id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.073 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070510.2 Arrest- Rolnummer: 73/2007 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-06-20 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-06-29 11:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet in zoverre het de vergoeding uitgekeerd ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tot herstel van een arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit, belastbaar stelt zonder dat er voor de begunstigde een inkomstenderving is, wanneer de overeenkomstige premie door die laatste als beroepskosten werd afgetrokken. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelastingen -
- Vergoedingen die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringscontract dat de arbeidsongeschiktheid dekt - Geen inkomstenderving - Belastbaarheid -
- Beroepsinkomsten - Aftrek als beroepskosten - Premies verbonden aan een verzekeringscontract. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 34,§1,1° - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Wet - 19-07-2000 - 35 ELI link Pub nr 2000003432 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4023 Arrest nr. 73/2007 van 10 mei 2007 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 28 juni 2006 in zake Eduardo Masso en Sabrina Merckx tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juli 2006, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, in de interpretatie volgens welke artikel 52, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de aftrek toestaat, als beroepskosten, van de premies van de verzekeringsovereenkomsten die individueel zijn afgesloten voor het dekken van een arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit, zelfs wanneer de arbeidsongeschiktheid niet noodzakelijk leidt tot een derving van beroepsinkomsten, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat het de vergoedingen uitgekeerd ter uitvoering van zulke verzekeringsovereenkomsten tot herstel van een arbeidsongeschiktheid belastbaar stelt, zonder dat er voor de begunstigde van de vergoedingen een inkomstenderving is, wanneer de premies door die begunstigde als beroepskosten werden afgetrokken ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Eduardo Masso en Sabrina Merckx, wonende te 1150 Brussel, Zeemeeuwenlaan 14; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 15 maart 2007 : - zijn verschenen : . Mr. A. Rayet loco Mr. T. Afschrift, advocaten bij de balie te Brussel, voor Eduardo Masso en Sabrina Merckx; . Mr. O. Slusny, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een van de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter heeft een verzekeringspolis afgesloten die voorziet in de toekenning van een vergoeding bij volledige blijvende ongeschiktheid om zijn activiteit van professionele tennisspeler uit te oefenen. Hij trekt, voor het inkomstenjaar 1992, de aan de verzekeraar betaalde jaarlijkse premie van 46 750 frank af. 3 Op 2 mei 1994 ontvangt diezelfde verzoekende partij een vergoeding van 2 703 250 frank in het totaal. Overeenkomstig artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), voegt de belastingadministratie die vergoeding bij de belastbare inkomsten voor het aanslagjaar
- Op 21 februari 1999 verwerpt de gemachtigde ambtenaar het bezwaarschrift dat de verzoekende partijen tegen die belasting hebben ingediend. Bij de verwijzende rechter wordt beroep ingesteld tegen die beslissing. De verwijzende rechter is van mening dat de verzekeringspremie als beroepskosten kon worden afgetrokken omdat artikel 52, 10°, van het WIB 1992 niet het feit in aanmerking neemt of de verzekerde invaliditeit al dan niet daadwerkelijk leidt tot een inkomstenderving. Hij wijst verder nog erop dat de verzoeker - de begunstigde van de vergoeding - vanaf het inkomstenjaar 1993 niet langer baten heeft aangegeven die voortvloeien uit de uitoefening van zijn beroep van professionele tennisspeler, maar uitsluitend bezoldigingen. Die wedden en lonen waren echter niet lager of beduidend lager dan die welke hij had verkregen voor de aanslagjaren 1990 tot
- Volgens de verwijzende rechter vormt de aan de verzoeker uitgekeerde verzekeringsvergoeding dus niet het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten, maar heeft zij rechtstreeks betrekking op zijn beroepsactiviteit omdat die vergoeding hem slechts kon worden toegekend indien hij zich in de onmogelijkheid bevond om zijn beroep uit te oefenen, en omdat hij de premie heeft beschouwd als een beroepsuitgave. De op die vergoeding gevestigde belasting kan wettelijk gezien dus enkel teruggaan op artikel 34, § 1, 1°, van het WIB
- De verwijzende rechter merkt op dat die bepaling reeds strijdig werd bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij van toepassing is op de toegekende vergoedingen zonder dat de begunstigde ervan een inkomstenderving lijdt. Hij citeert in dat verband het arrest nr. 132/98 van 9 december 1998 en het arrest nr. 120/2001 van 10 oktober
- Na te hebben vastgesteld dat het Hof zich in dat laatste arrest gebaseerd had op het feit dat de verzekeringspremies door de begunstigde van de vergoeding niet waren afgetrokken, acht hij het noodzakelijk de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zijn van mening dat het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen de belastingplichtigen die, zonder inkomstenderving, een verzekeringsvergoeding ontvangen die een arbeidsongeschiktheid dekt, naargelang zij de aan de verzekeraar betaalde premies al dan niet hebben afgetrokken. De vergoeding zou alleen in het eerste geval worden belast. Hoewel die twee categorieën van belastingplichtigen de facto niet volkomen identiek zijn, zouden zij dat toch zijn ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel. A.1.
- De ratio legis van de in het geding zijnde bepaling zou uitsluiten dat die twee categorieën verschillend worden behandeld. Die bepaling zou immers in het Wetboek van de inkomstenbelastingen zijn ingevoegd bij de wet van 5 januari 1976 om een einde te maken aan het stelsel van vrijstelling van sommige vervangingsinkomens. Die overwegingen zouden overigens overeenstemmen met de algemene economie van de belastinghervorming van
- Om te bepalen of de vergoeding al dan niet moet worden belast, zou men zich dus moeten afvragen of zij een vervangingsinkomen vormt. Wanneer de vergoeding geen inkomstenderving compenseert, kan zij niet worden belast zonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden. A.1.
- Het feit dat de begunstigde van de vergoeding de krachtens de verzekeringsovereenkomst verschuldigde premies heeft afgetrokken, zou niet in aanmerking mogen worden genomen. Een dergelijke 4 verrichting zou immers geen enkele weerslag hebben op de derving of het behoud van het beroepsinkomen. De in het geding zijnde bepaling zou overigens de belasting van de vergoeding niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de premie werd afgetrokken. Bovendien zouden voor de aftrek van de bijdragen andere regels gelden, die losstaan van de regels voor de belasting van de pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen. De belastingadministratie zelf zou het belastbare karakter van een verzekeringsvergoeding niet verbinden aan het feit of de premie al dan niet werd afgetrokken. Overigens zou een verzekeringsovereenkomst slechts een kanscontract zijn en is het mogelijk dat de verzekerde nooit een beroep doet op zijn verzekeraar. Dat neemt niet weg dat de premie in dat geval aftrekbaar zou zijn. De rechtspraak van het Hof van Cassatie zou overigens geen enkel rechtstreeks verband opleggen tussen een bepaalde last en een bepaald inkomen. De voorwaarden voor de aftrekbaarheid van de premie zouden uitsluitend worden beoordeeld op het ogenblik dat die premie wordt betaald. Ten slotte zou men niet kunnen stellen dat de belasting van de vergoedingen het tegenwicht vormt van het fiscale voordeel dat wordt verkregen door de aftrek van de premies. Immers, ook al kan die overweging een politieke verklaring zijn voor het verband tussen aftrek en belasting, toch zou zij geen juridische verantwoording vormen omdat de wettelijke voorwaarden voor de belasting van de vergoedingen losstaan van de voorwaarden voor de aftrek van de premies. Overigens zou in een zeer groot aantal gevallen, net zoals te dezen, de belasting van de vergoeding uit economisch oogpunt geenszins worden gecompenseerd door de aftrek van de premies. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter herinneren verder nog aan de rechtspraak van het Hof over de in het geding zijnde bepaling. Zij onderstrepen in dat verband dat, in het arrest nr. 120/2001 van 10 oktober 2001, het Hof zich niet heeft uitgesproken over de vraag of het feit dat de verzekerde de premies heeft afgetrokken, de belasting van de vergoeding in overeenstemming bracht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, omdat die vraag niet aan de orde was. In het arrest nr. 55/2003 van 30 april 2003 zou daarentegen zeer duidelijk zijn gesteld dat het criterium van onderscheid op grond van de aftrekbaarheid van de premies, geen pertinent criterium was ten aanzien van het doel van de in het geding zijnde bepaling. Het arrest nr. 102/2005 van het Hof, dat op 1 juni 2005 werd gewezen, zou zulk een conclusie niet invalideren. In dat arrest oordeelt het Hof weliswaar dat de artikelen 34, § 1, 1° en 1°bis, en 39, § 1, van het WIB 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden doordat zij de vergoedingen uitgekeerd door een verzekeringsmaatschappij die dekking verleent ingevolge een polis « gewaarborgd inkomen » belastbaar stellen, zonder dat er voor de begunstigde van de vergoeding een inkomstenderving is, wanneer de premies verbonden aan de verzekeringsovereenkomst door de begunstigde van de vergoeding als beroepskosten werden afgetrokken. Die beslissing zou echter zijn gewezen met betrekking tot de nieuwe versie van de artikelen 34 en 39 van het Wetboek. Bovendien zou de prejudiciële vraag die aan het Hof is gesteld, fundamenteel verschillen van de vragen die werden gesteld in de zaak die tot dat arrest heeft geleid. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter wijzen ten slotte erop dat in de motivering van de verwijzingsbeslissing nergens wordt verwezen naar dat arrest nr. 102/
- A.2.
- De Ministerraad betwist in de eerste plaats de bevoegdheid van het Hof om te antwoorden op de prejudiciële vraag. De verwijzende rechter zou immers het Hof verzoeken om de belasting van de vergoeding en de aftrek van de premie die tot die vergoeding heeft geleid, met elkaar in verband te brengen. De prejudiciële vraag zou ertoe strekken dat het Hof zich uitspreekt over de vraag of de in het geding zijnde bepaling de belasting van een vergoeding toestaat naargelang het in het geding zijnde geval aanleiding kon geven tot een toepassing van de aftrek waarin artikel 52, 10°, van het WIB 1992 voorziet, wat zou neerkomen op een interpretatie van de wet. A.2.
- De Ministerraad is overigens van mening dat de verwijzende rechter heeft geoordeeld dat de door de verzekeraar uitgekeerde vergoeding rechtstreeks betrekking had op de beroepsactiviteit van de verzoekende partij, maar dat zij niet het herstel vormde van een derving van beroepsinkomsten. 5 Volgens de verwijzende rechter zou de in het geding zijnde vergoeding bijgevolg belastbaar zijn op grond van artikel 34, § 1, 1°, van het WIB
- Daaruit zou volgen dat het criterium van de aftrek, als beroepskosten, van de premies die aan de verzekeraar verschuldigd zijn, zou kunnen worden beschouwd als een overtollig criterium dat niet zou verhinderen dat die premies in verband worden gebracht met de beroepsactiviteit, enkel op grond van het criterium met betrekking tot de inhoud van de afgesloten verzekeringsovereenkomst. Het door de verwijzingsbeslissing voorgestelde criterium van onderscheid zou dan ook niet pertinent zijn om de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling te beoordelen omdat een niet-aftrek van de premies niet zou verhinderen dat de vergoeding wordt belast op basis van het bestaande verband met de beroepsactiviteit. De Ministerraad is dan ook van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat er geen sprake kan zijn van discriminatie onder de belastingplichtigen wegens een mogelijke aftrek van de betaalde premies. A.2.
- Nog meer subsidiair voert de Ministerraad nog aan dat het Hof, in zijn arrest nr. 120/2001, heeft geoordeeld dat het feit dat een vergoeding in voldoende mate betrekking heeft op de beroepsactiviteit, niet kon worden afgeleid uit de loutere omstandigheid dat de vergoeding ertoe strekt een fysiologische of economische invaliditeit te herstellen, maar zou kunnen voortvloeien uit de fiscale aftrek van de premies die zijn betaald ter uitvoering van de verzekeringsovereenkomst die aanleiding heeft gegeven tot de vergoeding, en dat in dat geval de belasting van die vergoeding, die verschuldigd is zelfs zonder dat er sprake is van een inkomstenderving voor de begunstigde, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zou schenden. In een arrest nr. 44/2000 van 6 april 2000 zou het Hof eveneens hebben geoordeeld dat het gewettigd was dat de wetgever ernaar streefde de belangen van de Schatkist te vrijwaren. Te dezen zou de vergoeding echter niet alleen een fysiologische of economische invaliditeit compenseren, maar zou zij bovendien voortvloeien uit een verzekeringsovereenkomst waarvan de premies zouden zijn afgetrokken. De begunstigde van de vergoeding zou zich dus in een gunstigere situatie bevinden dan diegene die dezelfde vergoeding verkrijgt zonder de premies die hij aan de verzekeraar heeft betaald, te hebben afgetrokken. Die twee categorieën van personen zouden zich in werkelijkheid in een totaal verschillende situatie bevinden, en de fiscale behandeling die voor hen is weggelegd, zou objectief en redelijk verantwoord zijn. A.3.
- In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter aan dat de vraag die is gesteld wel degelijk tot de bevoegdheid van het Hof behoort omdat de verwijzende rechter aan het Hof vraagt zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, en niet over de interpretatie die aan die bepaling moet worden gegeven. In de bewoordingen van de vraag zou de verwijzende rechter zelf van de veronderstelling uitgaan dat artikel 52, 10°, van het WIB 1992 de aftrek, als beroepskosten, van de premies van verzekeringsovereenkomsten toestaat, zelfs wanneer de arbeidsongeschiktheid niet leidt tot een derving van beroepsinkomsten. De verwijzende rechter zou het Hof uitsluitend vragen of, rekening houdend met die regel, de in het geding zijnde bepaling strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.3.
- De verzoekende partijen antwoorden verder nog dat, indien de aftrek van de premies een niet-pertinent criterium zou zijn - zoals de Ministerraad beweert -, de in het geding zijnde belasting als ongrondwettig zou moeten worden beschouwd door een eenvoudige overname van de vroegere rechtspraak van het Hof. Het Hof zou immers hebben beslist dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij voorziet in de belasting van een vergoeding die is uitgekeerd tot herstel van een arbeidsongeschiktheid of ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst die de fysiologische of economische invaliditeit dekt, zonder dat er sprake is van een inkomstenderving, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt. A.3.
- De verzoekende partijen betwisten vervolgens de betekenis die de Ministerraad geeft aan het arrest nr. 44/
- Volgens hen zou zelfs een maatregel die ertoe strekt de belangen van de Schatkist te vrijwaren, niet vrijgesteld zijn van de door het Hof uitgeoefende pertinentie– en evenredigheidstoetsing. Zij wijzen verder nog erop dat de situatie van de belastingplichtige die slechts één premie heeft afgetrokken, zoals dat te dezen het geval is, dichter aanleunt bij die van de belastingplichtige die geen enkele premie heeft afgetrokken dan bij die van de belastingplichtige die ze allemaal heeft afgetrokken. 6 A.4.
- In zijn memorie van antwoord voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter besluiten tot de ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling vanuit de overweging dat er te dezen geen sprake is van enige inkomstenderving voor de verzekerde. Het Hof zou echter niet moeten beslissen over de vraag of er daadwerkelijk sprake was van een inkomstenderving, maar zou moeten nagaan of de belasting van de vergoeding grondwettig is, rekening houdend met de voorafgaande aftrek van de premies door de begunstigde. A.4.
- Voor het overige oordeelt de Ministerraad dat men voor het antwoord op de prejudiciële vraag niet alleen moet uitgaan van het arrest nr. 120/2001, maar eveneens van het arrest nr. 102/2005 van 1 juni
- In die beslissing zou het Hof tot de conclusie zijn gekomen dat, wanneer de premies zijn afgetrokken, de belasting van de vergoeding die de begunstigde van de verzekering heeft ontvangen, niet discriminerend is, zelfs wanneer er geen sprake is van een inkomstenderving. De lering van dat arrest zou te dezen perfect kunnen worden overgenomen. De wijziging die de in het geding zijnde bepaling heeft ondergaan en die voor de eerste keer in het arrest nr. 102/2005 in aanmerking werd genomen, zou slechts een kleine aanpassing zijn waarmee de wetgever tegemoetkwam aan het arrest nr. 132/98 van het Hof. -B- B.
- Artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) (het vroegere artikel 32bis van het WIB 1964), vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, bepaalde : « Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend : 1° pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid of die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken ». B.2.
- De verwijzende rechter vraagt het Hof of die bepaling de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt doordat zij de vergoedingen uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst die individueel is afgesloten voor het dekken van een arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit, zonder dat er voor de begunstigde van de vergoedingen een inkomstenderving is, belastbaar stelt wanneer de verzekeringspremies door die begunstigde als beroepskosten werden afgetrokken. B.2.
- Volgens de stukken die als bijlage zijn gevoegd bij de memorie van de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter, werd de in het geding zijnde vergoeding uitgekeerd door de verzekeraar van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid van de makelaar, 7 tot herstel van de schade die was veroorzaakt door de nalatigheid van die laatste. Die had immers nagelaten de verzekeringspolis te hernieuwen voor de periode gedurende welke het ongeval zich voordeed dat heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid. Het komt het Hof echter niet toe de rechtsverhouding tussen de partijen te bepalen, noch zijn interpretatie van de toepasselijke normen in de plaats te stellen van die van de verwijzende rechter. B.3.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat, volgens de verwijzende rechter, de in het geding zijnde vergoeding is uitgekeerd ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tot herstel van een arbeidsongeschiktheid en dat zij betrekking heeft op de beroepsactiviteit van de begunstigde ervan, zodat zij binnen het toepassingsgebied valt van artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992, en niet van artikel 38, § 1, 8°, van hetzelfde Wetboek. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing volgt verder nog dat de jaarlijkse premie die overeenstemt met de periode gedurende welke het ongeval zich voordeed dat heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van de begunstigde van de vergoeding, door die laatste werd afgetrokken als beroepskosten. B.3.
- Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt. B.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, wordt het Hof via de prejudiciële vraag verzocht zich uit te spreken, niet over de interpretatie die aan de in het geding zijnde bepaling moet worden gegeven, maar wel over de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. B.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of de jaarlijkse verzekeringspremie door de begunstigde van de vergoeding al dan niet als beroepskosten werd afgetrokken. B.6.
- In zijn arrest nr. 120/2001 van 10 oktober 2001 heeft het Hof voor recht gezegd : 8 « Artikel 32bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964, thans artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de vergoedingen uitgekeerd door een verzekeringsmaatschappij tot herstel van een fysiologische en/of economische invaliditeit belastbaar stelt, zonder dat er voor het slachtoffer een inkomstenderving is, en terwijl de premies verbonden aan het verzekeringscontract door de begunstigde van de vergoeding niet als beroepskosten werden afgetrokken ». B.6.
- Indien de vergoedingen toegekend ter uitvoering van een individueel verzekeringscontract tegen lichamelijke ongevallen van belasting dienen te worden vrijgesteld wanneer de premies verbonden aan het contract niet fiscaal werden afgetrokken door de begunstigde van de vergoeding, is het verantwoord dat een vergoeding toegekend ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst die is afgesloten voor het herstel van een arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit, wordt belast wanneer de overeenkomstige premie door de begunstigde van de vergoeding als beroepskosten werd afgetrokken. Bovendien volgt uit de definitie van het begrip « beroepskosten » in artikel 49 van het WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 52, 10°, van het WIB 1992, dat een afgetrokken premie tot doel heeft belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, zodat noodzakelijkerwijze de uitgekeerde vergoeding belastbaar is. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet in zoverre het de vergoeding uitgekeerd ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tot herstel van een arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit, belastbaar stelt zonder dat er voor de begunstigde een inkomstenderving is, wanneer de overeenkomstige premie door die laatste als beroepskosten werd afgetrokken. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 10 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.073 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div