id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.099 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070712.6 Arrest- Rolnummer: 99/2007 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-06-29 12:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 40 en 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Verzet (gerechtelijk recht) - Termijn verzet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 40 en 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gerechtelijk recht - Rechtspleging - Rechtsmiddelen - Verzet -
- Burgerlijke rechtspleging - Aanvangspunt van de beroepstermijn - Betekening per aangetekende brief aan de procureur des Konings -
- Strafrechtspleging - Buitengewone termijn van verzet. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - Recht op een eerlijk proces. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 57,L2 - 01 Link Justel databank 19671009-01 Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 40 - 01 Link Justel databank 19671009-01 Tekst van de beslissing Rolnummer 4028 Arrest nr. 99/2007 van 12 juli 2007 _____________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 40 en 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 juni 2006 in zake Wilhelm Lampert tegen de nv « Creative Construction & Renovation », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juli 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 40 en 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1996 en met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre zij in burgerlijke zaken ertoe kunnen leiden dat de termijn voor verzet aanvangt en eindigt buiten het medeweten van de persoon aan wie wordt betekend, zelfs wanneer die persoon niet verantwoordelijk is voor het feit dat zijn woonplaats niet bekend is, terwijl, in strafzaken of in burgerlijke zaken die op een misdrijf steunen, de persoon aan wie wordt betekend over een buitengewone termijn beschikt zodat de termijn voor verzet niet zonder zijn medeweten tegen hem loopt, ongeacht of hij al dan niet verantwoordelijk is voor het feit dat zijn woonplaats niet bekend is ? ». Memories zijn ingediend door : - Wilhelm Lampert, die woonplaats heeft gekozen te 1050 Brussel, Bolwerksquare 1A; - de nv « Creative Construction & Renovation », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1050 Brussel, Kruisstraat 45; - de Ministerraad. Wilhelm Lampert en de nv « Creative Construction & Renovation » hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 7 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. B. Cambier loco Mr. G. Carnoy, advocaten bij de balie te Brussel, voor Wilhelm Lampert; . Mr. I. Mathy loco Mr. C. Van Buggenhout en Mr. C.-A. Dumont de Chassart, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « Creative Construction & Renovation »; . Mr. S. Naeije loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 11 juli 2005 tekent W. Lampert verzet aan tegen het vonnis dat bij verstek tegen hem is gewezen op 23 februari 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, en dat hem is betekend bij de akten van 17 maart en 25 april
- De procedure die aanleiding gaf tot het vonnis van 23 februari 2005 werd ingeleid met een dagvaarding van 18 oktober 1996 die aan W. Lampert, die toen te Genève in Zwitserland woonde, werd betekend. W. Lampert had meermaals conclusies neergelegd met vermelding van het adres dat op de gedinginleidende akte stond. Het op verzet gewezen vonnis van 23 februari 2005 werd op 17 maart 2005 per aangetekende brief betekend aan de procureur-generaal van Genève, met verzoek het aan W. Lampert te betekenen met toepassing van artikel 5 van het Verdrag van Den Haag van 15 november 1965, en op 25 april 2005 aan de procureur des Konings te Brussel in eigen persoon met toepassing van artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek. Bij exploot van 11 juni 2005, zijnde buiten de bij de wet vastgestelde termijn van één maand, tekent W. Lampert verzet aan tegen het voormelde vonnis. De oorspronkelijke eisende partij werpt van in het begin de onontvankelijkheid van dat beroep op. De eiser op verzet betoogt echter dat de betekeningen die werden gedaan te Genève en aan het parket van de procureur des Konings te Brussel ongeldig zijn of althans zonder gevolg en dat zijn verzet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De verwijzende rechter beslist een prejudiciële vraag te stellen over de discriminaties die in het Gerechtelijk Wetboek vervat zouden zijn inzake betekening aan het buitenland van bij verstek gewezen beslissingen. De verwijzende rechter beslist aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen in verband met het verschil in behandeling dat er bestaat tussen de personen die bij verstek zijn veroordeeld in het raam van een burgerlijke procedure en de personen die bij verstek zijn veroordeeld in een strafzaak, in zoverre enkel laatstgenoemden over een buitengewone verzetstermijn beschikken die krachtens artikel 187 van het Burgerlijk Wetboek begint vanaf de kennisneming van de betekening van de bij verstek gewezen beslissing. III. In rechte -A- Memorie van de eiser op verzet voor de verwijzende rechter A.1.
- Wat betreft de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde categorieën, betoogt de eiser op verzet voor de verwijzende rechter dat, ofschoon in beginsel een strafzaak de lijfdwang tot voorwerp heeft terwijl een burgerlijke zaak slechts dwangmaatregelen ten aanzien van goederen betreft, het gevolg van een burgerlijke veroordeling even aanzienlijke risico’s of schadevergoedingen kan teweeg brengen als een strikt strafrechtelijke veroordeling. Hij beklemtoont tevens dat de bewoordingen van de vergelijking betrekking hebben op eenzelfde akte, namelijk de betekening van een vonnis. A.1.
- Nadat de eiser op verzet voor de verwijzende rechter de door de wetgever nagestreefde doelstelling heeft uiteengezet, onderzoekt hij het relevante karakter van het verschil in behandeling. Hij betoogt dat, in zoverre de procureur des Konings noch ermee is belast degene aan wie betekend wordt op te sporen, noch de middelen daartoe heeft, de betekening aan het parket een formaliteit vormt die niet kan worden beschouwd als een vervangende maatregel. Een dergelijke formaliteit kan evenwel een termijn doen lopen evenals hem doen verstrijken zonder medeweten van degene aan wie is betekend. Daaruit zou een ernstige schending voortvloeien van de rechten van de verdediging die niet alleen kan worden verantwoord door de dwingende vereiste een noodoplossing te vinden voor het niet kennen van een verblijfplaats, noch door de vereiste een definitieve gerechtelijke beslissing te wijzen binnen een redelijke termijn. 4 A.1.
- De eiser op verzet merkt voorts op dat, dat wanneer de woonplaats van degene aan wie dient te worden betekend niet gekend is, zelfs het uitvoerbare vonnis niet kan worden uitgevoerd, zodat er geen enkele noodzaak bestaat om het definitief te maken. A.1.
- Hij citeert uit het arrest van het Hof nr. 48/2006 van 29 maart 2006 en betoogt dat die beslissing in de lijn ligt van een krachtige huidige tendens waarbij de regels waardoor een termijn kan beginnen te lopen tegen een partij terwijl die de akte nog niet heeft ontvangen, opnieuw ter discussie worden gesteld. Hij onderstreept tevens dat de arresten nrs. 10/97 van 5 maart 1997, 20/2003 van 30 januari 2003, 125/2001 van 16 oktober 2001 en 13/2001 van 14 februari 2001 de ongrondwettigheid bevestigen van regels die een termijn doen lopen buiten medeweten van de persoon tegen wie die termijn loopt. A.1.
- De eiser op verzet merkt voorts op dat de Europese Commissie recent een voorstel van verordening heeft aangenomen « tot wijziging van de verordening EG nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ». Dat voorstel strekt tot wijziging van artikel 14 van de verordening teneinde te bepalen dat de betekening of de kennisgeving via de post dient te gebeuren per aangetekende brief, met ontvangstmelding, of bij een gelijkwaardige zending. A.1.
- Volgens de eiser op verzet zou het principe van de vaststelling van de datum van de betekening een onontbeerlijke waarborg zijn voor een eerlijk proces. Hij merkt voorts op dat ingevolge de rechtspraak van het Hof, de wetgever artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek heeft gewijzigd teneinde te bepalen dat de kennisgeving enkel gevolg kan hebben vanaf een bijkomende termijn dankzij welke rekening kan worden gehouden met de termijn die noodzakelijk is om de brief te ontvangen. Memorie van de verweerster op verzet voor de verwijzende rechter A.2.
- Er wordt betoogd dat de aangevoerde categorieën niet beantwoorden aan het vereiste criterium van vergelijkbaarheid. De eerste categorie heeft immers betrekking op de personen die bij verstek zijn veroordeeld door een strafgerecht, terwijl de tweede categorie de personen betreft die bij verstek zijn veroordeeld door een burgerlijke rechtbank. De rechtzoekenden die bij een burgerlijke procedure zijn betrokken, zouden zich in een andere situatie bevinden dan diegenen die in een strafrechtelijke procedure verwikkeld zijn. Er wordt opgemerkt dat het Hof, in zijn arrest nr. 210/2004 van 21 december 2004, heeft geoordeeld dat ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de personen die verwikkeld zijn in een strafrechtelijke procedure, enerzijds, en de personen die betrokken zijn bij een administratieve procedure, anderzijds, niet met elkaar konden worden vergeleken. A.2.
- De verweerster op verzet voor de verwijzende rechter onderzoekt vervolgens het verschil in behandeling, in de veronderstelling dat het Hof van mening is dat de categorieën met elkaar kunnen worden vergeleken. Zij is van mening dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet zou voortvloeien uit de toepassing van de regels waarbij de gewone termijnen van verzet in strafzaken en in burgerlijke procedures worden vastgesteld, maar in werkelijkheid zouden voortvloeien uit artikel 187 van het Wetboek van strafvordering, dat een buitengewone termijn van verzet toekent in het geval waarin er aan niemand werd betekend en waarin de gewone aan de veroordeelde persoon toegekende verzetstermijn daardoor verstreken is. A.2.
- Nadat de verweerster op verzet voor de verwijzende rechter het begrip verzet heeft gedefinieerd, zich daarbij baserende op het arrest nr. 43/2005 van 23 februari 2005, merkt ze op dat het Hof in zijn arrest nr. 9/2002 van 9 januari 2002 heeft geoordeeld dat de regels betreffende de termijn om verzet aan te tekenen tot doel hadden een goede rechtsbedeling te verzekeren en de risico’s op rechtsonzekerheid te vermijden. In zijn arrest nr. 170/2003 van 17 december 2003 heeft het Hof ook geoordeeld dat het redelijkerwijze verantwoord was dat de wetgever, teneinde iedere rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen. In dat verband merkt de verweerster op verzet op dat de aan de procureur des Konings gedane betekeningen ertoe strekken een vaststaande datum te geven die de beroepstermijn doet lopen en zodoende het mogelijk maakt een goede rechtsbedeling te verzekeren en de risico’s van rechtsonzekerheid te weren en zulks, ongeacht de houding van de niet-verschijnende partij die zou verdwijnen, en daardoor elke in kracht van gewijsde gegane beslissing onmogelijk zou maken. 5 A.2.
- Ten slotte stelt de verweerster op verzet dat toepassing zou moeten worden gemaakt van de oplossing die door het Hof werd aangenomen in zijn arrest nr. 29/2006 van 1 maart 2006, om te besluiten dat de in het geding zijnde bepalingen in overeenstemming zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens haar ondergaat de persoon die bij verstek wordt veroordeeld in een burgerlijke zaak, indien hij geen verzet kan aantekenen binnen een gewone termijn, hooguit een inbreuk op rechten en belangen van patrimoniale aard, in tegenstelling tot de beklaagde die bij verstek strafrechtelijk wordt veroordeeld en die wordt gestraft met de tenuitvoerlegging van een veroordeling waarbij afbreuk wordt gedaan aan de uitoefening van een dermate fundamenteel recht als zijn individuele vrijheid. Memorie van de Ministerraad A.3.
- De Ministerraad stelt dat hij niet inziet hoe de betrokken rechtzoekenden twee vergelijkbare categorieën van personen zouden vormen. De regels in verband met het verzet verschillen immers fundamenteel op burgerrechtelijk en strafrechtelijk vlak, zowel vanuit het oogpunt van de termijnen als wat betreft de filosofie van de beide systemen. In een burgerlijke rechtspleging gaat het immers erom geschillen tussen particulieren te beslechten voor een burgerlijk rechtscollege terwijl de strafrechtelijke procedures het mogelijk maken de maatschappelijke orde te verzekeren door een confrontatie tussen het individu en de openbare macht. Terwijl in het burgerlijk proces de eisende en de verwerende partij met gelijke wapens strijden teneinde hun stelling te laten triomferen, kunnen in de strafrechtelijke procedure, zowel het beginsel van beschuldiging als het inquisitoriaal beginsel de inachtneming van het beginsel van de wapengelijkheid in gevaar brengen, aangezien het openbaar gezag over onderzoeksmiddelen beschikt die geenszins dezelfde zijn als die van een particulier, zodat, bij ontstentenis van bescherming van de rechtzoekende door specifieke procedureregels, die rechtzoekende zich in een minderwaardige positie zou bevinden. A.3.
- In ondergeschikte orde onderzoekt de Ministerraad het aangevoerde verschil in behandeling en de verantwoording ervoor. Hij beklemtoont dat om « humanitaire » redenen de wetgever van 9 maart 1908 heeft geoordeeld artikel 187 van het Wetboek van strafvordering te moeten wijzigen door te voorzien in een buitengewone termijn van verzet ten voordele van de bij verstek veroordeelde partij. Die humanitaire redenen blijken evenwel onbestaande te zijn in burgerlijke aangelegenheden, waarbij de zorg voor rechtszekerheid van de personen die een verstekvonnis hebben gekregen, impliceert dat dat vonnis een definitief karakter kan krijgen. A.3.
- De Ministerraad beklemtoont voorts het feit dat in strafzaken enkel een vonnis tot veroordeling dat is uitgesproken bij verstek en dat niet kon worden betekend aan de persoon, vatbaar is voor verzet gedaan binnen de buitengewone termijn bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van strafvordering. A.3.
- De Ministerraad onderstreept eveneens dat de gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling veel zwaarder zijn dan diegene die kunnen voortvloeien uit een burgerlijke procedure. A.3.
- Hij betoogt voorts dat het Hof, bij zijn arrest nr. 170/2003 van 17 december 2003, impliciet zou hebben aangenomen dat een beroep in burgerlijke zaken begint te lopen buiten medeweten van een rechtzoekende, in het geval waarin de gerechtsbrief toekomt op een woonplaats waar de rechtzoekende niet langer feitelijk woont. Ten slotte stelt de Ministerraad dat het suppletieve karakter van de burgerlijke procedureregels per definitie impliceert dat het verschil in behandeling tussen niet-verschijnende partijen in burgerlijke zaken en in strafzaken verantwoord is. Ten aanzien van het recht op een eerlijk proces zou uit de arresten nrs. 5/2002 van 9 januari 2002 en 29/2002 van 30 januari 2002 voortvloeien dat de wettelijke beperkingen op het recht om beroep in te stellen moeten beantwoorden aan een wettige doelstelling zonder dat recht uiteindelijk teniet te doen. De rechtszekerheid gebiedt dat een burgerlijke beslissing definitief gevolg kan hebben door het verstrijken van de beroepstermijnen en zulks zelfs wanneer de niet-verschijnende partij niet op de hoogte kon worden gebracht van de betekening van de beslissing. A.3.
- De Ministerraad besluit dat de in de gestelde vraag beoogde normen geenszins afbreuk doen aan het recht op een eerlijk proces. 6 Memorie van antwoord van de eiser op verzet voor de verwijzende rechter A.4.
- Wat betreft de vergelijkbaarheid stelt de eiser op verzet voor de verwijzende rechter dat in beginsel een strafzaak weliswaar de lijfdwang tot voorwerp heeft terwijl een burgerlijke zaak slechts betrekking heeft op de dwangmaatregel ten aanzien van de goederen. Hij onderstreept echter dat in strafzaken ook belangen op het spel kunnen staan die enkel de goederen aanbelangen en dat die sancties niet minderwaardig zijn in de waaier van sanctiemaatregelen noch wat betreft het aantal veroordelingen. Volgens hem moet bij de vergelijkbaarheid geen rekening worden gehouden met de aard van de veroordelingen, maar moet het aangewende mechanisme worden vergeleken : het gaat om een juridisch mechanisme waardoor hetzij een oproeping, hetzij een vonnis dat de opening van een termijn tot gevolg heeft, ter kennis wordt gebracht van een rechtzoekende, ongeacht of het een termijn van verschijning of een beroepstermijn betreft. A.4.
- De eiser op verzet beweert voorts dat het niet zeker is dat de betekeningen van het vonnis waarbij een persoon wordt veroordeeld, meer waarborgen verdienen dan betekeningen met betrekking tot de goederen. Het gevolg van een burgerlijke veroordeling kan voor een persoon immers risico’s en een schadevergoeding inhouden die even aanzienlijk zijn als voor een strikt strafrechtelijke veroordeling. Hij citeert het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Italië t. Sevdovic, paragraaf 33 ervan, en stelt dat wat betreft de procedurele waarborgen in verband met het essentiële principe van aanwezigheid op het proces en informatie over de gevolgen van een procedure, de internationale verdragen waarbij die waarborgen in werking worden gesteld, geen verschil maken tussen de strafrechtelijke of burgerlijke aard van de procedure. A.4.
- Wat betreft het verschil in behandeling zelf, brengt de eiser op verzet in herinnering dat uit de bestreden regel een ernstige schending voortvloeit van de rechten van de verdediging, die niet alleen kan worden verantwoord door de dwingende vereiste een oplossing te vinden voor het niet gekend zijn van een verblijfplaats, noch door de vereiste een definitieve gerechtelijke beslissing te wijzen binnen een redelijke termijn. De regel van het definitieve karakter van de woonplaats en zijn doelstelling om het definitieve karakter van een vonnis niet te lang op te schorten, zijn immers niet van even essentiële aard als de verplichting om het recht op een eerlijk en daadwerkelijk proces te waarborgen. A.4.
- De eiser op verzet herhaalt vervolgens de uiteenzettingen die hij in zijn memorie aan de rechtspraak van het Hof had gewijd. Memorie van antwoord van de verweerster op verzet voor de verwijzende rechter A.5.
- De verweerster op verzet voor de verwijzende rechter stelt, bij een brief gericht aan de griffie van het Hof op 14 september 2006, dat de raadsman van de eiser op verzet voor de verwijzende rechter de ontvankelijkheid ratione temporis van de eerste memorie die door de verweerster werd ingediend, heeft betwist om reden dat die memorie haar per fax zou zijn medegedeeld op 5 september 2006 en bij gewone brief ontvangen op 6 september
- De eiseres antwoordt dat, met toepassing van de bepalingen van de organieke wet, haar memorie wel degelijk is ingediend binnen de termijn. De griffie van het Hof heeft immers op datum van 20 juli 2006 kennis gegeven van de prejudiciële vraag die het voorwerp uitmaakt van deze procedure. Die brief werd door de verweerster ontvangen op 24 juli 2006, zodat de aan de verweerster toegekende termijn van vijfenveertig dagen om een memorie in te dienen, is beginnen te lopen op 25 juli 2006 en is verstreken op 7 september
- Daaruit volgt dat de memorie ontvankelijk moet worden verklaard. A.5.
- Wat betreft de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde categorieën, verwijst de verweerster op verzet naar datgene wat in dat verband is uiteengezet in haar eerste memorie alsmede in de memorie die werd ingediend door de Ministerraad. A.5.
- Zij beklemtoont dat, in zijn memorie, de eiser op verzet heeft opgemerkt dat in strafzaken en in burgerlijke zaken die verbonden zijn met een strafrechtelijke zaak, de betekening het mogelijk maakte compenserende stappen te ondernemen om de ontstentenis van gekende woonplaats of verblijfplaats te verhelpen en dat de termijn hoe dan ook niet liep tegen diegene die die plaats niet kende. Volgens de verweerster op verzet zou een dergelijke overweging erop neerkomen van het Hof trachten te verkrijgen dat het zich uitspreekt over de grondwettigheid van artikel 37 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 187 van het Wetboek van strafvordering of over de leemten van de bepalingen die van toepassing zijn op de burgerlijke rechtspleging. Er zou echter 7 moeten worden vastgesteld dat een dergelijke argumentering, hetzij niet onder deze prejudiciële vraag valt, hetzij zonder meer niet behoort tot de bevoegdheid van het Hof, dat niet ertoe is gemachtigd mogelijke leemten in de wetgeving af te keuren. Daartoe wordt het arrest nr. 131/2006 van 28 juli 2006 geciteerd. A.5.
- De verweerster op verzet merkt nogmaals op dat de door de eiser gehouden redenering volgens welke de termijnen van verzet in strafzaken niet zouden beginnen te lopen buiten medeweten van degene aan wie is betekend, berust op een onjuiste stelling. Enkel de gevolgen van het verstrijken van die termijn voor de mogelijke uitoefening van het recht van verzet zijn immers verschillend krachtens de toepassing in strafzaken van artikel 187 van het Wetboek van strafvordering, dat niet het voorwerp uitmaakt van de aan het Hof gestelde vraag. A.5.
- Wat betreft de door de wetgever nagestreefde doelstelling, beklemtoont de verweerster op verzet dat uit een vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat de zorg om de rechtszekerheid te waarborgen kan worden beschouwd als een door de wetgever nagestreefde wettige doelstelling bij de uitoefening van zijn bevoegdheid die hem in staat stelt het verloop van de gerechtelijke procedures te regelen (arresten nrs. 9/2002 van 9 januari 2002 en 170/2003 van 17 december 2003). Met betrekking tot het relevante karakter van de maatregel, stelt zij dat de eiser op verzet de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen door elkaar haalt. Hij zou immers willen laten gelden dat de in het geding zijnde maatregelen niet relevant zijn, in zoverre zij de betekening mogelijk maken van het bij verstek gewezen vonnis en het verstrijken van de verzetstermijn ten aanzien van personen die niet over een gekende verblijfplaats beschikken, terwijl dergelijke bepalingen enkel relevant zouden zijn ten aanzien van personen die over een dergelijke verblijfplaats beschikken teneinde de nuttige werking daarvan te vrijwaren. Uit het verwijzingsvonnis zou voortvloeien dat het verschil in behandeling dat het Hof moet onderzoeken het verschil betreft tussen, enerzijds, de personen die niet over een in België gekende verblijfplaats, woonplaats of gekozen woonplaats beschikken en die bij verstek zijn veroordeeld door een burgerlijk rechtscollege en, anderzijds, de personen die niet over een in België of in het buitenland gekende verblijfplaats, woonplaats of gekozen woonplaats beschikken en die bij verstek zijn veroordeeld door een strafgerecht. A.5.
- De verweerster op verzet stelt dat volgens de stelling van de eiser op verzet het voor een bij een gerechtelijke beslissing veroordeelde persoon zou volstaan niet langer over een gekend adres te beschikken om te ontsnappen aan elke maatregel van tenuitvoerlegging van een dergelijke beslissing. A.5.
- De eiseres op verzet betoogt voorts dat, volgens de rechtspraak van het Hof, het Hof onbevoegd is om zich uit te spreken over de opportuniteit van een door de wetgever gekozen maatregel en dat uit het arrest nr. 119/2002 van 3 juli 2002, dat mutatis mutandis zou moeten worden toegepast op deze zaak, blijkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een wettelijke maatregel, die tot gevolg heeft dat aan de niet-verschijnende partij de verplichting wordt opgelegd om de gevolgen te dragen van de door hem gekozen verdediging en met name zich te vergewissen van de uitspraak van een gerechtelijke beslissing teneinde binnen de wettelijke termijn de aanwending te vrijwaren van het rechtsmiddel dat voor hem openstaat, geen onevenredig karakter vertoont. A.5.
- De rechtspraak van het Hof zou gevallen afkeuren die verschillen van die welke in de onderhavige prejudiciële vraag worden beoogd. Bijzondere aandacht zou moeten worden gegeven aan het arrest nr. 125/2001 van 16 oktober 2001 betreffende artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882, dat bepaalde dat de termijn voor hoger beroep inzake vergoeding voor schade die door de konijnen is veroorzaakt aan de vruchten en gewassen veertien dagen bedroeg te rekenen vanaf de uitspraak van het vonnis. De verweerster op verzet betoogt dat het Hof uitsluitend om reden van de doorslaggevende evolutie van de feitelijke omstandigheden waarmee de in het geding zijnde maatregel was omgeven, in die zaak heeft geoordeeld dat het redelijk verband van evenredigheid tussen die maatregel en de nagestreefde doelstelling was verdwenen. Uit het arrest zou immers kunnen worden afgeleid dat die maatregel, tot de wijziging van die omstandigheden, perfect verantwoord was ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft de arresten nrs. 10/97 van 5 maart 1997 en 20/2003 van 30 januari 2003, beklemtoont de verweerster dat het Hof de bestreden bepaling zou hebben veroordeeld om reden dat zij een combinatie is van het feit dat men de termijn voor hoger beroep doet lopen vanaf de uitspraak van het vonnis, met de regel die het verzet uitsluit. Er zou evenwel dienen te worden vastgesteld dat een dergelijke context te dezen niet voorhanden is. De in het geding zijnde bepalingen sluiten immers niet uit dat de persoon die bij verstek wordt veroordeeld door een burgerlijk rechtscollege, een van de twee gewone rechtsmiddelen aanwendt, met name het hoger beroep 8 en het verzet. Bovendien doen die bepalingen de termijn om die rechtsmiddelen aan te wenden niet lopen vanaf de uitspraak van het vonnis, maar wel degelijk vanaf de overhandiging van de betekening van de procureur des Konings. In het arrest nr. 13/2001 van 14 februari 2001 wordt de discriminatie afgekeurd die voortvloeit uit het feit dat bepaalde in huwelijkszaken gewezen beslissingen werden uitgesloten van het mechanisme van schorsing van de beroepstermijnen gedurende de periode van gerechtelijke vakantie bedoeld in artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Een dergelijke rechtspraak kan niet nogmaals worden omgezet naar onderhavig geval. Indien de schorsing bedoeld in artikel 50, tweede lid, eveneens toepasbaar zou worden gemaakt op een periode waarvan de duur volkomen onzeker en volledig afhankelijk is van de handelwijze van degene aan wie betekend wordt, zou daaruit een volkomen onevenredige inbreuk voortvloeien op de door de wetgever nagestreefde doelstellingen van rechtszekerheid alsmede op de belangen van diegene die betekent. De verweerster op verzet onderstreept voorts dat wat betreft de strafrechtelijke aspecten van de bij verstek door een strafgerecht gewezen beslissing, dient te worden vastgesteld dat het definitieve karakter daarvan, naast de niet-verschijnende beklaagde, enkel de Staat aanbelangt, die wordt vertegenwoordigd door het openbaar ministerie teneinde te kunnen laten overgaan tot de tenuitvoerlegging van de uitgesproken straf. Het zou dus redelijkerwijze verantwoord zijn dat in een dergelijk geval de wetgever de gevolgen heeft getrokken uit de voorrang van het in artikel 12 van de Grondwet verankerde recht op de individuele vrijheid op de noodzaak van onverwijlde tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissingen. Dergelijke doelstellingen zouden niet worden teruggevonden in het raam van een burgerlijke zaak die uitsluitend betrekking heeft op patrimoniale belangen. De verweerster op verzet beweert voorts dat de arresten nrs. 170/2003 van 17 december 2003 en 166/2005 van 16 november 2005 niet zouden kunnen worden omgezet naar onderhavig geval. De betekening wordt immers in beginsel slechts in één enkele etappe uitgevoerd die bestaat in de overhandiging door de deurwaarder van het afschrift van het exploot aan de persoon, aan de woonplaats of de verblijfplaats van degene aan wie betekend wordt of aan de procureur des Konings. Vanaf dat ogenblik kan geen enkele andere recentere datum meer in aanmerking worden genomen zonder dat op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de vereisten van rechtszekerheid en de inachtneming van de belangen van diegene die betekent. Die rechtspraak zou bovendien niet tot gevolg hebben dat wordt uitgesloten dat, teneinde de rechtszekerheid te waarborgen, een beroepstermijn kan lopen zonder medeweten van de persoon die die termijn geniet. Tenslotte zou het arrest nr. 48/2006 van 29 maart 2006 geenszins de criteria wijzigen volgens welke de verantwoording van een maatregel waarbij de aanvangsdatum van een beroepstermijn wordt vastgesteld, moet worden beoordeeld. -B- B.
- Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de eventuele schending, door de artikelen 40 en 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij in burgerlijke zaken tot gevolg zouden kunnen hebben dat de termijn van verzet begint en verstrijkt zonder medeweten van diegene aan wie wordt betekend en zulks zelfs zonder dat laatstgenoemde verantwoordelijk is voor het feit dat zijn woonplaats niet gekend is. De verwijzende rechter vergelijkt de situatie van de persoon aan wie wordt betekend en die bij verstek is veroordeeld in een burgerlijke procedure met die van de persoon aan wie 9 wordt betekend en die bij verstek is veroordeeld voor een strafgerecht én die, met toepassing van artikel 187 van het Wetboek van strafvordering, over een buitengewone termijn van verzet beschikt. B.
- Artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, stuurt de gerechtsdeurwaarder bij een ter post aangetekende brief het afschrift van de akte aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland en met de luchtpost indien de plaats van bestemming niet in een aangrenzend land ligt, onverminderd enige andere wijze van toezending overeengekomen tussen België en het land waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben. De betekening wordt geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangbewijs in de vormen die in dit artikel worden bepaald. Heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt; is of wordt er geen vordering voor de rechter gebracht, dan geschiedt de betekening aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft of, indien hij geen woonplaats in België heeft, aan de procureur des Konings te Brussel. De betekeningen mogen altijd aan de persoon worden gedaan, indien deze in België wordt aangetroffen. De betekening in het buitenland of aan de procureur des Konings is ongedaan indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, in België of, in voorkomend geval in het buitenland, kende ». Artikel 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Ten aanzien van degenen die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats hebben en ingeval de kennisgeving niet aan de persoon is gedaan, begint de termijn bij de afgifte van een afschrift van het exploot aan de post of in voorkomend geval aan de procureur des Konings ». Artikel 187 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Hij die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen 10 na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. […] ». B.3.
- De verweerster op verzet voor de verwijzende rechter alsmede de Ministerraad betogen dat de beide in het geding zijnde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn om reden dat de burgerlijke en de strafrechtelijke procedure zich van elkaar onderscheiden zowel vanuit het oogpunt van de termijnen waarin de beroepen kunnen worden ingesteld als wat betreft de aan beide procedures onderliggende filosofie. B.3.
- De burgerlijke procedure en de strafrechtelijke procedure beantwoorden aan onderscheiden doelstellingen en hebben fundamenteel verschillende voorwerpen. Terwijl, in eerstgenoemde procedure, voor de rechter bij wie het geschil is aanhangig gemaakt waarin particuliere belangen tegenover elkaar worden gesteld, die belangen met elkaar worden geconfronteerd, heeft de strafrechtelijke procedure, die wordt gekenmerkt door het voornamelijk inquisitoriale karakter ervan, betrekking op de vrijwaring van de maatschappelijke orde door toepassing van een in de wet bepaalde straf op de persoon die een strafbaar feit zou hebben gepleegd. De in het raam van een burgerlijke procedure bij verstek veroordeelde persoon bevindt zich dus in een situatie die niet vergelijkbaar is met die van de persoon die strafrechtelijk is veroordeeld. B.3.
- Artikel 187 van het Wetboek van strafvordering, waarvan de inhoud in de prejudiciële vraag is vermeld als punt van vergelijking, beoogt echter eveneens de burgerrechterlijke veroordelingen, en stelt de veroordeelde in staat daartegen verzet aan te tekenen « tot de tenuitvoerlegging van het vonnis ». De persoon die zich wil verzetten tegen de tegen hem uitgesproken burgerrechtelijke veroordelingen door een strafgerecht is vergelijkbaar met de persoon die zich wil verzetten tegen burgerrechtelijke veroordelingen die zijn uitgesproken door een burgerrechtelijk rechtscollege. In die mate wordt in de prejudiciële vraag verzocht om twee vergelijkbare categorieën van personen met elkaar te vergelijken. 11 B.
- De exceptie wordt verworpen. B.
- Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die bij verstek is veroordeeld teneinde vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen. Het wezen en de doelstelling zelf van het verzet bestaan erin de persoon de mogelijkheid te bieden ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen, die als gevolg van zijn niet- verschijnen mogelijkerwijze niet alle elementen van een zaak kent of zich daarover althans niet nader heeft kunnen verklaren. B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
- Wanneer een persoon aan wie een gerechtsdeurwaarder een betekening doet, in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft, kan die gerechtsdeurwaarder de akte aan die persoon aan zijn woonplaats of verblijfplaats in het buitenland betekenen. Wanneer een persoon in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft, wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt. Volgens de verwijzende rechter zou die bepaling, samen met artikel 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot gevolg kunnen hebben dat de termijn van verzet begint en verstrijkt zonder medeweten van degene aan wie wordt betekend en zulks, zonder dat de persoon aan wie wordt betekend verantwoordelijk is voor het feit dat zijn woonplaats of verblijfplaats niet gekend is. 12 B.8.
- Het kan redelijkerwijze worden verantwoord dat, wanneer de betekening aan de persoon niet kan worden uitgevoerd, de wetgever, uit zorg voor rechtszekerheid, een regel heeft aangenomen teneinde het aanvangspunt vast te stellen van de beroepstermijn tegen het bij verstek gewezen vonnis en het mogelijk te maken dat de genoemde termijn verstrijkt. Rekening houdend met het feit dat de aan de burgerlijke rechter voorgelegde betwistingen betrekking hebben op particuliere belangen, is het legitiem dat ten aanzien van de persoon ten gunste van wie het verstekvonnis wordt uitgesproken, diens rechten worden vastgesteld en dat die persoon daartoe de uitvoering van het genoemde vonnis kan vorderen. Een dergelijk principe kan niet voortdurend worden gedwarsboomd door de omstandigheid dat de bij verstek veroordeelde zich vrijwillig of uit onachtzaamheid verantwoordelijk zou hebben gemaakt voor de onmogelijkheid hem het vonnis te betekenen. B.8.
- Uit de omstandigheid dat de wetgever in een bijzondere termijn van verzet heeft voorzien voor burgerrechtelijke veroordelingen die door een strafgerecht zijn uitgesproken, kan niet worden afgeleid dat de regel die is voorgeschreven voor een betekening in het buitenland, nadat alle nuttige opzoekingen om de woonplaats of verblijfplaats van de tegenpartij vast te stellen zonder resultaat zijn gebleven, discriminerend zou zijn. Wat betreft de persoon ten aanzien van wie de termijn van verzet begint en verstrijkt zonder zijn medeweten, terwijl hij niet verantwoordelijk kan worden geacht voor het feit dat zijn woonplaats niet gekend is, wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces, aangezien, ondanks het verstrijken van de wettelijke termijnen, het verzet in zijn voordeel open blijft, indien hij het bestaan van overmacht kan bewijzen. B.
- Daaruit volgt dat de artikelen 40 en 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet onbestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De combinatie van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt tot geen andere conclusie. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 40 en 57, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 juli
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div