← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.059

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.059 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070418.7 Arrest- Rolnummer: 59/2007 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-06-05 Raadplegingen: 265 - laatst gezien 2026-06-29 11:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 1 en 22 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Beschermingsomvang auteursrecht - Uitzonderingen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 1 en 22 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, gesteld door de Vrederechter van het kanton Vorst. Intellectuele rechten - Auteursrecht - Recht van mededeling aan het publiek - Uitzonderingen - Ontstentenis van uitzondering voor verkopers van muziekwerken. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1994 - 1 - 35 ELI link Pub nr 1994009586 Wet - 30-06-1994 - 22 - 35 ELI link Pub nr 1994009586 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4006 en 4007 Arrest nr. 59/2007 van 18 april 2007 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 1 en 22 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, gesteld door de Vrederechter van het kanton Vorst. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee vonnissen van 14 juni 2006 in zake respectievelijk de nv « Sonica » en de nv « Record King » tegen de cvba « Belgische Vereniging van auteurs, componisten en uitgevers », waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 26 juin 2006, heeft de Vrederechter van het kanton Vorst de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden, doordat artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 [betreffende het auteursrecht en de naburige rechten] zonder onderscheid van toepassing is op alle verspreiders van muziek aan het publiek, ongeacht hun specifieke activiteiten en het met de verspreiding nagestreefde doel, waardoor aldus de verplichting wordt opgelegd tot betaling van auteursrechten voor de verspreiding, aan zijn cliënteel, van muziek waarbij men precies tot taak heeft die muziek voor te stellen en te verkopen ? »;
  2. « Zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden, doordat artikel 22 van de wet van 30 juni 1994, dat voor bepaalde categorieën van personen en/of instellingen die muziek publiekelijk verspreiden, voorziet in uitzonderingen wegens het specifieke karakter van hun activiteit of het doel van de verspreiding, niet voorziet in een uitzondering voor de muziekwinkels, terwijl zowel het specifieke karakter van die activiteit als het doel van de publieke verspreiding dezelfde specifieke behandeling zouden kunnen verantwoorden als die van de in artikel 22 van de wet van 30 juni 1994 beoogde personen en/of instellingen ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4006 en 4007 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Sonica » en de nv « Record King », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1190 Brussel, Sint-Denijsstraat 276; - de Ministerraad. Bij beschikking van 10 januari 2007 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 27 februari 2007 na de partijen te hebben uitgenodigd in een uiterlijk op 30 januari 2007 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift uitwisselen, hun standpunt mee te delen over de mogelijke gevolgen, voor de prejudiciële vragen, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, in het bijzonder van artikel 5 van die richtlijn. De nv « Sonica », de nv « Record King » en de Ministerraad hebben aanvullende memories ingediend. Bij beschikking van 31 januari 2007 heeft het Hof de zaken verdaagd naar de terechtzitting van 28 februari
  3. 3 Op de openbare terechtzitting van 28 februari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. P. Joassart loco Mr. P. Guillaume-Gentil en Mr. V. Timmerman, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « Sonica » en de nv « Record King »; . Mr. C. Eyers loco Mr. B. Dauwe en Mr. M. Karolinski loco Mr. P. Goffaux, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De cvba « Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers » (hierna : SABAM) heeft de nv « Sonica » en de nv « Record King » gedagvaard tot betaling van een schadevergoeding wegens niet-betaling van de rechten die verschuldigd waren bij de uitvoering van beschermde muziekwerken die tot het repertoire van SABAM behoren in winkels waar opgenomen muziek wordt verkocht en die aan de twee naamloze vennootschappen toebehoren. De rechter, uitspraak doende bij verstek, heeft het verzoek ingewilligd en de twee vennootschappen hebben verzet aangetekend. De verwijzende rechter stelt vast dat de twee vennootschappen niet ontkennen dat zij beschermde muziek verspreiden die tot het repertoire van SABAM behoort, en is op grond van de vaststellingen waarover hij beschikt van mening dat het soms gaat om de verspreiding van sfeermuziek, soms over de verspreiding op verzoek van een klant, om de verkoop van cd’s te promoten of om « technische » redenen, zoals de kennisneming door het personeel of het controleren van de kwaliteit. SABAM voert de artikelen 1 en 21 tot 23 van de wet van 30 juni van 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten aan en werpt op dat elk gebruik van het werk van een auteur onwettig is zonder diens voorafgaande toestemming en dat de publieke uitvoering in een muziekwinkel niet valt onder de uitzonderingen op die regel. De twee naamloze vennootschappen voeren met name aan dat die ontstentenis van een uitzondering verbonden aan het specifieke karakter van de activiteit van een muziekwinkel en aan het specifieke doel van de verspreiding van muziek discriminerend is. De rechter oordeelt dat de verplichting voor een muziekwinkel om auteursrechten te betalen voor de verspreiding van werken die hij aan zijn klanten voorstelt teneinde die te promoten en te verkopen in het belang zelf van de auteurs, inderdaad kan indruisen tegen het gezond verstand, waarbij een specifieke behandeling kan worden verantwoord door de aard zelf van de in het geding zijnde activiteit. Bijgevolg stelt hij de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
  4. De nv « Sonica » en de nv « Record King » herinneren aan de feiten van de zaak. Zij voeren aan dat, volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juni 1994, de wetgever het tot stand brengen van « voortbrengselen van de geest » wilde bevorderen. Het auteursrecht, dat bijgevolg in artikel 1 van die wet werd bevestigd, maakt het de betrokkenen mogelijk van hun kunst te leven. Volgens die partijen behandelt artikel 1 personen die zich in volkomen verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording op identieke wijze. De enen zijn verspreiders van muziek wier activiteit alleen erin bestaat muziekwerken te promoten en te verkopen (muziekwinkels); zij verspreiden de muziek, om een kunstwerk te laten horen aan personen die dat kunstwerk mogelijk aankopen, tegen betaling van auteursrechten. In dat geval heeft de verspreiding van muziek tot doel muziekwerken van auteurs-componisten te laten horen teneinde die te promoten en te verkopen, in het belang van de auteurs-componisten die hieruit voordeel kunnen halen. De anderen, die muziek verspreiden zonder een dergelijk doel na te streven, vormen een restcategorie. Het is niet pertinent de enen en de anderen identiek te behandelen, terwijl alleen de eerstgenoemden bijdragen tot het doel dat erin bestaat de « voortbrengselen van de geest » te bevorderen, en een tussenpersoon vormen tussen de auteur en de « consument » van de kunstwerken. A.1.
  5. De Ministerraad herinnert eveneens aan de feiten van de zaak en voert aan dat de wet van 30 juni 1994 is gewijzigd na de feiten die tot de aanhangigmaking van de zaak bij de verwijzende rechter hebben geleid. Hij voert aan dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, omdat zij zich vergist in de draagwijdte van artikel 1 van de in het geding zijnde wet, dat de algemene draagwijdte van de prerogatieven die uit het auteursrecht voortvloeien, immers in abstracto definieert, zonder dat de wetgever echter de intentie heeft gehad daarin de grenzen of de uitzonderingen met betrekking tot die prerogatieven te preciseren, die overigens elders in de wet, met name in artikel 22, worden gedefinieerd. Artikel 1 moest dus geen rekening houden - en doet dat ook niet - met het mogelijke specifieke karakter van de activiteit van deze of gene categorie van personen ten aanzien van wie een auteur zich op zijn prerogatieven zou willen beroepen. Artikel 1 strekt bovendien ertoe artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij om te zetten, artikel dat evenmin rekening houdt met dat specifieke karakter. Indien de grief gegrond was, zou hij alleen gericht kunnen zijn tegen artikel 22 van de wet. In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad eraan toe dat de wet van 1994 ertoe strekt de personen te beschermen die op actieve wijze bijdragen tot de totstandbrenging van het werk, niet tot de promotie ervan. Het is dus terecht dat artikel 1 de muziekwinkels niet vermeldt. A.1.
  6. De nv « Sonica » en de nv « Record King » antwoorden dat het aan het Hof staat de grondslag van de ongrondwettigheid te bepalen, maar dat, indien die zich in artikel 1 bevindt, een verzoenende interpretatie kan voorkomen dat het ongrondwettig wordt verklaard indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het niet de inrichtingen beoogt die werken publiekelijk verspreiden om die te laten kennen en te verkopen. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.2.
  7. De nv « Sonica » en de nv « Record King » voeren aan dat de vraag betrekking heeft op een verschil in behandeling tussen de personen die muziek verspreiden teneinde de verkoop ervan te bevorderen en diegenen die door artikel 22 van de wet van 30 juni 1994 worden beoogd. Zij onderstrepen dat sommige situaties bedoeld in artikel 22, commerciële doeleinden omvatten (cf. artikel 22, § 1, 12°). De wetgever kan bijgevolg niet worden geacht een ruimte te hebben willen laten voor niet-commerciële doeleinden. Het specifieke karakter van de activiteit van de eerste categorie draagt bij tot het doel van de wet dat erin bestaat de totstandbrenging van werken te bevorderen. In dat opzicht heeft die activiteit dezelfde aard als alle in artikel 22 bepaalde uitzonderingen. 5 Het verschil tussen de twee categorieën is niet relevant, vermits al die situaties hetzelfde doel nastreven. De betaling van auteursrechten die aan de eerste categorie is opgelegd, vormt een onevenredige maatregel. A.2.
  8. De Ministerraad is van mening dat de grief, mocht die gegrond zijn, niet zou voortvloeien uit artikel 22, maar uit een lacune in de wetgeving. Hij voert echter aan dat de wet niet door een dergelijke lacune is aangetast. In tegenstelling tot de prejudiciële vraag maakt de motivering van de verwijzende vonnissen immers een onderscheid tussen de doeleinden van het verspreiden van de muziek door de muziekhandelaar in zijn handelszaak, en elk van die drie gevallen dient te worden onderzocht in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.2.
  9. Wanneer de muziekhandelaar in zijn winkel sfeermuziek verspreidt, doet hij hetzelfde als kappers, caféhouders en andere handelaars die de voor de auteurs bestemde vergoeding verschuldigd zijn. Daar geen enkele bijzondere behandeling verantwoord is, is er geen met het gelijkheidsbeginsel strijdige lacune. De rechtspraak betreffende zowel de wet van 1886 als de nieuwe wet bevestigt dat het auteursrecht beschermd is zodra er een mededeling aan het publiek is, met andere woorden een publieke en hoorbare uitvoering (met name in een handelszaak); het feit dat het publiek al dan niet lang blijft, de plaats van het radiotoestel of de bedoeling van de handelaar, of nog, de duur en het bijkomstige karakter van de mededeling aan het publiek zijn van weinig belang. In een arrest van 11 mei 1998 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het commercialiseren van een werk niet inhoudt dat de auteur heeft ingestemd met een publieke uitvoering in een ruimte die uitsluitend bestemd is om cd’s aan de verbruikers te verkopen. In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad eraan toe dat hij niet inziet hoe het loutere feit dat de activiteit van de muziekhandelaars door de verkoop van de cd’s zou bijdragen tot de bevordering van het tot stand brengen van « voortbrengselen van de geest », de wetgever ertoe zou verplichten de muziekhandelaars vrij te stellen van de betaling van auteursrechten. De verspreiding van een werk door een radiostation of een caféhouder draagt eveneens ertoe bij de werken bekend te maken en de aankoop ervan te bevorderen; niemand denkt echter eraan om in dergelijke gevallen vrijstellingen te verlenen. De nv « Sonica » en de nv « Record King » antwoorden dat muziekhandelaars zich niet bevinden in dezelfde situatie als kappers, caféhouders en andere handelaars, vermits die laatstgenoemden uitsluitend ernaar streven een aangename sfeer tot stand te brengen, terwijl de eerstgenoemden de verspreide werken verkopen, waarover de klanten aan hen vragen kunnen stellen. A.2.2.
  10. Volgens de Ministerraad houdt de verspreiding van muziek die bestemd is om de klant in staat te stellen de technische kwaliteit van de opname te controleren of zijn keuze te maken, niet in dat een van artikel 22 afwijkende regel noodzakelijk is. Het Hof van Cassatie oordeelt dat het gaat om een mededeling aan het publiek, ongeacht de duur ervan : het betreft immers sfeermuziek voor de andere klanten. Een koptelefoon die ter beschikking van de klanten wordt gesteld, maakt het echter mogelijk te vermijden dat de verspreiding van muziek een mededeling aan het publiek wordt; noch SABAM, noch de auteur eisen een vergoeding wanneer de muziek voor geen enkele andere persoon in de winkel hoorbaar is. De wetgever moest dus in geen enkele uitzondering voorzien. De nv « Sonica » en de nv « Record King » antwoorden dat de koptelefoon geen geschikte oplossing is, vermits niet alle muziekhandelaars daarover beschikken, en die koptelefoon de klant belet de conformiteit van de opname te controleren en zich tegelijkertijd tot de muziekhandelaar te richten; mocht ook die muziekhandelaar een koptelefoon dragen, dan zou hij geen antwoord kunnen geven aan de andere klanten. A.2.2.
  11. Volgens de Ministerraad moest de wetgever evenmin in een uitzondering voorzien voor de verspreiding van muziek om het personeel van de muziekhandelaar in staat te stellen kennis te nemen van de verkochte werken; de verspreiding van het werk dat hoorbaar is voor het publiek, is een mededeling aan het publiek die zich niet van de andere hypothesen onderscheidt. Om te vermijden dat hij onder de toepassing van artikel 22 valt, kan de muziekhandelaar gebruik maken van koptelefoons; in een arrest van 26 januari 2006 heeft het Hof van Cassatie overigens geoordeeld dat, wanneer personeelsleden (vier arbeiders en een verkoper) samen in dezelfde ruimte muziek beluisteren die voor een derde niet hoorbaar is, er geen sprake is van een mededeling aan het publiek. De nv « Sonica » en de nv « Record King » antwoorden dat noch de koptelefoon, noch de aparte ruimte een oplossing vormen, vermits zij de muziekhandelaar beletten ter beschikking te staan van de klanten, terwijl het 6 controleren van een werk verschillende uren in beslag kan nemen, die de muziekhandelaar nochtans tegelijkertijd aan die controle en aan zijn cliënteel zou kunnen besteden. A.2.
  12. In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad eraan toe dat de uitzonderingen vermeld in artikel 22 van de in het geding zijnde wet losstaan van de hypothese van de muziekhandelaars, vermits zij het onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek, het voorlezen aan publiek en de reproductie in familiekring, enz. beogen, die geen commercieel karakter hebben. Dat is eveneens het geval met de uitzondering vermeld in artikel 22, § 1, 12°, (dat artikel 5, lid 3, onder j), van de Europese Richtlijn nr. 2001/29/EG van 22 mei 2001 in het Belgisch recht omzet) die volgens de parlementaire voorbereiding en de rechtsleer alleen de verkoopruimten of de musea beoogt, alsook de reproducties of de mededelingen aan het publiek die zij zonder commerciële doeleinden doen. Die uitzonderingen zijn bedoeld om het algemeen belang te vrijwaren en niet de bijzondere belangen van een categorie van verkopers, zoals de muziekhandelaars. Door een vrijstelling te eisen, ontnemen die, in tegenspraak met hun voorgehouden bedoeling om de totstandbrenging van werken te bevorderen, de auteur de vergoeding die hem wordt toegekend voor de mededeling van zijn werk aan het publiek; bovendien dient niet uit het oog te worden verloren dat artikel 22 de mededeling aan het publiek zonder voorafgaande toestemming beoogt, maar niet de vrijstelling van de auteursrechten, waarbij voor verschillende van de in die bepaling beoogde hypothesen in een vergoeding is voorzien. Ten aanzien van de gevolgen van artikel 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij A.3.
  13. In hun aanvullende memorie verwijzen de nv « Sonic » en de nv « Record King » naar overweging 31 van de richtlijn, waarin wordt aanbevolen een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen te waarborgen onder de betrokken personen, en naar de beperkingen bepaald in artikel 5, lid 3, onder j) en l), van de richtlijn betreffende de reclame voor openbare verkopen van artistieke werken en het gebruik met het oog op de demonstratie of het herstel van apparatuur. Zij zijn van mening dat een vaststelling van ongrondwettigheid niet zou indruisen tegen de richtlijn. Immers, die vaststelling zou tegemoetkomen aan het streven naar een evenwicht door te voorzien in een beperking voor de winkels die muziek verkopen en het precies verspreiden om een artistiek werk aan mogelijke kopers te laten kennen, op voorwaarde dat auteursrechten worden betaald. Die vaststelling zou de voormelde beperkingen de facto uitvoeren, vermits die verspreiding van muziek een gebruik vormt om reclame te maken voor de verkoop van artistieke werken en de demonstratie mogelijk maakt van de apparatuur die te dezen de compact discs met daarop de te koop aangeboden werken zijn. De beperking zou overigens tegemoetkomen aan de vereisten van de « test in drie fasen » bepaald in artikel 5, lid 5, van de richtlijn. A.3.
  14. In zijn aanvullende memorie voert de Ministerraad aan dat de richtlijn met name ertoe strekt de rechtszekerheid van het intellectueel eigendom te harmoniseren en te verbeteren en de wetgevingen van de lidstaten aan te passen en aan te vullen, teneinde rekening te houden met de nieuwe technologische en economische werkelijkheid. Artikel 1 van de wet zet artikel 3, lid 1, van de richtlijn om, die geen rekening houdt met de eventuele specificiteit van een categorie van personen, noch met het doel van de mededeling aan het publiek. De wetsbepaling is dus in overeenstemming met de richtlijn. Artikel 22 van de wet voert, zoals artikel 5 van de richtlijn, een stelsel van beperkingen in. Die welke verplicht zijn (artikel 5, lid 1) en die welke facultatief zijn en betrekking hebben op het reproductierecht (artikel 5, lid 2) zijn te dezen niet relevant, in tegenstelling tot die welke betrekking hebben op het recht van mededeling aan het publiek (artikel 5, lid 3). De Ministerraad stelt vast dat de wetgever niet alle facultatieve beperkingen in het Belgisch recht heeft omgezet en zich ertoe heeft beperkt in dat opzicht aan te geven dat een volledige omzetting het systeem van de auteursrechten teniet zou doen. Dat geldt aldus voor de beperking inzake de demonstratie of het herstel van apparatuur, maar zij beoogt niet de demonstratie van muziekwerken als dusdanig, maar die van apparaten die, met het oog op een demonstratie aan het publiek, gebruik maken van muziekwerken die daarentegen geen « apparatuur » vormen in de zin van de richtlijn, met anderen woorden een apparaat : de keuze van de bewoordingen in de richtlijn, alsook de bewoordingen in de Nederlandse, Spaanse en Engelse versie laten hierover geen twijfel bestaan. Zelfs in de veronderstelling dat twijfel mogelijk zou zijn, is het toch zo dat het facultatieve karakter van de beperkingen het mogelijk maakt ervan uit te gaan dat de wetgever geen enkele beoordelingsfout heeft begaan door de uitzondering inzake de demonstratie of het herstel van 7 apparatuur niet om te zetten. De Europese wetgever heeft aan die beperking overigens geen enkel bindend karakter toegekend, terwijl hij dat wel deed voor andere. De Ministerraad stelt daarnaast vast dat noch de richtlijn, noch de Belgische wet voorzien in beperkingen voor derden-beroepsmensen die hun activiteit met winstbejag uitoefenen en dat artikel 5, lid 3, onder o), van de richtlijn (de zogenaamde « grandfather-clausule ») niet de invoering van nieuwe beperkingen, maar de reeds in het nationaal recht bestaande beperkingen beoogt. De Belgische wetgever voorziet echter niet in de drie uitzonderingsstelsels waarop de nv « Sonica » en de nv « Record King » aanspraak maken (sfeermuziek in een muziekwinkel, kennisneming van muziekwerken door het personeel van de muziekwinkel en door de klanten). Ten slotte merkt hij op dat, overeenkomstig artikel 5, lid 5, van de richtlijn, de beperkingen waarin zij voorziet slechts van toepassing zijn in bepaalde bijzondere gevallen die geen afbreuk doen aan het normale gebruik van het werk en de rechtmatige belangen van de rechthebbende niet onredelijk schaden. -B- B.
  15. De artikelen 1 en 22 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten bepalen : « Artikel
  16. §
  17. Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren. Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om toestemming te geven tot het bewerken of het vertalen van het werk. Dat recht omvat ook het exclusieve recht om toestemming te geven tot het verhuren of het uitlenen van het werk. Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het werk volgens ongeacht welk procédé, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, aan het publiek mede te delen. Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht de distributie van het origineel van het werk of van kopieën ervan aan het publiek, door verkoop of anderszins, toe te staan. De eerste verkoop of andere eigendomsoverdracht in de Europese Gemeenschap van het origineel of een kopie van een werk van letterkunde of kunst door de auteur of met diens toestemming leidt tot uitputting van het distributierecht van dat origineel of die kopie in de Europese Gemeenschap. §
  18. De auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft op dat werk een onvervreemdbaar moreel recht. De globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht is nietig. 8 Het omvat ook het recht om het werk bekend te maken. Niet bekendgemaakte werken zijn niet vatbaar voor beslag. De auteur heeft het recht om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren. Hij heeft recht op eerbied voor zijn werk en dat maakt het hem mogelijk zich te verzetten tegen elke wijziging ervan. Niettegenstaande enige afstand, behoudt hij het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dit werk dan wel tegen enige andere aantasting van het werk, die zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden ». « Art.
  19. §
  20. Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen : 1° de reproductie en de mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte fragmenten uit werken of van integrale werken van beeldende kunst in een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht; 2° de reproductie en de mededeling aan het publiek van een werk tentoongesteld in een voor het publiek toegankelijke plaats, wanneer het doel van de reproductie of van de mededeling aan het publiek niet het werk zelf is; 3° de kosteloze privé-uitvoering in familiekring of in het kader van schoolactiviteiten; 4° de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie uitsluitend bestemd is voor privé-gebruik en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk; 4°bis. de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, zulks verantwoord is door de nagestreefde niet- winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk; 4°ter. de gedeeltelijke of integrale reproductie op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit andere werken, met behulp van ongeacht welke fotografische techniek of enige andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, en voorzover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt; 4°quater. de mededeling van werken wanneer deze mededeling wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht en voorzover deze mededeling verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling, plaatsvindt in het kader 9 van de normale activiteiten van de instelling, enkel wordt uitgevoerd door de gesloten transmissienetwerken van de instelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, en voor zover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt; 5° de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken, die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is; 6° een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken; 7° de kosteloze uitvoering van een werk tijdens een publiek examen, wanneer het doel van de uitvoering niet het werk zelf is, maar het beoordelen van de uitvoerder of de uitvoerders van het werk met het oog op het verlenen van een kwalificatiegetuigschrift, diploma of titel binnen een erkende onderwijsvorm. 8° de reproductie die is beperkt tot een aantal kopieën, bepaald in functie van en gerechtvaardigd door het voor de bewaring van het culturele en wetenschappelijke patrimonium gestelde doel, door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, musea, of door archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur. De materialen die aldus worden vervaardigd blijven eigendom van deze instellingen, die zichzelf ieder commercieel of winstgevend gebruik ervan ontzeggen. De auteur kan hiertoe toegang krijgen, onder strikte inachtneming van de bewaring van het werk en tegen een billijke vergoeding van het werk verricht door deze instellingen; 9° de mededeling, met inbegrip van de beschikbaarstelling van niet te koop aangeboden of aan licentievoorwaarden onderworpen werken die onderdeel uitmaken van de verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, wetenschappelijke- en onderwijsinstellingen, musea of archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, hierin bestaande dat het werk, via speciale terminals in de gebouwen van die instellingen, voor onderzoek of privé-studie medegedeeld wordt aan of beschikbaar gesteld wordt voor individuele leden van het publiek; 10° tijdelijke opnamen van werken, gemaakt door omroeporganisaties met hun eigen middelen, met inbegrip van de middelen van een persoon die optreedt namens en onder de verantwoordelijkheid van de omroeporganisaties, ten behoeve van hun eigen uitzendingen; 11° de reproductie en mededeling aan het publiek van werken ten behoeve van mensen met een handicap, die rechtstreeks met deze handicap verband houden en van niet- commerciële aard zijn en voorzover het wegens de betrokken handicap noodzakelijk is, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur; 10 12° de reproductie en de mededeling aan het publiek voor reclamedoeleinden, voor openbare tentoonstellingen of openbare verkopen van artistieke werken, voorzover het noodzakelijk is voor de promotie van die gebeurtenissen, met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik; 13° de reproductie van uitzendingen, door erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugd- of gehandicaptenzorg, voor zover deze instellingen geen winstoogmerk nastreven en dat deze reproductie is voorbehouden voor het exclusieve gebruik van de daar verblijvende natuurlijke personen. §
  21. De reproductie en de mededeling aan het publiek van het werk bij gelegenheid van een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht overeenkomstig § 1, 1°, moeten uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd zijn, en de bron, waaronder de naam van de auteur, moet vermeld worden, tenzij dit niet mogelijk blijkt ». Ten aanzien van de twee vragen samen B.2.
  22. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 1 en 22 van de wet van 30 juni 1994, in zoverre zij de verkopers van muziekwerken en andere personen tegen wie de in de voormelde wet bepaalde rechten tegenstelbaar zijn, op onverantwoorde wijze identiek zouden behandelen : allen zijn immers ertoe gehouden auteursrechten te betalen, terwijl de eerstgenoemden muziekwerken zouden verspreiden met het oog op de promotie en de verkoop ervan in het belang zelf van de auteurs. B.2.
  23. De Ministerraad voert aan dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend zou moeten worden beantwoord, daar zij zou steunen op een onjuiste interpretatie van artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 : dat artikel zou zich ertoe beperken het beginsel te vestigen van de prerogatieven die de wet aan de auteur toekent, onverminderd de uitzonderingen en beperkingen die zij daarnaast zou vaststellen. Het staat niet aan de partijen om voor het Hof de interpretatie te betwisten waarin de verwijzende rechter een wetsbepaling aan zijn toetsing voorlegt. Te dezen houdt het gegeven dat de in het geding zijnde bepaling een beginsel vestigt zonder uitzonderingen te vermelden, op zich niet in dat die bepaling op discriminerende wijze afbreuk zou kunnen doen aan de rechten van diegenen aan wie zij verplichtingen zou opleggen die niet verantwoord zouden zijn. 11 B.
  24. De wet van 30 juni 1994 gaat uit van dezelfde zorg die ten grondslag lag aan de wet van 22 maart 1886 die zij heeft vervangen en strekt ertoe de auteurs te beschermen teneinde de totstandbrenging van voortbrengselen van de geest te bevorderen (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 473/33, p. 9). Zij tracht met name « de rechten van alle scheppers van culturele werken [uit te breiden], […] hun een aangepaste juridische bescherming [te] bieden zodat ze zich kunnen ontplooien […] [en] de overbrenging aan en de verspreiding onder het publiek van die werken [te] bevorderen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 145-1, p. 3; nr. 145-2, p. 6). Ondanks de sindsdien vastgestelde ontwikkeling hebben diezelfde beginselen de wetgever geïnspireerd (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1137/001, p. 3) wanneer hij de wet van 22 mei 2005 heeft aangenomen om de wet van 1994 in overeenstemming te brengen met richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij. B.
  25. De wet van 30 juni 1994 kent de auteurs morele rechten en economische of vermogensrechten toe, waaronder het reproductierecht en, zoals in het aan de verwijzende rechter voorgelegde geval, het recht van mededeling aan het publiek op grond waarvan de toestemming van de auteur is vereist voor « elke handeling waarbij een werk aan het publiek wordt aangeboden inzonderheid via een opvoering, uitvoering, tentoonstelling of nog via een uitzending of via de kabel, enz. » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 145-12, pp. 19 en 20). Dat recht van mededeling aan het publiek wordt gewaarborgd in artikel 1, § 1, vierde lid, van de in het geding zijnde wet. Dat recht is onderworpen aan uitzonderingen, waaronder die welke zijn opgenomen in het voormelde artikel 22 van dezelfde wet. Die uitzonderingen - die op grond van artikel 23bis van de wet in beginsel dwingend zijn - vereisen als dusdanig een beperkende interpretatie die overeenstemt met de bedoeling van de wetgever (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 473/33, p. 192). B.
  26. Er kan worden aangenomen dat de wetgever de auteurs wil beschermen door de mededeling van hun werken aan hun toestemming te onderwerpen. Er kan eveneens worden aangenomen dat hij die bescherming beperkt teneinde de vrijheid van informatie of de vrijheid van kritiek te beschermen (uitzonderingen betreffende de citaten en parodieën, 12 artikel 22, § 1, 1°, 2°, 6°, 10° en 12°), of teneinde de kwaliteit van het onderzoek en het onderwijs te waarborgen (artikel 22, § 1, 4°bis, 4°ter, 4°quater, 7° en 9°), of teneinde het privégebruik van een werk mogelijk te maken (artikel 22, § 1, 3°, 4° en 5°), of teneinde het vermogen te beschermen (artikel 22, § 1, 8°), of nog, wanneer het maatschappelijk nut dat verantwoordt (artikel 22, § 1, 11° en 13°). B.
  27. Dergelijke doeleinden verschillen wezenlijk van het doel dat erin zou bestaan een handelaar in staat te stellen zich te beroepen op artikel 22 voor muziekwerken die hij zijn klanten zou laten beluisteren teneinde die aan hen te verkopen. In dat opzicht kan het argument dat de twee vennootschappen die partij zijn bij het voor de verwijzende rechter hangende geschil afleiden uit artikel 22, § 1, 12°, niet worden aangenomen. Die bepaling, die betrekking heeft op de verkoopzalen en de musea (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1137/001, p. 14), beoogt alleen de aankondigingen voor tentoonstellingen of verkopen en alleen de promotie ervan « met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik ». Aangezien de auteur beschikt over een vermogensrecht op zijn creatie en ermee instemt dat die wordt verhandeld, is het van weinig belang dat de rechten waarover hij beschikt afhankelijk zouden zijn van het optreden van de ene, eerder dan van de andere partij bij die commerciële activiteit. Zelfs in de veronderstelling dat de doelstelling waarnaar hiervoor is verwezen, een gunst ten aanzien van de verkopers van muziekwerken zou kunnen verantwoorden, dan nog zou die uitzondering alleen kunnen worden toegepast door middel van bepalingen die, om elk misbruik te voorkomen, controlemaatregelen, in welke vorm ook, zouden moeten bevatten om te vermijden dat het door de klant beluisterde werk achtergrondmuziek wordt die een mededeling aan het publiek vormt. De wetgever heeft aldus niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokkenen, aangezien het gebruik van een hoofdtelefoon het bovendien mogelijk maakt te vermijden dat het beluisteren van het werk, ongeacht of dat gebeurt om het werk aan de klant te verkopen of om technische redenen, of nog, om het personeel in staat te stellen kennis te nemen van het te verkopen werk, een mededeling aan het publiek wordt, in welk geval de auteur ervan zou moeten worden beschermd. B.
  28. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 1 en 22 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 18 april
  29. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.