goedkeuring van een nieuw GewOP binnen een termijn die de uitvoering van het gewestelijk beleid dat van dit GewOP afhangt, niet in gevaar zou brengen. Men moet van die beide hypothesen afstappen, aangezien men het gewestelijk beleid in kwestie in 2005 wil voortzetten. Een wettelijke geldigverklaring van het gewestelijk ontwikkelingsplan lijkt derhalve de enige denkbare oplossing, vermits men enkel op die manier de samenhang van het begrotingsbeleid, van het beleid inzake ruimtelijke ordening en de desbetreffende tegemoetkomingen kan vrijwaren. Op dat punt, zal men rekening moeten houden met : - de draagwijdte van het desbetreffende instrument, zowel in de hiërarchie van de plannen van aanleg als op het gebied van de gewestelijke hulp; - het feit dat de wetgever er niet naar streeft de rechtsonderhorigen hun recht op beroep te ontzeggen, maar de samenhang van het beleid inzake ruimtelijke ordening en de daarbijhorende tegemoetkomingen wil veiligstellen; - de moeilijkheden die met het opstellen van een nieuw gewestelijk ontwikkelingsplan gepaard gaan (duur van de procedure voor de milieueffectenbeoordeling en bevriezing van de tegemoetkomingen gedurende de opmaakprocedure, weerslag op de begroting) » (Parl. St., Brussels Parlement, 2004-2005, nr. A/80-1, pp. 1 tot 4). B.4.
  19. Weliswaar hebben wetsbepalingen die bepalingen bekrachtigen die aan de beoordeling van de Raad van State zijn voorgelegd, tot gevolg de Raad van State te verhinderen zich ten gronde uit te spreken over de eventuele onregelmatigheid van die bepalingen. De categorie van burgers op wie die van toepassing waren, wordt op verschillende wijze behandeld ten opzichte van de andere burgers wat de jurisdictionele waarborg betreft die bij artikel 13 van de Grondwet en artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is toegekend. Daaruit volgt evenwel niet noodzakelijk dat de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet zouden zijn geschonden. 8 B.4.
  20. Door het gewestelijk ontwikkelingsplan in een ordonnantie te regelen, heeft de ordonnantiegever zelf een bevoegdheid willen uitoefenen die hem toekomt. B.4.
  21. Het loutere bestaan van beroepen voor de Raad van State verhindert niet dat de onregelmatigheden waardoor de bestreden handeling zou kunnen zijn aangetast, zouden kunnen worden verholpen, zelfs vóór de uitspraak over die beroepen. B.4.
  22. Het gebrek dat voor de Raad van State wordt aangevoerd tegen het bekrachtigde besluit en dat, zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, de bestreden ordonnantie moet verhelpen, bestaat erin dat niet is voorzien in de raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State waaraan de Regering het ontwerp van besluit had moeten voorleggen. Die onregelmatigheid, in de veronderstelling dat zij vaststaat, heeft voor de partijen die het koninklijk besluit voor de Raad van State hadden bestreden, niet het onaantastbare recht kunnen doen ontstaan om voor altijd te zijn vrijgesteld van de naleving van de door het gewestelijk ontwikkelingsplan opgelegde verplichtingen, wanneer die zouden steunen op een nieuwe handeling waarvan de grondwettigheid onbetwistbaar zou zijn. Die nieuwe handeling zou alleen ongrondwettig zijn indien zij zelf de in het middel vermelde bepalingen zou schenden. B.4.
  23. De ordonnantiegever vermocht te oordelen dat de nietigverklaring van het besluit tot vaststelling van het gewestelijk ontwikkelingsplan ertoe zou leiden dat het beleid dat hij ten uitvoer wilde leggen na de aanneming van dat plan en tegelijk ook de maatregelen die ter uitvoering ervan zouden worden genomen, in het geding zouden worden gebracht en dat, gelet op het belang van het instrument dat het plan is, het in het geding brengen van dat beleid en van die maatregelen een uitzonderlijke omstandigheid bleek die zijn optreden verantwoordde. De nietigverklaring van een verordenende maatregel wegens een vormgebrek maakt het immers mogelijk om, op grond van artikel 159 van de Grondwet, de ter uitvoering van die maatregel genomen bepalingen in het geding te brengen. Zoals de verzoekende partijen verklaren, kan de ordonnantie die het besluit bekrachtigt weliswaar voor de hoven en rechtbanken en voor de Raad van State worden betwist op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Die toetsing is evenwel beperkt tot de bestaanbaarheid van de ordonnantie met de in artikel 9 vermelde bepalingen van de Grondwet en van de voormelde bijzondere wet, derwijze dat de bekritiseerde bekrachtiging de rechtsonzekerheid beperkt. De door de verzoekende partijen 9 aangevoerde omstandigheid dat het aantal maatregelen die ter uitvoering van het gewestelijk ontwikkelingsplan zijn genomen, beperkt zou zijn, is niet van dien aard dat zij dat besluit kan ontkrachten, gelet op de grote draagwijdte van dat plan en op de ingewikkelde procedures die de tenuitvoerlegging ervan veronderstelt. Ook de omstandigheid dat een ruime termijn zou zijn verlopen tussen het ogenblik waarop het advies van de auditeur van de Raad van State dat tot de onwettigheid van het gewestelijk plan heeft besloten, bekend was en het ogenblik dat de bestreden ordonnantie is genomen en bekendgemaakt, heeft geen gevolgen, aangezien dat advies niet belet dat het plan verder ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en dat de ordonnantiegever - wiens werkzaamheden overigens zijn onderbroken door een vernieuwing van de vergadering tijdens die periode - vermocht ervan uit te gaan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren, dat advies niet volstond om zijn onmiddellijk optreden noodzakelijk te maken. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 maart
  24. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.