← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.058

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.058 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070418.6 Arrest- Rolnummer: 58/2007 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-06-05 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-06-29 11:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het tot gevolg heeft dat een schuldeiser-overnemer die, bij één en dezelfde akte, een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering heeft ingesteld, de mogelijkheid wordt ontzegd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de vrederechter. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Overdracht loon PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Bescherming van het loon - Loonoverdracht - Procedure - Bekrachtiging van de overdracht - Vrederechter - Rechtsmiddelen - Ontstentenis van hoger beroep. # Gerechtelijk recht - Gerechtelijk Wetboek - Bevoegdheid - Rechtsmiddelen - Hoger beroep. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1965 - 31,L2 - 04 Link Justel databank 19650411-04 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3993 Arrest nr. 58/2007 van 18 april 2007 ___________ In zake : de prejudiciële vragen over artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke et J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 17 mei 2006 in zake de nv « Axa Bank Belgium » tegen Claire Barvaux, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 mei 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Schendt artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 [betreffende de bescherming van het loon der werknemers], zo geïnterpreteerd dat het tot gevolg heeft dat, wanneer de eiser de vordering ten gronde en de vordering tot bekrachtiging van de overdracht, om reden van de samenhang bij eenzelfde akte instelt voor de vrederechter, die partij de mogelijkheid wordt ontzegd hoger beroep in te stellen tegen de ten gronde gewezen beslissing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ten aanzien van het beginsel vervat in artikel 616 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de ten gronde gewezen beslissing vatbaar is voor hoger beroep indien de eiser de vordering ten gronde instelt bij een afzonderlijke akte voor de vrederechter of indien de eiser de vordering ten gronde en de vordering tot bekrachtiging van de overdracht van vergoeding (om reden van de samenhang) instelt bij dezelfde akte van rechtsingang voor de rechtbank van eerste aanleg op grond van haar gewone bevoegdheid ? »;
  2. « Is artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965, zo geïnterpreteerd dat het niet tot gevolg heeft dat, wanneer de eiser de vordering ten gronde en de vordering tot bekrachtiging van de overdracht, om reden van de samenhang bij eenzelfde akte instelt voor de vrederechter, die partij de mogelijkheid wordt ontzegd om hoger beroep in te stellen tegen de ten gronde gewezen beslissing, in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ten aanzien van het beginsel vervat in artikel 616 van het Gerechtelijk Wetboek ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Axa Bank Belgium » (voorheen de nv « Bank IPPA »), waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 2600 Berchem, Grotesteenweg 214; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 februari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. S. Davidts loco Mr. J.-M. van Durme, advocaten bij de balie te Luik, voor de nv « Axa Bank Belgium »; . Mr. I. Ficher loco Mr. G. Demez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter en haar echtgenoot hebben een lening op afbetaling aangegaan bij de vennootschap die voor de verwijzende rechter hoger beroep heeft ingesteld. Bij een aparte akte hebben zij eveneens een loonoverdracht toegestaan ten gunste van de appellante, tot waarborg van de verplichtingen die zij hebben aangegaan. Bij een brief van 25 juni 2002 stelt de appellante voor de verwijzende rechter de geïntimeerde partij in kennis van haar voornemen om de loonoverdracht uit te voeren. De loonoverdracht wordt uitgevoerd op 9 juli 2002, in handen van de werkgever van de geïntimeerde partij die op 14 november 2002 verzet aantekent tegen die overdracht. Ingevolge dat verzet stelt de appellante voor de verwijzende rechter, bij één en dezelfde akte, een procedure in voor de vrederechter, die ertoe strekt, enerzijds, de geïntimeerde partij te laten veroordelen tot betaling van het nog verschuldigde saldo van het geleende bedrag, verhoogd met de interesten en, anderzijds, de loonoverdracht die de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter heeft toegestaan, te bekrachtigen. De vrederechter veroordeelt de geïntimeerde partij tot betaling van een gedeelte van het door de appellante gevorderde bedrag en bekrachtigt de loonoverdracht, waarbij hij niettemin het bedrag van de maandelijkse afhoudingen beperkt. De appellante betwist die beslissing in zoverre de geïntimeerde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag dat lager is dan het bedrag dat de appellante had geëist. Krachtens artikel 31 van de in het geding zijnde wet, beslist de vrederechter in laatste aanleg in het kader van de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht, die bij hem aanhangig is gemaakt. Volgens een aanzienlijke strekking binnen de rechtspraak is de vrederechter echter bevoegd om kennis te nemen van alle betwistingen betreffende de vorm en de grond van de overdracht, en van de schuldvordering waarvan zij het accessorium vormt. Het is dan ook de vraag of het hoger beroep onontvankelijk moet worden verklaard voor de beslissing van de vrederechter in haar geheel, dan wel of daarentegen afzonderlijk moet worden beslist over de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de vordering ten gronde, enerzijds, en tegen de vordering tot bekrachtiging, anderzijds. Een aanzienlijke strekking binnen de rechtspraak en een zekere strekking binnen de rechtsleer zouden voorkeur hebben voor de eerste interpretatie. Niettemin zou een arrest van het Hof van Cassatie van 19 januari 2001 in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat de vrederechter bij wie een vordering tot bekrachtiging aanhangig is gemaakt, alleen de intrinsieke geldigheidsvoorwaarden van de overdracht mag controleren. Na erop te hebben gewezen dat de regel van de dubbele aanleg geen grondwettelijk beginsel is, noch een algemeen rechtsbeginsel, onderstreept de verwijzende rechter niettemin dat de uitzonderingen op zulk een regel, die is vastgelegd in de artikelen 616 en 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in strikte zin moeten worden geïnterpreteerd. De verwijzende rechter vermeldt het arrest van het Hof nr. 24/2000 van 23 februari
  3. Volgens hem heeft dat arrest echter betrekking op een zaak die verschilt van het voor hem hangende geschil. Hij acht het bijgevolg nodig de voormelde prejudiciële vragen te stellen. 4 III. In rechte -A- A.1.
  4. De appellante voor de verwijzende rechter onderstreept in de eerste plaats dat de in het geding zijnde bepaling op twee manieren kan worden geïnterpreteerd. Volgens de eerste interpretatie zou de vrederechter zich alleen over de bekrachtiging van de loonoverdracht in laatste aanleg uitspreken. Tegen het vonnis dat hij wijst over de vordering tot betaling zou daarentegen hoger beroep kunnen worden ingesteld. Het Arbitragehof, evenals het Hof van Cassatie, zouden die eerste opvatting hebben onderschreven. In een tweede interpretatie zou de vrederechter zich niettemin in eerste en in laatste aanleg uitspreken over zowel de bekrachtiging van de loonoverdracht als de eigenlijke vordering tot betaling. A.1.
  5. Het feit dat de appellante voor de verwijzende rechter, bij eenzelfde gedinginleidende akte, twee samenhangende vorderingen heeft ingesteld voor dezelfde vrederechter, zou op zich niet kunnen verantwoorden dat de beslissing van de vrederechter in globo in laatste aanleg wordt gewezen. Die partij is immers van mening dat, indien zij de twee vorderingen achtereenvolgens zou hebben ingesteld, alleen de vordering met betrekking tot de bekrachtiging van de loonoverdracht in laatste aanleg zou zijn berecht door de vrederechter. Op dezelfde wijze zou, indien zij de loonoverdracht niet had moeten laten bekrachtigen, de vordering om de geïntimeerde partij te laten veroordelen tot betaling van het nog verschuldigde saldo van de hoofdschuldvordering, enkel in eerste aanleg zijn berecht. A.1.
  6. In tegenstelling tot hetgeen de prejudiciële vragen zouden laten veronderstellen, zou artikel 856, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek erin voorzien dat, indien samenhangende zaken voor eenzelfde rechter aanhangig zijn, zij zelfs ambtshalve door die laatste kunnen worden gevoegd. Zelfs indien de appellante voor de verwijzende rechter haar vorderingen bij twee opeenvolgende akten zou hebben ingesteld, had de situatie dus identiek kunnen zijn aan die waarin die partij zich thans bevindt. Insgelijks, ook al is het juist dat de appellante voor de verwijzende rechter, wat de grond van haar vordering betreft, rechtstreeks voor de rechtbank van eerste aanleg, krachtens diens volheid van rechtsmacht, in rechte had kunnen treden, zou die handelwijze de geïntimeerde partij in staat hebben gesteld een exceptie van onbevoegdheid op te werpen, waardoor de zaak noodzakelijkerwijs zou zijn verwezen naar de vrederechter, die daarvoor over een bijzondere bevoegdheid beschikt. Daaruit volgt, volgens de appellante voor de verwijzende rechter, dat haar keuze om, bij één en dezelfde akte haar twee vorderingen in te stellen voor de vrederechter, oordeelkundig was en werd gedaan vanuit de bekommernis om een procedure uit te sparen. A.2.
  7. De Ministerraad wijst in de eerste plaats erop dat het arrest nr. 24/2000 van 23 februari 2000 betrekking had op een ander geval dan de voorliggende zaak. Hij is van mening dat het Arbitragehof de in het geding zijnde bepaling alleen heeft onderzocht in het kader van een uitgebreide opvatting van de niet-vatbaarheid voor hoger beroep van de beslissing van de vrederechter, in zoverre zelfs de beslissing ten gronde in laatste aanleg zou worden gewezen. A.2.
  8. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad op dat de regeling die vastligt in hoofdstuk VI van de in het geding zijnde wet, ertoe strekt de rechten te waarborgen van zowel de werknemer-overdrager als diens schuldeiser-overnemer. De in het geding zijnde bepaling zou de overnemer niet de rechtsmiddelen ontnemen die het Gerechtelijk Wetboek hem biedt. De bevoegdheid van de vrederechter zou immers een bijzondere, en geen exclusieve bevoegdheid zijn. Bijgevolg zou een ander rechtscollege, zoals de rechtbank van eerste aanleg, kennis kunnen nemen van een vordering tot bekrachtiging die werd samengevoegd met een vordering tot veroordeling ten gronde, met toepassing van de regels van samenhang. In dat geval zou de overnemer het voordeel van een dubbele aanleg genieten. 5 Wanneer de overnemer daarentegen beslist de vordering ten gronde en de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht voor de vrederechter in te stellen, beschikt hij over een vereenvoudigd rechtsmiddel dat hem in staat stelt om zo snel mogelijk en goedkoper over te gaan tot de uitvoering van de loonoverdracht, rekening houdend met de moeilijke en zwakke situatie van de werknemer-overdrager. Niets verhindert hem zijn vorderingen voor de vrederechter in te stellen bij twee afzonderlijke akten of bij één en dezelfde inleidende akte. In dat laatste geval is het juist dat de wetgever de mogelijkheid tot hoger beroep heeft beperkt. De keuze van die procedure zou echter neerkomen op een stilzwijgende afstand van de dubbele aanleg. A.2.
  9. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, zou de interpretatie van de verwijzende rechter impliceren dat alleen de beslissing over de bekrachtiging van de loonoverdracht in laatste aanleg zou worden gewezen. De Ministerraad ziet bijgevolg niet het verschil in behandeling, met een mogelijk discriminerend karakter. A.3.
  10. In haar memorie van antwoord betwist de appellante voor de verwijzende rechter de opvatting volgens welke zij impliciet afstand zou hebben gedaan van haar recht op hoger beroep. Zij herinnert immers eraan dat de rechtspraak en de rechtsleer verdeeld zijn over de interpretatie die moet worden gegeven aan de in het geding zijnde bepaling. Die partij zou bijgevolg niet met volle kennis van zaken hebben kunnen beslissen om afstand te doen van haar recht op hoger beroep, op het ogenblik dat zij, bij één en dezelfde akte, de twee vorderingen instelde voor de vrederechter. Overigens was zulk een handelwijze volgens haar vereist door de regels inzake bevoegdheid en procedurebesparing. A.3.
  11. De beginselen die het Hof heeft uiteengezet in het arrest nr. 24/2000, zouden in casu niet kunnen worden overgenomen omdat er geen sprake zou zijn geweest van enige onthouding of nalatigheid vanwege de appellante voor de verwijzende rechter. A.3.
  12. Overigens zou de wetgever, bij de goedkeuring van de in het geding zijnde bepaling, het recht op hoger beroep tegen de beslissing over de grond van het geschil niet hebben willen beperken. Het probleem van interpretatie van die bepaling zou immers vooral zijn ontstaan toen aan de vrederechter een bijzondere bevoegdheid inzake consumentenkrediet werd toegekend. A.3.
  13. De appellante voor de verwijzende rechter wijst verder nog erop dat, indien zij de twee vorderingen achtereenvolgens had ingesteld, de vrederechter alleen over de bekrachtiging van de loonoverdracht in laatste aanleg zou hebben beslist. Dat zou eveneens het geval zijn geweest indien de schuld geen lening op afbetaling was geweest - een bijzondere bevoegdheid van de vrederechter -, maar wel een verbintenis tot het betalen van een geldsom, die aan de rechtbank van eerste aanleg moet worden voorgelegd. A.4.
  14. De Ministerraad antwoordt dat de overnemer in de eerste plaats de keuze heeft om al dan niet, naast de bekrachtiging van de loonoverdracht, een uitvoerbare titel te vorderen voor het bedrag van het nog verschuldigde saldo. Zowel in het ene als in het andere geval heeft de beslissing van de vrederechter zowel betrekking op de regelmatigheid van de overdracht als op de grond van het recht, en wordt zij steeds in laatste aanleg gewezen. Immers, zelfs indien het geschil alleen betrekking heeft op de bekrachtiging van de overdracht, kan de verweerder het bestaan zelf van de schuld, of het bedrag ervan, betwisten, en is de vrederechter bevoegd om uitspraak te doen over alle betwistingen met betrekking tot zowel de vorm als de grond van de overdracht en van de hoofdschuldvordering. Wanneer de overnemer een uitvoerbare titel vordert, kan hij de vordering ten gronde en de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht voor de vrederechter instellen, krachtens diens bijzondere bevoegdheid. Hij doet dat, hetzij bij eenzelfde akte, hetzij bij twee verschillende akten. Hij kan echter evenzeer die twee samenhangende vorderingen instellen voor de rechtbank van eerste aanleg, krachtens diens gewone bevoegdheid. Hij geniet dan het voordeel van de dubbele aanleg voor die twee vorderingen. A.4.
  15. De Ministerraad merkt verder nog op dat niets de appellante voor de verwijzende rechter verhinderde om alleen de bekrachtiging van de overdracht voor de vrederechter te vorderen. 6 A.4.
  16. Bovendien zou zowel de werknemer-overdrager als de overnemer een aanleg worden ontnomen wanneer de kwestie ten gronde gelijktijdig met de bekrachtiging van de loonoverdracht door de vrederechter wordt beslecht. Aangezien het Hof in zijn arrest nr. 24/2000 van 23 februari 2000 heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een discriminerende behandeling van de werknemer-overdrager, kan dat a fortiori onmogelijk anders zijn ten aanzien van de overnemer. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.
  17. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Dat artikel is opgenomen in een hoofdstuk VI, met als titel « Procedure betreffende de overdracht van het loon ». Artikel 27 van die wet bepaalt de modaliteiten van de loonoverdracht. Artikel 28 betreft de procedure die de overnemer moet volgen om de uitvoering van de overdracht te verkrijgen. Artikel 29 stelt de termijn vast waarbinnen de overdrager zich kan verzetten tegen het voornemen tot uitvoering van de overdracht. Artikel 30 bepaalt de modaliteiten van de in de artikelen 28 en 29 bedoelde kennisgevingen. B.
  18. Artikel 31 van de in het geding zijnde wet bepaalt : « In geval van verzet roept de overnemer de overdrager bij aangetekende brief, toegezonden door een deurwaarder, voor de vrederechter van het kanton van de woonplaats van de overdrager, teneinde de overdracht te horen bekrachtigen. De vrederechter beslist in laatste aanleg, ongeacht het bedrag van de overdracht. Bij bekrachtiging kan de overdracht door de gecedeerde schuldenaar worden uitgevoerd op eenvoudige kennisgeving die hem door de griffier wordt gedaan binnen vijf dagen te rekenen van het vonnis ». 7 Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.3.
  19. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de mogelijke discriminatie waartoe de in het geding zijnde bepaling aanleiding zou geven indien zij in die zin zou worden geïnterpreteerd dat de schuldeiser-overnemer de mogelijkheid wordt ontzegd hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de vrederechter wanneer die schuldeiser, bij eenzelfde akte, een vordering tot bekrachtiging van de te zijnen gunste toegekende loonoverdracht en een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering die is gewaarborgd door de akte van loonoverdracht, heeft ingesteld, en wanneer de vrederechter over die twee vorderingen in eenzelfde vonnis heeft beslist. B.3.
  20. In die interpretatie vergelijkt de verwijzende rechter meer bepaald de situatie waarin die schuldeiser zich bevindt met die waarin hij zich zou bevinden indien hij diezelfde vorderingen zou hebben ingesteld, hetzij voor de vrederechter, maar bij twee afzonderlijke akten (eerste onderdeel), hetzij voor de rechtbank van eerste aanleg, bij één en dezelfde akte, overeenkomstig de artikelen 568 en 701 van het Gerechtelijk Wetboek (tweede onderdeel). B.
  21. Het staat in de regel niet aan het Hof om zijn eigen interpretatie van de toepasselijke normen in de plaats te stellen van die van de verwijzende rechter. Het is dus in die interpretatie dat het Hof antwoordt op de prejudiciële vraag. B.
  22. Artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 maakt integrerend deel uit van hoofdstuk VI van die wet betreffende de procedure inzake de overdracht van loon. De wetgever heeft in dat hoofdstuk een volledig systeem uitgebouwd waarbij hij op evenwichtige wijze de belangen van de schuldeisers en de belangen van de schuldenaars tegen elkaar heeft afgewogen. Ter bescherming van de schuldenaars heeft hij op straffe van nietigheid voorgeschreven dat de overdracht van loon moet gebeuren bij een akte, onderscheiden van die welke de hoofdverbintenis bevat en waarvan zij de uitvoering waarborgt, op te maken in zoveel exemplaren als er partijen zijn met een onderscheiden belang. In de gevallen waarin de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet toepasselijk is, moeten de bepalingen van de artikelen 28 tot 32 in de akte voorkomen (artikel 27). Alvorens tot overdracht over te gaan moet de overnemer de overdrager kennis geven van zijn voornemen de overdracht uit te 8 voeren (artikel 28). De overdrager kan zich binnen de tien daaropvolgende dagen verzetten tegen dat voornemen door daarvan kennis te geven aan de gecedeerde schuldenaar. Die moet op zijn beurt de overnemer daarvan in kennis stellen binnen de vijf daaropvolgende dagen en mag alsdan geen inhoudingen doen op het loon, zolang de overdracht van loon niet is bekrachtigd (artikel 29). Het komt de overnemer toe om in geval van verzet het initiatief te nemen om de overdracht door de vrederechter te laten bekrachtigen volgens een eenvoudige en goedkope procedure (artikel 31, eerste lid). De vrederechter moet, in de interpretatie van de verwijzende rechter, alvorens tot bekrachtiging over te gaan, alle bezwaren die door de schuldenaar worden aangebracht, zowel met betrekking tot de vorm en de inhoud van de overdracht, als met betrekking tot de hoofdschuldvordering, beoordelen. Ter bescherming van de schuldeiser bepaalt de wet niet enkel een eenvoudige en goedkope procedure, zij voorziet ook in een eenvoudige procedure wat betreft de uitvoering van de bekrachtiging van de overdracht (artikel 31, tweede lid) en in geval van wijziging van dienstbetrekking van de schuldenaar (de artikelen 32 en 33). B.
  23. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust in feite op de oorspronkelijke keuze van de schuldeiser-overnemer. In de interpretatie van de verwijzende rechter verhindert immers niets die laatste om rechtstreeks in rechte te treden voor de rechtbank van eerste aanleg of om voor de vrederechter, bij twee afzonderlijke akten, zijn vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en zijn vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering in te stellen. In die twee gevallen zou de schuldeiser, in voorkomend geval, alle beroepsmogelijkheden kunnen aanwenden waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet tegen de beslissing over de hoofdschuldvordering, waarbij hij impliciet aanvaardt dat die beroepsmogelijkheden hem worden ontzegd wanneer hij bij éénzelfde akte die twee vorderingen instelt voor de vrederechter. De wetgever, die in hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 een systeem heeft uitgewerkt dat zowel de belangen van de schuldenaars als die van de schuldeisers op doeltreffende wijze beschermt, kon, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, beslissen dat 9 vonnissen die in dat kader door de vrederechter worden gewezen op verzoek van de schuldeiser-overnemer, niet vatbaar moesten zijn voor hoger beroep. B.
  24. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  25. Het Hof wordt nog ondervraagd over de mogelijke discriminatie die zou voortvloeien uit de in het geding zijnde bepaling indien zij zou worden geïnterpreteerd in die zin dat zij niet tot gevolg heeft dat, wanneer de schuldeiser-overnemer bij éénzelfde akte voor de vrederechter een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering instelt, die partij de mogelijkheid wordt ontzegd om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing die werd gewezen over de gewaarborgde schuldvordering. B.
  26. In die interpretatie bestaat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet. B.
  27. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het tot gevolg heeft dat een schuldeiser-overnemer die, bij één en dezelfde akte, een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering heeft ingesteld, de mogelijkheid wordt ontzegd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de vrederechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 18 april
  28. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.058 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.