id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.093 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070620.7 Arrest- Rolnummer: 93/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-23 Raadplegingen: 673 - laatst gezien 2026-07-04 01:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 « houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan », zoals vervangen bij het koninklijk besluit nr. 269 van 31 december 1983, bekrachtigd bij artikel 7, 7°, van de wet van 6 december 1984 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten vastgesteld ter uitvoering van artikel 1, 1° en 2°, van de wet van 6 juli 1983 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning », schendt de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsnetten - Gemeenschapsonderwijs Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 « houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan », zoals dat artikel werd vervangen bij het koninklijk besluit nr. 269 van 31 december 1983 (bekrachtigd bij artikel 7, 7°, van de wet van 6 december 1984), gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Tijdelijk onderwijzend personeel - Geldelijk statuut - Uitgestelde bezoldiging - Vereiste minimumleeftijd vanaf welke de anciënniteit begint te lopen -
- Personeelsleden die de minimumleeftijd hebben bereikt -
- Personeelsleden die de minimumleeftijd niet hebben bereikt. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 269 - 31-12-1983 - 68 Link Justel databank 19831231-68 Koninklijk Besluit met nummer - 63 - 20-07-1982 - 7,§1,3°,L2 - 41 Link Justel databank 19820720-41 Wet - 63 - 06-12-1984 - 7,7° - 30 ELI link Pub nr 1984021267 Grondwet 1994 - 63 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 63 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 63 - 17-02-1994 - 24,§4 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4090 Arrest nr. 93/2007 van 20 juni 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 « houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan », zoals dat artikel werd vervangen bij het koninklijk besluit nr. 269 van 31 december 1983 (bekrachtigd bij artikel 7, 7°, van de wet van 6 december 1984), gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 7 december 2006 in zake Claire Curvers en anderen tegen de Franse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 december 2006, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Voert artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, bekrachtigd bij artikel 7, 7°, van de wet van 6 december 1984 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten vastgesteld ter uitvoering van artikel 1, 1° en 2°, van de wet van 6 juli 1983 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning, onder de tijdelijke personeelsleden die hun ambt in het onderwijs uitoefenen geen onverantwoorde discriminatie in, louter op grond van de leeftijd die zij hebben bereikt op 31 augustus vóór de aanvang van het betrokken schooljaar, en alleen om budgettaire redenen, in zoverre het bepaalt dat de uitgestelde bezoldiging gelijk aan het product van de vermenigvuldiging van de daglonen niet van toepassing is op de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus vóór de aanvang van het schooljaar niet de met de klasse van hun weddeschaal overeenstemmende leeftijd hebben bereikt ? ». Claire Curvers, wonende te 4020 Luik, Quai G. Kurth 82, Céline Lommel, wonende te 1450 Chastre, rue des Lovières 14, Purdey Renkin, wonende te 1495 Sart-Dames-Avelines, chaussée de Namur 48, Valérie Derramoudt, wonende te 1140 Brussel, Franz Guillaumelaan 49/1, Virginie Goderniaux, wonende te 6230 Pont-à-Celles, rue de la Chaussée 58, en Bruno Dobbelstein, wonende te 5650 Yves-Gomzée, rue En-Dessous 16, hebben een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 10 mei 2007 : - is verschenen : Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. L. Rase en Mr. D. Wagner, advocaten bij de balie te Luik, voor Claire Curvers en anderen; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij dagvaarding van 23 januari 2001 heeft Claire Curvers de Franse Gemeenschap voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel gedagvaard tot betaling van een achterstallige uitgestelde bezoldiging die verschuldigd was voor de maanden juli en augustus
- De vijf andere verzoekers voor het verwijzende rechtscollege zijn met hetzelfde doel vrijwillig in het geding tussengekomen. 3 Alle verzoekers voor het verwijzende rechtscollege waren, op het ogenblik dat de rechtspleging werd ingesteld, jonge leerkrachten aan het begin van hun beroepsloopbaan. Daar de verzoekers op 31 augustus voorafgaand aan hun prestaties in het onderwijs de leeftijd van 22 jaar niet hadden bereikt, heeft de Franse Gemeenschap geweigerd hun een uitgestelde bezoldiging toe te kennen, waarbij zij haar standpunt baseert op artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 « houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan ». Met een vonnis van 4 maart 2003 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering onontvankelijk verklaard, daar zij van mening is dat de leden van het onderwijzend personeel van het gesubsidieerd onderwijs niet beschikken over een recht van rechtstreekse vordering tegen de Franse Gemeenschap, subsidiërende overheid. Tegen die beslissing werd hoger beroep ingesteld. Met een arrest van 7 december 2006 heeft het Hof van Beroep te Brussel in zijn motieven het recht van de verzoekers erkend om van de Franse Gemeenschap de betaling te vorderen van de subsidies die bestemd zijn om de wedde te dekken die hun inrichtende macht hun verschuldigd is. Alvorens zich ten gronde uit te spreken, stelt het Hof van Beroep te Brussel aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de verzoekers voor het Hof van Beroep A.
- Luidens artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 « houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan », genieten de leerkrachten die op 31 augustus vóór de aanvang van het schooljaar gedurende hetwelk zij hun ambt uitoefenen de leeftijd van 22 jaar niet hebben bereikt, geen uitgestelde bezoldiging gedurende de twee maanden van de zomervakantie die volgen op die prestaties. Die bepaling heeft volgens de verzoekers alleen tot doel het bedrag van de overheidsuitgaven te beperken. De Franse Gemeenschap heeft volgens hen het eventuele objectieve karakter van het leeftijdscriterium dat aan de voormelde bepaling ten grondslag ligt, nooit uitgelegd. A.
- Volgens de verzoekers heeft het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit volgens de leeftijd van de leerkrachten op 31 augustus van het kalenderjaar vóór de aanvang van het betrokken schooljaar, geen enkele grondwettelijke grondslag ten aanzien van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. De verzoekers vervolgen dat het, in tegenstelling tot wat de Franse Gemeenschap voor het Hof van Beroep heeft aangevoerd, te dezen geen discriminatie betreft tussen de leden van het onderwijzend personeel van het gesubsidieerd onderwijs en diegenen van het door de Franse Gemeenschap ingerichte onderwijs. Het betreft een discriminatie onder de leerkrachten, ongeacht het schoolnet, naar gelang van hun leeftijd op 31 augustus vóór de uitoefening van hun ambt. Evenmin dient de situatie van de tijdelijke leerkrachten te worden vergeleken met die van de vastbenoemde leerkrachten. De discriminatie moet worden beoordeeld volgens de leeftijd die zij hebben bereikt op 31 augustus van het jaar dat voorafgaat aan het jaar gedurende hetwelk zij hun ambt in het onderwijs hebben uitgeoefend. De verzoekers voor het verwijzende rechtscollege voeren voorts aan dat artikel 6 van het decreet van 17 juli 2002 houdende dringende wijzigingen inzake onderwijs de in het geding zijnde maatregel heeft opgeheven. Dat decreet is in werking getreden op 1 september
- Zij citeren de memorie van toelichting : « De tweede maatregel strekt ertoe de jonge tijdelijke leerkrachten die de vereiste leeftijd niet hebben bereikt, een recht op de uitgestelde bezoldiging gedurende de zomermaanden toe te kennen. 4 Die discriminatie in het geldelijk statuut voor de jonge leerkrachten die op jonge leeftijd in het beroep zijn gestapt doordat zij hun studie snel, zonder overzitten, met succes hebben beëindigd, dient immers zo snel mogelijk te worden opgeheven ». De commentaar bij de artikelen luidt : « Artikel 6 Die bepaling strekt ertoe in de bepalingen betreffende het geldelijk statuut van de leden van het tijdelijk personeel de discriminatie op te heffen die erin bestond de jonge tijdelijke leerkrachten die de vereiste leeftijd niet hebben bereikt het recht te ontzeggen op een uitgestelde bezoldiging gedurende de zomervakantie ». Volgens de verzoekers vermelden de auteurs van het nieuwe decreet aldus op duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige wijze dat de vroeger toepasselijke maatregel, die het voorwerp van de onderhavige prejudiciële vraag uitmaakt, onbetwistbaar een discriminerende maatregel is. De prejudiciële vraag dient bijgevolg bevestigend te worden beantwoord. -B- B.
- Het Hof wordt gevraagd of artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 « houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan » bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, in zoverre de uitgestelde bezoldiging niet verschuldigd is aan de leden van het tijdelijk onderwijzend personeel die niet de met de klasse van hun weddeschaal overeenstemmende leeftijd hebben bereikt uiterlijk op 31 augustus vóór de aanvang van het schooljaar, waardoor onder de leden van het tijdelijk personeel die hun ambt in het onderwijs uitoefenen uitsluitend op grond van het leeftijdscriterium een verschil in behandeling wordt ingevoerd. B.
- Artikel 7, § 1, 3°, van het voormelde koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 bepaalde op het ogenblik dat de in het geding zijnde zaak voor de Rechtbank van eerste aanleg werd ingeleid : « Voor de tijdelijke personeelsleden : […] 3° is bovendien betaalbaar tijdens de zomervakantie, een uitgestelde bezoldiging gelijk aan het produkt bekomen door de volgens 2° betaalde daglonen te vermenigvuldigen met 0,
- 5 De bepaling van 3° hierboven is niet van toepassing op de tijdelijke personeelsleden die niet de met de klasse van hun weddeschaal overeenstemmende leeftijd hebben bereikt uiterlijk op 31 augustus vóór de aanvang van het schooljaar ». B.3.
- De in het geding zijnde bepaling voert een verschil in behandeling in onder de leden van het tijdelijk onderwijzend personeel, ongeacht het schoolnet, ten aanzien van het recht op een uitgestelde bezoldiging, tussen diegenen die op 31 augustus vóór de aanvang van het schooljaar gedurende hetwelk zij hun ambt uitoefenen de leeftijd van 22 jaar (voor de regenten) of 24 jaar (voor de licentiaten) niet hebben bereikt en de anderen. B.3.
- Artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982, dat luidens het verslag aan de Koning « de openbare uitgaven [tracht] te beperken en vooral de beschikbare arbeid in het onderwijs te herverdelen » (Belgisch Staatsblad, 29 juli 1982, p. 8636), kende aan de tijdelijke leerkrachten het recht toe op een uitgestelde bezoldiging gedurende de zomermaanden. Ter uitvoering van de wet van 6 juli 1983 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning heeft het koninklijk besluit nr. 269 van 31 december 1983 artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 63 gewijzigd en het voormelde recht op de uitgestelde betaling opgeheven voor de tijdelijke leerkrachten die de minimumleeftijd niet hebben bereikt (Belgisch Staatsblad, 18 januari 1984, pp. 647-649). Het koninklijk besluit nr. 269 werd bekrachtigd bij artikel 7, 7°, van de wet van 6 december
- Die bepaling, die te dezen van toepassing is, is opgeheven bij artikel 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juli 2002 houdende dringende wijzigingen inzake onderwijs. B.3.
- In verband met artikel 7, 7°, van de wet van 6 december 1984 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit nr. 269, kan in de parlementaire voorbereiding worden gelezen : « De Minister (N) ontkent niet dat de doelstelling hier hoofdzakelijk was toegespitst op budgettaire besparingen. Niettemin zijn deze maatregelen niet zo hard aangekomen, omdat een minimumleeftijd voorzien is vanaf welke de anciënniteit begint te lopen : 22 jaar voor de regenten en 24 jaar voor de licentiaten. Tot genoemde leeftijden leek het mogelijk de bezoldiging enigszins aan te passen, vermits deze statutair erkend zijn als de drempels van waarop de anciënniteit begint te lopen. 6 De tijdelijke leerkrachten worden voor de zomervakantie niet meer bezoldigd en genieten werkloosheidsuitkeringen zonder stempelcontrole » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 957-7, p. 44). B.
- Hieruit vloeit voort dat zowel een zorg van budgettaire aard als de zorg om de arbeid te herverdelen aan de basis liggen van het met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel. De grondslag van het onderscheid berust op de leeftijd van de personeelsleden, waarbij de gekozen leeftijd de vereiste minimumleeftijd is vanaf welke de anciënniteit begint te lopen. Hoewel het nastreven van beide voormelde doelstellingen op zich een gewettigd doel vormt, is het criterium van onderscheid dat de wetgever te dezen heeft gekozen, namelijk de leeftijd van de tijdelijke leerkrachten, niet pertinent. Er bestaat geen enkele reden om de toekenning van de uitgestelde bezoldiging te koppelen aan de leeftijd die is vereist om de anciënniteit te genieten, daar die geen enkele invloed heeft op de werkelijkheid van de prestaties van een tijdelijke leerkracht die die leeftijd niet zou hebben bereikt. Bovendien is het verschil in behandeling ten aanzien van de jonge leerkrachten die, per hypothese, op vroege leeftijd in het beroep zijn gestapt omdat zij hun studie snel hebben beëindigd, evenmin verantwoord ten aanzien van het aangevoerde doel dat erin bestaat de arbeid te herverdelen. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 7, § 1, 3°, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 « houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan », zoals vervangen bij het koninklijk besluit nr. 269 van 31 december 1983, bekrachtigd bij artikel 7, 7°, van de wet van 6 december 1984 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten vastgesteld ter uitvoering van artikel 1, 1° en 2°, van de wet van 6 juli 1983 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning », schendt de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 20 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.093 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div