id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.087 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070620.1 Arrest- Rolnummer: 87/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 491 - laatst gezien 2026-07-03 08:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 oktober 2005 « tot wijziging van de artikelen 6, 21, 110bis en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », ingesteld door de VZW « Inter-Environnement Wallonie ». Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest -
- Vergunning met betrekking tot openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen - Afwijking van de plannen van aanleg -
- Overheidsvergunning. # Rechten en vrijheden - Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu - Standstill-verplichting. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 27-10-2005 - 5 - 33 ELI link Pub nr 2005203187 Tekst van de beslissing Rolnummer 3994 Arrest nr. 87/2007 van 20 juni 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 oktober 2005 « tot wijziging van de artikelen 6, 21, 110bis en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », ingesteld door de vzw « Inter-Environnement Wallonie ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 mei 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 mei 2006, heeft de vzw « Inter- Environnement Wallonie », met maatschappelijke zetel te 5000 Namen, boulevard du Nord 6, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 oktober 2005 « tot wijziging van de artikelen 6, 21, 110bis en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2005). De Waalse Regering en de Vlaamse Regering hebben memories ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering en de Vlaamse Regering hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 april 2007 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de aangevochten bepalingen A.
- Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op artikel 5, eerste tot derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005 « tot wijziging van de artikelen 6, 21, 110bis en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » doordat het het toepassingsgebied van de regel van artikel 127, § 1, eerste lid, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP) uitbreidt tot de « handelingen en werken gelegen […] in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens bedoeld in artikel 21 » van dat Wetboek en tot de « openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen », en doordat het toestaat dat een 3 vergunning afwijkt van de voorschriften van de gewestplannen en van de reglementaire voorschriften inzake ruimtelijke ordening zonder de voorwaarden van de artikelen 113 en 114 van hetzelfde Wetboek na te leven. Ten aanzien van het belang A.
- De vzw « Inter-Environnement Wallonie » (I.E.W.) doet blijken van haar belang om in rechte te treden door erop te wijzen dat zij één van de belangrijke verenigingen is inzake bescherming van het leefmilieu op het grondgebied van het Waalse Gewest. Zij verwijst in dat verband naar haar deelname aan de totstandkoming van decreten en verordeningen inzake ruimtelijke ordening en bescherming van het leefmilieu, en naar haar deelname aan verschillende raden, commissies en comités die de overheid op dat vlak heeft opgericht. Daarnaast verwijst zij naar de arresten nrs. 150/2004, 11/2005 en 83/2005, waarbij haar belang werd erkend om in rechte te treden « met betrekking tot normen betreffende de bescherming van het leefmilieu die kunnen worden toegepast op het grondgebied van het Waalse Gewest ». Ten aanzien van het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met de artikelen 1 tot 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 « inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna », met de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 « betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s » en met de artikelen 7 en 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend A.
- De verzoekende partij voert aan dat artikel 5 van het decreet van 27 oktober 2005, doordat het de mogelijkheid om af te wijken van het gewestplan - dat een van de belangrijkste instrumenten is inzake ruimtelijke ordening - in ruime mate uitbreidt zonder enige begrenzing of compensatie, het niveau van bescherming van een gezond leefmilieu aanzienlijk vermindert zonder dat daarvoor een redelijke en concrete verantwoording wordt gegeven, op grond van een dwingende reden van algemeen belang. Zij wijst in de eerste plaats erop dat de gemachtigde ambtenaar, bij wie een aanvraag is ingediend voor een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning voor een project in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens, de mogelijkheid heeft om systematisch, en ongeacht de aard van de handelingen en werken die door de vergunningsaanvraag worden beoogd, af te wijken van de voorschriften van het gewestplan, van een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een rooiplan, zonder de afwijkingsvoorwaarden die zijn vastgelegd in de artikelen 110, 111, 112 en 114 van het WWROSP, te moeten naleven. De verzoekende partij merkt vervolgens op dat de gemachtigde ambtenaar, bij wie een aanvraag werd ingediend voor een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning voor openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen, eveneens de mogelijkheid heeft om af te wijken van de voormelde voorschriften zonder de afwijkingsvoorwaarden die zijn vastgelegd in de artikelen 110 en 114 van het WWROSP, te moeten naleven. A.4.1.
- De Waalse Regering oordeelt, in hoofdorde, dat de aangevochten bepalingen het beschermingsniveau van het leefmilieu niet verlagen. Zij citeert het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft verstrekt over het voorontwerp van decreet dat het decreet van 18 juli 2002 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » is geworden, en onderstreept dat de toekenning, aan de gemachtigde ambtenaar, van de bevoegdheid om de vergunningen uit te reiken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het operationele optreden van de Regering in het kader van het beleid inzake ruimtelijke ordening, dat niveau van bescherming verhoogt. Zij doet opmerken dat die ambtenaar, die garant staat voor de wettigheid van de gestelde handelingen, enkel kan instemmen met een afwijking van de plannen en van de verordening bedoeld in artikel 127, § 3, van het WWROSP, wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op één van de gevallen opgesomd in artikel 127, § 1, van het WWROSP, en wanneer de voorwaarden van artikel 127, § 3, van hetzelfde Wetboek zijn vervuld. 4 De Waalse Regering beweert vervolgens dat veel vergunningsaanvragen voor handelingen, werken, gebouwen en voorzieningen bedoeld in artikel 127, § 1, 4° en 7°, van het WWROSP, reeds onderworpen waren aan de artikelen 110 en 127, § 3, van het WWROSP, zoals zij geformuleerd waren vóórdat zij door het aangevochten decreet werden gewijzigd. Volgens de Waalse Regering zijn de gevallen van afwijking die door de aangevochten bepalingen werden ingevoerd, in de praktijk niet talrijk wegens de aard van de betrokken handelingen en werken. In dat verband leidt zij af uit de parlementaire voorbereiding van het programmadecreet van 3 februari 2005 « betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging » dat artikel 127, § 1, eerste lid, van het WWROSP enkel betrekking heeft op uitzonderlijke situaties, dit wil zeggen projecten waarvan de initiatiefnemer rechtstreeks of onrechtstreeks de overheid is, handelingen en werken van openbare aard die deel uitmaken van het « operationele optreden » van de Regering dat ertoe strekt de « dwingende doelstelling van economische heropleving van Wallonië » te verwezenlijken. Zij voegt eraan toe dat het vroegere artikel 110 van het WWROSP reeds voorzag in een afwijkende regeling voor de openbare nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen. Bovendien zou uit het arrest van de Raad van State nr. 140.483 van 10 februari 2005 volgen dat de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens « goederen [zijn] die buiten het gewestplan vallen ». De Waalse Regering voert eveneens aan dat de meeste handelingen en werken in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, hetzij handelingen en werken van algemeen nut zijn die vergelijkbaar zijn met openbare nutsvoorzieningen, hetzij gemeenschapsvoorzieningen. De Waalse Regering preciseert dat geen enkele bepaling van het WWROSP het voormelde « operationele optreden » definieert, en dat een « overheidsvergunning » kan worden uitgereikt aan een privépersoon. Zij wijst in dat verband, bij wijze van voorbeeld, erop dat een sportclub of een cultuurcomplex openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen zijn die kunnen worden ontworpen door een privéopdrachtgever. De Waalse Regering leidt uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 oktober 2005 eveneens af dat projecten die worden ondernomen in het gebied en de zones bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 4°, van het WWROSP, kunnen worden verwezenlijkt in het kader van een partnership met de privésector, zonder afbreuk te doen aan het openbare karakter van de vergunning. A.4.1.
- De Waalse Regering vergelijkt de vroegere en de nieuwe formulering van artikel 127, § 3, van het WWROSP en oordeelt dat de nieuwe tekst meer waarborgen biedt. Zij leidt af uit de voorwaarde met betrekking tot de krachtlijnen van het landschap, dat het project « een actievere rol moet spelen in de ruimte van de omgeving ». Zij wijst erop dat de vroegere tekst enkel voorzag in de raadpleging van de adviescommissie voor ruimtelijke ordening. Zij voert ten slotte aan, in verband met het ontbreken - in de nieuwe tekst - van een uitdrukkelijke vermelding van de uitzonderlijke aard van de afwijking van het gewestplan, dat elk afwijkend mechanisme restrictief moet worden geïnterpreteerd, dat de vergunning moet worden gemotiveerd overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen » en dat de Raad van State de motivering van een afwijkende vergunning controleert. A.4.1.
- De Waalse Regering voert aan dat de afwijkingen die worden beoogd door het nieuwe artikel 127, § 3, van het WWROSP voordien reeds waren toegestaan door de artikelen 110, 113, 127 en 135, tweede lid, van het WWROSP. Zij is van mening dat het reële onderwerp van het beroep het bestaan op zich is van een mogelijkheid om af te wijken van een plan van aanleg. Zij preciseert dat « dérogation » en « écart » twee termen zijn die dezelfde realiteit dekken. Zij leidt af uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (arrest Gorraiz Lizagarra en anderen t. Spanje, 27 april 2004, § 70; beslissing Galtieri t. Italië, 24 januari 2006) dat een wijziging van de regels voor de bestemmingen van de bodem niet ipso facto een schending van artikel 23 van de Grondwet meebrengt. A.4.1.
- De Waalse Regering merkt op dat projecten die kunnen worden toegestaan in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, zoals een administratief gebouw, een school, een ziekenhuis, een sportcentrum, een luchthaven, een afvalsorteercentrum of een openbare parking, een menselijke activiteit op gang brengen die hinder veroorzaakt, zodat het toestaan van woningen in zulk een gebied het beschermingsniveau van het leefmilieu, voor de omwonenden van zulk een gebied, niet vermindert. Zij voert eveneens aan dat het toestaan, in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome 5 havens, van andere activiteiten dan die welke er kunnen worden toegestaan - en die verschillende vormen van hinder veroorzaken - evenmin van die aard is dat het beschermingsniveau van het leefmilieu voor de omgeving afneemt. A.4.1.
- De Waalse Regering erkent dat het uitreiken van een vergunning op grond van artikel 127, § 3, van het WWROSP, tot een wijziging leidt van de bodembestemming binnen de betrokken oppervlakte, en vergelijkt vervolgens het mechanisme van de afwijkende vergunning dat door die bepaling wordt beoogd, met de procedure tot herziening van het gewestplan en de procedure tot goedkeuring van een gemeentelijk plan van aanleg dat van dat gewestplan afwijkt. Zij oordeelt dat, in vergelijking met die « maatregelen van gelijke werking » die betrekking hebben op de wijziging van de bodembestemming, het uitreiken van de voormelde vergunning - waardoor « de besluitvorming kan worden versneld » - het beschermingsniveau van het leefmilieu niet vermindert. Zij wijst erop dat een herziening van het gewestplan en de goedkeuring van een gemeentelijk plan van aanleg in principe betrekking hebben op een groter gedeelte van het grondgebied dan de voormelde vergunning. Zij leidt af uit de omstandigheid dat een herziening van het gewestplan niet meer nodig is voor een « handeling van openbaar belang » in de zin van het vroegere artikel 40 van het WWROSP, en uit het begrensde karakter van het onderwerp van een afwijkend gemeentelijk plan van aanleg, dat de « afwijkende vergunning » bedoeld in artikel 127, § 3, van het WWROSP een « meer restrictieve manier is om de bestemming van de bodem te wijzigen ». De Waalse Regering voert aan dat de twee procedures met betrekking tot het plan in maatregelen voorzien van openbaarmaking en raadpleging van diensten of commissies. Zij merkt op dat, wanneer de betrokken oppervlakte beperkt is, die procedures niet steeds een milieueffectbeoordeling omvatten, terwijl zulk een beoordeling verplicht is voorafgaand aan de uitreiking van de vergunning bedoeld in artikel 127, § 3, van het WWROSP. De Waalse Regering wijst vervolgens erop dat de invoering van een nieuw gebied voor bebouwing, door een herziening van het gewestplan of de goedkeuring van een afwijkend gemeentelijk plan van aanleg, moet worden gecompenseerd, en onderstreept dat de voormelde vergunning betrekking heeft op gebieden die voor bebouwing bestemd zijn en dat, wanneer die vergunning een bebouwing toestaat waarin het gewestplan niet voorziet, de uitreiking ervan afhankelijk kan worden gemaakt van stedenbouwkundige lasten - ter compensatie -, met toepassing van artikel 86, § 2, van het WWROSP. A.4.
- In ondergeschikte orde betwist de Waalse Regering dat een eventuele achteruitgang van het beschermingsniveau van het leefmilieu, als gevolg van het nieuwe artikel 127, §§ 1 en 3, van het WWROSP, aanzienlijk zou zijn. Zij wijst in dat verband erop dat de uitbreiding van de bevoegdheden van de gemachtigde ambtenaar en de invoeging, in artikel 127, § 3, van het WWROSP, van nieuwe grond- en procedurevoorwaarden bijdragen aan de bescherming van het leefmilieu. Zij voegt eraan toe dat, ook al vormt een verhoging van het aantal gevallen waarin een « afwijkende vergunning » kan worden uitgereikt, een achteruitgang van het beschermingsniveau van het leefmilieu, dat aantal toch beperkt blijft, en de afwijkingen vaak een verbetering inhouden van de situatie van de omwonenden. De Regering merkt op dat, wat de andere wijzigingen betreft die door de aangevochten bepalingen zijn aangebracht - zoals het schrappen van de expliciete vermelding van het uitzonderlijke karakter van de afwijking -, het beschermingsniveau van het leefmilieu behouden blijft. A.4.3.
- In uiterst ondergeschikte orde is de Waalse Regering van mening dat de mogelijke aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het leefmilieu, als gevolg van artikel 127, §§ 1 en 3, van het WWROSP, verantwoord is door dwingende redenen van algemeen belang, zoals de nieuwe impuls die de Regering wil geven aan haar « operationele optreden » inzake ruimtelijke ordening, om de economische heropleving te bevorderen. Zij wijst eveneens erop dat « maatregelen worden genomen om de evenredigheid van de inmenging te waarborgen ». Uit verschillende uittreksels uit het Toekomstcontract voor Wallonië, uit de Regionale Beleidsverklaring van de Waalse Regering van 20 juli 2004 en uit de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet dat het programmadecreet van 3 februari 2005 is geworden, leidt de Waalse Regering af dat de Waalse decreetgever « de moeilijke economische situatie van Wallonië wil aanpakken en zich daartoe van de nodige hulpmiddelen wil voorzien, onder andere door het operationele optreden van de Regering te begunstigen » - optreden dat niet beperkt is tot de projecten die worden ontwikkeld door een overheid of tot de projecten van algemeen nut. Met verwijzing naar het arrest nr. 49/95 van het Hof en naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, oordeelt de Regering dat het behoud en het herstel van het 6 concurrentievermogen van de ondernemingen een redelijke verantwoording vormen voor een verschil in behandeling. A.4.3.
- De Waalse Regering is van mening dat artikel 127, §§ 1 en 3, van het WWROSP bijdraagt aan de economische heropleving door de administratieve vereenvoudiging die het doorvoert, en dat die bepaling daardoor in de lijn ligt van hetgeen werd gesuggereerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en door de Europese Unie, zodat zij een adequate maatregel vormt om de dwingende doelstellingen van algemeen belang die de Regering heeft bepaald, te verwezenlijken. Die laatste voert aan dat, rekening houdend met, enerzijds, de meer globale visie van de minister of van de gemachtigde ambtenaar en, anderzijds, de versnelling van de vergunningsprocedure, de aangevochten wijziging investeringen in Wallonië vergemakkelijkt. A.4.3.
- De Waalse Regering voert ten slotte aan dat, rekening houdend met hetgeen vermeld is in A.4.2, artikel 127, §§ 1 en 3, van het WWROSP een evenredige maategel is omdat het slechts een uiterst zwakke vermindering kan teweegbrengen van het beschermingsniveau van het leefmilieu, en omdat de inwoners van Wallonië en van de rest van het land voordeel zullen halen uit het economische herstel van het Gewest. A.5.
- I.E.W. antwoordt dat de lokalisering van de handelingen en werken vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 4°, van het WWROSP, niet volstaat om daaraan een openbaar karakter te verlenen, noch het statuut van overheidsproject. De verzoekende partij houdt staande dat de vergunningsaanvragen voor projecten in de gebieden die door die bepaling worden beoogd, vaak uitgaan van privépersonen. Zij voegt eraan toe dat de gemachtigde ambtenaar, op grond van artikel 127, § 3, van het WWROSP, in die gebieden elk type van project - openbaar of privé - kan toestaan, zonder te eisen dat het overeenkomt met de bestemming van die gebieden. I.E.W. voegt eraan toe dat de handelingen en de werken die deel uitmaken van de daadwerkelijke ruimtelijke ordening - die is vastgelegd in boek II, titel I, van het WWROSP -, niet allemaal openbaar zijn, zodat niet elke verwezenlijking van een beleid inzake daadwerkelijke ruimtelijke ordening een « overheidsvergunning » veronderstelt. I.E.W. wijst vervolgens erop dat artikel 127, §§ 1 en 3, van het WWROSP niet alleen van toepassing is op vergunningsaanvragen waarvan het onderwerp tot het operationele optreden van de Regering behoort. De verzoekende partij is van mening dat artikel 127 van het WWROSP een privéontwikkelaar niet verhindert om, buiten de wil om van de overheid, een project te ontwikkelen in een - blauw of wit - gebied dat aan geen enkel optreden inzake daadwerkelijke ruimtelijke ordening onderworpen is en dat geen enkele steun van de Regering geniet. Zij merkt op dat de gevallen die door artikel 127 van het WWROSP worden beoogd, niet allemaal betrekking hebben op « oppervlakten en gebieden waarbinnen het gewest aanzienlijke budgetten toestaat ». De verzoekende partij oordeelt dat artikel 127 van het WWROSP artikel 28 van het WWROSP uitholt doordat het van het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen een gebied maakt waarin alles wordt toegestaan. I.E.W. onderstreept daarnaast, met verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 151/2001 en naar het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft verstrekt over het voorontwerp van decreet dat het aangevochten decreet is geworden, dat ruimtelijke planning een essentieel onderdeel is van het recht inzake ruimtelijke ordening. De verzoekende vereniging is van mening dat, door de opheffing van elke reglementaire verplichting voor de gebieden en zones bedoeld in de artikelen 21 en 28 van het WWROSP, die gebieden en zones uit de ruimtelijke planning worden gelicht, zodat de aangevochten bepalingen - zonder pertinente en adequate verantwoording - de eigenaar, de bewoner of de economische actor, als belanghebbenden in die gebieden en zones, een essentiële waarborg van de ruimtelijke ordening ontnemen. I.E.W. wijst eveneens erop dat onder andere privéscholen, privéopvangtehuizen, alsook windmolens en antennes voor mobiele telefonie die door privéondernemingen worden geïnstalleerd, als « gemeenschapsvoorzieningen » kunnen worden gekwalificeerd. De verzoekende partij vermeldt ten slotte de negatieve reactie van het Directoraat-Generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium tegenover de mogelijkheid om op grond van het nieuwe artikel 127 van het WWROSP af te wijken van het gewestplan. A.5.
- I.E.W. antwoordt voor het overige dat het mechanisme van artikel 127 van het WWROSP onvoldoende waarborgen biedt. 7 De verzoekende partij merkt in de eerste plaats op dat de parlementaire voorbereiding van het aangevochten decreet en latere verklaringen van de bevoegde minister aantonen dat het ontbreken van de woorden « afwijkingen » en « uitzonderlijk » in de tekst van artikel 127, § 3, van het WWROSP een gevolg is van de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om van een « afwijkende en uitzonderlijke regeling » over te gaan naar een « systematische en gewone regeling ». Zij wijst vervolgens erop dat de gemachtigde ambtenaar, die over een discretionaire bevoegdheid beschikt, geen vergunningsaanvraag kan weigeren die om opportuniteitsredenen werd ingediend, noch voorwaarden kan opleggen voor zulke redenen. De verzoekende partij vraagt zich eveneens af welke de precieze betekenis is van de voorwaarde met betrekking tot de krachtlijnen van het landschap, voorwaarde die in het WWROSP zou zijn ingevoerd naar aanleiding van de bouw van windmolens en die, wat andere types van constructies betreft, slechts een regel van goede ruimtelijke ordening lijkt te zijn. I.E.W. wijst ten slotte erop dat de openbaarmaking en de raadpleging bedoeld in artikel 127, § 3, van het WWROSP, waarborgen zijn die reeds in de vroegere regeling bestonden en die geen compensatie vormen voor de daling van het beschermingsniveau van het leefmilieu die voortvloeit uit de mogelijkheid om af te wijken van het gewestplan en van het gemeentelijk plan van aanleg. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de Waalse Regering nog niet de gevallen heeft bepaald waarin de raadpleging van de diensten en commissies bedoeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van het WWROSP verplicht is. A.6.
- Volgens de Vlaamse Regering blijkt uit de uiteenzetting van het eerste middel dat het Hof meer bepaald wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de aangevochten bepalingen met artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de artikelen 1 tot 7 van de richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992, de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 en de artikelen 7 en 8 van het Verdrag dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend. Zij is van mening dat dit middel onontvankelijk is in zoverre het een rechtstreekse schending van die bepalingen aanvoert, zodat het slechts ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet. A.6.
- In hoofdorde voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet niet lijkt te gelden voor de aangelegenheid die wordt geregeld door de aangevochten bepaling omdat deze, zo niet uitsluitend, dan toch wel hoofdzakelijk, een louter procedureel of formeel aspect van de ruimtelijke ordening betreft. Zij leidt af uit de analyse van de parlementaire voorbereiding van artikel 23 van de Grondwet en uit de rechtspraak van de Raad van State dat het recht op bescherming van een gezond leefmilieu slechts betrekking kan hebben op de ruimtelijke ordening in zoverre die laatste een instrument vormt om een gezond leefmilieu voor het individu te creëren of te behouden. De Vlaamse Regering ziet niet hoe het loutere feit dat een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning wordt uitgereikt door de Gewestregering of de gemachtigde ambtenaar - en niet door het college van burgemeester en schepenen -, een weerslag kan hebben op de esthetische waarde of het gezonde karakter van het leefmilieu van de burger die te maken heeft met de activiteiten die door de bevoegde overheid zijn toegestaan. Zij voegt eraan toe, met verwijzing naar B.6.6 van het arrest nr. 169/2002, dat artikel 23 van de Grondwet de decreetgever niet verbiedt om, in het raam van zijn bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening, de modaliteiten te wijzigen van de uitreiking van de stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen. A.6.
- In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat de aangevochten bepaling het beschermingsniveau van het leefmilieu niet aanzienlijk vermindert. Zij wijst in de eerste plaats erop dat de betwiste regelgeving alleen betrekking heeft op welomschreven gebieden waarvan de oppervlakte beperkt is. Zij merkt in dat verband op dat artikel 127, § 1, eerste lid, 4°, van het WWROSP reeds sinds de wijziging ervan bij het programmadecreet van 3 februari 2005 voorzag in de uitreiking, door de Waalse Regering of de gemachtigde ambtenaar, van de stedenbouwkundige vergunning voor handelingen en werken in het gebied vermeld in artikel 28 van het WWROSP. Zij verwijst eveneens naar de inhoud van artikel 110 van het WWROSP, zoals het was geformuleerd vóór de opheffing ervan bij artikel 3 van het decreet van 27 oktober
- In de tweede plaats herinnert de Vlaamse Regering eraan dat de aangevochten bepaling vooral procedurele wijzigingen aanbrengt. Zij geeft aan dat de betrokken personen die menen dat een welbepaalde toegelaten activiteit hun recht op bescherming van een gezond leefmilieu schendt, over een groot aantal rechtsmiddelen beschikken, waaronder de wettigheidstoetsing door de Raad van State. Diezelfde Regering wijst, in de derde plaats, erop dat artikel 127, § 3, van het WWROSP talrijke waarborgen bevat, zoals de verplichtingen van openbaarmaking en raadpleging, alsook de voorwaarde in verband met de krachtlijnen van het landschap. De Vlaamse Regering onderstreept, in de vierde plaats, dat de bekritiseerde regels in de toekomst niet de gemeenrechtelijke regeling zullen vormen, dat artikel 127 van het WWROSP een uitzonderlijk karakter 8 heeft en bijgevolg strikt moet worden geïnterpreteerd, zodat de administratie, op grond van objectieve elementen die een nieuwe afwijking van het gewestplan verantwoorden, haar beslissing des te meer moet motiveren omdat het om een uitzondering gaat. Zij verwijst in dat verband naar B.13.2 van het arrest nr. 137/
- De Vlaamse Regering voegt, enerzijds, eraan toe dat, naar het voorbeeld van het programmadecreet van 3 februari 2005, de wijzigingen van de regeling inzake stedenbouwkundige vergunningen samenhangen met het operationele optreden van de Waalse Regering inzake ruimtelijke ordening en, anderzijds, met verwijzing naar B.13 van het arrest nr. 137/2006, dat de omstandigheid dat die handelingen en werken kunnen worden ondernomen op initiatief van privépersonen, daaraan niets wijzigt. A.6.
- In meer ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van mening dat uit bepaalde uittreksels van de parlementaire voorbereiding van de aangevochten regelgeving blijkt dat het algemeen belang te dezen een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het leefmilieu verantwoordt. Ten aanzien van het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, met artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 en met de artikelen 7 en 8 van het Verdrag dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend A.7.
- De verzoekende partij wijst erop dat de afwijkingen van de principiële bevoegdheid van de gemeentelijke overheid voor het uitreiken van de stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen, steeds betrekking hadden op een project van openbaar belang, hetzij omdat het uitgaat van een publiekrechtelijk persoon, hetzij omdat het handelingen en werken van algemeen nut veronderstelt. Zij voert aan dat artikel 5, eerste lid, van het decreet van 27 oktober 2005 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt doordat het van die principiële bevoegdheid afwijkt voor alle handelingen en werken binnen de zones en gebieden bedoeld in die bepaling, ongeacht de grootte, de aard - van privébelang of openbaar belang -, de concrete lokalisatie van die handelingen en werken, en ongeacht of de aanvrager van de vergunning een privépersoon of publiekrechtelijk persoon is. A.7.
- Zij is eveneens van mening dat artikel 5, derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005 een discriminerend verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van aanvragers van een vergunning en twee categorieën van betrokken derden die te maken hebben met handelingen en werken die niet beantwoorden aan de bestemming van het gebied van het gewestplan waarin zij worden uitgevoerd. Wanneer het gaat om een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, om gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren of om een gebied van autonome havens, kan de vergunning worden uitgereikt zonder rekening te houden met de voorschriften van die gebieden en zonder dat de grondvoorwaarden voor een afwijkend mechanisme moeten worden nageleefd. Wanneer de voormelde handelingen en werken gelokaliseerd zijn in één van de gebieden bedoeld in de artikelen 26, 27, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38 en 39 van het WWROSP, kan de vergunning alleen worden uitgereikt mits de grondvoorwaarden vermeld in de artikelen 110 tot 113 van het WWROSP worden nageleefd en mits de uitzonderlijke aard van de afwijking waarin artikel 114 van het WWROSP voorziet, wordt verantwoord. Volgens I.E.W. kan dat verschil niet op pertinente noch adequate wijze worden verantwoord omdat het geen rekening houdt met de aard van de handelingen en werken, die voor het overige hoe dan ook niet beantwoorden aan de bestemming van het gebied waarin zij gesitueerd zijn. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het aangevochten mechanisme het gebied bedoeld in artikel 28 van het WWROSP elke normatieve inhoud ontneemt. A.7.
- I.E.W. voert ten slotte aan dat artikel 5, eerste tot derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005, doordat het de gebiedsindeling van de gewestplannen indirect wijzigt, zonder die gewestplannen te wijzigen, een discriminerend verschil in behandeling invoert tussen de « betrokken derden die wonen in of rond een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapvoorzieningen », en de « andere personen die wonen in of rond andere gebieden van de gewestplannen ». De verzoekende partij preciseert dat voor de eerstgenoemden de bestemming van dat gebied wordt gewijzigd zonder dat de procedure tot herziening van het gewestplan, die beschreven is in de artikelen 42 tot 46 van het WWROSP, wordt doorlopen, zonder dat een beoordeling van de gevolgen wordt uitgevoerd met toepassing van de richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 - wanneer de voormelde wijziging gevolgen kan hebben voor een gebied van het netwerk Natura 2000 -, zonder dat een 9 milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd met toepassing van de richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 en zonder dat een inspraakprocedure wordt georganiseerd met toepassing van de artikelen 7 en 8 van het Verdrag dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend. Zij voegt eraan toe dat het onderscheid tussen de betrokken derden en tussen de aanvragers van vergunningen niet pertinent noch adequaat lijkt te kunnen worden verantwoord omdat het geen rekening houdt met de aard van de handelingen en werken die in die gebieden worden toegestaan. A.8.
- De Waalse Regering wijst erop, in het algemeen en met verwijzing naar het arrest nr. 36.833 van de Raad van State van 23 april 1991 en naar het arrest nr. 57.086 van 15 december 1995, dat de plannen van aanleg verschillende bestemmingen vastleggen, hetgeen « beantwoordt aan de maatschappelijke functie van de eigendom ». Zij is van mening dat op het gebied van ruimtelijke ordening zelden identieke situaties bestaan wegens het kleine aantal soortgelijke situaties. Zij voegt eraan toe dat, doordat het onmogelijk is in concreto het bestaan aan te tonen van « identieke situaties die verschillend worden behandeld » of van « verschillende situaties die identiek worden behandeld », geen discriminatie in abstracto kan worden aangetoond tussen burgers die in de buurt van verschillende gebieden wonen, of tussen een omwonende van een terrein waarvoor een gewone vergunning werd uitgereikt, en een omwonende van een terrein dat het voorwerp uitmaakt van een « afwijkende vergunning ». De Waalse Regering citeert het arrest nr. 89.585 van de Raad van State van 11 september 2000, en merkt vervolgens op dat de plannen van aanleg niet eeuwig vastliggen en dat, wat de uitreiking betreft van een vergunning die afwijkt van een plan, geen enkele burger kan eisen dat zijn leefmilieu als dusdanig behouden blijft. Zij verwijst eveneens naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest Gorraiz Lizagarra en anderen t. Spanje, 27 april 2004, § 70; beslissing Galtieri t. Italië, 24 januari 2006) en wijst erop dat dit rechtscollege ervan uitgaat dat de Staten over een ruime beoordelingsmarge beschikken voor de keuze van de maatregelen die moeten worden genomen voor een adequate ruimtelijke ordening. Zij leidt eruit af dat, rekening houdend met de grote verscheidenheid aan situaties van eigenaars of grondgebruikers, en met het evolutieve karakter van het beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, het gelijkheidsbeginsel slechts in zeer specifieke omstandigheden geschonden wordt. A.8.
- De Waalse Regering is van mening dat de situatie van een omwonende van een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, die te maken heeft met werken die niet in overeenstemming zijn met dat gebied, niet vergelijkbaar is met de situatie van een omwonende van een ander gebied, die te maken heeft met hetzelfde type van werken. Zij gaat eveneens ervan uit dat de situaties van de aanvragers van vergunningen voor handelingen en werken die niet in overeenstemming zijn met de bestemming van die twee categorieën van gebieden, evenmin vergelijkbaar zijn. Zij herinnert vervolgens eraan dat het Waalse grondgebied onderverdeeld is op grond van verschillende bodembestemmingen, dat vergunningsaanvragen worden onderzocht op basis van de betrokken bodembestemming en volgens de regels die daarvoor gelden, zodat de aard van de handelingen en werken die kunnen worden toegestaan en de afwijkingen die in elk gebied mogelijk zijn, verschillen naar gelang van de bestemming van het gebied. Volgens de Waalse Regering zijn de werken die niet in overeenstemming zijn met de bestemming van een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, niet vergelijkbaar met dezelfde werken, die niet in overeenstemming zijn met een ander gebied waarin men ze wil uitvoeren. De eerstgenoemde werken zouden immers ertoe strekken de uitvoering van het « operationele optreden » van de Regering te waarborgen in het kader van de doelstelling van economische heropleving, terwijl de laatstgenoemde werken niet noodzakelijk deel zouden uitmaken van dat « operationele optreden ». De Regering verwijst vervolgens, om de specifieke regeling van artikel 127 van het WWROSP redelijk te verantwoorden, naar de overwegingen die zij heeft geformuleerd in de zaak nr.
- A.8.
- De Waalse Regering is van mening dat artikel 5, eerste tot derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005 de gebiedsindeling van de gewestplannen niet indirect wijzigt zonder wijziging van die plannen, zodat de bewering dat er sprake is van discriminatie op grond van een zogenaamde wijziging van dat type, niet gegrond is. Zij voert aan dat artikel 127 van het WWROSP de bestemming van het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen in geen enkel opzicht wijzigt en dat dit gebied bestemd blijft voor de activiteiten vermeld in artikel 28 van dat Wetboek, dat de « basisbepaling » blijft. Zij onderstreept dat de 10 uitreiking van vergunningen voor handelingen en werken die niet in overeenstemming zijn met die bestemming, niet systematisch is en dat zij onderworpen is aan voorwaarden die strikt moeten worden geïnterpreteerd. De Waalse Regering merkt op dat artikel 21 van het WWROSP, zoals gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 27 oktober 2005, de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens uitsluit van het gewestplan, zodat het niet mogelijk is de - onbestaande - bestemming van die gebieden te wijzigen. Wat betreft de openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen, wijst de Waalse Regering erop dat vroeger de afwijking werd toegestaan door de gemachtigde ambtenaar en de vergunning werd uitgereikt door het college van burgemeester en schepenen, zodat het decreet van 27 oktober 2005 geen wijziging aanbrengt. Zij herinnert aan de strikte toepassingsvoorwaarden van artikel 127, § 3, van het WWROSP. Zij voegt eraan toe dat vergunningsaanvragen op grond van artikel 127, § 1, eerste lid, 4°, en § 3, van het WWROSP, worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling en aan een procedure voor raadpleging van de bevolking. A.8.4.
- De Waalse Regering preciseert in hoofdorde dat er « geen objectieve gelijkheid » bestaat tussen de omwonenden van een gebied bedoeld in de artikelen 21 en 28 van het WWROSP en de omwonenden van de andere gebieden. Beide categorieën van personen wordt elke zekerheid ontnomen omtrent de activiteiten die in hun omgeving kunnen worden toegestaan, omgeving waarin een project kan worden toegelaten dat niet in overeenstemming is met de bestemming van hun gebied, onder andere op grond van de artikelen 111 en 112 van het WWROSP. Zij beklemtoont de verschillen tussen een « afwijkende vergunning » en een wijziging van een gewestplan. Die laatste zou een algemene draagwijdte hebben die ertoe strekt de bestemming van de bodem te actualiseren om rekening te houden met de ontwikkelingen van de economische en sociale behoeften en het algemeen belang, terwijl een « afwijkende vergunning » betrekking zou hebben op een individueel project binnen een specifiek kader, waarbij specifieke voorwaarden moeten worden nageleefd, zonder afbreuk te doen aan de algemene economie van het gewestplan. De Waalse Regering herinnert eraan dat artikel 127 van het WWROSP enkel tot doel heeft de besluitvorming te versnellen in bepaalde specifieke gevallen - die beperkt zijn en uitzonderlijk -, om de economie van het Waalse Gewest weer op gang te brengen. Volgens de Waalse Regering is het mechanisme van artikel 114 van het WWROSP - op grond waarvan het college van burgemeester en schepenen een vergunning zou kunnen weigeren na de gunstige beslissing van de gemachtigde ambtenaar aan wie het college de vergunningsaanvraag had gericht - niet bevorderlijk voor een snelle economische herontwikkeling. A.8.4.
- De Waalse Regering preciseert, in ondergeschikte orde, dat het verschil in behandeling tussen « omwonenden die te maken hebben met een wijziging van het gewestplan » en « omwonenden van een afwijkend project bedoeld in artikel 127 van het WWROSP » niet discriminerend is. Zij herinnert eraan dat de uitvoering van artikel 127 van het WWROSP de omwonenden meer waarborgen zou bieden dan een wijziging van het gewestplan. A.8.4.
- In uiterst ondergeschikte orde verwijst zij naar de dwingende redenen van algemeen belang die werden aangevoerd tijdens het onderzoek van het eerste middel, en merkt op dat het Hof, bij het arrest nr. 137/2006, heeft geoordeeld dat de wijziging van artikel 127 van het WWROSP redelijk verantwoord was. A.9.
- I.E.W. antwoordt dat het feit dat op het gebied van ruimtelijke ordening geen identieke situaties bestaan, niet volstaat om elke discriminatie te verhinderen. De verzoekende vereniging preciseert dat het aangevoerde verschil in behandeling betrekking heeft op categorieën van personen die voldoende soortgelijk zijn, zoals « privéondernemingen van hetzelfde type en met een vergelijkbare omvang, die respectievelijk buiten en binnen een industriezone gelegen zijn (en in dit laatste geval binnen de oppervlakte waarin de wetten inzake economische expansie voorzien) » of « economische activiteiten die toegestaan zouden zijn binnen en buiten een gebied voor nutsvoorzieningen ». I.E.W. wijst erop dat de Waalse Regering van mening is dat, door de bevoegdheid van de gemachtigde ambtenaar, de bescherming van het leefmilieu toeneemt, maar vraagt zich af waarom die grotere bescherming wordt toegekend aan de « omwonenden van chemische bedrijven die in een industriezone gelegen zijn », en niet aan de omwonenden van ondernemingen van het type « hoge drempel - Seveso » die « midden in een stadsgebied » gelegen zijn. 11 A.9.
- I.E.W. voegt eraan toe dat de situatie van de omwonenden van een zone of gebied bedoeld in de artikelen 21 en 28 van het WWROSP, soortgelijk is met die van de omwonenden van een ander gebied doordat zij allen, vóór de goedkeuring van het aangevochten decreet, in de buurt woonden van een gebied waarin het WWROSP « een zeker spectrum aan bestemmingen » toestond. De eerstgenoemden zouden niet langer in staat zijn de activiteiten te bepalen die in hun omgeving kunnen worden toegestaan. Zij zouden niet langer in de buurt wonen van een gebied, maar eerder van een « leegte in het gewestplan, van een gebied zonder restricties of begrenzingen inzake bestemming ». De discriminatie zou des te meer uitgesproken zijn doordat artikel 127 van het WWROSP de gemachtigde ambtenaar geen enkel beslissingscriterium aanreikt met betrekking tot de aard of het onderwerp van de handelingen en werken die in de voormelde zone of in het voormelde gebied kunnen worden toegestaan, zodat dit verschil in behandeling niet kan worden verantwoord door de omstandigheid dat de werken die in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen worden uitgevoerd, deel zouden uitmaken van de uitvoering van het « operationele optreden » van de Regering. A.9.
- I.E.W. weigert aan te nemen dat de bestemming van bepaalde gebieden zou worden gewijzigd zonder toepassing van de procedure voor herziening van het gewestplan. De verzoekende vereniging houdt in dat verband staande dat de bevoegde minister in het Waals Parlement heeft verklaard dat, rekening houdend met het decreet van 27 oktober 2005, het niet langer nodig is de gewestplannen te herzien om de doelstellingen van de regionale beleidsverklaring te bereiken. Zij onderstreept vervolgens dat het feit dat, in de zone en de gebieden bedoeld in de artikelen 21 en 28 van het WWROSP, handelingen en werken kunnen worden toegestaan ongeacht de aard en de grootte ervan, de bestemming van die zone en van die gebieden wijzigt. Zij voert eveneens aan dat het, door de opheffing van artikel 110 van het WWROSP en door de wijzigingen die zijn aangebracht in artikel 127, §§ 1 en 3, van het WWROSP, gemakkelijker wordt om openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen toe te staan in de verschillende gebieden van de gewestplannen, buiten het gebied bedoeld in artikel 28 van het WWROSP dat daarvoor is voorbehouden, en zonder de vroegere artikelen 110 en 114 van het WWROSP in acht te moeten nemen, hetgeen neerkomt op een herziening van de gewestplannen. I.E.W. oordeelt dat de aangevochten bepalingen de bewoners of omwonenden van de zone en van de gebieden bedoeld in de artikelen 21 en 28 van het WWROSP, « fundamentele procedurele waarborgen hebben ontnomen die equivalent zijn met die van de omwonenden van andere gebieden wanneer men beslist de inhoud ervan te wijzigen ». De verzoekende vereniging merkt op dat de aangevochten bepalingen werden goedgekeurd zonder dat een inspraakprocedure werd georganiseerd overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van het Verdrag dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend, en zonder een voorafgaande milieueffectbeoordeling die is voorgeschreven door artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 en door artikel 3 van de richtlijn 2001/42/EG van 27 juni
- Zij wijst ten slotte erop dat, volgens artikel 11 van die laatste richtlijn, de beoordeling van de gevolgen van een bepaald project de overheid niet ontslaat van de verplichting om de gevolgen te beoordelen van het plan waarin dat project past. A.
- De Vlaamse Regering gaat ervan uit, in hoofdorde, dat de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samenvalt met de kritiek van het eerste middel waarin de aanzienlijke vermindering van de bescherming van het leefmilieu werd aangeklaagd en, in ondergeschikte orde, dat een eventueel verschil in behandeling objectief en redelijk verantwoord is om de redenen die zijn uiteengezet in haar toelichting bij het eerste middel. Zij voegt eraan toe dat de vergelijking van de categorieën die de verzoekende vereniging heeft omschreven, niet pertinent is. Die vergelijking zou betrekking hebben op zeer specifieke rechtssituaties omdat de verschillende gebieden en de regels die ervoor gelden, per definitie onderling verschillen, en des te meer wanneer het gaat om gebieden die bestemd zijn voor het « operationele optreden » van de administratie, zodat het verantwoord is om in een andere regeling te voorzien voor de gebieden die zijn voorbehouden voor de openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen. 12 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- Het beroep tot vernietiging betreft artikel 5, eerste tot derde lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 27 oktober 2005 « tot wijziging van de artikelen 6, 21, 110bis en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium ». De bestreden bepalingen wijzigen artikel 127, §§ 1 en 3, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP), dat vóór de inwerkingtreding van het decreet van 27 oktober 2005 - op 3 december 2005 - luidde : « §
- In afwijking van de artikelen 84 en 89 wordt de vergunning afgegeven door de Regering of de gemachtigd ambtenaar : 1° wanneer ze wordt aangevraagd door een publiekrechtelijk persoon; 2° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken van algemeen nut; 3° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken die zich uitstrekken op het grondgebied van meerdere gemeenten; 4° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken gelegen in het gebied bedoeld in artikel 28; 5° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld in de artikelen 168, § 1, eerste lid, en 182; 6° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld in artikel 1, 5°, van het decreet betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid. De Regering bepaalt : 1° de lijst van de publiekrechtelijke personen bedoeld in deze paragraaf; 2° de lijst van de handelingen en werken van algemeen nut bedoeld in deze paragraaf; 3° de lijst van de handelingen en werken van algemeen nut of waarvan zij het gewestelijke belang erkent en waarvoor er geen machtiging gegeven wordt. […] 13 §
- Indien het handelingen en werken betreft bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, kan de vergunning toegekend worden op grond van artikel 110 of bij afwijking van een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een rooiplan ». B.1.
- Artikel 5, eerste lid, van het decreet van 27 oktober 2005 vervangt in artikel 127, § 1, eerste lid, 4°, van het WWROSP de woorden « in het gebied bedoeld in artikel 28 » door de woorden « in een gebied waarvoor het in artikel 28 bedoelde voorschrift van toepassing is of in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens bedoeld in artikel 21 ». Artikel 5, tweede lid, van het decreet van 27 oktober 2005 vult hetzelfde lid van artikel 127, § 1, van het WWROSP aan als volgt : « 7° wanneer ze betrekking heeft op openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen ». Artikel 5, derde lid, van hetzelfde decreet vervangt artikel 127, § 3, van het WWROSP als volgt : « §
- Op voorwaarde dat de aanvraag vooraf wordt onderworpen aan de door de Regering bepaalde bijzondere maatregelen van openbaarmaking, alsmede aan de in artikel 4, eerste lid, 3°, bedoelde raadpleging, wanneer het gaat om handelingen en werken bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5° en 7° waarvan hun vestiging de krachtlijnen van het landschap ofwel eerbiedigt ofwel structuur of eenheid verleent, kan de vergunning toegekend worden bij afwijking van een gewestplan, een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een rooiplan ». Ten aanzien van het enige middel B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, met artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met de artikelen 1 tot 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, met de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, en met 14 de artikelen 7 en 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998, en uit de schending van artikel 23 van de Grondwet. B.
- Twee grieven worden aangevoerd. Volgens de eerste grief breidt artikel 5, derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005 op aanzienlijke wijze de mogelijkheden uit waarin artikel 127, § 3, van het WWROSP voorziet om af te wijken van de reglementaire voorschriften inzake ruimtelijke ordening, inzonderheid van het gewestplan, zonder dat die aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van een gezond leefmilieu wordt verantwoord door dwingende en pertinente redenen van algemeen belang. Volgens de tweede grief heeft de uitbreiding van de gevallen waarin een vergunning kan worden uitgereikt door de gemachtigde ambtenaar of de Regering, zonder rekening te houden met de voorschriften van het gewestplan, tot gevolg dat in het licht van de principiële bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen om de vergunningen uit te reiken, een niet verantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld tussen de betrokken derden, alsook tussen de aanvragers van vergunningen. B.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Artikel 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. 15 Die rechten omvatten inzonderheid : […] 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu ». Die bepaling bevat een standstill-verplichting die de bevoegde wetgever verbiedt het door de toepasselijke wetgeving geboden beschermingsniveau aanzienlijk te verminderen zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan. B.
- Het Hof wordt verzocht voor recht te zeggen of de bestreden bepalingen rechtstreeks of op discriminatoire wijze afbreuk doen aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu van de personen wier leefmilieu kan worden aangetast door de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning of van een verkavelingsvergunning met betrekking tot handelingen en werken in een gebied waarop het in artikel 28 van het WWROSP bedoelde voorschrift van toepassing is, in één van de in artikel 21 van het WWROSP bedoelde gebieden of met betrekking tot openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen. B.7.1.
- Artikel 28 van het WWROSP, vervangen bij artikel 13 van het decreet van 18 juli 2002 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », bepaalt : « §
- Onverminderd hun vestiging in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter zijn de gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bestemd voor activiteiten van openbaar of algemeen nut. In deze gebieden mogen enkel gebouwen of inrichtingen opgericht worden die in sociale behoeften voorzien via een publiek- of privaatrechtelijk persoon aan wie de overheid het beheer van een openbare dienst heeft toevertrouwd. Gebouwen of inrichtingen die het algemeen nut bevorderen, zijn er eveneens toegelaten. §
- Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk ‘ C.E.T. ’ is hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging en de exploitatie van een centrum voor technische ingraving bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen, en voor installaties voor de afvalverzameling die aan bedoelde exploitatie voorafgaat. Daarnaast kan bedoeld gebied bestemd worden voor andere afvalbeheersactiviteiten voor zover bedoelde activiteiten verbonden zijn met de exploitatie van het toegelaten centrum voor technische ingraving of de exploitatie ervan niet in het gedrang brengen. 16 Bij het beëindigen van de exploitatie wordt bedoeld gebied een groengebied en wordt de sanering ervan geheel of gedeeltelijk vastgesteld bij de vergunning die is afgegeven voor de exploitatie van bedoelde installatie. In de gebieden of delen van gebieden met de overdruk ‘ C.E.T. ’ die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur worden toegelaten voor zover de toekomstige exploitatie van het centrum voor technische ingraving daarmee niet in het gedrang wordt gebracht. Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk ‘ C.E.T.D. ’ wordt uitsluitend bestemd voor het behoud van een aan diens bestemming onttrokken centrum voor technische ingraving bedoeld bij de wetgeving op de afvalstoffen, waarin beperkingen opgelegd kunnen worden aan de handelingen en werken met als doel het garanderen van de instandhouding en de bewaking van de bouwwerken en de werken die zijn verwezenlijkt voor de herstelling van vervuilde sites in hun oorspronkelijke staat. Voor de exploitatie en de instandhouding van voormelde gebieden kunnen kantoor- of bewakingsgebouwen toegelaten worden. De gebieden bedoeld in deze paragraaf worden omringd door een afzonderingsoppervlakte of -marge ». B.7.1.
- Artikel 6, § 1, 4, van het decreet van 27 november 1997 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » bepaalt : « In de geldende gewestplannen zijn de volgende voorschriften van toepassing : […]
- op gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, op militaire domeinen en op andere gebieden voor voorzieningen, openbare diensten en infrastructuren, het voorschrift bedoeld in artikel 28; ». Het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en de militaire domeinen zijn twee « gebieden bestemd voor ander grondgebruik », respectievelijk bedoeld in de artikelen 167, tweede lid, 6.2, en 182, 6.2, van het WWROSP en in de artikelen 167, tweede lid, 6.1, en 182, 6.1, van hetzelfde Wetboek, waarbij die vier bepalingen zijn opgeheven bij artikel 4.1 van het decreet van 27 november
- Noch het decreet van 27 november 1997, noch de parlementaire voorbereiding ervan maken het mogelijk de « andere gebieden voor voorzieningen, openbare diensten en infrastructuren » met zekerheid te definiëren (RvSt, nr. 140.483, 10 februari 2005). 17 B.7.
- Vóór de inwerkingtreding van het decreet van 27 oktober 2005 luidden de artikelen 110 tot 114 van het WWROSP - ondergebracht in de afdeling II (« Afwijkingen ») van titel V, hoofdstuk III, van dat Wetboek : « Onderafdeling I. - Afwijkingen van het gewestplan Art.
- Buiten de gebieden die daarvoor speciaal bestemd zijn, zijn openbare nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen toegelaten op voorwaarde dat hun vestiging de krachtlijnen van het landschap ofwel eerbiedigt ofwel structuur of eenheid verleent. Art. 110bis. Buiten de ontginningsgebieden kan de vestiging bestemd voor de ontginning of de valorisering van sierrotsen uit een groeve die in bedrijf is geweest en die noodzakelijk is voor de renovatie, verbouwing, vergroting of de heropbouw van een pand in overeenstemming met de omgevende bebouwing voor een beperkte duur worden toegestaan, na advies van de commissie bedoeld in artikel
- Art.
- De bouwwerken, de installaties of de gebouwen die bestaan vóór inwerkingtreding van het gewestplan en waarvan de huidige of toekomstige bestemming niet overeenstemt met de voorschriften van het gewestplan kunnen onderworpen worden aan verbouwings-, vergrotings- of heropbouwwerken. Wegens economische noden kunnen de bouwwerken, de installaties of de gebouwen die bestaan vóór inwerkingtreding van het gewestplan en waarvan de bestemming overeenstemt met de voorschriften van het gewestplan, onderworpen worden aan verbouwings- of vergrotingswerken die een afwijking inhouden van de bestemming van een aangrenzend gebied, met uitsluiting van de natuur-, parkgebieden en de oppervlakten met een bemerkenswaardig uitzicht. Het bouwwerk, de installatie of het gebouw zoals het is verbouwd, vergroot of heropgebouwd moet geïntegreerd worden in de omgeving, al dan niet bebouwd. Art.
- Met uitsluiting van de natuur-, parkgebieden en de oppervlakten met een bemerkenswaardig uitzicht kan er een stedenbouwkundige vergunning afgegeven worden in een gebied van het gewestplan dat niet verenigbaar is met het voorwerp van de aanvraag voor zover : 1° het grondstuk gelegen is tussen twee woningen die zijn opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en hoogstens honderd meter verwijderd zijn van elkaar; 2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende uitgerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging; 3° de gebouwen, al dan niet verbouwd, vergroot of heropgebouwd, geïntegreerd zijn in de omgeving, al dan niet bebouwd, en de inrichting van het gebied niet in het gedrang komt. 18 Er wordt evenwel geen enkele vergunning afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld. Onderafdeling II. – Andere afwijkingen Art.
- Er kan een stedebouwkundige vergunning verleend worden in afwijking van de voorschriften van een gemeentelijk plan van aanleg, een verkavelingsvergunning of een gewestelijk of gemeentelijk stedebouwkundig reglement, voor zover ze verenigbaar is met de algemene bestemming van het betrokken gebied, het architecturaal karakter ervan en de stedebouwkundige optie die het voorwerp uitmaakt van voormelde voorschriften. Een verkavelingsvergunning kan onder dezelfde voorwaarden afwijken van een gemeentelijk plan van aanleg of van een gewestelijk of gemeentelijk stedenbouwkundig reglement. Onderafdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen Art.
- Voor elke vergunningsaanvraag die de toepassing van de bepalingen van deze afdeling inhoudt, kan de Regering of de gemachtigde ambtenaar uitzonderlijkerwijs afwijkingen toestaan, op voorwaarde dat ze vooraf wordt onderworpen aan de door de Regering bepaalde bijzondere maatregelen van openbaarmaking, alsmede aan de terinzagelegging bedoeld in artikel 4, eerste lid, 3° ». Artikel 3 van het decreet van 27 oktober 2005 heft het voormelde artikel 110 op, terwijl, luidens artikel 4 van hetzelfde decreet, het voormelde artikel 110bis artikel 110 van het WWROSP wordt. B.7.3.
- Vóór de inwerkingtreding van het decreet van 27 oktober 2005 konden de stedenbouwkundige vergunningen en de verkavelingsvergunningen met betrekking tot handelingen en werken in een gebied waarop het in artikel 28 van het WWROSP bedoelde voorschrift van toepassing is, alleen van het gewestplan afwijken binnen de beperkte grenzen bepaald in de voormelde artikelen 110bis, 111 en 112 van het WWROSP en met naleving van de voorwaarden bepaald in het voormelde artikel 114 van het WWROSP. B.7.3.
- Artikel 127, § 3, van het WWROSP, zoals gewijzigd bij artikel 5, derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005, maakt de afgifte van dergelijke vergunningen mogelijk die in grotere mate dan binnen die grenzen van het gewestplan afwijken. De bevoegde overheid kan die vergunningen voortaan afgeven voor andere handelingen en werken in een dergelijk gebied die niet in overeenstemming zijn met het in artikel 28 van 19 het WWROSP bedoelde voorschrift, indien die handelingen en werken de krachtlijnen van het landschap ofwel naleven, ofwel daaraan structuur of eenheid verlenen. Die laatste voorwaarde met betrekking tot de krachtlijnen van het landschap - die identiek is aan die welke is vervat in artikel 110 van het WWROSP, dat bij artikel 3 van het decreet van 27 oktober 2005 is opgeheven - strekt ertoe de Europese Conventie met betrekking tot het Landschap, ondertekend te Firenze op 20 oktober 2000, uit te voeren (Parl. St., Waals Parlement, 2004- 2005, nr. 208/1, p. 4; ibid., nr. 208/5, pp. 4-11; C.R.I., Waals Parlement, 26 oktober 2005, nr. 6, p. 18). Artikel 127, § 3, van het WWROSP preciseert voortaan ook dat die vergunningen alleen kunnen worden afgegeven indien de vergunningsaanvraag is onderworpen aan de « door de Regering bepaalde bijzondere maatregelen van openbaarmaking », alsook aan « de in artikel 4, eerste lid, 3°, [van het WWROSP] bedoelde raadpleging ». B.8.
- Sinds de wijziging ervan bij artikel 2 van het decreet van 27 oktober 2005 luidt artikel 21 van het WWROSP : « Behalve voor de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens waarvoor geen bestemming is voorzien en na advies van de gewestelijke commissie legt de Regering de zones vast waarvoor een plan moet worden opgemaakt ». B.8.
- De in die bepaling beoogde gebieden zijn delen van het grondgebied van het Waalse Gewest die worden gebruikt door spoorweg- of luchthaveninfrastructuren of door infrastructuren van autonome havens waarvoor de gewestplannen geen enkele grafische aanduiding bevatten (grondkleur, overdruk, tracé), noch enig letterlijk voorschrift, zodat die delen van het grondgebied volgens die plannen geen enkele bestemming hebben (Parl. St., Waals Parlement, 2004-2005, nr. 208/1, pp. 2-4). Het is derhalve niet mogelijk dat een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning met betrekking tot handelingen en werken in een van die gebieden, van het gewestplan zou kunnen afwijken. Voor de in artikel 21 van het WWROSP bedoelde gebieden vormt de bestreden bepaling, in zoverre zij de afgifte toestaat van vergunningen die van het gewestplan afwijken, bijgevolg geen aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van een gezond leefmilieu van 20 de personen wier leefmilieu kan worden aangetast door de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen met betrekking tot handelingen en werken in die gebieden. Zij kan evenmin leiden tot het aangeklaagde verschil in behandeling. B.9.
- Artikel 127, § 3, van het WWROSP, zoals gewijzigd bij artikel 5, derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005, vermeerdert het aantal gevallen waarin de overheid die een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning afgeeft, kan afwijken van de in artikel 28 van het WWROSP aangegeven regels, zodat de draagwijdte van de voorschriften met betrekking tot de betrokken gebieden aanzienlijk kleiner is geworden. Bovendien preciseert die bepaling, in tegenstelling tot artikel 114 van het WWROSP, dat van toepassing was op de afwijkingen van het gewestplan bepaald in de voormelde artikelen 110bis, 111 en 112 van het WWROSP, niet dat de afwijkingen van het gewestplan die zij toestaat, alleen uitzonderlijk kunnen worden toegekend (Parl. St., Waals Parlement, 2004-2005, nr. 208/1, p. 3). De bestreden bepaling vormt bijgevolg een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van een gezond leefmilieu van de personen wier leefmilieu kan worden aangetast door de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning of van een verkavelingsvergunning met betrekking tot handelingen en werken in een gebied waarop het in artikel 28 van het WWROSP bedoelde voorschrift van toepassing is. B.9.
- De bestreden bepalingen strekken ertoe « de steden nieuw leven in te blazen door de stadskernen opnieuw te verstedelijken », « de gemengdheid tussen woningen, handelszaken, infrastructuur voor cultuur, of nog, het openbaar vervoer […] in de stads- en dorpskernen te versterken en […] te vergroten », « te beschikken over gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overleg is onderworpen, die openstaan voor verschillende functies, rekening houdend met de regionale coherentie en met naleving van de voorwaarden inzake verstedelijking », zonder « daarom nieuwe excentrisch gelegen gebieden te doen ontstaan », en in grotere mate rekening te houden met de « oorspronkelijke bestemming van de gebieden voor bedrijfsruimten » (Parl. St., Waals Parlement, 2004-2005, nr. 208/5, p. 3). 21 De bestreden bepalingen worden eveneens voorgesteld als een « gelegenheid om het gemeenschappelijk patrimonium te valoriseren » en als een « buitenkans voor de gemeenten en de steden » door het openbare karakter van de meeste eigendommen in de gebieden waarop het voorschrift van artikel 28 van het WWROSP van toepassing is. Zij maken het bovendien mogelijk de thans bestaande « aanzienlijke privémiddelen » snel ter beschikking te stellen teneinde in de stads- en dorpskernen te investeren in het kader van de samenwerking tussen overheid en privé. Zij staan de « recyclage [toe] van gebieden die reeds voor verstedelijking zijn bestemd […] en meestal gelegen zijn middenin mogelijk te verstedelijken gebieden, maar die vandaag niet meer samenvallen met de verwachtingen en behoeften waarvoor ze in het gewestplan zijn opgenomen » (ibid., p. 3). De oppervlakte van de gronden die beschikbaar zijn in de gebieden waarop het voorschrift van artikel 28 van het WWROSP van toepassing is, zou 9523 hectare bedragen. De terbeschikkingstelling van die extra gronden in de woonkern zou het de steden en gemeenten mogelijk maken zich te beschermen tegen « de ‘ honger ’ en de druk van de projectontwikkelaars van zowel woningen als handelszaken in de perifere gebieden, in de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan overleg is onderworpen, of zelfs tegen aanvragen tot wijziging van de gewestplannen ». De oppervlakte van de reeds mogelijk te verstedelijken gronden die vallen onder de « militaire domeinen » en de « militaire domeinen (vliegveld) » zou respectievelijk 10566 hectare en 1563 hectare bedragen. De teruggave van die oppervlakte aan de gemeenschap in de woonkernen, gecombineerd met een verlichting van de procedures, zou het mogelijk maken « de talrijke projecten die reeds in de steden bestaan, sneller te begeleiden, […] zonder te moeten raken aan de gronden die eventueel in de periferie beschikbaar zijn » (ibid., p. 4). De bestreden bepalingen strekken ten slotte ertoe tegemoet te komen aan een vraag naar « gronden voor economisch gebruik », gronden « voor commercieel gebruik » en « gronden voor bewoning », waarbij tegelijk de heropleving van de stadscentra, de renovatie, de terugkeer van de bewoners naar de stadskernen en de oprichting daarin van een « functionele gemengdheid, van de handel, van de cultuur, van het onderwijs, van de [openbare en privé-]huisvesting » wordt aangemoedigd (C.R.I., Waals Parlement, 26 oktober 2005, nr. 6, pp. 15 tot 17). 22 B.9.
- Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat de motieven van algemeen belang de bestreden bepalingen verantwoorden, zodat de weliswaar aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van het leefmilieu waartoe zij leiden, geen afbreuk doet aan artikel 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet. Het aangeklaagde verschil in behandeling is evenmin zonder redelijke verantwoording. In dit opzicht dient in het bijzonder erop te worden gewezen dat artikel 127, § 3, van het WWROSP - in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert - niet tot doel heeft de bestemming te wijzigen van de gebieden waarop het voorschrift van artikel 28 van het WWROSP van toepassing is. De bestreden bepaling beperkt zich ertoe de overheid die bevoegd is om de vergunningen met betrekking tot handelingen en werken in die gebieden af te geven, de mogelijkheid te bieden om van het gewestplan af te wijken met naleving van de in die bepaling vastgestelde voorwaarden. De afgifte van die vergunningen blijft in beginsel onderworpen aan de in artikel 28 van het WWROSP vervatte regels. Afwijkende bepalingen moeten overigens steeds in beperkende zin worden uitgelegd en de toepassing ervan moet naar behoren worden gemotiveerd. De bestreden bepaling tast evenmin de oppervlakte of de ligging aan van de gebieden waarop artikel 28 van het WWROSP van toepassing is zoals zij waren aangeduid in de gewestplannen die vóór de inwerkingtreding van die bepaling van kracht waren. De bestreden bepaling kan dus niet worden gelijkgesteld met een herziening van de gewestplannen. B.
- Nu de bestreden bepaling niet kan worden gelijkgesteld met een herziening van de gewestplannen is het niet nodig de op die hypothese berustende, door de verzoekende partij in het middel aangevoerde schendingen van internationaal– en Europeesrechtelijke bepalingen te onderzoeken. B.11.
- Vóór de inwerkingtreding van het decreet van 27 oktober 2005 konden de stedenbouwkundige vergunningen en de verkavelingsvergunningen met betrekking tot openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen van het gewestplan alleen afwijken binnen de beperkte limieten die in het voormelde artikel 110 van het 23 WWROSP waren vastgesteld en met naleving van de in het voormelde artikel 114 van het WWROSP bepaalde voorwaarden. De gebieden die « speciaal bestemd » zijn voor die gebouwen en voorzieningen, bedoeld in het voormelde artikel 110 van het WWROSP, zijn de in artikel 28 van het WWROSP bedoelde gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen. B.11.
- Artikel 127, § 3, van het WWROSP, zoals gewijzigd bij artikel 5, derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005, maakt het mogelijk dergelijke vergunningen af te geven die binnen soortgelijke limieten van het gewestplan afwijken. Naar het voorbeeld van het voormelde artikel 110 van het WWROSP vereist het immers dat de in die vergunningen beoogde gebouwen en voorzieningen de krachtlijnen van het landschap ofwel naleven, ofwel daaraan structuur of eenheid verlenen. De bestreden bepaling neemt ook de voorwaarden inzake openbaarmaking en raadpleging over die in die bepaling worden geformuleerd. De bestreden bepaling vormt bijgevolg geen vermindering van het beschermingsniveau van een gezond leefmilieu van de personen wier leefmilieu kan worden aangetast door de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning of van een verkavelingsvergunning met betrekking tot die gebouwen en voorzieningen. B.
- Het enige middel is niet gegrond. 24 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 20 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.087 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.127 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.111 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.469 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.471 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div