← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.094

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.094 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070627.11 Arrest- Rolnummer: 94/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-23 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-06-29 11:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeerwet - 16 maart 1968 - Verval - art. 38-49 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Bergen. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Verkeersmisdrijven - Verval van het recht tot sturen - Overgangsrecht - Toepassing van de strafwet die als de minst zware wordt beschouwd - Nog niet in werking getreden bepaling. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-2005 - 31 - 52 ELI link Pub nr 2005014121 Tekst van de beslissing Rolnummer 4019 Arrest nr. 94/2007 van 27 juni 2007 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 juni 2006 in zake het openbaar ministerie tegen Agnès Faidherbe, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 juni 2006, heeft de Correctionele Rechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, doordat het bepaalt dat die nieuwe wetgeving alleen van toepassing is op de feiten die zijn begaan vanaf de inwerkingtreding van die wet, artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - Agnès Faidherbe, wonende te 6150 Anderlues, rue Marie-Adrienne 49; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 7 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. A. Mondet, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. M. Leo, advocaat bij de balie te Bergen, voor Agnès Faidherbe; . Mr. M. Bassem loco Mr. F. Libert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Agnès Faidherbe wordt, wegens feiten die werden begaan op 1 december 2004, strafrechtelijk vervolgd op grond van artikel 12.3.1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 « houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg », de artikelen 418 en 420bis van het Strafwetboek en artikel 38, § 1, 2°, van de gecoördineerde wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. 3 Bij vonnis van 25 januari 2006 veroordeelt de Politierechtbank te Bergen haar bij verstek tot een boete van 100 euro en, subsidiair, tot een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van vijftien dagen. Op verzet tegen die beslissing, kent hetzelfde rechtscollege, bij vonnis van 5 april 2006, uitstel toe van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van die straffen. Na te zijn verzocht zich uit te spreken over het hoger beroep tegen dat tweede vonnis, vraagt de Correctionele Rechtbank te Bergen zich af of zij niet de wettelijke basis moet wijzigen van de vervolging die tegen Agnès Faidherbe is ingesteld, gelet op de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer ». Na toelichting van de redenen waarom het oordeelt dat artikel 31 van die wet op 31 maart 2006 in werking is getreden - niettegenstaande de tekst van artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 maart 2006 « houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer » -, stelt dat rechtscollege aan het Hof de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.

  1. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is. A.1.
  2. Hij leidt in de eerste plaats af uit artikel 32 van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer », uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 maart 2006 « houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer » en uit het ontbreken van een ander koninklijk besluit dat de inwerkingtreding vaststelt van artikel 31 van de wet van 20 juli 2005, dat die laatste bepaling niet van kracht is, zodat het Hof onbevoegd is om de grondwettigheid ervan te onderzoeken. Hij voegt eraan toe dat het feit dat niet wordt verwezen naar die bepaling in het koninklijk besluit van 22 maart 2006, niet te wijten is, zoals de verwijzende rechter lijkt te beweren, aan een vergetelheid of een vergissing van de Koning, omdat de afdeling wetgeving van de Raad van State, in het advies dat zij over die tekst heeft verstrekt, de auteur van het ontwerp van koninklijk besluit uitdrukkelijk attent heeft gemaakt op het ontbreken van die verwijzing naar de in het geding zijnde bepaling. De Ministerraad wijst vervolgens erop dat, volgens de verwijzende rechter, de Koning artikel 108 van de Grondwet zou hebben geschonden indien Hij niet impliciet had gewild, bij de aanneming van het koninklijk besluit van 22 maart 2006, dat artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 in werking zou treden. De Ministerraad betwist dat argument en beklemtoont dat de bevoegdheid die aan de Koning is toegekend bij artikel 32 van die wet, aan geen enkele voorwaarde gekoppeld is en dat de Koning, door de inwerkingtreding van artikel 31 van dezelfde wet uit te stellen, niet de grenzen overschrijdt van de bij artikel 32 van die wet verleende delegatie. Hij wijst eveneens erop dat de eventuele ongrondwettigheid van de « uitgestelde inwerkingtreding » van artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 niet aantoont dat de Koning die bepaling impliciet wilde beogen in het koninklijk besluit van 22 maart
  3. De Ministerraad is van mening dat de redenering van de verwijzende rechter afbreuk doet aan de beginselen van rechtszekerheid en van de scheiding der machten. Doordat de in het geding zijnde bepaling niet in werking is getreden, is de prejudiciële vraag niet meer van belang voor de oplossing van het geschil, zodat die vraag geen antwoord behoeft. A.1.
  4. De Ministerraad voert in de tweede plaats aan dat, zelfs indien artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 van kracht zou zijn, de prejudiciële vraag hoe dan ook onontvankelijk zou zijn omdat het het Hof niet toekomt de inachtneming te waarborgen van de regels waarvan de schending door die vraag wordt aangevoerd. 4 Hij merkt in de eerste plaats op dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat op 7 december 2000 te Nice werd ondertekend, geen rechtstreekse werking heeft in het Belgisch recht, zodat het voor het Hof niet als « indirecte referentienorm » kan dienen. De Ministerraad gaat vervolgens ervan uit dat de verwijzende rechter het Hof verzoekt de geldigheid te onderzoeken van artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 in het licht van artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Hij merkt in dat verband op dat de verwijzende rechter niet duidelijk maakt in welk opzicht een eventuele onverenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met die internationaalrechtelijke bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden, en dat hij niet de te vergelijken categorieën van personen preciseert, noch het betwiste verschil in behandeling. Hij leidt daaruit af dat de verwijzing naar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet louter artificieel is. Met verwijzing naar de arresten nrs. 20/93, 29/95 en 60/95, herinnert de Ministerraad eraan dat het Hof weigert de geldigheid van een wetskrachtige norm rechtstreeks te toetsen aan een internationaalrechtelijke bepaling. Hij voegt eraan toe dat er in de Belgische Grondwet geen enkele bepaling is die analoog is met de voormelde internationaalrechtelijke bepalingen die het beginsel van retroactiviteit van de minst zware straf waarborgen. A.2.
  5. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.2.
  6. Hij wijst in de eerste plaats erop dat artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 slechts een overgangsbepaling is die de toepassing van de wet in de tijd regelt, en dat het bijgevolg geen nieuw misdrijf of nieuwe straf invoert. De Ministerraad leidt eruit af dat die bepaling onmogelijk het beginsel van retroactiviteit van de minst zware strafwet kan schenden, dat neergelegd is in artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, noch bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij merkt vervolgens op dat in de verwijzingsbeslissing geen enkele andere bepaling van de wet van 20 juli 2005 wordt vermeld die volgens de verwijzende rechter de voormelde internationaalrechtelijke regels zou schenden. Hij herinnert ten slotte eraan dat het Hof niet de grondwettigheid kan onderzoeken van wetskrachtige bepalingen die niet door de prejudiciële vraag worden beoogd. A.2.
  7. De Ministerraad beweert ten slotte « in uiterst ondergeschikte orde » dat, zelfs indien de prejudiciële vraag in die zin zou worden geïnterpreteerd dat het Hof wordt ondervraagd over de grondwettigheid van artikel 31 van de wet van 20 juli 2005, in samenhang gelezen met een andere bepaling van die wet, die laatste bepaling niet de voormelde internationaalrechtelijke bepalingen zou schenden, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Ministerraad voert daartoe aan dat het doel van de wet van 20 juli 2005 duidelijk niet erin bestaat de straffen waarin de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer voorziet, te verlichten. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 20 juli 2005, zou blijken dat het nagestreefde doel erin bestaat de fouten te corrigeren van de wet van 7 februari 2003 « houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid », die werd bekritiseerd en waarvan verschillende bepalingen werden vernietigd bij de arresten nrs. 154/2004 en 182/2004, of ongrondwettig verklaard bij de arresten nrs. 45/2005, 138/2005, 151/2005 en 153/
  8. De Ministerraad citeert B.8.4 van het arrest nr. 45/2005 en merkt op dat het de wil van de wetgever is die aangeeft of een nieuwe straf die hij doorvoert, minder zwaar is dan een eerder aangenomen straf. A.2.
  9. De Ministerraad voert ten slotte aan dat, gelet op het - kennelijk rechtmatige - doel van artikel 31 van de wet van 20 juli 2005, het eventuele bestaan, in die wet, van een of meer lichtere straffen dan die waarin eerder was voorzien - of het eventuele bestaan van een verschil in behandeling ten opzichte van het beginsel van retroactiviteit van de minst zware wet - niet volstaat om te besluiten tot schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 of door een andere bepaling van die wet. 5 De Ministerraad onderstreept dat de wetgever een nieuwe situatie van rechtsonzekerheid wil vermijden die vergelijkbaar is met die welke voortvloeide uit de inwerkingtreding van de wet van 7 februari
  10. Hij bevestigt dat de toepassing in de tijd van sommige bepalingen van die wet, die betrekking hadden op de strafsancties, aanzienlijke problemen heeft veroorzaakt die hebben geleid tot verschillende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. A.
  11. Agnès Faidherbe gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. -B- B.
  12. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 31 van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer », dat bepaalt : « Deze wet is van toepassing op misdrijven begaan vanaf de dag van de inwerkingtreding van deze wet. Voor misdrijven begaan voor de dag van inwerkingtreding van deze wet blijven de bepalingen van de gecoördineerde wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals die bestonden op de dag van de overtreding van toepassing ». B.
  13. In beginsel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer aan het Hof evenwel bepalingen worden voorgelegd die kennelijk niet op het bodemgeschil kunnen worden toegepast, staat het niet aan het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen te onderzoeken. B.3.
  14. Artikel 32 van de wet van 20 juli 2005 bepaalt : « Met uitzondering van dit artikel bepaalt de Koning voor elk artikel van deze wet de dag waarop het in werking treedt ». Die bepaling strekt ertoe het mogelijk te maken de inwerkingtreding van die wet vast te stellen « per artikel » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1428/010, p. 70). 6 B.3.
  15. Ter uitvoering van die bepaling voorziet artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 maart 2006 « houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer » in het volgende : « De artikelen 1, 2 en 4 tot en met 30 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer treden in werking op 31 maart 2006 ». Er is geen enkel ander koninklijk besluit genomen dat de inwerkingtreding vaststelt van artikel 31 van de wet van 20 juli
  16. B.3.
  17. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepaling niet in werking is getreden. Zij is dus kennelijk niet van toepassing op het bodemgeschil. B.
  18. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 27 juni
  19. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.