id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.102 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070712.4 Arrest- Rolnummer: 102/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-06-29 11:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 9, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - INTERCOMMUNALES - Waals Gewest Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 9, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales, gesteld door de Raad van State. Bestuurlijk recht - Intercommunales - Waals Gewest - Uittreding van een vennoot - Mogelijkheid tot vroegtijdige statutaire uittreding - Aangesloten intercommunale. Bestuurlijk recht - Intercommunales - Waals Gewest - Uittreding van een vennoot - Mogelijkheid tot vroegtijdige statutaire uittreding - Aangesloten intercommunale. Bestuurlijk recht - Intercommunales - Waals Gewest - Uittreding van een vennoot - Mogelijkheid tot vroegtijdige statutaire uittreding - Aangesloten intercommunale. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 05-12-1996 - 9,§1 - 47 ELI link Pub nr 1997027060 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4067 Arrest nr. 102/2007 van 12 juli 2007 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 9, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 164.275 van 30 oktober 2006 in zake de « Association intercommunale de traitement des déchets liégeois » (Intradel) tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 november 2006, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 9, § 1, van het decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales, geïnterpreteerd in die zin dat het een intercommunale verbiedt om in haar statuten te voorzien in de mogelijkheid voor een andere vennoot dan een gemeente om uit de intercommunale te treden vóór het verstrijken van haar duur, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de « Association intercommunale de traitement des déchets liégeois » (Intradel), waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4040 Herstal, Port de Herstal, Pré Wigi; - de Waalse Regering. Op de openbare terechtzitting van 7 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. A. Paternostre en Mr. P.-O. de Broux loco Mr. N. Cahen, advocaten bij de balie te Brussel, voor de « Association intercommunale de traitement des déchets liégeois » (Intradel); . Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De « Association intercommunale de traitement des déchets liégeois » (afgekort Intradel) heeft voor de Raad van State beroep ingesteld tot nietigverklaring van twee ministeriële besluiten waarbij geweigerd wordt haar nieuwe statuten goed te keuren in zoverre zij voorzien in de mogelijkheid voor een andere vennoot dan een gemeente - te dezen een vereniging van gemeenten - om uit de intercommunale te treden vóór het verstrijken van haar duur. De weigering tot goedkeuring is gegrond op artikel 9, § 1, van het Waalse decreet van 5 december 1996, dat bepaalt dat de statuten van een intercommunale « kunnen voorzien in de mogelijkheid voor een gemeente om uit de intercommunale te treden vóór het verstrijken van haar duur », zodat een statutaire uittreding vóór het verstrijken van de duur van een intercommunale, enkel mogelijk is voor een gemeente. 3 De verzoekende partij Intradel is van mening dat het feit dat een statutaire uittreding wordt verhinderd voor de gemeenten die zich hebben verenigd, strijdig is met de gemeentelijke autonomie, alsook discriminerend en ongerechtvaardigd. De tegenpartij gaat ervan uit dat de mogelijkheid waarin artikel 9, § 1, van het decreet van 5 december 1996 voorziet, alleen wordt geboden aan de gemeenten - in tegenstelling tot de uittredingsmogelijkheid van artikel 9, § 2, van hetzelfde decreet, die aan alle vennoten wordt geboden -, en dat in het administratief recht teksten strikt moeten worden geïnterpreteerd. De verwijzende rechter heeft dan ook beslist het Hof de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- In haar memorie herinnert de verzoekende partij Intradel eraan dat, krachtens artikel 162, vierde lid, van de Grondwet, het de gemeenten vrijstaat zich met elkaar te verstaan of zich te verenigen wanneer zij menen dat dit de meest adequate manier is om hun belangen te verwezenlijken. Krachtens artikel 3 van het Waalse decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales, kunnen de gemeenten en elke andere publiek- of privaatrechtelijke persoon, onder andere de intercommunales zelf, lid zijn van een intercommunale. De in het geding zijnde bepaling voorziet in het recht, voor de gemeenten, om uit een intercommunale te treden vóór het verstrijken van haar duur, maar onderwerpt dat recht aan een goedkeuringsbeslissing van de algemene vergadering van de intercommunale (artikel 17, 6°). Die bepaling, die rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, strekt op die manier ertoe de gemeentelijke autonomie te verzoenen met de continuïteit van de intercommunales en met de taken van openbare dienst die zij vervullen. A.1.
- De verzoekende partij is van mening dat een omstandig antwoord beperkt zou moeten zijn tot de feiten van het geschil, dat niet de uittreding betreft, uit een intercommunale, van « een andere vennoot dan een gemeente » - zoals geformuleerd in de prejudiciële vraag -, maar uitsluitend de uittreding van een vereniging van gemeenten. Ook al berust het verschil in behandeling met betrekking tot de mogelijkheid tot vroegtijdige uittreding uit de intercommunale naargelang de vennoten al dan niet gemeenten zijn, op een objectief criterium, teneinde de gemeentelijke autonomie te vrijwaren, toch is artikel 9, § 1, doordat het geen enkel onderscheid maakt tussen de « andere vennoten », discriminerend in zoverre het de intercommunales uitsluit van het voordeel van vervroegde uittreding. De discriminatie is des te flagranter aangezien eveneens de zuivere intercommunales - zoals te dezen -, die uitsluitend uit gemeenten bestaan, uitgesloten zijn van het voordeel van vervroegde uittreding, zodat voor hen de enige mogelijkheid om vroegtijdig uit te treden, een vroegtijdige ontbinding van de aangesloten intercommunale zou zijn via een vroegtijdige uittreding van de aangesloten gemeenten, hetgeen niet redelijk is. Dat verschil in behandeling schendt de artikelen 41 en 162, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de gecombineerde artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangezien bovendien intercommunales voor de meerderheid uit gemeenten zijn samengesteld, en het decreet van 5 december 1996 voorziet in het overwicht van de gemeenten binnen de organen van een intercommunale, kan de uittreding van de gemeentelijke vennoten de ontbinding van de intercommunale teweegbrengen - in tegenstelling tot de uittreding van de andere vennoten - zodat het verbod van vroegtijdige uittreding waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, niet garant staat voor het voortbestaan van de intercommunales. Ten slotte zou het mogelijk geweest zijn om, in plaats van de intercommunales gewoonweg te verbieden vroegtijdig uit een intercommunale te treden, die uittreding te koppelen aan strikte voorwaarden – zoals in de statuten van Intradel die niet werden goedgekeurd -, wat een alternatief zou hebben gevormd dat minder afbreuk doet aan de gemeentelijke autonomie en dat niettemin toelaat het nagestreefde doel van stabiliteit van de intercommunales te verwezenlijken. 4 A.2.
- In haar memorie preciseert de Waalse Regering dat de prejudiciële vraag haar ertoe brengt het verschil in behandeling te onderzoeken tussen de gemeentelijke vennoten en de andere vennoten - zowel de publiek- als privaatrechtelijke - doordat de statuten van een intercommunale enkel voor de gemeenten kunnen voorzien in andere uittredingsmogelijkheden dan die welke de decreetgever in artikel 9, § 2, heeft bepaald. Wanneer het gaat om een privaatrechtelijke vennoot, is zijn aard echter dermate verschillend van die van een publiekrechtelijk vennoot dat hij niet kan worden vergeleken met een gemeente, des te meer omdat een intercommunale in wezen een vereniging van gemeenten is. A.2.
- Voor het overige is het verschil in behandeling verantwoord in het licht van het doel van artikel 9, dat erin bestaat een evenwicht te creëren tussen de gemeentelijke autonomie en de levensvatbaarheid van de intercommunales. Wanneer intercommunales lid zijn van een intercommunale, wordt hun niet hetzelfde statuut toegekend als dat van de gemeenten, die de meerderheid uitmaken van de intercommunale en die zeggenschap moeten hebben over hun verbintenissen binnen die intercommunale, waarvan de statuten een duur moeten bepalen die overigens niet dertig jaar mag overschrijden, waarbij in een specifieke regeling wordt voorzien voor de provinciale vennoot (artikelen 12, 13 en 16 van het decreet). Ten slotte zouden de gevolgen die de verzoekende partij aanklaagt, duidelijk kunnen worden vermeden wanneer de gemeenten die lid zijn van de intercommunale - en niet de intercommunale zelf - vennoot zijn in de tweede intercommunale. A.
- In haar memorie van antwoord herinnert de verzoekende partij eraan dat, rekening houdend met het hangende geschil en om te kunnen antwoorden op de prejudiciële vraag, binnen de categorie van de « andere vennoten dan de gemeenten », een onderscheid moet worden gemaakt tussen de intercommunales zelf en de andere vennoten. Zij is van mening dat artikel 9, § 2, de algemene regel voor de uittreding uit een intercommunale bevat en dat artikel 9, § 1, ten opzichte van paragraaf 2 de gemeentelijke autonomie versterkt door de mogelijkheid te bieden om statutair af te wijken van de algemene regel van verbod van uittreding vóór het verstrijken van een termijn van vijftien jaar, maar dit enkel voor de gemeenten. Dat onderscheid is voor de intercommunales niet verantwoord omdat, rekening houdend met het feit dat de gemeenten de meerderheid uitmaken binnen een intercommunale en met hun overwicht in de organen ervan, de vroegtijdige uittreding van een aangesloten intercommunale op zich onmogelijk de levensvatbaarheid van de intercommunale kan aantasten. Dat verschil in behandeling is op zijn minst onevenredig met de nagestreefde doelstellingen. A.
- In haar memorie van antwoord stelt de Waalse Regering in de eerste plaats vast dat er geen reden is om een omstandig antwoord te geven dat een onderscheid maakt tussen zuivere intercommunales en gemengde intercommunales, omdat het in beide gevallen gaat om publiekrechtelijke rechtspersonen die door de gemeenten worden beheerst. Een intercommunale - zelfs wanneer het gaat om een zuivere intercommunale - kan niet worden gelijkgesteld met de aangesloten gemeenten; zij geniet een andere rechtspersoonlijkheid dan de aangesloten gemeenten en kan zich dus niet beroepen op een schending van het beginsel van gemeentelijke autonomie. Overigens zijn de gevolgen van de uittreding van de andere vennoten dan de gemeenten niet pertinent in het licht van het nagestreefde doel, namelijk het voortbestaan van de intercommunales waarborgen door enkel de gemeenten, met inachtneming van de gemeentelijke autonomie, de mogelijkheid tot vroegtijdige uittreding te bieden die niet aan de andere vennoten wordt toegekend. Ten slotte is de omstandigheid dat het mogelijk zou zijn geweest om onder strikte voorwaarden te voorzien in een uittredingsmogelijkheid voor de intercommunales, onbelangrijk omdat het Hof niet bevoegd is om de opportuniteit van een norm te beoordelen, noch om na te gaan of het nagestreefde doel met andere maatregelen kon worden bereikt. 5 -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 9, § 1, van het decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales (hierna : het Waalse decreet van 5 december 1996). Artikel 9 van het Waalse decreet van 5 december 1996 bepaalt : « §
- De statuten kunnen voorzien in de mogelijkheid voor een gemeente om uit de intercommunale te treden vóór het verstrijken van haar duur. §
- Elke vennoot mag hoe dan ook onder de volgende voorwaarden uit de intercommunale treden :
- na vijftien jaar te rekenen, volgens het geval, vanaf het begin van de lopende statutaire termijn of vanaf zijn aansluiting met de instemming van tweederde van de stemmen van de andere vennoten, voor zover de positieve stemmen de meerderheid omvatten van de stemmen uitgebracht door de vertegenwoordigers van de aangesloten gemeenten, en onder voorbehoud dat degene die uittreedt de schade vergoedt die zijn uittreding, naar schatting van deskundigen, aan de intercommunale en aan de andere vennoten berokkent;
- indien dezelfde activiteit van gemeentelijk belang in de zin van artikel 2, in dezelfde gemeente aan verschillende intercommunales, regies of instellingen van openbaar nut wordt toevertrouwd, mag de gemeente beslissen die activiteit, voor haar gehele grondgebied, toe te vertrouwen aan één enkele intercommunale of aan één enkele belanghebbende gewestelijke instelling van openbaar nut. Indien de in het vorige lid bedoelde gevallen zich niettegenstaande iedere andersluidende statutaire bepaling voordoen, is de stemming niet vereist. Alleen de onder punt 1° bedoelde voorwaarden betreffende de vergoeding van de eventuele schade zijn van toepassing;
- eenzijdig, wanneer de intercommunale haar maatschappelijk doel verzuimt te verwezenlijken binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf haar oprichting ». B.
- De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 9, § 1, van het Waalse decreet van 5 december 1996, in de interpretatie volgens welke die bepaling een intercommunale verbiedt om in haar statuten te voorzien in de mogelijkheid voor een andere vennoot dan een gemeente om uit de intercommunale te treden vóór het verstrijken van haar duur. 6 In die interpretatie zou de in het geding zijnde bepaling aanleiding kunnen geven tot discriminatie, wat betreft de mogelijkheden tot statutaire uittreding vóór het verstrijken van de duur van de intercommunale, onder de vennoten van de intercommunale naargelang het al dan niet gaat om gemeenten. B.
- Uit de memories en uit de feiten van de zaak volgt dat het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, betrekking heeft op de mogelijkheid, voor een intercommunale, om in haar statuten te voorzien in de vroegtijdige uittreding van een aangesloten intercommunale. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. B.4.
- Artikel 9, § 1, van het Waalse decreet van 5 december 1996 neemt de - onveranderd gebleven - tekst over van de eerste zin van artikel 8, eerste lid, van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales (hierna : de wet van 22 december 1986). B.4.
- De wet van 1 maart 1922 omtrent de vereniging van gemeenten tot nut van ’t algemeen, die werd vervangen door de wet van 22 december 1986, voorzag niet in de voorwaarden voor uittreding van de vennoten uit een intercommunale. De wet van 22 december 1986 had tot doel die wetgeving aan te passen, meer bepaald om de problemen op te lossen die zich voordeden « wanneer er op het grondgebied van eenzelfde gemeente verschillende intercommunales zijn, zoals het geval is bijvoorbeeld ingevolge fusie of aanhechting van gemeenten of bij wijziging van hun grenzen » (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 529/1, p. 1). B.4.
- De wet van 22 december 1986 heeft dus de voorwaarden vastgelegd voor de uittreding van de vennoten uit een intercommunale. Zo werd bij artikel 8 van de wet van 22 december 1986 « een totaal nieuwe bepaling [ingevoerd] die de uittreding van de deelgenoten reglementeert » (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 529/2, p. 62). Artikel 8, eerste lid, van de wet van 22 december 1986, bepaalde : 7 « De statuten kunnen voorzien in de mogelijkheid voor een gemeente om uit de intercommunale te treden vóór het verstrijken van de duur van de intercommunale. In alle geval mag iedere vennoot uit de intercommunale treden na vijftien jaar te rekenen, volgens het geval, vanaf de oprichting van de intercommunale of vanaf zijn aansluiting met de instemming van twee derde van de stemmen van de andere in de algemene vergadering aanwezige of vertegenwoordigde leden, voor zover de positieve stemmen de meerderheid omvatten van de stemmen uitgebracht door de vertegenwoordigers van de aangesloten gemeenten, en onder voorbehoud dat degene die uittreedt de schade vergoedt die zijn uittreding, naar schatting van deskundigen, aan de intercommunale en aan de andere vennoten berokkent ». B.4.
- In die context bepaalde artikel 4, 10°, van dezelfde wet dat de statuten « de wijze van uittreden van een vennoot » moesten vermelden. Overigens bepaalde artikel 23, tweede lid, van dezelfde wet : « De gemeente die uittreedt, is, niettegenstaande iedere andersluidende statutaire bepaling, gerechtigd haar aandeel in de vereniging te ontvangen, zoals het blijkt uit de balans van het maatschappelijk jaar waarin de uittreding zich werkelijk voordoet ». De tekst van de artikelen 4, 10°, en 23, tweede lid, van de wet van 22 december 1986 werd respectievelijk overgenomen in de artikelen 6.13 en 30, tweede lid, van het Waalse decreet van 5 december
- B.5.
- In de parlementaire voorbereiding werd artikel 8 van de wet van 22 december 1986 als volgt toegelicht : « Het eerste lid van artikel 9 [artikel 8 van de wet van 22 december 1986 geworden] huldigt het principe dat iedere deelgenoot uit de intercommunale mag treden onder de volgende voorwaarden : - 15 jaar lidmaatschap; - de instemming van twee derde van de andere leden; - de vergoeding van de schade die zijn uittreding berokkent » (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 529/2, pp. 62-63). De tekst van artikel 8, eerste lid, van de wet van 22 december 1986 was het resultaat van een amendement dat door de Regering werd ingediend (ibid., pp. 77 en 84). 8 B.5.
- Wat betreft de verplichting, waarin artikel 4 voorziet, dat de statuten de wijze van uittreden van een vennoot vermelden, werd overigens in de memorie van toelichting het volgende gepreciseerd : « Artikel 4 somt de elementen op die in de statuten van de intercommunale noodzakelijk moeten worden opgenomen : […] - modaliteiten van uittreding voor een deelgenoot, die de uitoefening van dit recht mogelijk moeten maken; daartoe wordt voor de uitoefening van dit uittredingsrecht een voorafgaandelijke minimum aansluitingsperiode voorzien van hoogstens 15 jaar en is de instemming van twee derden van de deelgenoten vereist, met dien verstande dat de twee derden een gewone meerderheid van stemmen van de vertegenwoordigers van de aangesloten gemeenten moeten bevatten. Ten slotte past het dat de schade, die uit de vervroegde uittreding van de deelgenoot voortvloeit, door deze laatste zou worden vergoed (zie artikel 9) » (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 529/1, p. 4). B.6.
- Door in artikel 8, eerste lid, van de wet van 22 december 1986 de mogelijkheden te regelen voor uittreding van de vennoten, heeft de wetgever dus de voorwaarden willen vastleggen voor de uittreding van vennoten uit een intercommunale, zonder echter een absoluut uittredingsrecht in te voeren : enerzijds, heeft hij het mogelijk gemaakt om statutair te voorzien in de vroegtijdige uittreding van de gemeenten; anderzijds, heeft hij voor iedere vennoot een uittredingsrecht gecreëerd dat echter, hoe dan ook, enkel mag worden uitgeoefend na een bepaalde termijn en onder strikte voorwaarden. B.6.
- De strikte omkadering van de uittreding van vennoten uit intercommunales was het noodzakelijke gevolg van de bekommernis om « een nodige stabiliteit van de intercommunales [te] waarborgen » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 125/11, p. 4), rekening houdend met de opdrachten van openbare dienstverlening waarvoor die publiekrechtelijke rechtspersonen instaan, en met de bekommernis om de intercommunale in staat te stellen minimaal een bepaalde termijn te kunnen functioneren teneinde de investeringen af te schrijven (ibid., p. 60). In die optiek worden de mogelijkheden tot vroegtijdige uittreding door de wetgever als « uitzonderlijk » beschouwd (ibid., pp. 4 en 17). B.7.
- Om de stabiliteit van de intercommunales te waarborgen, heeft de wetgever de andere vennoten dan de gemeenten dus niet de mogelijkheid willen bieden om statutair te 9 voorzien in hun vroegtijdige uittreding onder minder strikte voorwaarden dan die waarin de wet voorziet en om redenen die zij niet in aanmerking neemt, meer bepaald vóór het verstrijken van een termijn van vijftien jaar aansluiting. B.7.
- Door die mogelijkheid van statutaire vroegtijdige uittreding aan de gemeenten voor te behouden, lag artikel 8, eerste lid, in de lijn van een van de fundamentele oogmerken van de wet van 22 december 1986, namelijk een versterking van de gemeentelijke bevoegdheid binnen de intercommunales (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 529/1, p. 2). De wil om het overwicht van de aangesloten gemeenten te waarborgen binnen de intercommunales ging aldus uit van de idee dat een intercommunale « uiteraard een vereniging van gemeenten is » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 125/11, p. 3) en dat een versterking van de rol van de gemeenten bij de besluitvorming zou bijdragen tot de naleving van de gemeentelijke autonomie die door de Grondwet wordt gewaarborgd (ibid., pp. 16 en 34). B.7.
- Op dat overwicht van de gemeenten binnen de intercommunales werd overigens gewezen in de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1986, toen het feit werd aangehaald dat een intercommunale vennoot kan zijn in een andere intercommunale. De minister van Binnenlandse Zaken preciseerde in dat verband : « De gemeentelijke autonomie dient evenwel te worden gevrijwaard en bovendien moet het overwicht van de gemeenten in de intercommunale worden verzekerd. Hieruit volgt : - dat de gemeenten zich vrij mogen verenigen; […] - dat in geval van een intercommunale waaraan wordt deelgenomen door andere intercommunales, de gemeenten (minstens twee) steeds het overwicht in de organen van die intercommunale zullen moeten behouden. […] - dat de gemeenten in generlei mate mogen worden gedwongen toe te treden tot intercommunales waarin gemeenten zitting hebben met wie ze zich niet willen verenigen » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 125/11, p. 43). B.8.
- In zoverre het de tekst van de eerste zin van artikel 8 van de wet van 22 december 1986 overneemt, bevestigt artikel 9, § 1, van het Waalse decreet van 5 december 1996 dat de gemeenten, in de opvatting van de Waalse decreetgever, nog steeds een predominante rol moeten spelen binnen de intercommunales en dat dit statuut rechtvaardigt dat hun, teneinde hun 10 autonomie te waarborgen, de mogelijkheid wordt geboden tot een statutaire vroegtijdige uittreding, mogelijkheid die niet bestaat voor de andere vennoten, met inbegrip van de intercommunales die uitsluitend uit gemeenten zijn samengesteld. De tekst van de in het geding zijnde bepaling werd overigens overgenomen in artikel L1523-5 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals het werd vervangen bij het Waalse decreet van 19 juli 2006 « tot wijziging van Boek V van het eerste deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie en betreffende de wijzen van samenwerking tussen gemeenten ». B.8.
- Bovendien is de in het geding zijnde bepaling niet onevenredig, omdat zij enkel de mogelijkheid biedt dat voor de gemeenten statutair wordt voorzien in modaliteiten voor een vroegtijdige uittreding, zonder dat zij ertoe verplicht in die vroegtijdige uittreding te voorzien, en doordat zij de vrijheid laat om die uittreding aan verschillende voorwaarden te koppelen, onder andere door het eventuele opleggen van een termijn vóór die uittreding. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1986 werd overigens het volgende onderstreept : « Het gemeenschappelijk belang van de gemeenten kan in bepaalde gevallen ook belangrijker zijn dan het eigenbelang van een gemeente. Zo dienen bepaalde regels te worden nageleefd i.v.m. de uittreding uit een intercommunale » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 125/11, p. 44). B.8.
- De in het geding zijnde maatregel is dus redelijk verantwoord door de bekommernis om het overwicht van de gemeenten in de intercommunale en de gemeentelijke autonomie te verzoenen met de stabiliteit van de intercommunale, die nodig is om haar in staat te stellen haar rol te vervullen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 9, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div