id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.052 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070328.9 Arrest- Rolnummer: 52/2007 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-06-05 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-06-29 11:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Burgerlijk recht - Erfenissen - Vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot - Recht om de omzetting te vorderen -
- Buitenechtelijk kind -
- Andere erfgenamen. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 745quater,#1,L2 - 32 ELI link Pub nr 1804032152 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3990 Arrest nr. 52/2007 van 28 maart 2007 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 mei 2006 in zake Chantal Dueni Nedi tegen Justine Ngoie Ya Kachina Umba en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 17 mei 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, doordat het de buitenechtelijke kinderen verbiedt de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot te vorderen terwijl die mogelijkheid wel openstaat voor de andere afstammelingen en zelfs voor de geadopteerde kinderen van de overledene, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, alsmede met artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Justine Ngoie Ya Kachina Umba, die woonplaats heeft gekozen te 1050 Brussel, Louizalaan 453; - Chantal Dueni Nedi, wonende te 1050 Brussel, Louizalaan 87/5; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 februari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. J.-F. Romain, advocaat bij de balie te Brussel, voor Justine Ngoie Ya Kachina Umba; . Mr. V. Wyart loco Mr. A.-C. Van Gysel, advocaten bij de balie te Brussel, voor Chantal Dueni Nedi; . Mr. A. Marc loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Gabriel Umba Kyamitala, overleden op 11 juni 2000, laat als erfgenamen achter, enerzijds, zijn langstlevende echtgenote, Justine Ngoie, en hun twee meerderjarige kinderen, Gisèle Umba en Guy Umba, en, anderzijds, Bérénice Dueni, die in 1996 werd geboren uit een buitenechtelijke relatie met Chantal Dueni Nedi, en wiens afstamming van Gabriel Umba is vastgesteld bij een Congolese « acte d’affiliation » die werd erkend bij een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 januari
- Bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel is door Chantal Dueni, uit naam van haar minderjarige dochter Bérénice, een vordering ingesteld tot opvordering van nalatenschappen. Zij verzoekt de Rechtbank het einde van de onverdeeldheid te bevelen op grond van artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, alsook de omzetting in kapitaal van het vruchtgebruik dat aan de langstlevende echtgenote werd toegekend op de onroerende goederen die in België zijn gelegen, met toepassing van artikel 745quater van het Burgerlijk Wetboek. De Rechtbank stelt vast dat die vordering niet kan worden ingewilligd wegens artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, omdat zij werd ingediend uit naam van een kind dat tijdens het huwelijk werd verwekt door de overledene en een andere persoon dan de langstlevende echtgenoot. Hij wijst erop dat die bepaling aanleiding zou kunnen geven tot twee vormen van discriminatie die strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en stelt dan ook de voormelde vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de regel die is vastgelegd in de in het geding zijnde bepaling, strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre hij aanleiding geeft tot een verschil in behandeling op grond van geboorte en niet evenredig is met het door de wetgever nagestreefde doel. Zij voegt eraan toe dat het nagestreefde doel klaarblijkelijk in strijd is met de nationale en internationale beginselen ter zake, en meer bepaald met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. A.
- De verwerende partij voor de verwijzende rechter doet gelden dat de in het geding zijnde bepaling tot doel heeft de langstlevende echtgenoot te beschermen tegen de vorderingen tot omzetting van het vruchtgebruik, ingesteld door een buitenechtelijk natuurlijk kind, en in een evenwichtige regeling te voorzien voor die echtgenoot en de andere erfgenamen. Zij doet opmerken dat, in het licht van die doelstelling, het buitenechtelijk natuurlijk kind zich niet in dezelfde situatie bevindt als de wettige en geadopteerde kinderen. A.
- De Ministerraad stelt het Hof ervan in kennis dat een ontwerp van wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, werd goedgekeurd door de Kamer en door de Senaat en ter ondertekening aan de Koning is voorgelegd. Uit de bepalingen van dat ontwerp volgt dat artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zal worden opgeheven bij de inwerkingtreding van de wet. Hij verklaart bijgevolg zich te gedragen naar de wijsheid van het Hof. -B- B.
- Artikel 745quater, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel 4 of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente. Het kind dat tijdens het huwelijk verwekt is door de overledene en een andere persoon dan de langstlevende echtgenoot, kan niet om de omzetting van het vruchtgebruik verzoeken ». B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op het tweede lid van die bepaling en verzoekt het Hof zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van dat tweede lid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het aanleiding geeft tot een verschil in behandeling tussen het buitenechtelijke kind en de andere erfgenamen van de de cujus, wat betreft het recht om de omzetting te vorderen van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot. B.
- Het Hof stelt vast dat bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan - die werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2006, zesde editie - onder andere artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt opgeheven. De wetgever heeft met die bepaling een einde willen maken aan de « beperking[en] van de rechten van overspelige kinderen [, die] niet ter beoordeling aan het Arbitragehof werden voorgelegd, [… maar] desondanks strijdig [lijken] met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0597/001, p. 12). Met toepassing van artikel 26 van de voormelde wet van 1 juli 2006, dat werd ingevoegd bij artikel 373 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, derde editie), zal de wet van 1 juli 2006 in werking treden op de door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 juli
- Daaruit moet worden afgeleid dat, bij ontstentenis van een koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2006 vaststelt, artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek nog niet is opgeheven, zodat het Hof moet antwoorden op de prejudiciële vraag zoals ze is gesteld. B.
- Ook al berust het bekritiseerde verschil in behandeling op het objectieve criterium van de geboorte van het kind, toch moet het Hof nagaan of dat criterium relevant is rekening 5 houdend met het onderwerp van de in het geding zijnde norm, en of de schending van de rechten van het kind dat is geboren uit een buitenechtelijke relatie, niet onevenredig is met het doel van die norm. De controle door het Hof is strikter wanneer het fundamentele beginsel van de gelijkheid op grond van geboorte in het geding is. B.
- Onder de afstammelingen die erfgenaam zijn van de vooroverleden echtgenoot ontneemt de wet alleen de kinderen die tijdens het ingevolge het overlijden ontbonden huwelijk zijn geboren uit een buitenechtelijke relatie, de mogelijkheid om de omzetting van het vruchtgebruik te vorderen. Alle andere afstammelingen beschikken over de mogelijkheid om een einde te maken aan de relatie van de vruchtgebruiker tot de blote eigenaar waarin zij zich bevinden tegenover de langstlevende echtgenoot, ongeacht of zij uit het huwelijk zijn geboren of niet. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat het voor de wetgever « moeilijk te aanvaarden [is] » dat het buitenechtelijke kind, ofschoon het het recht behoudt om aan de nalatenschap van zijn ouder deel te nemen, de omzetting van het vruchtgebruik zou mogen vorderen, en dat hij de mogelijkheid daartoe heeft willen uitsluiten uit respect voor de beledigde echtgenoot : « Als een gehuwde man een buitenechtelijk kind erkent en overlijdt, verkrijgt zijn echtgenote het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap (b.v. een buitenverblijf waaraan zij om sentimentele redenen gehecht is); het in overspel verwekte kind zou evenwel de omzetting kunnen eisen ! […] Dat moet onmogelijk worden gemaakt » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 378/16, p. 71). B.
- Een verschil in behandeling inzake erfrecht tussen kinderen naar gelang van de omstandigheden van hun geboorte, dat alleen de kinderen benadeelt die zijn geboren uit een buitenechtelijke relatie, kan niet uitsluitend worden verantwoord vanuit de bekommernis de morele belangen van de langstlevende echtgenoot te beschermen : enerzijds, wordt immers de belediging van die laatste in geen enkel opzicht veroorzaakt door het kind zelf dat uit de buitenechtelijke relatie is geboren, « aan wie geen feiten kunnen worden verweten die niet aan hem te wijten zijn », en dat niet mag worden gestraft louter wegens de omstandigheden van zijn geboorte (EHRM, 1 februari 2000, Mazurek t. Frankrijk, § 54); anderzijds, verergert de belediging niet door de wens van dat kind om uit de relatie blote eigenaar-vruchtgebruiker te 6 treden, die hem aan de langstlevende echtgenoot bindt. Ten slotte is de verplichting om die relatie in stand te houden die, rekening houdend met de omstandigheden, conflictueus kan zijn en die nog jaren kan voortduren, van die aard dat de betrokken erfgenaam in zijn rechten wordt geschaad, terwijl de wetgever de andere afstammelingen heeft toegestaan een einde te maken aan diezelfde relatie door de omzetting van het vruchtgebruik te vorderen. De in het geding zijnde bepaling is niet redelijk verantwoord. B.
- De bescherming van de langstlevende echtgenoot en van het gezin van de overledene, wat het genot van hun voornaamste woning betreft, wordt overigens gewaarborgd door artikel 745quater, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt : « Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot ». B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 745quater, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div