← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.089

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.089 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070620.2 Arrest- Rolnummer: 89/2007 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-06-29 11:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 2, punt 2, van de wet van 20 juli 2006 « houdende bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 26 november 2004, 28 juni 2005, 12 juli 2005, 15 december 2005 en van 2 februari 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing » (bekrachtiging van het koninklijk besluit van 28 juni 2005), ingesteld door Paul De Mulder. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelastingen - Overwerk - Instelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent -

  1. Privésector - Belastingvermindering - Interprofessioneel akkoord -
  2. Overheidssector - Ontstentenis van vermindering. # Rechten en vrijheden - Recht op toegang tot de rechter - Betwisting omtrent de wettigheid - Bekrachtigd koninklijk besluit. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-2006 - 2.2 - 51 ELI link Pub nr 2006003355 Tekst van de beslissing Rolnummer 4049 Arrest nr. 89/2007 van 20 juni 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2, punt 2, van de wet van 20 juli 2006 « houdende bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 26 november 2004, 28 juni 2005, 12 juli 2005, 15 december 2005 en van 2 februari 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing » (bekrachtiging van het koninklijk besluit van 28 juni 2005), ingesteld door Paul De Mulder. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 september 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 september 2006, heeft Paul De Mulder, wonende te 7022 Hyon, rue des Américains 11, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2, punt 2, van de wet van 20 juli 2006 « houdende bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 26 november 2004, 28 juni 2005, 12 juli 2005, 15 december 2005 en van 2 februari 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2006). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 10 mei 2007 : - zijn verschenen : . Mr. M. Detry, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . B. Druart, auditeur-generaal van Financiën, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  3. De verzoeker voert aan dat hij sinds 22 jaar arbeider is bij de dienst onderhoud en werkzaamheden van het « Centre Hospitalier Universitaire Ambroise Paré » te Bergen en dat hij geregeld ertoe wordt gebracht overuren te presteren en bijgevolg de overwerktoeslag krijgt waarin artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 voorziet. Zijn werkgever is een intercommunale overheidsinstelling die niet is onderworpen aan de wet van 5 december 1968, waardoor hem het belastingvoordeel wordt ontzegd dat het koninklijk besluit van 28 juni 2005 uitsluitend toekent aan de werknemers wier werkgever aan die wetgeving is onderworpen. De verzoekende partij heeft voor de Raad van State een beroep ingesteld tot nietigverklaring van de bepaling van het koninklijk besluit van 28 juni 2005 die het belastingvoordeel beperkt tot de werknemers wier 3 werkgever is onderworpen aan de wet van 5 december
  4. Dat koninklijk besluit is bekrachtigd bij artikel 2 van de wet van 20 juli 2006, dat het voorwerp van het onderhavige beroep uitmaakt en dat tot gevolg heeft gehad dat het bij de Raad van State ingestelde beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp is geworden. A.1.
  5. De Ministerraad formuleert geen opmerkingen in verband met de ontvankelijkheid van het beroep. Ten aanzien van het eerste middel A.2.
  6. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre artikel 2, punt 2, van de wet van 20 juli 2006 tot gevolg heeft dat het verzoekschrift tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 28 juni 2005 dat zij bij de Raad van State heeft ingesteld, zonder voorwerp is. Zij doet gelden dat de overheid onterecht het spoedeisende karakter heeft aangevoerd om te verantwoorden dat de afdeling wetgeving van de Raad van State niet werd geraadpleegd over het voormelde koninklijk besluit, met schending van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, terwijl die bepaling van openbare orde is. Zij is van mening dat de bestreden bepaling, die haar belet dat vernietigingsmiddel aan te voeren voor de Raad van State, in strijd is met het recht om te worden gehoord, dat wordt gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat het recht inhoudt om alle nuttige rechtsmiddelen, en meer bepaald die welke een karakter van openbare orde vertonen, aan het bevoegde rechtscollege voor te leggen. A.2.
  7. De Ministerraad is van mening dat uit de rechtspraak van het Hof inzake wettelijke bekrachtiging voortvloeit dat de wetgever ertoe is gemachtigd een zelfs wezenlijk vormgebrek van een handeling van de uitvoerende macht te dekken, wanneer hij zelf de bevoegdheden uitoefent waartoe hij de Koning had gemachtigd en wanneer de maatregel die hij neemt niet uitsluitend of in hoofdzaak tot doel heeft het optreden van de Raad van State te doorkruisen. A.2.
  8. De verzoekende partij antwoordt dat een wet, ook al wordt die noodzakelijk gemaakt door een andere wetsbepaling, niet tot gevolg mag hebben haar het recht te ontzeggen om te worden gehoord, en dat de vraag die zij stelt dus niet luidt of de wet van 20 juli 2006 uitsluitend ertoe strekt haar beroep voor de Raad van State te doen mislukken. Ten aanzien van het tweede middel A.3.
  9. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre artikel 2, punt 2, van de wet van 20 juli 2006 het koninklijk besluit van 28 juni 2005 bekrachtigt, terwijl de bepalingen van dat koninklijk besluit een discriminatie instellen tussen werknemers die zich in identieke situaties bevinden en een bij artikel 172 van de Grondwet verboden fiscaal voorrecht invoeren. Zij voert aan dat het koninklijk besluit van 28 juni 2005 een vermindering van de belasting op de overwerktoeslag toekent aan de werknemers die aan de arbeidswet van 16 maart 1971 zijn onderworpen en die zijn tewerkgesteld door een werkgever die is onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, waardoor de werknemers wier werkgever een overheidsinstelling is die niet aan de wet van 5 december 1968 is onderworpen, terwijl zij regelmatig overuren presteren die bij artikel 29 van de wet van 16 maart 1971 zijn geregeld, van het belastingvoordeel worden uitgesloten. Zij is van mening dat artikel 2, punt 2, van de wet van 20 juli 2006, in zoverre het een handeling bekrachtigt die door die grondwettigheidsgebreken is aagetast, dezelfde vormgebreken bevat en dient te worden vernietigd. A.3.
  10. De Ministerraad stelt vast dat de woorden « en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » in het koninklijk besluit van 28 juni 2005, waarvan de verzoekende partij de nietigverklaring vordert voor de Raad van State, dezelfde zijn als die welke zijn vermeld in het eerste lid van het nieuwe artikel 154bis 4 dat in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005, en als die welke zijn vermeld in het tweede lid van het nieuwe artikel 275 dat in hetzelfde Wetboek is ingevoegd bij artikel 25 van dezelfde wet. Hij besluit hieruit dat de bestreden handeling zich ertoe beperkt de wet van 3 juli 2005 strikt uit te voeren. Hij voert aan dat de wil van de wetgever duidelijk is uitgedrukt in de wet van 3 juli 2005, zodat artikel 172 van de Grondwet is nageleefd. Hij voegt overigens eraan toe dat de bedrijfsvoorheffing geen belasting is, maar enkel de wijze van inning ervan. De Ministerraad is van mening dat het door de verzoekende partij aangeklaagde verschil in behandeling door de wetgever is gewenst en dat moet worden gewacht op de afloop van het beroep tot vernietiging van artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 dat voor het Hof hangende is. Ten slotte herinnert hij eraan dat de in het geding zijnde bepalingen het ontwerp van interprofessioneel akkoord 2005-2006 dat de sociale partners hebben ondertekend en waarvan een van de voornaamste doelstellingen erin bestaat het concurrentievermogen van de ondernemingen te verbeteren teneinde de werkgelegenheid te bevorderen, concreet uitvoeren en dat een dergelijk doel geen bestaansreden heeft in de overheidssector. A.3.
  11. Ten aanzien van het verband dat de Ministerraad legt met het thans voor het Hof hangende beroep heeft de verzoekende partij twijfels bij de intenties van de Ministerraad in geval van vernietiging, zodat zij aan de onderhavige rechtspleging blijft vasthouden. Zij onderstreept overigens dat een op 28 juni ondertekend koninklijk besluit geen wet kan uitvoeren die op 3 juli is afgekondigd en dat het koninklijk besluit van 28 juni 2005 dus alleen kon worden genomen op grond van artikel 275, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bepaling die niet als draagwijdte zou hebben de Koning ertoe te machtigen de door de verzoekende partij aangeklaagde discriminatie in te voeren. A.3.
  12. De Ministerraad preciseert dat, in geval van vernietiging van de woorden « en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » in artikel 154bis, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 (voor het Hof hangende zaak), er geenszins sprake van is het koninklijk besluit van 28 juni 2005 en artikel 2, punt 2, van de bekrachtigingswet van 20 juli 2006 te laten voortbestaan. Hij heeft overigens vragen bij de ontvankelijkheid van het argument dat voor het eerst in de memorie van antwoord wordt aangevoerd en volgens hetwelk een op 28 juni ondertekend koninklijk besluit een op 3 juli afgekondigde wet niet kan uitvoeren. Over de grond van dat argument merkt hij op dat de wetgever die het koninklijk besluit heeft bekrachtigd, zich ervan bewust was dat dat laatste steunde op een wet die bij de aanneming ervan nog niet was bekrachtigd en dat hij de anticipatie van het koninklijk besluit bijgevolg heeft doen steunen op het formele bestaan van de wet. Hij voegt eraan toe dat, aangezien de Koning Zijn bekrachtiging gewoonlijk niet weigert, met zekerheid kan worden verklaard dat, zodra een wetsontwerp door het Parlement is aangenomen, het vaststaat dat die wet er komt. Gelet op het ontwerp van wet, die op 1 juli 2005 in werking zou treden, moest de Koning de maatregelen nemen die het mogelijk zouden maken de meest juiste bedrijfsvoorheffing op de verminderde belasting te innen. Daar de vaststelling van de bedrijfsvoorheffing bij artikel 275 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de Koning is toegewezen, heeft Hij niet meer gedaan dan rekening te houden met de nieuwe rechtstoestand die op 1 juli 2005 zou bestaan en heeft Hij daaruit de gevolgen voor de bedrijfsvoorheffing getrokken. De Ministerraad is van mening dat het koninklijk besluit, hoewel het heeft geanticipeerd, niet als onwettig kan worden beschouwd. Ten slotte is hij van mening dat de wetgever in elk geval, met de wet van 20 juni 2006, de ontstentenis van een wettelijke grondslag op het ogenblik van de ondertekening van het koninklijk besluit vermocht te dekken. 5 -B- Ten aanzien van het onderwerp van het beroep en de daaraan verbonden bepalingen B.1.
  13. Het beroep is gericht tegen artikel 2, punt 2, van de wet van 20 juli 2006 « houdende bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 26 november 2004, 28 juni 2005, 12 juli 2005, 15 december 2005 en van 2 februari 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing », in zoverre het het koninklijk besluit van 28 juni 2005 bekrachtigt met ingang van de dag van inwerkingtreding ervan. B.1.
  14. Dat koninklijk besluit heeft met name tot doel de berekening van de bedrijfsvoorheffing aan te passen aan artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), dat is ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg en dat bepaalt : « Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers : - die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; - en die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag. De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd. De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten ». B.1.
  15. Met het arrest nr. 50/2007 van 28 maart 2007 heeft het Hof twee beroepen tot vernietiging verworpen, waaronder het beroep ingesteld door dezelfde verzoeker als in onderhavige zaak, die betrekking hadden op de woorden « en die tewerkgesteld zijn door een 6 werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » in artikel 154bis, eerste streepje. B.1.
  16. De verzoeker heeft tevens bij de Raad van State een beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van het koninklijk besluit van 28 juni
  17. Dat beroep beoogt, in dat koninklijk besluit, de woorden « en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités » in artikel 1, § 1, tweede lid, eerste streepje, en dezelfde woorden in datzelfde artikel 1, § 4, tweede lid, eerste streepje. Ten aanzien van het belang B.
  18. De verzoeker is tewerkgesteld in een instelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent in de zin van artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 16 maart
  19. Die instelling ressorteert onder de gemeenten en is bijgevolg niet onderworpen aan de wet van 5 december
  20. De verzoeker doet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van een bepaling die tot gevolg heeft hem een vermindering van de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de overwerktoeslag in de zin van artikel 29, § 2, van de wet van 16 maart 1971 te ontzeggen, vermindering die alleen wordt toegekend aan de werknemers die hun prestaties uitvoeren ten behoeve van werkgevers die aan de wet van 5 december 1968 zijn onderworpen. Ten aanzien van het eerste middel B.
  21. De verzoeker leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij is van mening dat de Regering het spoedeisende karakter onterecht heeft aangevoerd om het koninklijk besluit van 28 juni 2005 te onttrekken aan de raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Door dat koninklijk besluit te bekrachtigen, 7 ontzegt de bestreden bepaling hem het recht om voor de afdeling administratie van de Raad van State een vernietigingsmiddel aan te voeren dat is afgeleid uit de schending van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat van openbare orde is, hetgeen een schending van zijn recht op een eerlijk proces zou uitmaken. B.
  22. De bekrachtiging van de inzake bedrijfsvoorheffing genomen koninklijke besluiten is opgelegd bij artikel 275, § 3, van het WIB
  23. De bij die bepaling ingestelde procedure van wettelijke bekrachtiging versterkt de controle van de wetgever op de uitoefening van bevoegdheden die hij aan de Koning delegeert. Er zou dus niet kunnen worden aangevoerd dat de bestreden bepaling, die met toepassing van artikel 275, § 3, van het WIB 1992 tot doel heeft een koninklijk besluit inzake bedrijfsvoorheffing te bekrachtigen, is aangenomen om de controle door de Raad van State, afdeling administratie, te verlammen. Het gegeven dat het bekrachtigde koninklijk besluit het voorwerp uitmaakte van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan niet tot gevolg hebben dat de wetgever een bevoegdheid wordt ontnomen die hij zich uitdrukkelijk heeft voorbehouden. B.
  24. Het Hof merkt bovendien op dat het huidige beroep aantoont dat, hoewel het optreden van de wetgever van dien aard is dat het de verzoeker verhindert de eventuele onregelmatigheden van het bekrachtigde koninklijk besluit door de Raad van State te laten afkeuren, dat optreden hem evenwel niet het recht ontzegt om voor het Hof de ongrondwettigheid aan te voeren van de wet waarmee de wetgever het koninklijk besluit heeft bekrachtigd, alsook de ongrondwettigheid van de bepaling van het bekrachtigde koninklijk besluit dat hij voor de Raad van State bekritiseerde. De verzoeker werd zijn recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep dus niet ontnomen. B.
  25. Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.7.
  26. De verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Hij is van mening dat de bepalingen van het bij de bestreden bepaling bekrachtigde koninklijk besluit van 28 juni 2005 ten aanzien van de berekening van 8 de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de overwerktoeslag een verschil in behandeling invoeren tussen : - twee categorieën van werknemers aan wie op grond van artikel 29 van de wet van 16 maart 1971 een overwerktoeslag wordt toegekend : diegenen op wie de wet van 5 december 1968 van toepassing is en diegenen die zijn tewerkgesteld door een overheidinstelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent; - twee categorieën van werknemers aan wie op grond van artikel 29 van de wet van 16 maart 1971 een overwerktoeslag wordt toegekend en die zijn tewerkgesteld door een instelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent : enerzijds, diegenen die zijn tewerkgesteld door een privé-instelling en, anderzijds, diegenen die zijn tewerkgesteld door een overheidsinstelling. B.7.
  27. Dat verschil in behandeling ten aanzien van de bedrijfsvoorheffing is het logische gevolg van het verschil in behandeling tussen dezelfde werknemers dat is ingevoerd bij het voormelde artikel 154bis van het WIB
  28. Hoewel het koninklijk besluit van 28 juni 2005 is aangenomen enkele dagen vóór de afkondiging van de wet van 3 juli 2005 dat artikel 154bis in het WIB 1992 invoegt en enkele dagen vóór dezelfde wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, bestaat geen twijfel erover dat de auteur ervan de berekening van de bedrijfsvoorheffing zo snel mogelijk wilde aanpassen aan de belastingvermindering die is toegekend aan de werknemers die worden beoogd in artikel 154bis, waarvan het ontwerp reeds door de Kamers was goedgekeurd en ter ondertekening aan de Koning was voorgelegd. B.
  29. In beginsel zijn op de werknemers van de overheidssector en de werknemers van de privésector verschillende regels van toepassing. Aangezien het door de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers is verantwoord dat zij aan verschillende systemen zijn onderworpen, kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt. 9 B.
  30. De werknemers uit de privésector genieten de belastingvermindering waarin artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziet, terwijl de werknemers die behoren tot de overheidssector in de regel dat belastingvoordeel niet kunnen genieten. B.10.
  31. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of op de werknemers in kwestie de wet van 5 december 1968 van toepassing is. Dat criterium is tevens pertinent ten opzichte van het door de wetgever nagestreefde doel. De bestreden wetsbepaling is het concrete resultaat van een ontwerp van interprofessioneel akkoord waarover voor de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2006 is onderhandeld tussen de sociale partners van de privésector. Hoewel dat akkoord in de ontwerpfase is gebleven doordat een vakorganisatie heeft geweigerd ertoe toe te treden, beoogde de wetgever niettemin de « uitvoering van het ontwerp van interprofessioneel akkoord 2005-2006, dat de Regering tot het hare heeft gemaakt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1767/001, p. 6). B.10.
  32. Een ontwerp van interprofessioneel akkoord kan bepalingen bevatten die betrekking hebben op verschillende onderwerpen en die zoals de onderhandelaars ervan dat hebben gewild met elkaar kunnen zijn verbonden. B.10.
  33. Uit de lezing van het ontwerp van interprofessioneel akkoord van 18 januari 2005 blijkt dat onderlinge verbintenissen zijn aangegaan, met name wat betreft de loonnorm, het algemeen niveau van sommige investeringen, de opleiding en de arbeidsorganisatie. Verschillende van die verbintenissen vereisten een overheidsfinanciering waarvan de regeling in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet als volgt wordt gepreciseerd : « De regering heeft met het oog op de uitvoering van dat akkoord een aanzienlijke budgettaire inspanning gedaan : – een fiscale maatregel van 80 miljoen euro voor de nieuwe regeling inzake overuren; – een verbreding van de maatregel van niet-storting van de voorheffing voor de vennootschappen, wat neerkomt op een fiscale uitgave van 120 miljoen euro; – een belastinguitgave van 80 miljoen euro ten behoeve van de minima; – een uitbreiding van het geldingsgebied van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, wat 7 miljoen euro zal kosten; 10 – een toewijzing van 5 miljoen euro voor het Fonds ter bevordering van de toegang tot arbeid voor personen met een handicap » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1767/005, pp. 3 en 4). B.10.
  34. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de belastingvermindering waarin artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziet, één van de financieringsmaatregelen is die de Staat heeft beslist op zich te nemen teneinde het ontwerp van interprofessioneel akkoord te kunnen uitvoeren. B.
  35. Gelet op het voorgaande, is het niet kennelijk onredelijk dat de wetgever dat belastingvoordeel niet toekent aan de werknemers die zijn tewerkgesteld door een overheidsinstelling die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verleent. Hij vermocht immers rekening ermee te houden dat dat voordeel uitvoering geeft aan een ontwerp van interprofessioneel akkoord dat niet van toepassing is op die werknemers en waarvan de onderling aangegane verbintenissen met elkaar kunnen zijn verbonden. B.
  36. Aangezien de wetgever, zonder schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, de belastingvermindering voor de bezoldiging van overuren die recht geven op een overwerktoeslag vermocht voor te behouden aan de werknemers die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en zijn tewerkgesteld door een werkgever die is onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, vermocht hij eveneens, zonder dezelfde grondwetsbepalingen te schenden, een koninklijk besluit te bekrachtigen waarmee de berekening van de bedrijfsvoorheffing voor dezelfde werknemers aan die belastingvermindering wordt aangepast. B.
  37. Het tweede middel is niet gegrond. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 20 juni
  38. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.089 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.