← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.090

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.090 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070620.10 Arrest- Rolnummer: 90/2007 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-24 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-06-29 11:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 100, eerste lid, 1°, van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan. 2. Diezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, gesteld door het Hof van Beroep te Gent en de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Openbare financiën - Rijkscomptabiliteit - Schuldvorderingen ten laste van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten - Vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Verjaringstermijnen - Vijfjarige verjaring - 1. Aanvangsdatum - 2. Bijzondere verjaringstermijn - 3. Vaststelling van de schade of de identiteit van de aansprakelijke na die termijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1991 - 100,L1,1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4053 en 4068 Arrest nr. 90/2007 van 20 juni 2007 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, gesteld door het Hof van Beroep te Gent en de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest van 26 september 2006 in zake de Belgische Staat tegen Robrecht Maes en Maria Nuyttens, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 oktober 2006, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 100, 1° van de Gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vermits op grond van artikel 100, 1° van de Gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 de verjaringstermijn voor vorderingen op grond van artikel 1382 B.W. lastens de Belgische Staat reeds begint te lopen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering is ontstaan, terwijl de verjaringstermijn van de gemeenrechtelijke vorderingen op grond van artikel 1382 B.W. luidens artikel 2262bis B.W. slechts begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon ? »; 2. « Schendt artikel 100, 1° van de Gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarbij een bijzondere verjaringstermijn wordt voorzien in vergelijking met de gemeenrechtelijke verjaringstermijn die sedert de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet van toepassing is op buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen (zie art. 2262bis, § 1, lid 2 en lid 3) ? »; 3. « Schendt artikel 100, 1° van de Gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarbij een bijzondere verjaringstermijn wordt voorzien in vergelijking met de gemeenrechtelijke verjaringstermijn die sedert de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet van toepassing is op buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen (zie art. 2262bis, § 1, lid 2 en lid 3), wanneer de schade pas na het verstrijken van de in artikel 100, lid 1, 1° bepaalde termijn tot uiting komt ? ». b. Bij vonnis van 26 mei 2006 in zake Jean-Marie Vlasselaers en anderen tegen de cvba « P&V Verzekeringen » en het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 november 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 100, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet doordat dit bepaalt dat de verjaringstermijn voor een vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid tegen het Vlaamse Gewest een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de schuldvordering is ontstaan, ook indien de benadeelde niet op de hoogte is van de identiteit van de persoon die aansprakelijk is voor de schade, terwijl de verjaringstermijn voor een dergelijke vordering gericht tegen een particulier slechts een aanvang neemt vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de identiteit van de persoon die aansprakelijk is voor de schade ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4053 en 4068 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 3 Memories zijn ingediend door : - Robrecht Maes en Maria Nuyttens, wonende te 8500 Kortrijk, Nieuwpoortstraat 11; - Michel Lambrechts en Diana Ketels, wonende te 3300 Tienen, Hannuitsesteenweg 551; - de cvba « P&V Verzekeringen », met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Koningsstraat 151; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Robrecht Maes en Maria Nuyttens; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 10 mei 2007 : - zijn verschenen : . Mr. E. Debusschere loco Mr. J. Speecke, advocaten bij de balie te Kortrijk, voor Robrecht Maes en Maria Nuyttens; . Mr. M. Reynaert, advocaat bij de balie te Leuven, loco Mr. G. De Ridder, advocaat bij de balie te Brussel, voor de cvba « P&V Verzekeringen »; . Mr. I. Vanden Bon loco Mr. B. Staelens, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; . Mr. P. Slegers, tevens loco Mr. L. Depré en Mr. P. Boucquey, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen

  1. a)Het geschil in de zaak voor het verwijzende rechtscollege dat de prejudiciële vragen in de zaak nr. 4053 heeft gesteld, betreft een fiscale vordering van de Belgische Staat, appellant, en een tegenvordering tot schadevergoeding van de geïntimeerden. Die laatste is gebaseerd op het arrest van het Hof nr. 132/98 van 9 december 1998, waarin werd geoordeeld dat het (vroegere) artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 artikel 10 van de Grondwet schond doordat het de vergoedingen belastbaar maakte die met toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving werden gestort tot herstel van een blijvende arbeidsongeschiktheid, zonder dat er voor het slachtoffer een inkomstenderving was. De geïntimeerden voor het verwijzende rechtscollege vragen schadevergoeding voor de ten onrechte in de aanslagjaren 1991 tot 1996 belaste vergoedingen, doch de Belgische Staat beroept zich te dien aanzien op de verjaring op grond van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. De vordering van de appellant met betrekking tot het aanslagjaar 1997 werd in een tussenarrest ongegrond verklaard. De partijen dienden zich uit te spreken over de vraag of de in het geding zijnde bepaling het gelijkheidsbeginsel schendt in vergelijking met de nieuwe gemeenrechtelijke verjaringstermijn in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, die geldt voor buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen die zijn ingesteld na de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet, nadat vooraf was beslist dat de bijzondere verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1° en 2°, van toepassing is op buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen en dat was vastgesteld dat het vertrekpunt van de daarin vervatte verjaringstermijn verschillend is van dat in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Na de partijen te hebben gehoord, stelt het verwijzende rechtscollege vast dat er een verschil in de aanvang van de verjaringstermijn is en dat sedert het arrest van het Hof nr. 32/96 van 15 mei 1996, waarnaar partijen verwijzen, de gemeenrechtelijke verjaringstermijn is gewijzigd zodat een nieuwe beoordeling door het Hof zich opdringt. Er rekening mee houdend dat in de huidige stand van de wetgeving een vordering op basis van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit kan zijn verjaard vooraleer de schade tot uiting komt, stelt het verwijzende rechtscollege de drie prejudiciële vragen.
  2. b)In het geschil voor het verwijzende rechtscollege dat heeft geleid tot de zaak nr. 4068 gaat het over vorderingen tot schadevergoeding van verschillende partijen wegens wateroverlast die voortkomt uit het overstromen van een openbare riool. Twee aspecten met betrekking tot die vorderingen - gericht tegen het Vlaamse Gewest - staan daarbij centraal : enerzijds, het vertrekpunt van de verjaringstermijn in de in het geding zijnde bepaling, dat is vastgesteld op 1 januari van het jaar waarin de schade zich voordeed en niet op de datum waarop de schade ontstond, waardoor de vordering verjaard is, en, anderzijds, het feit dat, anders dan in het kader van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, geen rekening wordt gehouden met het ogenblik waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de identiteit van de aansprakelijke persoon. III. In rechte -A- Zaak nr. 4053 Standpunt van de geïntimeerden voor het verwijzende rechtscollege A.1. Volgens de geïntimeerden voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 4053 bestaat er geen objectieve en redelijke verantwoording voor het verschil inzake de vertrekdatum van de verjaringstermijn in respectievelijk artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Zij maken daarbij een onderscheid naargelang de interpretatie die wordt gegeven aan het begrip « ontstaan van de schuldvordering » in de eerst vermelde bepaling. Indien die bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat de vordering ontstaat op het ogenblik dat de benadeelde kennis krijgt van de schade en van de identiteit van de aansprakelijke persoon, is er geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Indien, zoals door de Belgische Staat wordt aangevoerd in het geschil voor het verwijzende rechtscollege, de vordering ontstaat op het ogenblik van het schadeverwekkende feit, is er volgens hen wel een schending van het gelijkheidsbeginsel. 5 A.2. De Belgische Staat en de particulieren zijn immers onderworpen aan hetzelfde aansprakelijkheidsrecht en moeten volgens die partijen daarom aan dezelfde verjaringstermijn worden onderworpen. Het verschil in behandeling inzake het vertrekpunt van de verjaringstermijn en het ontstaan van de vordering - indien dat niet in de gemeenrechtelijke betekenis wordt begrepen - is niet gerechtvaardigd. Hiervoor verwijzen zij naar de rechtspraak van het Hof in het arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996. De omstandigheid dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn inmiddels is gewijzigd, staat niet eraan in de weg dat de in dat arrest uiteengezette principes ook gelden ten aanzien van het verschil met de nieuwe gemeenrechtelijke verjaringsregeling. In het arrest nr. 153/2006 van 18 oktober 2006 oordeelde het Hof dat de in het geding zijnde bepaling discriminerend is in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. Het Hof moet volgens hen niet ingaan op de vraag wanneer de schade tot uiting kwam waarop de vordering tot schadevergoeding voor het verwijzende rechtscollege is gebaseerd. Die vraag moet immers alleen door het verwijzende rechtscollege en niet door het Hof worden beantwoord. Overigens heeft het verwijzende rechtscollege ter zake reeds minstens impliciet een standpunt ingenomen : het gaat ervan uit dat de schade tot uiting is gekomen op het ogenblik van het arrest nr. 132/98 van 9 december 1998 van het Hof. Het is op dat ogenblik dat die partijen kennis kregen van de schade en van de identiteit van de schadeverwekker. In geen geval kunnen zij zich vinden in de stelling dat de schade reeds tot uiting kwam bij de vestiging van de belastingaanslagen. Standpunt van de Ministerraad A.3. De eerste prejudiciële vraag legt volgens de Ministerraad de nadruk op het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de verschillende aanvangsdatum van de verjaringstermijn, namelijk op 1 januari van het begrotingsjaar waarin de schuldvordering is ontstaan, bij toepassing van de in het geding zijnde bepaling, dan wel de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade, bij toepassing van de gemeenrechtelijke regeling. Dat verschil kan worden verantwoord aan de hand van de door het Hof reeds uiteengezette principes dat de Staat een debiteur van gans bijzondere aard is, en dat specifieke verjaringstermijnen voor schuldvorderingen die tegen hem zijn gericht, om die redenen kunnen worden vastgesteld. De Staat werkt met een begroting die jaarlijks wordt vastgesteld en goedgekeurd en die tot dat jaar is beperkt. De redenen die verantwoorden dat de schuldvorderingen voor en tegen de Staat verjaren na vijf jaar, verantwoorden evenzeer dat de verjaringstermijn op het einde van het begrotingsjaar afloopt. De eerste prejudiciële vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord. A.4. De tweede prejudiciële vraag is volgens de Ministerraad zeer onduidelijk. Zij kan slechts worden beantwoord onder verwijzing naar de beginselen die in de vroegere rechtspraak van het Hof werden uiteengezet. De eigenheid van de Staat verantwoordt dat verschillende vervaltermijnen worden vastgelegd voor de vorderingen die door of tegen hem worden ingesteld. A.5. De derde prejudiciële vraag is gericht op het aspect dat de schade pas na het verstrijken van de in de in het geding zijnde bepaling vastgestelde termijn tot uiting komt. Zij heeft volgens de Ministerraad eigenlijk betrekking op de draagwijdte van de arresten van het Hof. De Ministerraad verdedigt het standpunt dat arresten op prejudiciële vragen een declaratief karakter hebben zodat, in geval van vaststelling van een ongrondwettigheid, de toegepaste rechtsregel moet worden geacht sinds zijn inwerkingtreding hierdoor te zijn aangetast. Voor zover die ongrondwettigheid wordt aangevoerd als bewijs van een fout, bestaat die fout sinds de inwerkingtreding van de ongrondwettige rechtsregel. De Ministerraad herinnert eraan dat volgens de rechtspraak van het Hof de redenering van het arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996 - dat alleen betrekking had op het geval waarin de schade laattijdig is ontstaan, dit wil zeggen na het verstrijken van de in het geding zijnde verjaringstermijn - niet kan worden toegepast in de gevallen waarin duidelijk is dat de benadeelde onmiddellijk in rechte kon treden tegen de overheid die aansprakelijk zou kunnen worden verklaard, zonder dat moet worden gewacht tot in het kader van een objectief contentieux uitspraak is gedaan over de bestreden norm. De Ministerraad trekt die redenering thans door voor uitspraken van het Hof en stelt dat het nadeel ontstaat met de toepassing van de ongrondwettige rechtsregel. 6 Nu de derde prejudiciële vraag uitgaat van de verkeerde premisse dat de schade tot uiting is gekomen na het verstrijken van de vijfjarige termijn, steunt zij op een verkeerde voorstelling van feiten en behoeft zij geen antwoord. Zaak nr. 4068 Standpunt van de eisende partijen Lambrechts en Ketels A.6. De eisende partijen Lambrechts en Ketels in het geding voor het verwijzende rechtscollege verwijzen naar het arrest nr. 153/2006 van 18 oktober 2006, waarin het Hof heeft gesteld dat de in het geding zijnde bepaling discriminerend is in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. Zij stellen dat diezelfde overwegingen gelden wanneer men slechts in de loop van de verjaringstermijn kennis krijgt van de schade en/of de identiteit van de aansprakelijke. De benadeelde wordt alsdan ook anders behandeld naargelang de aansprakelijke de overheid is dan wel een particulier. Dat verschil in behandeling heeft eveneens gevolgen die buiten een redelijke verhouding staan tot het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er anders over oordelen zou een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven roepen tussen diegenen die schade lijden ingevolge buitencontractuele overheidsaansprakelijkheid, naargelang men vóór of na het verstrijken van de vijfjarige verjaringstermijn kennis krijgt van de schade en de identiteit van de aansprakelijke, bijvoorbeeld naargelang men die kennis verwerft daags vóór dan wel daags na het verstrijken van de verjaringstermijn in artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Standpunt van de verwerende partij cvba « P&V Verzekeringen » A.7. De verwerende partij cvba « P&V Verzekeringen » heeft er belang bij aan te tonen dat de verschillende vorderingen niet zijn verjaard krachtens de in het geding zijnde bepaling. Zij voert aan dat uit de arresten van het Hof nr. 32/96 van 15 mei 1996 en nr. 37/2003 van 3 april 2003 kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het nadeel en de daarvoor aansprakelijke onmiddellijk kunnen worden vastgesteld. Er is wel degelijk een onverantwoorde ongelijke behandeling in de gevallen waarin het nadeel en/of de identiteit van de aansprakelijke niet onmiddellijk kunnen worden vastgesteld. Die partij ziet niet in welke objectieve rechtvaardiging er zou zijn voor een dergelijke ongelijke behandeling in soortgelijke situaties en meent dan ook dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Standpunt van de Vlaamse Regering A.8. De Vlaamse Regering merkt allereerst op dat de waterschade op de dag van de overstroming kon worden vastgesteld en dat de eisende partijen konden nagaan wie de betrokken weg- en waterbeheerder was, zodat ook de identiteit van de aansprakelijke kon worden vastgesteld. Zij brengt eveneens de arresten nrs. 32/96 en 153/2006 van het Hof in herinnering. A.9. De prejudiciële vraag strekt ertoe te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat de verjaringstermijn een aanvang neemt vooraleer de benadeelde op de hoogte is van de identiteit van de aansprakelijke. De aanvang van die termijn is geobjectiveerd doordat hij steeds een aanvang neemt op 1 januari van het begrotingsjaar waarin de schuldvordering is ontstaan, ongeacht het ogenblik tijdens het begrotingsjaar waarop de schuldvordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat. In verband met de gemeenrechtelijke verjaringstermijn geldt onder meer dat die begint te lopen op het ogenblik dat de benadeelde alle gegevens kent aan de hand waarvan elke twijfel omtrent de identiteit van de aansprakelijke persoon is uitgesloten. 7 De Vlaamse Regering verwerpt de stelling van de verwijzende rechter dat pas na een vergadering met een vertegenwoordiging van het bestuur van de stad waar de feiten zich voordeden, duidelijk werd dat het Vlaamse Gewest aansprakelijk was. De eisers in het geding ten gronde konden bijgevolg onmiddellijk in rechte treden tegen het Vlaamse Gewest zodat te dezen kan worden verwezen naar het arrest van het Hof nr. 85/2001 van 21 juni 2001, waaruit voortvloeit dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel door de in het geding zijnde bepaling wanneer de benadeelde onmiddellijk in rechte kan treden tegen de overheid of overheden die aansprakelijk zou(den) kunnen worden verklaard. De eisende partijen waren immers niet in de onmogelijkheid om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden. Het feit dat zij zich ter zake zelfs eventueel vergisten, is zeker geen juridisch argument om te stellen dat de verjaringstermijn geen aanvang heeft genomen. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat er drie jaar en twee maanden verliepen tussen het ogenblik waarop de benadeelden kennis kregen van de identiteit van de aansprakelijke en het ogenblik waarop de vordering tot schadevergoeding was verjaard. A.10. De prejudiciële vraag heeft volgens de Vlaamse Regering enkel betrekking op het tijdstip van de aanvang van de verjaringstermijn. Indien wordt aangenomen dat de uitzonderingsregeling van de in het geding zijnde bepaling niet discriminerend is, geldt dezelfde redenering voor het enkele feit dat de aanvang van de verjaringstermijn verschillend is van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn én van het ogenblik van de vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke. De situatie van de particulier die schadevergoeding vraagt hetzij van de overheid hetzij van een andere particulier, verschilt niet essentieel door een verschillend aanvangsmoment in de onderscheiden verjaringsstelsels. Het aanvangsmoment in de in het geding zijnde bepaling heeft tot gevolg dat de particulier niet over een volle termijn van vijf jaar zal beschikken om een rechtsvordering in te stellen tegen de overheid en de verjaringstermijn korter zal zijn dan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, doch dat is op zich niet discriminerend, zoals het Hof reeds oordeelde. Dat de verjaringstermijn geen volle vijf jaar zal bedragen, belet geenszins dat benadeelden tijdig een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen. Om die reden vraagt de Vlaamse Regering de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. Standpunt van de Ministerraad A.11. De Ministerraad herinnert ook in die zaak eraan dat de in het geding zijnde bepaling principieel bestaanbaar is met het gelijkheidsbeginsel, gelet op de eigenheid van de begroting van de Staat, die verantwoordt dat verschillende vervaltermijnen worden vastgelegd voor wat de vorderingen voor of tegen hem betreft. De duurtijd van de (absolute) verjaring, geregeld door de in het geding zijnde bepaling (maximum vijf jaar) en door artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek (maximum twintig jaar) is ingegeven door dezelfde zorg, te weten de noodzaak om na een bepaalde tijd niet meer terug te komen op oude kwesties. Het verschil tussen beide is verantwoord door de eigenheid van de schuldenaar, namelijk de Staat of (te dezen) het Gewest. Gelet op de omvang van hun begroting en de aard van hun opdracht is het aangewezen dat een korte verjaringstermijn in acht wordt genomen. A.12. Voor zover de uitspraak in het arrest nr. 32/96 van het Hof zou worden toegepast voor het geval dat diegene die schade lijdt zich in de onmogelijkheid bevindt om de identiteit van de aansprakelijke overheid te achterhalen, merkt hij op dat zulks alleen zou gelden voor het slachtoffer van de schade dat helemaal niet in de mogelijkheid was de identiteit van de aansprakelijke te kennen. In het geval dat aan het verwijzende rechtscollege is voorgelegd, is dat niet zo vermits de schadelijders wel degelijk de aansprakelijke partij konden kennen. A.13. Met betrekking tot het verschil in behandeling ingevolge het onderscheiden ogenblik waarop de verjaringstermijn een aanvang neemt, ontwikkelt de Ministerraad dezelfde redenering als in de zaak nr. 4053. 8 -B- B.1. Artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën vormt thans artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, dat bepaalt : « Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen : 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen, die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas ». Tot de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 « tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof » blijft die bepaling eveneens van toepassing, krachtens artikel 71, § 1, van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989, op de gemeenschappen en de gewesten. Op grond van artikel 11 van de programmawet (II) van 27 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, derde uitgave), waarbij artikel 17 van de voormelde wet van 16 mei 2003 wordt gewijzigd, kan de inwerkingtreding van die wet van 16 mei 2003 door de Koning worden uitgesteld tot uiterlijk 1 januari 2010. B.2. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn dertig jaar. Het nieuwe artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door voormelde wet, bepaalt dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van 9 buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Wanneer de rechtsvordering vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is ontstaan, bepaalt artikel 10 van die wet bij wijze van overgangsmaatregel dat de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet pas lopen vanaf haar inwerkingtreding. B.3. In de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 4053 en in de prejudiciële vraag in de zaak nr. 4068, wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor schuldvorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan, terwijl de gemeenrechtelijke schuldvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. B.4. Zoals het Hof in de arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/99, 85/2001, 42/2002, 64/2002, 37/2003, 1/2004, 86/2004, 127/2004, 165/2004, 170/2004 en 153/2006 heeft geoordeeld, heeft de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten : het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin., 1846, p. 287). Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 februari 1970 werd herbevestigd dat « de Staat, die jaarlijks meer dan 150 miljard uitgeeft en met het bestuursapparaat werkt dat log, ingewikkeld, en dan nog overstelpt is met documenten en archiefstukken, […] wel een debiteur van gans bijzondere aard » is en dat « het wegens orderedenen geboden [is] zo spoedig mogelijk een einde te maken aan eisen die hun 10 oorsprong vinden in achterstallige zaken » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 971/1, p. 2; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 126, p. 4). Analoge argumenten verantwoorden tevens de bijzondere verjaringstermijn voor schuldvorderingen tegen het Vlaamse Gewest. De omstandigheid dat de verjaringstermijn van de schuldvorderingen tegen de Staat (zaak nr. 4053) en het Vlaamse Gewest (zaak nr. 4068) reeds een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan - en bijgevolg daadwerkelijk bijna steeds voordat de vordering is ontstaan - vloeit voort uit het specifieke criterium dat wordt gehanteerd om de verjaringstermijn te berekenen. De keuze van dat criterium wordt verantwoord door de eigenheid van de Staat en het Vlaamse Gewest als schuldenaars van die vorderingen. Doordat die berekeningswijze een concrete verjaringstermijn oplevert van ten minste vier jaar na het ontstaan van de schuldvordering, dat wil zeggen vanaf het ogenblik dat alle constitutieve elementen aanwezig zijn, namelijk een fout, een schade en het oorzakelijke verband tussen beide, heeft de maatregel, rekening houdend met de doelstelling ervan, bovendien geen onevenredige gevolgen. B.5. De eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 4053 en de prejudiciële vraag in de zaak nr. 4068 dienen ontkennend te worden beantwoord. B.6. In de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4053 wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in een bijzondere verjaringstermijn in vergelijking met de gemeenrechtelijke verjaringstermijn die, sedert de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing is op buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen. B.7. Om dezelfde als de in B.4, eerste en tweede alinea, aangehaalde redenen, bevestigt het Hof dat artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in een bijzondere verjaringstermijn voor schuldvorderingen tegen de Staat, wanneer de daarin vervatte verjaringstermijn wordt vergeleken met de gemeenrechtelijke verjaringstermijn in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. 11 De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4053 dient ontkennend te worden beantwoord. B.8. Het Hof wordt ten slotte ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de Staat of van het Vlaamse Gewest, wanneer de schade pas na het verstrijken van de in het voormelde artikel bepaalde termijn tot uiting komt (derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4053) of wanneer de benadeelde niet op de hoogte is van de identiteit van de persoon die aansprakelijk is voor de schade (prejudiciële vraag in de zaak nr. 4068). B.9. In het arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996 heeft het Hof geoordeeld dat de in artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalde verjaringstermijn onevenredige gevolgen heeft voor personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen. Om dezelfde redenen heeft het Hof in het arrest nr. 153/2006 vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling eveneens discriminerend is, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. B.10. Het komt de verwijzende rechtscolleges toe te bepalen of de schade is ontstaan na het verstrijken van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde verjaringstermijn en of de schade en de identiteit van de aansprakelijke onmiddellijk konden worden vastgesteld door de persoon die de aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld. B.11. De derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4053 en de prejudiciële vraag in de zaak nr. 4068 dienen bevestigend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, Het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 100, eerste lid, 1°, van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan. 2. Diezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 20 juni 2007. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.