← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.071

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.071 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070426.7 Arrest- Rolnummer: 71/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-19 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-06-29 11:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 198bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 198bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003, gesteld door het Hof van Cassatie. Bestuursrecht - Ruimtelijke ordening en stedenbouw - Vordering van herstelmaatregelen - Eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Nieuwe wet - Overgangsmaatregelen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - 198bis - 33 ELI link Pub nr 1999035652 Decreet Vlaamse Raad - 04-06-2003 - 11 - 46 ELI link Pub nr 2003035906 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4050 Arrest nr. 71/2007 van 26 april 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 198bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Bossuyt, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 5 september 2006 in zake Herman Vlassenbroeck en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 19 september 2006, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt, uitgelegd als [in het verwijzingsarrest], artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003 en samengelezen met artikel 149, § 1, van datzelfde decreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat eruit volgt dat voor herstelvorderingen die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid maar waarover de rechter pas na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies uitspraak doet, de verplichting van het voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet van toepassing is, terwijl deze verplichting wel geldt voor herstelvorderingen die werden ingeleid na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en deze verplichting krachtens artikel 149, § 1, van datzelfde decreet een algemene draagwijdte heeft ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Herman Vlassenbroeck en Danielle De Vis, wonende te 9111 Sint-Niklaas, Schoonhoudtstraat 44, en Liesbet Vlassenbroeck, wonende te 3970 Schilde, Elzendreef 9; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 15 maart 2007 : - zijn verschenen : . Mr. J. Van Doninck, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. B. Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Mr. J. Ghysels, advocaat bij de balie te Brussel, voor Herman Vlassenbroeck en anderen; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het openbaar ministerie vervolgt H. Vlassenbroeck, L. Vlassenbroeck en D. De Vis wegens bepaalde stedenbouwmisdrijven. Op 10 maart 2006 heeft het Hof van Beroep te Gent de beklaagden strafrechtelijk veroordeeld. Bovendien werd op vordering van de gemachtigde ambtenaar en van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur het herstel bevolen in de oorspronkelijke toestand door afbraak van de wederrechtelijk opgerichte bouwwerken binnen een bepaalde termijn, op straffe van een dwangsom. Het verzoek van de beklaagden om voorlegging van de herstelvordering aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid werd verworpen. De beklaagden, die tegen dat arrest cassatieberoep hebben ingesteld, voeren een middel aan tegen de beslissing van het Hof van Beroep te Gent dat over de herstelvordering geen advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid diende te worden ingewonnen. In ondergeschikte orde verzoeken de eisers in cassatie om bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.

  1. De eisende partijen voor het Hof van Cassatie menen dat artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, omdat door voormeld artikel, in samenhang gelezen met artikel 149, § 1, van hetzelfde decreet, een verschil in behandeling wordt ingevoerd dat niet objectief en redelijk verantwoord is. Voor de herstelvorderingen die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, maar waarover de rechter pas na de inwerkingtreding van die bepalingen uitspraak doet, geldt, volgens het Hof van Cassatie, geen verplichting om voorafgaandelijk het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid in te winnen, terwijl een dergelijke verplichting wel bestaat voor de herstelvorderingen die werden ingeleid na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. De coherentie van het herstelbeleid die de decreetgever beoogde en die het Arbitragehof eerder ertoe bracht de woorden « 1 mei 2000 » in artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 te vernietigen (arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005), rechtvaardigt, volgens de eisende partijen voor het Hof van Cassatie, niet waarom de feitenrechter de keuze zou hebben om de herstelvordering al dan niet aan advies voor te leggen. Bovendien kan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, in tegenstelling tot de rechter, uitdrukkelijk ook de opportuniteit van de herstelmaatregel beoordelen en heeft de verplichting om het voorafgaande advies van de Hoge Raad in te winnen een algemene draagwijdte. A.2.
  2. Allereerst merkt de Vlaamse Regering op dat het Hof van Cassatie, in zijn verwijzingsarrest, de visie van de eisende partijen niet volgt, als zou ingevolge het arrest nr. 14/2005 voor elke herstelvordering het voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid verplicht zijn, krachtens artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei
  3. Vervolgens, meent de Vlaamse Regering, stelt het Hof van Cassatie zich vragen over de bestaanbaarheid met het gelijkheidsbeginsel van het onderscheid tussen, enerzijds, het verplicht karakter van het voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid voor herstelvorderingen die zijn ingediend na de oprichting en de goedkeuring van het huishoudelijke reglement van de Hoge Raad, en, anderzijds, het facultatief karakter van het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid voor herstelvorderingen die werden ingediend vóór de oprichting en de goedkeuring van het huishoudelijke reglement van de Hoge Raad, maar waarover de rechter pas na die oprichting en goedkeuring van het huishoudelijke reglement uitspraak doet. Dienvolgens stelt het Hof van Cassatie de bovenvermelde prejudiciële vraag. 4 A.2.
  4. De Vlaamse Regering meent dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999, in samenhang gelezen met artikel 149 van hetzelfde decreet, in redelijkheid is verantwoord. De decreetgever heeft ervoor geopteerd om ten aanzien van de herstelvorderingen die door de stedenbouwkundig inspecteur of door het college van burgemeester en schepenen reeds werden ingeleid vooraleer het voorafgaand advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid kon worden gevraagd, aan de rechter de soevereine bevoegdheid te verlenen om te oordelen of dat advies van de Hoge Raad alsnog diende te worden ingewonnen. Artikel 198bis heeft tevens een proceseconomisch doel. De rechter zal de mogelijkheid om het advies te kunnen vragen, kunnen afwegen tegen de noodzaak om dat advies in te winnen teneinde het geschil te kunnen beslechten. Bovendien zal de rechter hierover kunnen oordelen rekening houdend met de redelijke termijn binnen welke hij de bij hem aanhangige rechtsgeschillen moet beslechten. A.2.
  5. De Vlaamse Regering merkt bovendien op dat de eisende partijen voor de verwijzende rechter aan het « eensluidend advies » een draagwijdte schijnen toe te kennen die dat kennelijk niet heeft. Zelfs voor de herstelvorderingen die werden ingeleid na de oprichting en de goedkeuring van het huishoudelijke reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zal het eensluidend advies niet altijd zijn verleend, omdat artikel 149, § 1, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 bepaalt dat, wanneer de Hoge Raad voor het Herstelbeleid geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn van 60 dagen, aan de adviesvereiste mag worden voorbijgegaan. Daarnaast kan het « eensluidend » advies van de Hoge Raad enkel in die mate eensluidend zijn dat daaruit blijkt dat de Hoge Raad eveneens van oordeel is dat de herstelvordering moet worden ingeleid. De rechter voor wie de herstelvordering hangende is, kan, volgens de Vlaamse Regering, niet door het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid zijn gebonden. De rechter kan, ondanks het advies, weigeren om de herstelmaatregel te bevelen indien hij meent dat die onwettig is. In dit verband kan, volgens de Vlaamse Regering, rekening worden gehouden met het arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari 2003, waarin wordt aangenomen dat de rechter een zeer ruime toetsingsbevoegdheid heeft, die hem toelaat particuliere belangen te betrekken in de beoordeling van de herstelvordering. A.
  6. De eisende partijen voor de verwijzende rechter menen dat de Vlaamse Regering, door de verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari 2003, de kern van de problematiek aanraakt. In tegenstelling tot de rechter kan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid immers uitdrukkelijk tevens de opportuniteit van de herstelmaatregel beoordelen en zal hij daarbij zelfs niet zijn gebonden door de stedenbouwkundige voorschriften. Doordat de rechter niet is verplicht om een eensluidend advies te vragen, blijft zijn controle in de gevallen dat hij beslist om dat advies niet te vragen, beperkt tot de legitimiteit en kan hij geen controle uitoefenen op de opportuniteit ervan. Dat verschil in behandeling kan niet redelijk worden verantwoord. A.
  7. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de eisende partijen voor de verwijzende rechter nauwelijks argumenten aanvoeren die niet eerder door de Vlaamse Regering in haar memorie zijn weerlegd. De eisende partijen voor de verwijzende rechter menen dat het in het geding zijnde verschil in behandeling om drie redenen discriminatoir zou zijn. De verwijzing naar het arrest nr. 14/2005 is irrelevant omdat hieruit geenszins kan worden afgeleid dat voor het inleiden van alle herstelvorderingen, en dit ongeacht de datum van de inleiding ervan, eenzelfde procedure zou moeten gelden en dat dienvolgens voor alle herstelvorderingen het voorafgaand en eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid zou moeten worden gevraagd, zelfs wanneer het herstelvorderingen betreft die werden ingeleid vooraleer die Hoge Raad operationeel was. Bovendien kan het voorafgaand advies in voorliggende feitelijke omstandigheden niet voorafgaand zijn, nu de toepasselijkheid van artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 juist veronderstelt dat de herstelvordering werd ingeleid vooraleer de bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid in werking traden. Wat het tweede argument betreft, herhaalt de Vlaamse Regering dat het arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari 2003 aan de rechter een zeer ruime toetsingsbevoegdheid laat. Krachtens die rechtspraak is de rechter voor wie de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt aangevochten, ertoe gehouden af te wegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is. Derhalve kan de rechter in voorliggend geval de onwettigheid van een kennelijk onredelijke vordering vaststellen. Daarnaast is de vraag naar de opportuniteit van het instellen van de herstelvordering achterhaald zodra de herstelvordering is ingeleid. Rekening houdend met het toepassingsgebied van artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 dient te worden opgemerkt dat de herstelvordering reeds werd ingeleid, omdat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid nog niet operationeel was. 5 Aangaande het derde argument, meent de Vlaamse Regering dat de algemene draagwijdte enkel kan worden geacht betrekking te hebben op artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 en niet op artikel 198bis van voormeld decreet. Het Hof van Cassatie stelt immers bovenvermelde prejudiciële vraag om daarover uitsluitsel te verkrijgen. -B- B.
  8. Artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft, bepaalt het volgende : « De bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in artikel 149, § 1, en artikel 153, treden pas in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement is goedgekeurd. De rechter kan ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van voor 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid ». B.2.
  9. Het Hof van Cassatie vraagt of die bepaling, in samenhang gelezen met artikel 149, § 1, van hetzelfde decreet, zoals gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 14/2005 van het Hof van 19 januari 2005, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat eruit volgt dat voor herstelvorderingen die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid op 16 december 2005, maar waarover de rechter pas vanaf 16 december 2005 uitspraak doet, de verplichting van het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet van toepassing is, terwijl die verplichting wel geldt voor herstelvorderingen die werden ingeleid vanaf 16 december
  10. B.2.
  11. In het verwijzingsarrest oordeelt het Hof van Cassatie : «
  12. Sedert het arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof bepaalt artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 dat de verschillende herstelmaatregelen door de rechtbank worden bevolen op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, en ‘ indien deze inbreuken dateren van […] is voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist ’. 6
  13. Luidens artikel 198bis, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 treden de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in artikel 149, § 1, en artikel 153, pas in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement is goedgekeurd. Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de rechter de ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van vóór 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog ‘ kan ’ voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor Herstelbeleid.
  14. Artikel 198bis geldt als overgangsbepaling voor de herstelvordering die door het bevoegde bestuur wordt ingediend nog vooraleer de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, bij gebrek aan oprichting en goedkeuring van zijn huishoudelijk reglement, advies kan verlenen. Het beoogt bijgevolg een andere rechtstoestand dan artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, dat zowel in zijn versie vóór als in zijn versie na het vernietigingsarrest nr. 14/2005 van het Arbitragehof, de herstelvordering beoogt die na de oprichting van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en de goedkeuring van haar huishoudelijk reglement door het bestuur wordt ingediend. Niet het tijdstip van de beoordeling van de herstelvordering door de rechtbank vóór of na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, maar de datum van indiening van deze herstelvordering door het bestuur vóór of na deze inwerkingtreding vormt het criterium van onderscheid voor de toepassing van hetzij artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, hetzij de overgangsbepaling van artikel 198bis Stedenbouwdecreet
  15. […]
  16. De vernietiging door het Arbitragehof van de woorden ‘ vóór 1 mei 2000 ’, die alleen betrekking hebben op het tijdstip van de telastleggingen en niet op de datum van het instellen van de herstelvordering, heeft niet tot gevolg dat artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet ook toepasselijk wordt op de herstelvorderingen die werden ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
  17. Zolang de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet is opgericht en zijn huishoudelijk reglement niet is goedgekeurd, rijst de vraag op welke wijze het bevoegde bestuur het advies van deze Hoge Raad zou kunnen inwinnen vooraleer de herstelvordering in te stellen. 7 Precies om die reden bepaalt artikel 198bis, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, dat de bepalingen van artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid tot zolang niet toepasselijk zijn.
  18. Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de rechter de ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van vóór 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog ‘ kan ’ voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. In de context van de vernietiging van de bewoordingen ‘ vóór 1 mei 2000 ’ in artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet door het arrest nr. 14/2005 van het Arbitragehof, geldt deze bevoegdheid van de rechter eveneens voor de ingediende herstelvorderingen voor inbreuken vanaf 1 mei
  19. Uit die bepalingen volgt evenwel niet dat de rechter de ingediende vorderingen die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog voor eensluidend advies moet voorleggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid ». B.2.
  20. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege de bepaling die het voorwerp is van de prejudiciële vraag te interpreteren. Het staat aan het Hof te oordelen of die bepaling, zoals zij door de rechter wordt geïnterpreteerd, al dan niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  21. Het in het geding zijnde artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 is een overgangsbepaling. Overeenkomstig het eerste lid van die bepaling treedt artikel 149, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement ervan is goedgekeurd. Vanaf die datum is het advies van de Hoge Raad vereist betreffende de door een stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen in te stellen herstelvorderingen. Het tweede lid van die bepaling betreft de herstelvorderingen die reeds waren ingediend op het ogenblik dat artikel 149, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 in werking is getreden en die bijgevolg nog niet voor advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege vermag de rechter die herstelvorderingen alsnog aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid voor te leggen, ongeacht de datum waarop zij zijn ingediend. 8 B.
  22. In de parlementaire voorbereiding werd de in het geding zijnde bepaling als volgt verantwoord : « Een aantal overgangsbepalingen waren over het hoofd gezien. Het nieuwe artikel 198bis voorziet in twee overgangsmaatregelen : – vooreerst kan de Hoge Raad uiteraard nog geen eensluidend advies uitbrengen zolang hij niet is opgericht en zijn huishoudelijk reglement nog niet is goedgekeurd; – voor de reeds lopende vorderingen, waarvoor nog geen vonnis of arrest is geveld, kan de rechter soeverein oordelen om al dan niet het advies in te winnen van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1566/5, p. 6). B.
  23. Aldus biedt de in het geding zijnde bepaling de Hoge Raad voor het Herstelbeleid de mogelijkheid, wanneer de rechter hem daartoe uitnodigt, om zich uit te spreken over herstelvorderingen die reeds zijn ingediend op het ogenblik dat artikel 149, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 in werking is getreden, ongeacht, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, of die vorderingen betrekking hebben op inbreuken begaan vóór of vanaf 1 mei
  24. B.
  25. Artikel 149, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999, zoals gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 14/2005 van het Hof van 19 januari 2005, luidt als volgt : « Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van […] is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist ». B.7.
  26. De in de in het geding zijnde bepaling neergelegde mogelijkheid voor de rechter om alsnog het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid te vragen, is ingegeven door dezelfde motieven dan die welke ten grondslag liggen aan artikel 149, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999, namelijk de coherentie van het herstelbeleid. 9 Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever om inzake ruimtelijke ordening de keuze van de herstelmaatregel aan de daartoe meest geschikt geachte overheid over te laten. Hij dient daarbij evenwel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet na te leven. B.7.
  27. Zelfs indien kan worden aangenomen dat de decreetgever het nodig achtte om, met het oog op de coherentie van het herstelbeleid, de herstelvordering te laten voorafgaan door een advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, spreekt het voor zich dat de rechter dat advies slechts kan vragen vanaf het ogenblik dat de Hoge Raad daadwerkelijk is georganiseerd. De nieuwe regeling inzake het voorafgaand advies kan pas in werking treden op het ogenblik dat de Hoge Raad is opgericht en het huishoudelijke reglement ervan is goedgekeurd. B.7.
  28. Indien de decreetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij bovendien te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. B.7.
  29. Aldus kon de decreetgever, in overeenstemming met zijn oorspronkelijke doelstellingen, te weten de vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening, ervoor kiezen het vorderingsrecht van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen onaangetast te laten. Het hangt samen met de aard van de decreetswijziging dat voor vorderingen ingeleid vóór 16 december 2005 geen voorafgaand advies kan worden gevraagd. Wanneer voor herstelvorderingen, ingediend vóór 16 december 2005, maar ten gronde behandeld door de strafrechter na 16 december 2005, de strafrechter alsnog de mogelijkheid heeft een advies aan de Hoge Raad te vragen, is het in redelijkheid verantwoord dat dit advies noch voorafgaand, noch verplichtend is. Allereerst kan dat advies niet voorafgaandelijk worden verleend en vervolgens heeft een uitspraak over de opportuniteit van een vordering geen bestaansreden meer omdat de vordering reeds hangende is en bovendien dat onderzoek wordt geacht te zijn gevoerd door het vorderende bestuur. 10 B.7.
  30. Tevens dient te worden opgemerkt dat artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 tevens een proceseconomisch doel heeft. De rechter zal de mogelijkheid om het advies te kunnen vragen, moeten afwegen tegen de noodzaak om dat advies in te winnen teneinde het concrete geschil te kunnen beslechten. B.
  31. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 198bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 26 april
  32. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.