id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.074 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070510.3 Arrest- Rolnummer: 74/2007 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-06-20 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-06-29 11:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie schendt de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 29 februari 2004, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Ieper. Fiscaal recht - Douane en accijnzen - Accijns op minerale oliën - Verlaagd accijnstarief - Rode diesel - Brandstof die voor industriële en commerciële toepassingen wordt gebruikt - Uitsluitingen - 1. Brandstof voor een motorvoertuig met een erop gemonteerde betonpomp - a. Beoordelingsbevoegdheid van de rechter - b. Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten - 2. Brandstof voor motoren die worden aangewend voor het aandrijven van een voertuig dat dienst doet als vervoermiddel op de openbare weg - Omzetting van een Europese richtlijn. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 29-02-2004 - 33 ELI link Pub nr 2004003128 Wet - 22-10-1997 - 8,§1 - 38 ELI link Pub nr 1997003624 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 170 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4056 Arrest nr. 74/2007 van 10 mei 2007 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 29 februari 2004, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Ieper. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 11 september 2006 in zake de minister van Financiën en het openbaar ministerie tegen Brecht Degroote en de bvba « Degroote Brecht », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 oktober 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Ieper de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de belasting van energieproducten en electriciteit (oud), gelezen in samenhang met artikel 26-2° en 26-3° van het ministerieel besluit van 28 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van minerale olie, het grondwettelijk legaliteitsbeginsel, neergelegd in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet aldus geïnterpreteerd dat een motorvoertuig met erop gemonteerde betonpomp niet onder hun toepassingsgebied ressorteert ? »; 2. « Schendt artikel 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de belasting van energieproducten en electriciteit (oud), gelezen in samenhang met artikel 26-2° van het ministerieel besluit van 28 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van minerale olie, het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door personen die gebruik maken van een motorvoertuig met erop gemonteerde betonpomp niet toe te laten dit voertuig aan te drijven met roodgekleurde en met solvent yellow 124 gemerkte gasolie, terwijl zulks wel wordt toegelaten voor personen die gebruik maken van motoren van installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken ? »; 3. « Schendt artikel 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de belasting van energieproducten en electriciteit (oud), gelezen in samenhang met artikel 26-3° van het ministerieel besluit van 28 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van minerale olie, het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door personen die gebruik maken van een motorvoertuig met erop gemonteerde betonpomp niet toe te laten dit voertuig aan te drijven met roodgekleurde en met solvent yellow 124 gemerkte gasolie, terwijl zulks wel wordt toegelaten voor personen die gebruik maken van motoren voor voertuigen die door hun bestemming buiten de openbare weg worden gebruikt of waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg ? ». Memories zijn ingediend door : - Brecht Degroote, wonende te 8980 Passendale, ’s Graventafelstraat 49; - de Ministerraad. Brecht Degroote heeft ook een memorie van antwoord ingediend. 3 Op de openbare terechtzitting van 15 maart 2007 : - zijn verschenen : . Mr. A. Verstraeten loco Mr. D. Cool, advocaten bij de balie te Veurne, voor Brecht Degroote; . Mr. P. Pels loco Mr. P. Vancaeneghem, advocaten bij de balie te Gent, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil B. Degroote en de bvba « Degroote Brecht » worden vervolgd voor het onwettig gebruik, op 13 januari 2004, van zogenaamde « rode diesel » voor het aandrijven van een motorvoertuig, namelijk een vrachtauto met erop gemonteerde betonpomp. Zij zijn echter van oordeel dat, aangezien het voertuig in essentie een betonpomp betrof, de motorbrandstof werd gebruikt voor industriële en commerciële doeleinden in de zin van de artikelen 7 en 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie (nader uitgewerkt in artikel 26 van het ministerieel besluit van 28 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van minerale olie). Zij merken op dat de fiscale administratie aanvankelijk die mening deelde, maar dat zij in 2001 haar interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen wijzigde. Zij maken kritische kanttekeningen bij die gewijzigde interpretatie in het licht van het gelijkheidsbeginsel, het fiscaal legaliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van retroactieve fiscale wetgeving. De Rechtbank van eerste aanleg te Ieper acht het nodig, alvorens ten gronde te oordelen, de voormelde prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1. Volgens B. Degroote bestond er jarenlang geen betwisting over dat betonpompen, op grond van artikel 8, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 en artikel 26 van het ministerieel besluit van 28 december 1993, door rode diesel konden worden aangedreven. De administratie wijzigde blijkbaar in 2001 haar interpretatie van voormeld artikel 26. Hij verwijst daarvoor naar een brief van de administratie der douane en accijnzen. Volgens de nieuwe interpretatie zouden onder « voertuigen die door hun bestemming buiten de openbare weg worden gebruikt » voertuigen dienen te worden verstaan waarvoor geen nummerplaat is afgegeven en zouden onder « voertuigen waarvoor geen vergunning is verleend voor gebruik buiten de openbare weg » voertuigen dienen te worden verstaan waarvoor geen gelijkvormigheidsattest is afgegeven. 4 B. Degroote merkt op dat het verbod van retroactieve fiscale wetgeving te dezen niet aan de orde is aangezien de feiten op grond waarvan hij wordt vervolgd van na de gewijzigde interpretatie dateren. Wel relevant naar zijn oordeel is het legaliteitsbeginsel, niet alleen in fiscale zaken maar ook in strafzaken. De niet-naleving van de in het geding zijnde bepaling wordt immers strafrechtelijk bestraft. De wijziging van de interpretatie door de administratie zou het legaliteitsbeginsel om twee redenen schenden. In de eerste plaats zou de rechtsonderhorige niet langer kunnen weten welke handelingen of nalatigheden strafbaarheid of belastbaarheid met zich meebrengen. In de tweede plaats zouden in de nieuwe interpretatie voorwaarden aan de wet worden toegevoegd, meer bepaald doordat « voertuigen die door hun bestemming buiten de openbare weg worden gebruikt » worden gelijkgesteld met voertuigen waarvoor geen nummerplaat is afgegeven en doordat « voertuigen waarvoor geen vergunning is verleend voor gebruik buiten de openbare weg » worden gelijkgesteld met voertuigen waarvoor geen gelijkvormigheidsattest is afgegeven. De eerste prejudiciële vraag zou derhalve bevestigend moeten worden beantwoord. A.2. Voor de Ministerraad is het duidelijk dat het voertuig van de beklaagden niet onder de uitzonderingen valt die rode diesel mogen tanken, doch enkel kan worden beschouwd als het geval dat door artikel 8, § 2, van de wet van 22 oktober 1997 uitdrukkelijk wordt uitgesloten van het gebruik van rode diesel (meer bepaald « vrachtwagens en andere speciaal uitgeruste voertuigen die dienen of zouden kunnen dienen voor het vervoer van materieel, machines en voertuigen »). In zoverre de prejudiciële vraag ervan uitgaat dat het verschil in behandeling voortvloeit uit bepalingen van het ministerieel besluit van 28 december 1993, zou zij feitelijke grondslag missen. De Ministerraad merkt vervolgens op dat artikel 8, § 1, van de voormelde wet een omzetting in het nationale recht is van artikel 8, lid 3, van de richtlijn 92/81/EEG. De drie categorieën vermeld in de in het geding zijnde bepaling zijn een woordelijke overname van hetgeen in de voormelde richtlijn is bepaald. Voor de eenheid van de markt zou het noodzakelijk zijn dat de voorwaarden waaronder voertuigen van rode diesel gebruik kunnen maken in alle lidstaten gelijk zijn. Volgens de Ministerraad bestaat er een wettelijke basis, zowel voor de op gasolie geheven accijnzen als voor de verschillende tarieven. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 oktober 1997 zou duidelijk blijken dat de wetgever de bedoeling had om de minister van Financiën geval per geval in de modaliteiten en formaliteiten te laten voorzien, specifiek voor het heffen of vrijstellen van de accijns. A.3. B. Degroote is van oordeel dat de Ministerraad de prejudiciële vraag miskent aangezien hij antwoordt in termen van ongelijke behandeling, terwijl de vraag de legaliteit betreft. Het feit dat de minister van Financiën verdere maatregelen mag treffen, zou niet relevant zijn. Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag A.4. Een schending van het legaliteitsbeginsel impliceert naar het oordeel van B. Degroote ook een schending van het gelijkheidsbeginsel, zodat de derde prejudiciële vraag eveneens bevestigend dient te worden beantwoord. De tweede prejudiciële vraag zou vervolgens geen antwoord meer behoeven, gelet op het bevestigende antwoord op de eerste en de derde vraag. A.5. De Ministerraad merkt op dat het doel van de wet erin bestaat om, overeenkomstig hetgeen in de voormelde richtlijn is bepaald, een geharmoniseerde accijns te heffen op minerale oliën. Wet en richtlijn reserveren het lagere tarief voor voertuigen die niet in het normale wegverkeer worden toegelaten. Die verschillende behandeling zou objectief en redelijk te verantwoorden zijn. Indien vrachtwagens die tot het normale wegverkeer zijn toegelaten, rode diesel zouden mogen tanken wanneer zij een machine vervoeren die in de bouwnijverheid wordt gebruikt, dan zou belastingontwijking erg gemakkelijk worden en belastingontduiking bijzonder moeilijk te controleren zijn en dit terwijl de richtlijn precies oplegt « een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen ». Bovendien zouden vrachtwagens onder strikte voorwaarden wel degelijk rode diesel mogen gebruiken. De Ministerraad meent derhalve dat de tweede en de derde prejudiciële vraag ontkennend moeten worden beantwoord. A.6. Volgens B. Degroote miskent de Ministerraad de ware aard van de prejudiciële vragen. Die zouden immers niet ertoe strekken te vernemen of de huidige regeling op zich discriminerend is, maar of zij, gelet op de eenzijdig gewijzigde interpretatie en gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, discriminerend is. 5 -B- B.1.1. Artikel 7, § 1, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie onderwierp bepaalde energieproducten aan een verschillend accijnstarief naar gelang van de bestemming ervan (motorbrandstof, verwarming of industriële en commerciële toepassingen). Artikel 8 van dezelfde wet, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten waarover de verwijzende rechter zich dient uit te spreken, bepaalde : « § 1. Met het oog op de toepassing van artikel 7 worden aangemerkt als zijnde bestemd voor industriële en commerciële toepassingen, de onder fiscale controle gebruikte kerosine, gasolie, LPG en methaan voor de voeding van :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.