← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.084

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.084 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070607.7 Arrest- Rolnummer: 84/2007 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-06-29 16:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De artikelen 12, § 1, en 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de in B.3.1 vermelde interpretatie. - Diezelfde bepalingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de in B.4.1 vermelde interpretatie. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Vrijgestelde inkomsten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 12, § 1, en 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Fiscaliteit - Inkomstenbelastingen - Onroerende voorheffing - Vrijstelling -

  1. Rusthuizen -
  2. Instellingen die, zonder winstoogmerk, andere hulpbehoevenden dan bejaarden opvangen. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 12,§1 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 253 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4100 Arrest nr. 84/2007 van 7 juni 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 12, § 1, en 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 13 december 2006 in zake de vzw « Oikonde » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 december 2006, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 12, § 1, en 153 [lees : 253] van het W.I.B. 1992, in de veronderstelling dat de daarin voorkomende bijzondere doeleinden limitatief werden opgesomd en in de interpretatie dat de daarin voorkomende term ‘ rusthuis ’ beperkt is tot gebouwen waar aan bejaarden (zijnde personen van 60 jaar of ouder), die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting en verzorging wordt gegeven, waardoor instellingen die aan opvang doen van gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen (die geen bejaarden zijn) niet worden beoogd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 april 2007 : - is verschenen : Mr. K. Van de Velde loco Mr. F. Colpaert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De vzw « Oikonde » heeft als maatschappelijk doel de opvang van gehandicapten, psychiatrische patiënten en thuislozen in de meest ruime zin van het woord. Zij zorgt voor kleinschalige opvang in pleeggezinnen, doorstromingshuizen en huizen voor lang verblijf of voor zelfstandige bewoning met ondersteuning. Zij bezit zes woningen die uitsluitend worden aangewend ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel. Drie daarvan verkrijgen sedert 1993 vrijstelling van onroerende voorheffing op grond van de artikelen 12, § 1, en 253, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992). Voor de drie andere woningen ontving de vereniging een aanslag in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar
  3. Op 23 juli en 19 november 1997 diende de vereniging bezwaarschriften in, waarbij zij vrijstelling van de onroerende voorheffing vroeg. Op 20 januari 2003 werden de bezwaarschriften afgewezen. Op 5 maart legde de vereniging een verzoekschrift op tegenspraak neer bij de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. 3 Met een vonnis van 2 januari 2004 heeft de Rechtbank de vordering gedeeltelijk ingewilligd en voor recht gezegd dat het kadastraal inkomen van twee woningen wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 1997 omdat zij als « soortgelijke weldadigheidsinstellingen » in de zin van artikel 12, § 1, van het WIB 1992 moeten worden beschouwd. De derde woning dient voor crisisopvang en kan volgens de Rechtbank niet als een « soortgelijke weldadigheidsinstelling » worden beschouwd omdat zij niet in een duurzaam verblijf voorziet, hetgeen een gemeenschappelijk kenmerk van de bedoelde weldadigheidsinstellingen zou zijn. Op 6 februari 2004 heeft de vzw « Oikonde » tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Brussel. Zij meent dat een duurzaam verblijf niet door de wet is vereist om als « soortgelijke weldadigheidsinstelling » voor de vrijstelling van onroerende voorheffing in aanmerking te komen. Volgens het Hof van Beroep rijst de vraag of de in artikel 12, § 1, van het WIB 1992 opgesomde bestemmingen al dan niet limitatief worden opgesomd. In de veronderstelling dat zulks het geval is, zouden de drie woningen, sedert de vervanging van de term « godshuizen » door « rusthuizen » in de voormelde bepaling, van de vrijstelling van onroerende voorheffing worden uitgesloten. Rusthuizen zijn immers enkel voor bejaarden, terwijl godshuizen ook andere hulpbehoevenden opvangen. Alvorens uitspraak te doen, stelt het Hof van Beroep te Brussel de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- De Ministerraad wijst erop dat de wet van 21 mei 1996 in artikel 12, § 1, van het WIB 1992 de term « godshuizen » heeft vervangen door « rusthuizen », met de bedoeling de bewoordingen van die bepaling te moderniseren. Onder « soortgelijke weldadigheidsinstellingen » moeten volgens de Ministerraad instellingen worden verstaan waar aan weldadigheidswerken wordt gedaan die soortgelijk zijn aan de in de wet opgesomde weldadigheidswerken, meer bepaald het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, onderwijs of het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen en vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden. Het loutere weldadigheidskarakter zou niet volstaan om voor de vrijstelling van onroerende voorheffing in aanmerking te komen. Voor de definitie van rusthuis en de opsomming van met rusthuizen gelijkgestelde instellingen verwijst de Ministerraad naar een omzendbrief van de federale administratie van de directe belastingen. Die definitie is beperkter dan wat onder godshuizen werd verstaan, namelijk huizen waar niet alleen ouderen maar alle hulpbehoevenden werden opgevangen, zodat opvangtehuizen voor andere personen dan bejaarden sedert 1996 niet meer voor de vrijstelling van onroerende voorheffing in aanmerking zouden komen. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd evenwel bevestigd, zo voegt de Ministerraad eraan toe, dat ook opvangtehuizen voor andere hulpbehoevende personen dan bejaarden nog als « soortgelijke weldadigheidsinstellingen » kunnen worden beschouwd en dat verschillende rechterlijke uitspraken zich bij die stelling hebben aangesloten. Of een instelling als een « soortgelijke weldadigheidsinstelling » moet worden beschouwd, zou de beoordeling van een feitelijke situatie inhouden. Van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou volgens de Ministerraad geen sprake zijn. 4 -B- B.
  4. Artikel 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) stelt het kadastraal inkomen van de in artikel 12, § 1, van hetzelfde Wetboek vermelde goederen vrij van de onroerende voorheffing. Het gaat om « de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van soortgelijke weldadigheidsinstellingen ». B.
  5. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de voormelde bepalingen een discriminatie inhouden doordat zij rusthuizen vrijstellen van de onroerende voorheffing, terwijl zij instellingen die andere categorieën van personen dan bejaarden opvangen (gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen, armen) niet dezelfde vrijstelling zouden verlenen. B.3.
  6. In de interpretatie van de verwijzende rechter, volgens welke instellingen die andere hulpbehoevenden dan bejaarden opvangen niet voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing in aanmerking zouden komen, is de maatregel gegrond op een criterium dat niet in verband staat met de doelstelling van de vrijstelling die erin bestaat de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen. B.3.
  7. In die interpretatie is artikel 12, § 1, van het WIB 1992 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.4.
  8. De in het geding zijnde bepaling kan evenwel ook op een andere wijze worden geïnterpreteerd. Het kan immers niet ernstig worden betwist dat instellingen waar, zonder winstoogmerk, andere hulpbehoevende personen dan bejaarden worden opgevangen als soortgelijke weldadigheidsinstellingen in de zin van artikel 253 van het WIB 1992 kunnen worden beschouwd. Dat blijkt overigens uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde 5 bepaling (Parl. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-20/3, p. 16) en wordt bevestigd door de rechtspraak (cf. met name Gent, 19 februari 2002). B.4.
  9. In die interpretatie worden instellingen die, zonder winstoogmerk, andere categorieën van personen dan bejaarden opvangen, inzake vrijstelling van de onroerende voorheffing niet anders behandeld dan rusthuizen. B.4.
  10. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 12, § 1, en 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de in B.3.1 vermelde interpretatie. - Diezelfde bepalingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de in B.4.1 vermelde interpretatie. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 7 juni
  11. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.