id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.105 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070719.2 Arrest- Rolnummer: 105/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 1223 - laatst gezien 2026-07-04 02:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt, in het Wetboek van strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2005 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit » : - artikel 47ter, § 1, derde lid; - artikel 47decies, § 7; - de tweede zin in artikel 47undecies, tweede lid; - de tweede zin in artikel 47undecies, derde lid; - artikel 235ter, § 6; 2. verwerpt de beroepen voor het overige; 3. handhaaft de gevolgen van de maatregelen bevolen of toegestaan met toepassing van artikel 47ter, § 1, derde lid, en van artikel 47decies, § 7, tot de bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Terrorismebevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 27 december 2005 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit », ingesteld door L.L. en anderen. Strafvordering - Bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksmethoden - 1. Types van methoden - 2. Voorwaarden van aanwending - 3. Wettigheid van de strafvordering - 4. Legaliteitsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten - 5. Politionele provocatie - Begrip - 6.Informanten - Toelating om misdrijven te plegen - 7.Jurisdictioneel toezicht - 8. Wijziging van de wetgeving. # Rechten en vrijheden - 1. Recht op eerbiediging van het privé-leven - a. Onschendbaarheid van de woning - b. Beperkingen - 2. Briefgeheim - Beperkingen - 3. Recht op leven - 4 . Eigendomsrecht - 5. Jurisdictionele waarborgen - a. Rechten van de verdediging - b. Onafhankelijk en onpartijdig rechter - c. Recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak - (
- i)Wapengelijkheid - (
- ii)Contradictoir karakter - (iii) Toegang tot het dossier. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 47ter,§1,L3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 47decies,§7 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 47undecies,L2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 47undecies,L3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 235ter,§6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 27-12-2005 - 34 ELI link Pub nr 2005010015 Tekst van de beslissing Rolnummers 4003, 4010, 4012, 4015, 4016 en 4027 Arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 27 december 2005 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit », ingesteld door L.L. en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 juni 2006, heeft L.L. beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 27 december 2005 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, tweede editie). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 juni 2006, hebben de Orde van Vlaamse Balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en Jo Stevens, wonende te 2018 Antwerpen, Van Schoonbekestraat 70, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, 7, 9 tot 13, 2°, 14, 18, 22 tot 25 en 28 van voormelde wet van 27 december 2005. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2006, hebben de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1050 Brussel, Washingtonstraat 40, en Denis Bosquet, wonende te 1180 Brussel, Oude Molenstraat 206, beroep tot vernietiging ingesteld van voormelde wet van 27 december 2005. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2006, heeft P.V. beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 23 van voormelde wet van 27 december 2005. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2006, heeft J.G. beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 23 van voormelde wet van 27 december 2005. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 juli 2006, hebben de vzw « Syndicat des avocats pour la démocratie », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Paleizenstraat 154, de vzw « Ligue des droits de l’homme », met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg 303, en de vzw « Liga voor Mensenrechten », met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Van Stopenberghestraat 2, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 5, 6, 10, 12, 13, 2°, en 22 tot 25 van voormelde wet van 27 december 2005. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4003, 4010, 4012, 4015, 4016 en 4027 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door de Ministerraad en, op grond van artikel 78 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, door : - L.L.; 3 - F.C.; - J. V.d.B., I.V., W. V.d.B., G.V. en G.V. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - J. V.d.B., I.V., W. V.d.B., G.V. en G.V.; - F.C.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 10 mei 2007 : - zijn verschenen : . Mr. F. Moeykens, advocaat bij de balie te Brugge, voor L.L.; . Mr. H. Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Orde van Vlaamse Balies en Jo Stevens; . Mr. A. Masset, advocaat bij de balie te Verviers, voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone »; . Mr. B. Cambier, advocaat bij de balie te Brussel, voor Denis Bosquet; . Mr. F. Moeykens loco Mr. D. Crabeels, advocaten bij de balie te Brugge, voor P.V.; . Mr. F. Moeykens loco Mr. L. Martens, advocaten bij de balie te Brugge, voor J.G.; . Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel, voor de vzw « Syndicat des avocats pour la démocratie », de vzw « Ligue des droits de l’homme » en de vzw « Liga voor Mensenrechten »; . Mr. F. Moeykens loco Mr. H. Dekeyzer, advocaten bij de balie te Brugge, voor F.C.; . Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, voor J. V.d.B., I.V., W. V.d.B., G.V. en G.V.; . Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 4 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De bestreden bepalingen « HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Bepaling tot wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Art. 2. In de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wordt een hoofdstuk V ingevoegd, dat artikel 30 omvat, luidende : ‘ Hoofdstuk V. - Niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens provocatie Art. 30. Provocatie van misdrijven is verboden. Er is provocatie wanneer in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar. In geval van provocatie is de strafvordering onontvankelijk wat deze feiten betreft. ’. HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering Art. 3. Artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, gewijzigd bij de wetten van 8 april 2002 en 6 januari 2003, en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 28septies. De procureur des Konings kan de onderzoeksrechter vorderen een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, met uitzondering van het bevel tot aanhouding bedoeld in artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de volledig anonieme getuigenis zoals bedoeld in artikel 86bis, de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter, de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter en de huiszoeking, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Na de uitvoering van de door de onderzoeksrechter verrichte onderzoekshandeling beslist deze of hij het dossier terugzendt aan de procureur des Konings die instaat voor de voortzetting van het opsporingsonderzoek, dan wel of hij het gehele onderzoek zelf voortzet, in welk geval er verder wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van dit Boek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open ’. Art. 4. Artikel 46ter, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, wordt vervangen als volgt : ‘ Het begrip “ post ” in de zin van dit artikel dient te worden verstaan zoals het gedefinieerd is in artikel 131, 6°, 7° en 11°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven ’. Art. 5. Artikel 46quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 46quater. § 1. Bij het opsporen van de misdaden en de wanbedrijven kan de procureur des Konings, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de misdrijven een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, de volgende inlichtingen vorderen :
- a)de lijst van bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, waarvan de verdachte titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijk gerechtigde is, en, in voorkomend geval alle nadere gegevens hieromtrent; 5
- b)de bankverrichtingen die in een bepaald tijdvak zijn uitgevoerd op één of meerdere van deze bankrekeningen of financiële instrumenten, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
- c)de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die in een bepaald tijdvak toegang hebben of hadden tot deze bankkluizen. § 2. Ingeval de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vergen, kan de procureur des Konings bovendien vorderen dat :
- a)gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de bankverrichtingen met betrekking tot een of meerdere van deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten van de verdachte onder toezicht worden geplaatst;
- b)de bank of de kredietinstelling de tegoeden en verbintenissen die verbonden zijn met deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten, niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop de bank of de kredietinstelling kennis neemt van zijn vordering tot drie werkdagen na de kennisgeving van de hier bedoelde gegevens door deze instelling. Deze maatregel kan slechts gevorderd worden wanneer ernstige en uitzonderlijke omstandigheden dit verantwoorden en enkel in geval de opsporing betrekking heeft op misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering. § 3. De procureur des Konings kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing de medewerking van de bank of de kredietinstelling vorderen teneinde de maatregelen bedoeld in de §§ 1 en 2 mogelijk te maken. De bank of de kredietinstelling is gehouden haar medewerking onverwijld te verlenen. In de beslissing bepaalt de procureur des Konings de vorm waarin de in § 1 vermelde gegevens hem worden meegedeeld. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die zijn medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen ’. Art. 6. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 46quinquies ingevoegd, luidende : ‘ Art. 46quinquies. § 1. Onverminderd artikel 89ter, kan de procureur des Konings bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing de politiediensten machtigen om te allen tijde, buiten medeweten van de eigenaar of van zijn rechthebbende, of zonder hun toestemming, een private plaats te betreden, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, of gepleegd worden of zouden worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, en de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen. Een private plaats in de zin van dit artikel is de plaats die kennelijk : - geen woning is; - geen door een woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek is; - geen lokaal aangewend voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts is als bedoeld in artikel 56bis, derde lid. In spoedeisende gevallen kan de in het eerste lid bedoelde beslissing mondeling worden meegedeeld. De beslissing moet in dat geval zo spoedig mogelijk schriftelijk met redenen omkleed en bevestigd worden. 6 Ingeval de in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt in het kader van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden zoals bedoeld in de artikelen 47ter tot 47decies, worden de beslissing en alle ermee verband houdende processen-verbaal uiterlijk na het beëindigen van de bijzondere opsporingsmethode bij het strafdossier gevoegd. § 2. Het betreden van de private plaats zoals bedoeld in § 1 kan enkel geschieden teneinde : 1° die plaats op te nemen en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, die gediend hebben of bestemd zijn tot het plegen ervan of die uit een misdrijf voortkomen, van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, van de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld of van de inkomsten uit de belegde voordelen; 2° de bewijzen te verzamelen van de aanwezigheid van de zaken bedoeld in 1°; 3° in het kader van een observatie een technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 47sexies, § 1, derde lid, te plaatsen. § 3. Een inkijkoperatie kan door de procureur des Konings enkel worden beslist ten aanzien van plaatsen waarvan men op basis van precieze aanwijzingen vermoedt dat de zaken bedoeld in § 2, 1°, er zich bevinden, dat er bewijzen van kunnen verzameld worden, of dat ze gebruikt worden door personen op wie een verdenking rust. § 4. Het aanwenden van technische hulpmiddelen met het in § 2 beoogde doel, wordt gelijkgesteld met het betreden van een private plaats zoals bepaald in § 1 ’. Art. 7. Artikel 47ter, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, wordt vervangen als volgt : ‘ § 1. De bijzondere opsporingsmethoden zijn de observatie, de infiltratie en de informantenwerking. Deze methoden worden door de door de minister van Justitie aangewezen politiediensten aangewend in het kader van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek, onder de controle van het openbaar ministerie en onverminderd de artikelen 28bis, §§ 1 en 2, 55 en 56, § 1, en 56bis, met als doel het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van ernstige aanwijzingen van te plegen of reeds gepleegde, al dan niet aan het licht gebrachte strafbare feiten. Deze methoden kunnen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de observatie, de infiltratie en de informantenwerking ook worden aangewend in het kader van de uitvoering van straffen of vrijheidsberovende maatregelen, wanneer de persoon zich heeft onttrokken aan de uitvoering daarvan ’. Art. 8. In artikel 47quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt : ‘ Het eerste en het tweede lid zijn eveneens van toepassing op de personen die aan de uitvoering van deze opdracht noodzakelijke en rechtstreekse hulp of bijstand hebben verleend en op de personen, bedoeld in artikel 47octies, § 1, tweede lid. ’; 2° In § 2, vierde lid, worden de woorden ‘ en aan de personen bedoeld in het derde lid ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ een politieambtenaar ’ en de woorden ‘ tot het plegen van misdrijven ’; 3° § 3 wordt vervangen als volgt : ‘ § 3. De politieambtenaren melden schriftelijk en vóór de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden aan de procureur des Konings, de misdrijven als bedoeld in § 2, die zij of de personen bedoeld in § 2, derde lid, voornemens zijn te plegen. Indien deze voorafgaande kennisgeving niet kon gebeuren, stellen de politieambtenaren de procureur des Konings onverwijld in kennis van de misdrijven die zij of de personen bedoeld in § 2, derde lid, hebben gepleegd en bevestigen dit nadien schriftelijk. ’. 7 Art. 9. In artikel 47sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° § 1, wordt aangevuld met het volgende lid : ‘ Een toestel gebruikt voor het nemen van foto's wordt uitsluitend beschouwd als een technisch hulpmiddel in de zin van dit Wetboek in het geval bedoeld in artikel 56bis, tweede lid. ’; 2° § 4 wordt vervangen als volgt : ‘ § 4. De procureur des Konings vermeldt op dat ogenblik in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de politiediensten en de personen bedoeld in artikel 47quinquies, § 2, derde lid, in het kader van de observatie kunnen worden gepleegd. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in artikel 47septies, § 1, tweede lid, bewaard. ’; 3° § 7, tweede lid, wordt vervangen als volgt : ‘ De procureur des Konings vermeldt op dat ogenblik in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de politiediensten en de personen bedoeld in artikel 47quinquies, § 2, derde lid, in het kader van de door de onderzoeksrechter bevolen observatie kunnen worden gepleegd. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in artikel 47septies, § 1, tweede lid, bewaard. ’. Art. 10. Artikel 47septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 47septies. § 1. De officier van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 6°, brengt de procureur des Konings nauwgezet, volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over elke fase in de uitvoering van de observaties waarover hij de leiding heeft. Deze vertrouwelijke verslagen worden rechtstreeks aan de procureur des Konings overgezonden, die ze in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier bewaart. Hij heeft als enige toegang tot dit dossier, onverminderd het in artikel 56bis respectievelijk de artikelen 235ter, § 3, en 235quater, § 3, bedoelde inzagerecht van de onderzoeksrechter en van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim. § 2. De machtiging tot observatie en de beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging worden bij het vertrouwelijk dossier gevoegd. De officier van gerechtelijke politie, bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 6°, stelt proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de observatie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant en van de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het schriftelijk verslag bedoeld in § 1, eerste lid. In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en worden de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, opgenomen. De procureur des Konings bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie. De opgestelde processen-verbaal en de in het derde lid bedoelde beslissing worden uiterlijk na het beëindigen van de observatie bij het strafdossier gevoegd. ’. Art. 11. In artikel 47octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 8 1° § 4 wordt vervangen als volgt : ‘ § 4. De procureur des Konings vermeldt op dat ogenblik in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de politiediensten en de personen bedoeld in artikel 47quinquies, § 2, derde lid, in het kader van de infiltratie kunnen worden gepleegd. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in artikel 47novies, § 1, tweede lid, bewaard. ’; 2° § 7, tweede lid, wordt vervangen als volgt : ‘ De procureur des Konings vermeldt op dat ogenblik in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de politiediensten en de personen bedoeld in artikel 47quinquies, § 2, derde lid, in het kader van de door de onderzoeksrechter bevolen infiltratie kunnen worden gepleegd. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in artikel 47novies, § 1, tweede lid, bewaard. ’. Art. 12. Artikel 47novies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 47novies. § 1. De officier van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 47octies, § 3, 6°, brengt de procureur des Konings nauwgezet, volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over elke fase in de uitvoering van de infiltraties waarover hij de leiding heeft. Deze vertrouwelijke verslagen worden rechtstreeks aan de procureur des Konings overgezonden, die ze in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier bewaart. Hij heeft als enige toegang tot dit dossier, onverminderd het in artikel 56bis respectievelijk de artikelen 235ter, § 3, en 235quater, § 3, bedoelde inzagerecht van de onderzoeksrechter en van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim. § 2. De machtiging tot infiltratie en de beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging worden bij het vertrouwelijk dossier gevoegd. De officier van gerechtelijke politie, bedoeld in artikel 47octies, § 3, 6°, stelt proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de infiltratie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren, belast met de uitvoering van de infiltratie, en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger, in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het schriftelijk verslag bedoeld in § 1, eerste lid. In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot infiltratie en worden de vermeldingen bedoeld in artikel 47octies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, opgenomen. De procureur des Konings bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot infiltratie. De opgestelde processen-verbaal en de in het derde lid bedoelde beslissing worden uiterlijk na het beëindigen van de infiltratie bij het strafdossier gevoegd. ’. Art. 13. In artikel 47decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In de Franse tekst van § 3, vierde lid, wordt het woord ‘ informateurs ’ vervangen door het woord ‘ indicateurs ’; 2° Het artikel wordt aangevuld met de volgende paragraaf : ‘ § 7. Wanneer een informant nauwe banden heeft met één of meerdere personen, waarvan er ernstige aanwijzingen zijn dat ze strafbare feiten plegen of zouden plegen die een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken zoals bedoeld in de artikelen 137 tot 141, zoals bedoeld in de artikelen 324bis en 324ter of zoals bedoeld in artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 136septies van het Strafwetboek of zoals bedoeld in artikel 90ter, § 2, 4°, 7°, 7°bis, 7°ter, 8°, 11°, 14°, 16° en 17°, op voorwaarde dat deze laatste misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, gepleegd zijn of zouden gepleegd worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, kan de procureur des Konings deze informant toelaten misdrijven te plegen die strikt noodzakelijk zijn om zijn informatiepositie te behouden. 9 Die misdrijven moeten noodzakelijkerwijze evenredig zijn met het belang om de informatiepositie van de informant te behouden en mogen in geen geval rechtstreekse en ernstige schendingen van de fysieke integriteit van personen inhouden. De lokale informantenbeheerder, bedoeld in § 3, eerste lid, brengt de strafbare feiten die de informant voornemens is te plegen schriftelijk en voorafgaandelijk ter kennis van de procureur des Konings. De procureur des Konings vermeldt in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de informant kunnen worden gepleegd, en die niet zwaarder mogen zijn dan die welke hij voornemens was te plegen. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in § 6, derde lid, bewaard. De magistraat die met inachtneming van dit artikel een informant toelating verleent misdrijven te plegen, blijft vrij van straf. ’. Art. 14. Artikel 47undecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, en vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 47undecies. Ten minste om de drie maanden zendt de procureur des Konings alle dossiers, waarin hij toepassing heeft gemaakt van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie en waarin hij besloten heeft niet tot vervolging over te gaan, over aan de procureur-generaal teneinde deze in staat te stellen een controle uit te voeren op de wettigheid van de gebruikte methoden. De procureur-generaal maakt verslag op van deze controle. Dit verslag handelt tevens over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de uitvoering van straffen of vrijheidsberovende maatregelen in zijn rechtsgebied. Het verslag wordt overgezonden aan het college van procureurs-generaal, dat de globale evaluatie en de statistische gegevens met betrekking tot deze verslagen opneemt in zijn jaarverslag, bedoeld in artikel 143bis, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek. De federale procureur maakt in zijn jaarverslag, bedoeld in artikel 346, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, de globale evaluatie en de statistische gegevens bekend van de dossiers waarin hij toepassing heeft gemaakt van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie en waarin hij besloten heeft niet tot vervolging over te gaan. Dit verslag handelt tevens over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de uitvoering van straffen of vrijheidsberovende maatregelen voor federale strafdossiers. Het college van procureurs-generaal voert een controle uit over alle dossiers waarin de informantenwerking overeenkomstig artikel 47decies, § 7, werd toegepast. Daartoe wordt door de procureur des Koning via de territoriale bevoegde procureur-generaal, of rechtstreeks door de federale procureur een omstandig verslag aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal overgezonden. Dit verslag wordt overgezonden zodra de toepassing van deze bijzondere opsporingsmethode werd beëindigd. Het college van procureurs-generaal maakt verslag op van deze controle en neemt de globale evaluatie en de statistische gegevens daaromtrent op in zijn jaarverslag, bedoeld in artikel 143bis, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek. ’. Art. 15. Artikel 47duodecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 juni 2001 en vernummerd bij de wet van 6 januari 2003, wordt aangevuld met de volgende paragraaf : ‘ § 3. Wanneer hij de bij artikel 144ter, § 1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde bevoegdheid uitoefent, maakt de federale procureur deze zaak uitsluitend aanhangig bij de deken van de onderzoeksrechters gespecialiseerd om kennis te nemen van de misdrijven bedoeld in de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek, die het dossier toewijst aan één van deze onderzoeksrechters. Deze deken kan op elk ogenblik verscheidene onderzoeksrechters gespecialiseerd om kennis te nemen van de in de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek bedoelde misdrijven, aanstellen voor éénzelfde zaak. ’. Art. 16. Artikel 56bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Alleen de onderzoeksrechter kan bovendien een observatie machtigen, zoals bedoeld in artikel 47sexies, met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning, of in de door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek, of in een lokaal 10 dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts zoals bedoeld in het derde lid, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken zoals bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, of gepleegd worden of zouden worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek. ’. Art. 17. Artikel 62bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 maart 1969 en gewijzigd bij de wetten van 12 maart 1998, 4 mei 1999 en 10 april 2003, wordt aangevuld met het volgende lid : ‘ De onderzoeksrechters gespecialiseerd om kennis te nemen van de misdrijven bedoeld in de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek, zijn bevoegd om kennis te nemen van de feiten die bij hen aanhangig zijn gemaakt door de deken van deze onderzoeksrechters, wanneer de federale procureur overeenkomstig artikel 47duodecies, § 3, een dossier heeft overgezonden, ongeacht de plaats van het misdrijf, de plaats waar de verdachte verblijft of van de plaats waar deze kan worden gevonden. Ze oefenen in dit geval hun bevoegdheden uit over het hele grondgebied van het Rijk. In geval van wettelijke verhindering kunnen ze worden vervangen door de onderzoeksrechters van de rechtbank van eerste aanleg waartoe ze behoren. ’. Art. 18. Artikel 89ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 202/2004 van het Arbitragehof van 21 december 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 89ter. In het kader van de uitvoering van de in artikel 46quinquies bepaalde maatregel, en onder de voorwaarden daar vermeld, kan alleen de onderzoeksrechter de politiediensten machtigen om buiten medeweten van de eigenaar of van zijn rechthebbende, of van de bewoner, of zonder hun toestemming, te allen tijde een andere private plaats dan die welke bedoeld is artikel 46quinquies, § 1, te betreden. Ingeval de in het eerste lid bedoelde machtiging wordt verleend in het kader van de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden overeenkomstig de artikelen 47ter tot 47decies of artikel 56bis, worden de machtiging en alle ermee verband houdende processen-verbaal uiterlijk na het beëindigen van de bijzondere opsporingsmethode bij het strafdossier gevoegd. Hij deelt een kopie van dit bevel aan de procureur des Konings mee. ’. Art. 19. In artikel 90ter, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, worden de woorden ‘ te allen tijde ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ de onderzoeksrechter bevelen om ’ en de woorden ‘ ook buiten medeweten ’. Art. 20. In het Eerste Boek van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk XI ingevoegd, dat een artikel 136quater omvat, luidende : ‘ Hoofdstuk XI. - Bevoegdheid van de onderzoeksgerechten in terrorismezaken Art. 136quater. Wanneer bij de raadkamer of bij de kamer van inbeschuldigingstelling een gerechtelijk onderzoek aanhangig gemaakt wordt, dat gevoerd wordt op vordering van de federale procureur overeenkomstig artikel 47duodecies, § 3, zijn zij bevoegd ervan kennis te nemen, ongeacht de plaats van het misdrijf, de plaats waar de verdachte verblijft of van de plaats waar deze kan worden gevonden. ’. Art. 21. Artikel 139 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999, wordt aangevuld met het volgende lid : ‘ Wanneer bij de rechtbank een feit aanhangig wordt gemaakt dat aanleiding heeft gegeven tot een gerechtelijk onderzoek, dat gevoerd wordt op vordering van de federale procureur overeenkomstig artikel 47duodecies, § 3, is deze bevoegd daarvan kennis te nemen, ongeacht de plaats van het misdrijf, de plaats waar de verdachte verblijft of van de plaats waar deze kan worden gevonden. ’. Art. 22. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 189ter ingevoegd, luidende : ‘ Art. 189ter. De rechtbank kan, op basis van concrete gegevens, die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter, hetzij ambtshalve, hetzij op 11 vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun advocaten, de kamer van inbeschuldigingstelling gelasten de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter. Deze vordering of dit verzoek dient, op straffe van verval, voor ieder ander rechtsmiddel te worden opgeworpen, behalve indien het middel betrekking heeft op nieuwe en concrete elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen. De rechtbank zendt het dossier aan het openbaar ministerie over, teneinde de zaak daartoe bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen. ’. Art. 23. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 235ter ingevoegd, luidende : ‘ Art. 235ter. § 1. De kamer van inbeschuldigingstelling is belast met de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie. De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt, op vordering van het openbaar ministerie, de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie bij het afsluiten van het opsporingsonderzoek waarin deze methoden werden toegepast en alvorens het openbaar ministerie tot rechtstreekse dagvaarding overgaat. De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings overzendt krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, op vordering van het openbaar ministerie, de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die werden toegepast in het kader van het gerechtelijk onderzoek of in het daaraan voorafgaande opsporingsonderzoek. § 2. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de vordering van het openbaar ministerie. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien één van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal. Zij hoort, op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur vóór de zitting per faxpost of bij een ter post aangetekende brief wordt gedaan. De griffier stelt hen in dezelfde post eveneens ter kennis dat het strafdossier tijdens deze periode op de griffie in origineel of in kopie ter inzage ligt. Zij kan, met betrekking tot de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de onderzoeksrechter en de in de artikelen 47sexies, § 3, 6° en 47octies, § 3, 6° bedoelde officier van gerechtelijke politie afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen horen. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de onderzoeksrechter gelasten de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie en infiltratie en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger te horen met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter. Zij kan beslissen bij het verhoor door de onderzoeksrechter aanwezig te zijn of één van haar leden daartoe af te vaardigen. § 3. Het openbaar ministerie legt aan de voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling het vertrouwelijk dossier voor bedoeld in de artikelen 47septies, § 1, tweede lid, of 47novies, § 1, tweede lid, dat betrekking heeft op het opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek bedoeld in § 1. Enkel de magistraten van de kamer van inbeschuldigingstelling hebben het recht dit vertrouwelijk dossier in te zien. De voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling neemt de nodige maatregelen ter beveiliging van het vertrouwelijk dossier. Hij bezorgt het vertrouwelijk dossier, na kennisname ervan, onmiddellijk aan het openbaar ministerie terug. 12 § 4. In het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling mag geen gewag worden gemaakt van de inhoud van het vertrouwelijk dossier, noch van enig element dat de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie of infiltratie en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kan brengen. § 5. Er wordt verder gehandeld overeenkomstig artikel 235bis, §§ 5 en 6. § 6. Tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling staat geen rechtsmiddel open. ’. Art. 24. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 235quater ingevoegd, luidende : ‘ Art. 235quater. § 1. Onverminderd de uitoefening van de controle bedoeld in artikel 235ter, kan de kamer van inbeschuldigingstelling voorlopig, ambtshalve, op verzoek van de onderzoeksrechter of op vordering van het openbaar ministerie, tijdens het gerechtelijk onderzoek, de regelmatigheid onderzoeken van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die werden toegepast in het kader van dit gerechtelijk onderzoek of in het daaraan voorafgaande opsporingsonderzoek. Opdat de kamer van inbeschuldigingstelling haar controle ambtshalve zou kunnen uitoefenen, informeren de procureurs des Konings van haar rechtsgebied systematisch en onmiddellijk de voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling over de dossiers waarvoor tot observaties en infiltraties werd beslist door het openbaar ministerie of door de onderzoeksrechter. § 2. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal. Zij kan, met betrekking tot de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden observatie of infiltratie, de onderzoeksrechter en de in de artikelen 47sexies, § 3, 6°, en 47octies, § 3, 6°, bedoelde officier van gerechtelijke politie afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen horen. § 3. Het openbaar ministerie legt aan de voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling het vertrouwelijk dossier voor bedoeld in de artikelen 47septies, § 1, tweede lid, of 47novies, § 1, tweede lid, dat betrekking heeft op het gerechtelijk onderzoek bedoeld in § 1. Enkel de magistraten van de kamer van inbeschuldigingstelling hebben het recht dit vertrouwelijk dossier in te zien. De voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling neemt de nodige maatregelen ter beveiliging van het vertrouwelijk dossier. Hij bezorgt het vertrouwelijk dossier, na kennisname ervan, onmiddellijk aan het openbaar ministerie terug. § 4. In het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling mag geen gewag worden gemaakt van de inhoud van het vertrouwelijk dossier, noch van enig element dat de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie of infiltratie en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kan brengen. ’. Art. 25. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 335bis. De voorzitter kan, op basis van concrete gegevens, die aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun advocaten, de kamer van inbeschuldigingstelling gelasten de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie of infiltratie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter. Deze vordering of dit verzoek dient, op straffe van verval, voor ieder ander rechtsmiddel te worden opgeworpen, behalve indien het middel betrekking heeft op nieuwe en concrete elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen. De voorzitter zendt het dossier aan het openbaar ministerie over, teneinde de zaak daartoe bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen. ’. 13 HOOFDSTUK IV. - Bepalingen tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek Art. 26. In artikel 79 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1991, 21 januari 1997 en 22 december 1998, worden tussen het eerste en het tweede lid de volgende leden ingevoegd : ‘ In het rechtsgebied van elk hof van beroep wijst de eerste voorzitter, op advies van de federale procureur, onder de onderzoeksrechters één of meerdere onderzoeksrechters aan wier contingent zal worden vastgesteld door de Koning. Deze onderzoeksrechters dienen over een nuttige ervaring te beschikken voor het onderzoek van de bij de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek bepaalde misdrijven. Deze aanwijzing heeft geen enkel gevolg voor hun statuut noch voor hun affectatie. Krachtens deze aanwijzing, behandelen zij bij voorrang de dossiers die bij hen aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 47duodecies, § 3, van het Wetboek van strafvordering. De onderzoeksrechter met de meeste dienstjaren die aangewezen is door de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Brussel zorgt, als deken, voor de verdeling van de dossiers die door de federale procureur bij hem aanhangig zijn gemaakt krachtens artikel 47duodecies, § 3, van het Wetboek van strafvordering. In geval van wettelijke verhindering van de deken, wijst deze in het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel een andere onderzoeksrechter aan gespecialiseerd om kennis te nemen van de in de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek bedoelde misdrijven, die hem vervangt. ’. Art. 27. Artikel 102, § 1, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 9 juli 1997, wordt aangevuld met het volgende lid : ‘ Zij kunnen echter geen zitting nemen in de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze uitspraak doet met toepassing van de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering. ’. HOOFDSTUK V. - Slotbepaling Art. 28. Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 15, 17, 20, 21 en 26, die in werking treden op de door de Koning te bepalen datum ». III. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.1. De verzoeker in de zaak nr. 4003, L.L., is betrokken in een geding waarbij door het openbaar ministerie de toepassing werd gevorderd van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering en waarbij door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 25 april 2006 een reeks prejudiciële vragen aan het Hof werd gesteld. De verzoeker is evenwel van mening dat die vragen te beperkt zijn. Hij wijst erop dat hij door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig in zijn situatie kan worden geraakt. A.1.2. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4010, de Orde van Vlaamse Balies, verwijst ter staving van haar belang naar de wettelijke omschrijving van haar opdracht, zoals bepaald in artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, dat onder meer voorschrijft dat zij de initiatieven en maatregelen dient te nemen die nuttig zijn voor de behartiging van de belangen van de advocaat en de rechtzoekende. Als rechtspersoon kan zij overeenkomstig artikel 5 van het Strafwetboek zelf het voorwerp uitmaken van een strafonderzoek zodat zij als potentiële verdachte of inverdenkinggestelde bijkomend een eigen belang heeft om de vernietiging van de bestreden wet te vorderen. Zij is van oordeel dat de fundamentele rechten van de rechtzoekenden, waartoe zij zelf behoort, op een discriminatoire en niet redelijk te verantwoorden wijze door de bestreden wet worden miskend. 14 De tweede verzoeker in de zaak nr. 4010, J. Stevens, meent dat de bestreden wet afbreuk doet aan de rechten van de verdediging in het strafproces en zijn beroepsuitoefening als advocaat in het gedrang brengt. Hij is tevens van oordeel dat zijn fundamentele rechten als rechtsonderhorige door de bestreden wet worden gekrenkt. A.1.3. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4012, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », beroept zich ter staving van haar belang op artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, dat haar onder meer toestaat initiatieven te nemen ter behartiging van de belangen van de advocaten en de rechtzoekenden. Zij meent dat de bestreden bepalingen van de wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit (hierna wet van 27 december 2005) bepalingen bevat die betrekking hebben op de rechtsbedeling en die afbreuk doen aan de rechten van verdediging en de wapengelijkheid in het strafproces. Tevens wordt geraakt aan de voorwaarden van uitoefening van de activiteiten van advocaten van verdachten, inverdenkinggestelden, beklaagden en burgerlijke partijen. De tweede verzoekende partij in de zaak nr. 4012, D. Bosquet, stelt dat de bestreden wet een aantal bepalingen bevat die rechtstreeks afbreuk doen aan de uitoefening van zijn beroep. A.1.4. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4027, de vzw « Syndicat des avocats pour la démocratie », is van mening dat de wet van 27 december 2005 de rechten van de verdediging alsook de grondrechten en fundamentele vrijheden van de persoon kan schenden en aldus rechtstreeks afbreuk doet aan de maatschappelijke doelstellingen van de verzoekende partij. De tweede verzoekende partij in de zaak nr. 4027, de vzw « Ligue des droits de l’homme », stelt dat de bestreden wet een mechanisme van ernstige indringing van de overheid in het privéleven van bepaalde burgers invoert, alsmede specifieke strafprocedures die het recht op een eerlijk proces kunnen schenden. De aangevochten wet is dan ook klaarblijkelijk in strijd met het maatschappelijk doel van de tweede verzoekende partij. Hetzelfde geldt voor de derde verzoekende partij, de « Liga voor Mensenrechten ». De verzoekende partijen wijzen erop dat hun belang om in rechte op te treden door het Hof in het arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004 werd erkend. A.1.5. De verzoekster in de zaak nr. 4015, P.V., is betrokken in een geding waarbij door het openbaar ministerie de toepassing werd gevorderd van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering. Bij arrest van 25 april 2006 oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent dat de gebruikte bijzondere opsporingsmethode, in casu de observatie, regelmatig werd toegepast zodat de procedure wettelijk was. Er werd niet ingegaan op de vraag van de verzoekster tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof. De verzoekster is evenwel van mening dat, door de toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering, de procesvoering nadelig zal verlopen en zij in haar rechten van verdediging en haar recht op een eerlijk proces zal worden geschaad. Bijgevolg wordt zij rechtstreeks en ongunstig in haar situatie geraakt. A.1.6. Het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 4016, J.G., wordt op een identieke wijze als in de zaak nr. 4015 gestaafd. A.1.7. Met toepassing van artikel 78 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, werden door J. V.d.B., I.V., W. V.d.B., G.V. en G.V., enerzijds, en door F.C., anderzijds, een memorie en een memorie van antwoord ingediend. Ten gronde Artikel 2 van de wet van 27 december 2005 : provocatie A.2.1. In het eerste middel, eerste onderdeel, voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 aan dat artikel 2 van de wet van 27 december 2005 een schending inhoudt van de artikelen 10, 11, 12 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 14, 15 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 142 van de Grondwet, met de artikelen 8 en 9 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, met het beginsel van rechtszekerheid en met de algemene beginselen van gezag van gewijsde en die welke van toepassing zijn in strafzaken, doordat de strafvordering ten aanzien van de feiten gepleegd door een persoon die 15 een maatregel van provocatie heeft ondergaan in de zin van het nieuwe artikel 30 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering enkel onontvankelijk zal worden verklaard ten aanzien van de geprovoceerde feiten. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 15 juni 1992, Lüdi t. Zwitserland; EHRM, 9 juni 1998, Teixeira de Castro t. Portugal; EHRM, 22 juli 2003, Edwards en Lewis t. Verenigd Koninkrijk) leiden zij af dat de hele strafvordering onontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de vastgestelde onregelmatigheid het hele proces raakt, dat daardoor niet langer eerlijk is. Aangezien het bovendien onmogelijk is een onderscheid te maken tussen de rechtstreeks geprovoceerde feiten, de feiten die daarmee verwant zijn en de niet geprovoceerde feiten, worden de in strafzaken toepasbare beginselen van voorspelbaarheid en wettigheid geschonden. De bepaling is volgens de verzoekende partijen des te meer onevenredig daar zij wordt ingevoegd in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en bijgevolg van toepassing is op elk misdrijf en niet alleen op de zwaarste misdrijven, waardoor het gezag van gewijsde van het arrest nr. 202/2004 wordt geschonden. In een tweede onderdeel stellen zij dat artikel 2 de artikelen 10, 11, 12 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 14 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de in strafzaken van toepassing zijnde algemene beginselen, schendt, doordat het niet dezelfde waarborgen biedt aan een persoon die een provocatie heeft ondergaan in de zin van het nieuwe artikel 30 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en ten aanzien van wie de inachtneming van het vertrouwelijk karakter van de bijzondere opsporingsmethoden wordt aangevoerd en elke andere persoon die wordt vervolgd buiten het raam van de bijzondere opsporingsmethoden en die de mogelijkheid heeft zich te verdedigen met inachtneming van zijn recht op een debat op tegenspraak en de wapengelijkheid. Ze verwijzen hierbij naar het advies van de Raad van State dienaangaande. A.2.2. In de zaak nr. 4027 stellen de verzoekende partijen in hun vijfde middel dat het nieuwe artikel 30, derde lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij menen dat overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens provocatie de onontvankelijkheid van de hele strafvordering tot gevolg moet hebben. A.2.3. De Ministerraad meent dat de bestreden bepaling geenszins de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 7 september 2004, Eurofinacom t. Frankrijk; EHRM, 21 maart 2002, Calabro t. Duitsland en Italië) miskent. Doordat in geval van provocatie, de strafvordering onontvankelijk is « wat deze feiten betreft », is het duidelijk dat de strijd tegen criminaliteit niet kan rechtvaardigen dat elementen worden gebruikt die zijn verkregen naar aanleiding van uitlokking door de politie. De Ministerraad is het niet eens met de stelling dat de onontvankelijkheid van de strafvordering zou moeten worden uitgebreid tot feiten die losstaan van de provocatie. De Ministerraad benadrukt dat de bestreden bepaling geenszins het bewijs van misdrijven betreft maar enkel poneert dat de strafvordering onontvankelijk is voor wat betreft de feiten die werden uitgelokt. De omstandigheid dat het aan de rechter toekomt om die feiten te bepalen, maakt deel uit van het ambt van strafrechter zodat niet kan worden ingezien op welke manier de vereiste van voorzienbaarheid in strafzaken of het arrest nr. 202/2004 zou worden miskend. De Ministerraad begrijpt evenmin het verwijt van de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling van toepassing is op elk misdrijf : de in het middel aangehaalde principes vereisen net dat de onontvankelijkheid verbonden met het verbod van provocatie betrekking heeft op elk misdrijf. Ten slotte beklemtoont de Ministerraad dat het bewijs van provocatie zal te vinden zijn in het vertrouwelijk dossier. A.2.4.1. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 dezelfde argumenten aan als in hun verzoekschrift. Naast het feit dat volgens hen de ganse strafvordering onontvankelijk dient te worden verklaard, beklemtonen zij de schending van de beginselen van voorzienbaarheid en wettigheid. Het feit dat het begrip « provocatie » in artikel 30 van het Wetboek van strafvordering ruimer wordt gedefinieerd, verhindert niet dat de door hen aangeklaagde onderscheiden behandeling blijft bestaan : gelet op het vertrouwelijk dossier, beschikt een verdachte, een inverdenkinggestelde of een beklaagde over geen enkel middel om na te gaan of de feiten waarvoor hij wordt vervolgd, niet zijn geprovoceerd. A.2.4.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4027 menen in hun memorie van antwoord dat het arrest Calabro t. Duitsland en Italië van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet ter zake is. De stelling van de Ministerraad doet hen vrezen dat de macht van de rechter wordt beperkt, vermits het hem niet wordt toegestaan na te gaan of de strafprocedure in haar geheel al dan niet de principes van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. 16 A.2.5. De Ministerraad antwoordt dat de verzoekende partijen de vragen van ontvankelijkheid van de strafvordering en van de wettigheid van het bewijs met elkaar verwarren. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van Mens (EHRM, 9 juni 1998, Teixeira de Castro t. Portugal; EHRM, 15 december 2005, Vanyan t. Rusland) en van het Hof van Cassatie (Cass., 2 maart 2005, J.T., 2005, p. 211) leidt de Ministerraad af dat de strafvordering betreffende een geprovoceerd misdrijf onontvankelijk is, terwijl de strafvordering betreffende misdrijven door de persoon gepleegd in volle vrijheid en zonder het optreden van de politie ontvankelijk is, ongeacht of het proces betrekking heeft zowel op een geprovoceerd als op een niet geprovoceerd misdrijf. De Ministerraad herhaalt dat bewijselementen betreffende een niet geprovoceerd misdrijf niet in de debatten mogen worden toegelaten wanneer zij door provocatie zijn verkregen. Ten aanzien van de onderzoeksmethoden, andere dan de bijzondere opsporingsmethoden Artikel 5 van de wet van 27 december 2005 : het inwinnen van gegevens over bankrekeningen en banktransacties en de voorlopige bevriezing van rekeningen A.3.1. In het vierde middel, derde onderdeel, voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 aan dat het nieuwe artikel 46quater van het Wetboek van strafvordering een schending inhoudt van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het gezag van gewijsde. Volgens de verzoekende partijen worden de in het middel aangehaalde bepalingen geschonden in zoverre de bestreden bepaling aan een individu niet dezelfde waarborgen biedt als die welke gelden in het kader van de artikelen 88bis van het Wetboek van strafvordering inzake het opsporen van telecommunicatie en artikel 90ter van hetzelfde Wetboek inzake het afluisteren en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie, terwijl die bepalingen vergelijkbaar zijn, wat de schending van het recht op het privéleven betreft, met het nieuwe artikel 46quater van het Wetboek van strafvordering, dat de overheid eveneens toegang geeft tot een bepaalde « inhoud » van de ingewonnen gegevens. Terwijl artikel 88bis en 90ter van het Wetboek van strafvordering de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter vereisen en artikel 90ter de toepassing van het minionderzoek uitsluit, kan het bestreden artikel 5 van de wet van 27 december 2005 worden toegepast op eenvoudige vordering van het parket. In tegenstelling tot de artikelen 88bis en 90ter van het Wetboek van strafvordering, die strikte voorwaarden stellen, kan het parket alle bankgegevens in verband met het verleden inwinnen op de enige voorwaarde dat het vermoede misdrijf aanleiding kan geven tot een gevangenisstraf van één jaar. Wat het inwinnen van gegevens voor de toekomst betreft en in geval van bevriezing van rekeningen wordt enkel een « subsidiariteitsbeginsel » opgelegd. De bevriezing van rekeningen kan worden toegepast zonder dat is vereist dat het vermoede misdrijf een zekere ernstgraad vertoont én betrekking heeft op terrorisme of zware of georganiseerde criminaliteit. A.3.2. In hun eerste middel stellen de verzoekende partijen in de zaak nr. 4027 dat het nieuwe artikel 46quater van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt. Zij wijzen erop dat het arrest nr. 202/2004 geen uitsluitsel heeft gegeven over de kwestie van de aanvaardbaarheid van de maatregel in het licht van de bevoegdheid van de procureur des Konings. Zij vergelijken de bestreden bepaling met de maatregelen bedoeld in de artikelen 46ter en 88sexies van het Wetboek van strafvordering en in artikel 90ter van hetzelfde Wetboek. Zij vragen dat het nieuwe artikel 46quater van het Wetboek van strafvordering wordt vernietigd aangezien het niet dezelfde waarborgen biedt, namelijk hetzij het optreden van een onderzoeksrechter, hetzij, in geval van ontdekking op heterdaad, de vereiste dat de maatregel wordt voorbehouden voor de zwaarste strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering. A.3.3. De Ministerraad stelt dat de verzoekers gebruik maken van het feit dat de wetgever de gehele bestreden maatregel herhaalt om hiertegen in zijn geheel een nieuw middel aan te voeren, terwijl bepaalde verzoekers reeds partij waren bij het beroep tot vernietiging dat heeft geleid tot het arrest nr. 202/2004. In dat arrest heeft het Hof hun kritiek verworpen en er moet worden aangenomen dat, zelfs al gebeurde dat niet uitdrukkelijk, het Hof, in het kader van het evenredigheidsonderzoek, de overheid in beschouwing heeft genomen die de bestreden maatregel kan opleggen. De Ministerraad is van mening dat de vergelijking tussen het inwinnen van bankgegevens, enerzijds, en het afluisteren of opnemen van telefoongesprekken of het onderscheppen van post, anderzijds, niet in aanmerking kan worden genomen. De « inhouden » die worden bedoeld door beide soorten van maatregelen, zijn geenszins vergelijkbaar; de schending van de intimiteit van een persoon is veel verregaander wanneer het gaat om zijn briefwisseling of zijn gesprekken dan om het bedrag op zijn bankrekening. De bijzondere bescherming van het 17 briefgeheim in artikel 29 van de Grondwet wijst eveneens op een objectief verschil tussen de twee types van maatregelen. De inbreuk op het privéleven is in casu beperkt en is noodzakelijk in onze samenleving. A.3.4.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 antwoorden dat het Hof wel degelijk bevoegd is om artikel 5 van de wet van 27 december 2005 te toetsen, ook al neemt de wetgever het oude artikel 13 van de wet van 6 januari 2003 over. Niet alleen geeft de wetgever aldus te kennen opnieuw wetgevend te willen optreden, tevens wijzigt de bestreden bepaling de draagwijdte van het voormelde artikel 13 aanzienlijk en verhoogt ze de inbreuken op het recht op het privéleven. De verzoekende partijen menen dat de bestreden maatregel wel degelijk vergelijkbaar is met de maatregelen bedoeld in de artikelen 88bis en 90ter van het Wetboek van strafvordering. Voormeld artikel 88bis laat toe eenzelfde soort van gegevens te verkrijgen als die welke zijn bedoeld in artikel 5, dat zelfs verder gaat en ook toegang verleent tot de inhoud van die gegevens en op dat punt vergelijkbaar is met artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering. Niets rechtvaardigt dat de wetgever afwijkt van de principes van gemeen recht en dat hij dienaangaande het optreden van de onderzoeksrechter weigert. Artikel 56, § 1, van het Wetboek van strafvordering behoudt immers aan de onderzoeksrechter het recht voor om inbreuk te maken op de individuele rechten en vrijheden. A.3.4.2. Ook de verzoekende partijen in de zaak nr. 4027 stellen in hun memorie van antwoord dat de exceptie van onontvankelijkheid van de Ministerraad moet worden verworpen : de bestreden bepaling neemt het oude artikel 46quater van het Wetboek van strafvordering over en vult het aan; in het arrest nr. 202/2004 heeft het Hof geen uitspraak gedaan over de bevoegde instantie. Zij zijn verder van mening dat de bestreden maatregel wel degelijk vergelijkbaar is met de maatregelen bedoeld in de artikelen 46ter, 88bis en 90ter van het Wetboek van strafvordering. A.3.5. De Ministerraad stelt in zijn memorie van wederantwoord geen exceptie te hebben opgeworpen maar enkel te willen refereren aan het arrest nr. 202/2004, waarin het principe van de bestreden opsporingsmethode al aan de orde is geweest en de middelen van de partijen daaromtrent zijn verworpen. In zoverre de verzoekende partijen het principe opnieuw betwisten, is de Ministerraad van mening dat het antwoord van het Hof identiek moet zijn. De Ministerraad ziet niet in hoe de uitbreiding van het toepassingsgebied van de bestreden maatregel tot alle bankproducten en het feit dat een voorlopige bevriezing van de rekeningen mogelijk is, een grotere aantasting van het privéleven teweeg zou brengen dan voorheen. Wat de door de verzoekende partijen opgeworpen vergelijking betreft, wijst de Ministerraad erop dat de artikelen 88bis en 90ter van het Wetboek van strafvordering uitzonderingen vormen op het algemeen verbod van afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en privételecommunicatie neergelegd in de wet van 30 juni 1994. Bankgegevens houden niet eenzelfde aantasting van het privéleven in en bezitten ook een openbare component. De bankier is niet gehouden tot het beroepsgeheim in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereist niet dat in het kader van vooronderzoeken de bewijzen enkel door rechters zouden kunnen worden verzameld. Opdat het proces eerlijk verloopt, is het voldoende dat die bewijzen kenbaar worden gemaakt en dat zij door de beklaagde kunnen worden besproken. De artikelen 6 en 18 van de wet van 27 december 2005 : de inkijkoperatie A.4.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4010 voeren in hun eerste middel aan dat de nieuwe artikelen 46quinquies en 89ter van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden, nu die bepalingen toelaten dat politiediensten private plaatsen betreden, zonder dat ze dienaangaande zijn gemachtigd door de onderzoeksrechter, waardoor een niet te rechtvaardigen onderscheid ontstaat tussen die onderzoeksmethode en andere, soortgelijke onderzoeksmethoden die wel het optreden van de onderzoeksrechter vereisen, inzonderheid de huiszoeking en het afluisteren van privécommunicatie. De verzoekende partijen stellen dat de bestreden bepalingen een onderscheid doorvoeren tussen de machtiging tot het betreden van een private plaats die niet kan worden beschouwd als een woning, een aanhorigheid ervan of een beroepslokaal van een advocaat of een arts (artikel 46quinquies van het Wetboek van strafvordering), enerzijds, en de machtiging tot het betreden van een andere private plaats (artikel 89ter van hetzelfde Wetboek), anderzijds : terwijl de eerstgenoemde machtiging wordt verleend door de procureur des Konings, wordt de tweede machtiging verleend door de onderzoeksrechter. Een dergelijk onderscheid is niet redelijk verantwoord, gelet op de ingrijpende aard van de inkijkoperatie als onderzoeksmethode, die te allen tijde, dus ook ‘s nachts, 18 kan plaatsvinden, alsook kan worden bevolen in het kader van de zogenaamde « proactieve recherche ». Een inkijkoperatie, ook in private plaatsen bedoeld in artikel 46quinquies, § 1, van het Wetboek van strafvordering, kan in het licht van de in het middel aangehaalde bepalingen slechts worden verantwoord, in zoverre ze wordt omgeven met dezelfde waarborgen als bij een huiszoeking en het afluisteren van privécommunicatie en derhalve wordt bevolen door de onderzoeksrechter. Zij bekritiseren verder de definitie van « private plaats » in artikel 46quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering vermits die zou toelaten dat een inkijkoperatie wordt bevolen op plaatsen die worden beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zonder dat in dat verband een machtiging wordt verleend door de onderzoeksrechter. Immers, overeenkomstig de ruime rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dienen ook lokalen die worden aangewend voor beroepsdoeleinden of commerciële doeleinden, de bescherming van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te genieten (EHRM, 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland). Evenmin kan uit de huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 19 februari 2002, P00.1100.N) worden afgeleid dat artikel 46quinquies, § 1, van het Wetboek van strafvordering aldus moet worden geïnterpreteerd dat beroepslokalen - andere dan die van een advocaat of arts, die in artikel 46quinquies uitdrukkelijk worden uitgesloten - per definitie moeten worden gekwalificeerd als « woning ». De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat het niet denkbeeldig is dat pas door de uitvoering van de inkijkoperatie zelf zal blijken of een plaats als een woning dient te worden beschouwd. A.4.2. In de zaak nr. 4012 voeren de verzoekende partijen in het tweede onderdeel van het vierde middel aan dat artikel 6 van de wet van 27 december 2005 de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt doordat het aan een persoon die het voorwerp is van een inkijkoperatie, niet dezelfde bescherming biedt als aan diegenen bij wie een huiszoeking wordt uitgevoerd of telefoongesprekken worden afgeluisterd. Aldus is de machtiging van de onderzoeksrechter enkel noodzakelijk voor een inkijkoperatie in de private plaatsen die op restrictieve wijze worden gedefinieerd in artikel 46quinquies, § 1, van het Wetboek van strafvordering. De inkijkoperatie is evenmin onderworpen aan enige beperking ratione temporis. De verzoekende partijen bekritiseren de definitie van het begrip « private plaats » : ze is dubbelzinnig en beperkt de draagwijdte van het begrip « woning » door lokalen voor beroepsdoeleinden, andere dan van artsen of advocaten, uit te sluiten. De in aanmerking genomen definities van « de woning » in de parlementaire voorbereiding en in de wet zijn volgens de verzoekende partijen restrictiever dan de ruime rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het begrip « woning » (EHRM, 16 december 1992, Niemietz t. Duitsland; EHRM, 16 april 2002, Colas Est t. Frankrijk; EHRM, 9 december 2004, Van Rossem t. België), zodat niet elke « woning » is beschermd tegen een inkijkoperatie. De schending van de in het middel aangehaalde bepalingen is volgens de verzoekende partijen des te flagranter daar artikel 6 van de bestreden wet niet alleen betrekking heeft op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit maar tevens op andere fenomenen van delinquentie, zodat de toepassingssfeer van de inkijkoperatie aanzienlijk wordt uitgebreid. Volgens de verzoekende partijen zijn eveneens de artikelen 10, 11, en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van het gezag van gewijsde, geschonden vermits de bestreden bepaling strijdig is met het arrest nr. 202/2004, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de technieken van de inkijkoperatie, de huiszoeking en het afluisteren van telefoongesprekken vergelijkbaar zijn en met dezelfde waarborgen moeten worden omgeven. A.4.3. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4027 aan dat de artikelen 6 en 18 van de wet van 27 december 2005 de artikelen 10, 11, 12, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden. In een eerste onderdeel stellen de verzoekende partijen dat zowel het evenredigheidsbeginsel als het wettigheidsbeginsel vereisen dat de wetgever een precieze definitie geeft van de private plaatsen die het voorwerp kunnen zijn van een inkijkoperatie waarbij slechts de machtiging van de procureur des Konings is vereist. De wetgever moet in de wet de plaatsen definiëren waarvoor de maatregel wordt aangenomen. De definitie van de private plaatsen in het bestreden artikel 6 is te ruim ten opzichte van het doel van de wetgever, die enkel loodsen en garageboxen viseerde, en schendt bijgevolg het evenredigheidsbeginsel. De « negatieve » omschrijving van die private plaatsen ten opzichte van het begrip « woning » is volgens de verzoekende partijen problematisch in het licht van het wettigheidsbeginsel. De verzoekende partijen bekritiseren de wijze van definiëren van « private plaatsen » verder nog vanwege het gelijktijdige gebruik van de termen « woning » en « woonplaats » en vanwege het feit dat alleen de lokalen voor beroepsdoeleinden van de advocaten en artsen zijn uitgesloten van de bevoegdheid van de procureur des Konings, waaruit noodzakelijkerwijze volgt dat andere beroepscategorieën die drager zijn van een beroepsgeheim wel onder die bevoegdheid ressorteren. Volgens de verzoekende partijen kan het arrest van het Hof van Cassatie van 19 februari 2002 dienaangaande geen soelaas bieden gelet op de uiterst restrictieve draagwijdte ervan. Zij verwijten de wetgever niet voldoende oog te hebben gehad voor het recht op eerbiediging van het privéleven, bedoeld in artikel 22 van de Grondwet en in artikel 8 19 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens : overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met name de arresten Niemietz t. Duitsland van 16 december 1992, Colas Est t. Frankrijk van 16 april 2002 en Van Rossem t. België van 9 december 2004, moeten lokalen voor beroepsdoeleinden worden beschermd doordat zij de « woning » van een rechtspersoon vormen, enerzijds, en doordat zij een belangrijk deel van het privéleven herbergen van de personen die van die lokalen gebruik maken, anderzijds. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de uitsluiting van het optreden van een onderzoeksrechter onaanvaardbaar is. Zij menen dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 26 september 1996, Miailhe t. Frankrijk) op dit punt strikter is dan de rechtspraak van het Hof. Zij bekritiseren vooral het feit dat het criterium voor de uitsluiting van de waarborg van het optreden van de onderzoeksrechter niet berust op het voorwerp van een specifiek misdrijf en algemeen van aard is, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de vereiste van evenredigheid. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de wetgever geen enkele waarborg heeft gekoppeld aan de uitvoering van een inkijkoperatie. Ook al wordt de opdracht daartoe gegeven door de onderzoeksrechter, hij voert zelf de inkijkoperatie niet uit maar beperkt zich ertoe de politiediensten te machtigen terwijl hij in principe verplicht is om zelf over te gaan tot een huiszoeking. Evenmin kan, door het geheime karakter van de maatregel, worden gewaarborgd dat de grenzen die zijn aangegeven in de voorafgaande machtiging worden geëerbiedigd, hetgeen nochtans is vereist overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 9 december 2004, Van Rossem t. België) en van het Hof van Cassatie. A.4.4. De verzoekende partijen bedoeld in A.1.7 vorderen in hun eerste middel de vernietiging van de artikelen 6 en 18 van de wet van 27 december 2005 wegens schending van de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De inkijkoperatie is naar hun mening een bijzonder ingrijpende maatregel, die te vergelijken is met een huiszoeking en met het afluisteren van privécommunicatie. Zij voeren drie redenen aan voor de vernietiging. Ten eerste menen zij dat artikel 46quinquies van het Wetboek van strafvordering door de te beperkte interpretatie van « private plaats » de bescherming van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet respecteert. Ten tweede stellen zij vast dat de artikelen 46quinquies en 89ter van het Wetboek van strafvordering de mogelijkheid creëren dat personen die eenzelfde door artikel 22 van de Grondwet en door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beschermd recht genieten, op grond van een volstrekt arbitrair en niet redelijk verantwoord onderscheid tussen twee soorten private plaatsen, op discriminatoire wijze verschillend worden behandeld. Waar ten aanzien van de private plaatsen vermeld in artikel 46quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering geen rechterlijke controle plaatsvindt ten aanzien van de schending van het privéleven op die plaatsen, kan de inkijkoperatie in de private plaatsen andere dan die welke zijn vermeld in de voormelde bepaling, alleen met machtiging van de onderzoeksrechter geschieden. Ten derde beweren zij dat het onderscheid tussen de verschillende soorten opsporingsmethoden, namelijk de inkijkoperatie, enerzijds, en het afluisteren van privé(tele)communicatie bedoeld in artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering, anderzijds, een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Doordat in geval van een inkijkoperatie niet dezelfde strikte voorwaarden dienen te worden nageleefd als in het geval van het afluisteren van privé(tele)communicatie, wordt aan de rechtsonderhorige een ongelijk beschermingsniveau geboden : een inkijkoperatie kan worden toegestaan zonder enige controle door een onafhankelijke en onpartijdige instantie; de inkijkoperatie overeenkomstig artikel 46quinquies van het Wetboek van strafvordering kan door de procureur des Konings mondeling worden toegestaan en zijn beslissing dient evenmin bepaalde gegevens te bevatten; in geval van een inkijkoperatie overeenkomstig artikel 89ter van het Wetboek van strafvordering is de onderzoeksrechter niet gehouden tot een bijzondere motiveringsplicht en zijn machtiging dient evenmin bepaalde gegevens te bevatten. A.4.5. De Ministerraad stelt dat de wetgever de private plaatsen waar een inkijkoperatie kan plaatshebben in het kader van een eenvoudig opsporingsonderzoek heeft gedefinieerd aan de hand van een tegenstelling van begrippen, inzonderheid van het begrip « woning ». Hij wijst erop dat het Hof van Cassatie dat begrip in zijn rechtspraak heeft omschreven, dat de bekritiseerde bepaling verwijst naar de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek en dat het begrip « woning » in de rechtspraak van het Hof van Cassatie voortdurend evolueert en wordt uitgebreid om het aan te passen aan de evoluerende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Door aldus te werk te gaan heeft de wetgever de private plaatsen bedoeld in artikel 46quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering op een zeer precieze wijze gedefinieerd gelet op het feit dat het begrip « woning » zelf een gedefinieerd begrip is, ook al heeft het een evoluerend karakter. De Ministerraad voegt eraan toe dat de rechters zich steeds kunnen beroepen op de voorbereidende werken die duidelijk aangeven 20 dat « schuren, loodsen en garageboxen » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2055/001, pp. 16 e.v.) worden geviseerd. De Ministerraad is het oneens met de interpretatie van de verzoekende partijen als zouden professionele ruimten en woonplaatsen van personen die noch arts noch advocaat zijn, het voorwerp kunnen uitmaken van een inkijkoperatie in het kader van een eenvoudig opsporingsonderzoek. De wetgever heeft enkel de formulering van artikel 90octies van het Wetboek van strafvordering overgenomen en wil uitsluitend de nadruk leggen op de bijzondere bescherming toegekend aan een arts of een advocaat (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2055/005, p. 55). De hoven en rechtbanken zijn daarenboven verplicht om de interpretatie te volgen die het meest in overeenstemming is met de Grondwet en met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De Ministerraad stelt dat de bestreden bepaling artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet schendt. Ten eerste is het toepassingsveld van de bestreden maatregel zeer beperkt, gelet op de ruime interpretatie van het begrip « woning » door het Hof van Cassatie. In hoofdzaak worden gebouwen als boxen, containers of opslagruimten bedoeld waar het privéleven van de betrokken personen niet in het spel is en waar vennootschappen niet zulke belangrijke activiteiten als op hun maatschappelijke zetel hebben. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 16 december 1993, Niemietz t. Duitsland) leidt de Ministerraad af dat professionele ruimten slechts beschermd zijn door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in zoverre zij deel uitmaken van het privéleven van de betrokken personen. Ten tweede is de maatregel van de inkijkoperatie, zelfs al wordt hij niet bevolen door een rechter, met belangrijke waarborgen omringd. Er kunnen geen andere doeleinden worden vooropgesteld dan die welke limitatief worden opgesomd. De maatregel is voorbehouden voor ernstige misdrijven, die in de bestreden bepaling worden aangegeven. De inkijkoperatie wordt bevolen door een gerechtelijk magistraat, namelijk de procureur des Konings, die overeenkomstig artikel 28bis, § 3, van het Wetboek van strafvordering moet toezien op de wettigheid van de bewijsmiddelen en op de loyauteit waarmee ze zijn verkregen. Naderhand is er controle door een rechter. Er kan volgens de Ministerraad geen sprake zijn van enige schending van het Belgische interne recht. Vermits de woning is uitgesloten van de bestreden maatregel, is er geen inbreuk op de grondwettelijke bescherming van de woning en van het privéleven. Het gezag van gewijsde van het arrest nr. 202/2004 is niet geschonden vermits de gedeeltelijke vernietiging in dat arrest was gebaseerd op de bescherming van de woning, die niet in het gedrang komt in het kader van een inkijkoperatie. Evenmin zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden. Gelet op het beperkte karakter van de inkijkoperatie, kan de bestreden bepaling niet worden vergeleken met de andere maatregelen die door de verzoekende partijen worden opgesomd. De Ministerraad herinnert eraan dat bepaalde maatregelen, die een daadwerkelijke schending van het privéleven inhouden, in bepaalde gevallen kunnen worden bevolen zonder het optreden van de onderzoeksrechter. A.4.6.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4010 menen dat het verweer van de Ministerraad voorbijgaat aan het feit dat lokalen voor professionele en commerciële activiteiten volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onlosmakelijk zijn verbonden met de privésfeer, zodat de waarborg van een rechterlijk optreden noodzakelijk is. A.4.6.2. In hun memorie van antwoord benadrukken de verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 dat de wetgever het toepassingsgebied van de inkijkoperatie strikter en preciezer dient af te lijnen en conform het arrest nr. 202/2004 had moeten voorzien in waarborgen die soortgelijk zijn aan die inzake huiszoeking en telefoontap. Zij zijn niet overtuigd door het verweer van de Ministerraad inzake de definitie van « private plaats » en zij wijzen erop dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Cassatie inzake het begrip « woning » niet volledig overeenstemmen en het Hof van Cassatie een zekere tijd nodig heeft om zijn rechtspraak af te stemmen op die van het Europees Hof. Door de negatieve en onduidelijke wijze van definiëring, door het door elkaar gebruiken van de termen « woning », « door een woning omsloten eigen aanhorigheid » en « woonplaats » blijven zij ervan overtuigd dat artikel 46quinquies van het Wetboek van strafvordering de bescherming van de woning beperkt. Zo menen zij dat plaatsen waar erediensten plaatsvinden of plaatsen waar vrijzinnigen samenkomen, het voorwerp kunnen uitmaken van een inkijkoperatie. Doordat de inkijkoperatie niet wordt omringd met dezelfde waarborgen als de huiszoeking of de telefoontap, zoals vereist door het Hof in het arrest nr. 202/2004, is het middel gegrond. A.4.6.3. In hun memorie van antwoord stellen de verzoekende partijen in de zaak nr. 4027 dat het onevenredige karakter van de maatregel door hen voldoende is aangetoond en het middel bijgevolg is gegrond. 21 A.4.6.4. De verzoekende partijen bedoeld in A.1.7 menen dat de Ministerraad voorbijgaat aan het feit dat de private plaatsen, andere dan diegene die zijn opgesomd in artikel 46quinquies, § 1, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ook plaatsen kunnen zijn die met toepassing van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de bescherming genieten van de woning sensu stricto. Op grond daarvan alleen al is artikel 46quinquies van het Wetboek van strafvordering vernietigbaar. Zij houden vast aan de door hen aangeklaagde discriminaties. A.4.6.5. De Ministerraad stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de partijen, ofschoon zij de wijze van definiëren van « private plaats » bekritiseren, niet erin slagen een voorbeeld te geven van een private plaats, waar zich een belangrijk deel van het privéleven afspeelt en waar een inkijkoperatie bevolen door de procureur des Konings mogelijk zou zijn. Wat de verwijzing naar de plaats van eredienst betreft, merkt de Ministerraad op dat steeds is aanvaard dat politieambtenaren voor het publiek toegankelijke plaatsen kunnen betreden. Het is evident dat in dergelijke plaatsen, die verband houden noch met de onschendbaarheid van de woning noch met de bescherming van het privéleven, een inkijkoperatie kan worden bevolen door de procureur des Konings. Inzake de stelling van sommige verzoekende partijen dat de bestreden maatregel zou moeten worden omringd met ruimere waarborgen, antwoordt de Ministerraad dat de leden van het parket magistraten zijn die, gelet op artikel 151 van de Grondwet, onafhankelijk zijn, dat de inkijkoperatie enkel mogelijk is bij de meest ernstige misdrijven en dat de verzoekers niet aantonen op welke wijze het bezoek van boxen, containers of opslagplaatsen, buiten medeweten van de eigenaars, gedurende de nacht in plaats van gedurende de dag, een grotere schending zou inhouden van het privéleven van die eigenaars. Wat de vergelijking met andere maatregelen betreft, stelt de Ministerraad dat juist omdat artikel 46quinquies van het Wetboek van strafvordering uitsluitend betrekking heeft op plaatsen die geen belang hebben voor het privéleven van individuen, de wettelijk voorgeschreven waarborgen minder sterk zijn en de procureur des Konings dienaangaande bevoegd is. Wat de vrees van de verzoekende partijen betreft dat bewijzen die zijn verzameld in strijd met de bestreden bepaling toch zullen kunnen worden aangevoerd voor de hoven en rechtbanken, verwijst de Ministerraad naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie dienaangaande, die strikter is dan die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgens welke artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in het kader van een strafproces, zich niet verzet tegen het gebruik van een bewijs dat is verkregen in strijd met een andere verdragsbepaling, zelfs al zou blijken dat de uitgesproken veroordeling hoofdzakelijk op het betwiste bewijs berust. Ten aanzien van de bijzondere opsporingsmethoden De artikelen 7 en 14 van de wet van 27 december 2005 : bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de strafuitvoering A.5.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4010 stellen in hun tweede middel dat de nieuwe artikelen 47ter, § 1, en 47undecies van het Wetboek van strafvordering de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden, vermits het derde lid van het voormelde artikel 47ter, § 1, van het Wetboek van strafvordering toelaat alle bijzondere opsporingsmethoden, met uitzondering van diegene die door de onderzoeksrechter moeten worden bevolen, zonder onderscheid aan te wenden met het oog op de strafuitvoering. Maatregelen van observatie, infiltratie en informantenwerking kunnen aldus worden toegepast met een andere finaliteit dan het opsporen van misdrijven, met name om de uitvoering van straffen te verzekeren, waarbij niet alleen vrijheidsberovende straffen maar de straffen in het algemeen worden bedoeld. Een dergelijke doelstelling is volgens de verzoekende partijen niet wettig, kan niet redelijk worden verantwoord en voldoet niet aan het subsidiariteitsbeginsel, nu de bijzondere opsporingsmethoden een ernstige inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden behelzen. Evenmin bestaat er enige controle op de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de strafuitvoering : er is enkel in een controle door de procureur-generaal voorzien en in een verslaggeving ten aanzien van het college van procureurs-generaal. De algemene mogelijkheid om alle bijzondere opsporingsmethoden zonder onderscheid in het kader van de strafuitvoering aan te wenden, kan niet redelijk worden verantwoord, mede gelet op het feit dat die opsporingsmethoden niet alleen diegenen zullen treffen die zich aan de straf onttrekken maar ook de personen uit hun omgeving. 22 A.5.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 vorderen in hun tweede middel, eerste onderdeel, tweede subonderdeel, de vernietiging van de artikelen 9, 2° en 3°, 10, 11, 12, 14, 22, 23, 24, 25 en « 25 » van de wet van 27 december 2005 wegens schending van de artikelen 10, 11, 15 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 14 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 142 van de Grondwet, met de artikelen 8 en 9 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en met het beginsel van het gezag van gewijsde. Zij beweren dat, nu de bijzondere opsporingsmethoden ook kunnen worden toegepast in het kader van de strafuitvoering, de individuele rechten van de voortvluchtige en van zijn naasten of andere derden ernstig kunnen worden geschonden. De voortvluchtige moet bijgevolg beschikken over enig daadwerkelijk beroep voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter om de regelmatigheid te laten controleren van de methoden die tegen hem worden aangewend, hetgeen niet het geval is. Zij menen dat het principe van het arrest nr. 202/2004, namelijk dat een controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter noodzakelijk is, ook in casu geldt. A.5.3. De Ministerraad leidt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling af dat de wetgever hoofdzakelijk de gevangenisstraffen beoogt en dat in het kader van de uitvoering van straffen voornamelijk de observatie en de informantenwerking als bijzondere opsporingsmethodes zullen worden gebruikt en niet de infiltratie. In het kader van de uitvoering van straffen zou het bijgevolg niet zijn toegestaan bijzondere technieken waarvoor het optreden van een onderzoeksrechter is vereist, te benutten. Tevens moet zijn voldaan aan alle wettelijke voorwaarden, gesteld voor het gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden tijdens het opsporings- of gerechtelijk onderzoek. Dit heeft als gevolg dat bepaalde methoden geen toepassing zullen kunnen vinden in het kader van de uitvoering van straffen. Inzake het middel betreffende een wettigheidscontrole door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, stelt de Ministerraad dat een voortvluchtige ten opzichte van wie bijzondere opsporingsmethoden zijn uitgevoerd, zich in die hoedanigheid niet kan beroepen op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De vereiste van het arrest nr. 202/2004 van een controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter houdt volgens de Ministerraad verband met het feit dat de uitvoering van de methodes, die het voorwerp uitmaken van een dergelijke controle, tot een strafrechtelijke beschuldiging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kunnen leiden. Vanaf het ogenblik dat het om de uitvoering van de straf gaat, is reeds een veroordeling uitgesproken en dient geen beslissing meer te worden genomen over de gegrondheid van eender welke strafrechtelijke beschuldiging gericht tegen een persoon. Het middel is bijgevolg ongegrond. A.5.4.1. In hun memorie van antwoord benadrukken de verzoekende partijen in de zaak nr. 4010 en in de zaak nr. 4012 de vereiste van een rechterlijke controle, te meer daar de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de strafuitvoering ook de personen uit de omgeving van de veroordeelde treft. De stelling van de Ministerraad dat voornamelijk de observatie in aanmerking komt, doet geen afbreuk aan de wettelijke mogelijkheid om ook andere opsporingsmethoden aan te wenden en dit niet alleen met het oog op de uitvoering van een gevangenisstraf maar ook met het oog op de uitvoering van patrimoniale sancties. Zij klagen aan dat personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van bijzondere opsporingsmethoden, over geen enkel middel beschikken om na te gaan of inbreuk is gepleegd op hun rechten en of de procureur des Konings al dan niet zijn bevoegdheden heeft overschreden. A.5.4.2. De Ministerraad wijst in zijn memorie van wederantwoord op de mogelijkheid om de Staat aansprakelijk te stellen voor fouten gepleegd door leden van het openbaar ministerie of door de politiediensten. Hetzelfde geldt voor de aansprakelijkheid van gemeenten of lokale politiezones voor de fouten gepleegd door leden van de locale politie. Die mogelijkheid moet worden beschouwd als een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er dient in dit verband tevens een onderscheid te worden gemaakt tussen de voortvluchtige, ten aanzien van wie het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden gerechtvaardigd lijkt, en derden, ten opzichte van wie die methoden slechts denkbaar zijn met het oog op een schadeloosstelling. De Ministerraad stelt verder dat het feit dat personen die het voorwerp zijn van bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de strafuitvoering, hiervan niet op de hoogte zijn, als principe niet bekritiseerbaar is. De artikelen 13 en 14 van de wet van 27 december 2005 : de informantenwerking A.6.1. In hun vierde middel stellen de verzoekende partijen in de zaak nr. 4010 dat de nieuwe artikelen 47decies, § 7, en 47undecies van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden. Zij vinden het onaanvaardbaar dat aan een informant toestemming wordt verleend om 23 misdrijven te plegen die louter erop zijn gericht zijn informatiepositie te behouden en die niet noodzakelijk zijn voor zijn eigen veiligheid en fysieke integriteit als zodanig. De nagestreefde doelstelling kan niet als een redelijke verantwoording worden aanvaard. Nu de desbetreffende misdrijven die een informant mag plegen, niet nader worden gespecifieerd zodat alle mogelijke misdrijven in aanmerking komen, wordt afbreuk gedaan aan het legaliteitsbeginsel als bepaald in artikel 12 van de Grondwet, dat ook van toepassing is op het strafrechtelijk vooronderzoek. Vermits niet in de minste controle door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie wordt voorzien, wordt op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gehuldigde beginselen van de rechten van verdediging en van wapengelijkheid tussen het openbaar ministerie en de verdediging. Doordat een onderscheid wordt doorgevoerd tussen personen ten aanzien van wie geen informantenwerking werd toegepast en die niet het slachtoffer kunnen zijn van misdrijven gepleegd door die informanten, enerzijds, en personen ten aanzien van wie wel informantenwerking werd toegepast waarbij misdrijven worden gepleegd zonder dat dienaangaande in enige rechterlijke controle wordt voorzien, anderzijds, worden bovendien de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden. In het tweede onderdeel van hun derde middel beweren de verzoekende partijen dat de door de artikelen 47decies, § 7, 47undecies, vierde lid, 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering uitgewerkte regeling op een onevenredige en in een democratische samenleving niet te verantwoorden wijze afbreuk doet aan de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechten, nu elke controle wordt uitgesloten met betrekking tot misdrijven die door informanten na toestemming van de procureur des Konings worden gepleegd. Niet alleen voorziet de wet niet in enige inzagemogelijkheid vanwege de partijen, evenmin wordt voorzien in enige rechterlijke controle van de misdrijven die in dat verband door de informant worden gepleegd en die wel degelijk een rechtstreekse invloed kunnen uitoefenen op de bewijselementen die met betrekking tot die zaak worden verzameld. Aldus worden ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden, nu een niet redelijk te verantwoorden onderscheid wordt ingevoerd tussen personen die zich kunnen verdedigen tegen alle mogelijke bewijselementen en personen in wier zaak toepassing werd gemaakt van informantenwerking, waarbij misdrijven werden gepleegd. A.6.2. In het eerste onderdeel van het vierde middel stellen de verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 dat artikel 13, 2°, van de wet van 27 december 2005 de artikelen 10, 11, 12, 14 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 7, 14, 15 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 142 van de Grondwet, met de artikelen 8 en 9 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en met het gezag van gewijsde en het beginsel van rechtszekerheid, schenden. Doordat de bestreden bepaling in de mogelijkheid voorziet voor een informant die zich in het misdaadmilieu begeeft, om deel te nemen aan criminele handelingen binnen dat milieu met als enige doelstelling zijn positie van informant te behouden, en aldus geen enkele subsidiariteitsvoorwaarde oplegt, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 47quinquies van het Wetboek van strafvordering, is de bestreden maatregel onevenredig ten opzichte van de doelstelling. De wettelijke omstandigheden die moeten zijn vervuld om het plegen van een misdrijf toe te laten, zijn naar hun oordeel te ontoereikend en te vaag : de ernstgraad van de toegelaten schendingen van de fysieke integriteit van personen wordt niet in de wet gedefinieerd maar valt onder de uitsluitende beoordelingsbevoegdheid van de procureur des Konings. Er is daarenboven in geen enkele wettigheidscontrole door een onafhankelijke en onpartijdige rechter voorzien om de wettigheid van de verleende toestemmingen en hun mogelijke implicaties in het latere proces te onderzoeken. Zij wijzen erop dat de bestreden bepaling geen strafuitsluitende verschoningsgrond inhoudt ten opzichte van de informant en aldus een valse schijn van « toestemming » creëert zodat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen en de straffen. Dit is daarenboven discriminerend vermits de politieambtenaar en de burgerlijke deskundigen in dezelfde omstandigheden wel strafrechtelijke immuniteit genieten. A.6.3. In het eerste onderdeel van hun vierde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4027 aan dat de artikelen 13, 22, 23, 24 en 25 van de wet van 27 december 2005 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden. Zij bekritiseren het feit dat de informantenwerking aan geen enkele wettigheidstoetsing door een onafhankelijke en onpartijdige rechter wordt onderworpen en zij menen dat, nu het informanten wordt toegelaten om misdrijven te plegen, de lering van het arrest nr. 202/2004 dienaangaande niet langer geldig is. Zij wijzen erop dat, wanneer een informant ertoe wordt gebracht te provoceren tot het plegen van een misdrijf waartoe hij zelf gedekt zou zijn, de vervolgde persoon niet het voordeel van een eerlijk proces geniet, aangezien de elementen op grond waarvan de provocatie kan worden aangetoond, geheim worden gehouden door het parket dat als enige toegang heeft tot het dossier. Onder verwijzing naar de arresten Edwards en Lewis t. Verenigd Koninkrijk van 22 juli 2003 en 27 oktober 2004, menen zij dat de informantenwerking niet mag worden uitgesloten van de controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. 24 A.6.4. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 4015 en 4016 stellen dat de artikelen 235ter van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 235bis en 235quater van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schenden nu de informantenwerking wordt onttrokken aan het toezicht van de kamer van inbeschuldigingstelling zowel inzake het vertrouwelijk als inzake het toegankelijk strafdossier. Zij zien hierin een ongelijkheid tussen partijen die het voorwerp zijn van een observatie en/of infiltratietechniek en die toepassing kunnen maken van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering en diegenen die enkel het voorwerp uitmaken van de informantenwerking, vermits deze laatsten niet beschikken over enige controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. A.6.5. De Ministerraad wijst erop dat in het beroep op informanten reeds werd voorzien bij de wet van 6 januari 2003 en dat die maatregel door het Hof in zijn arrest nr. 202/2004 niet werd afgekeurd. Artikel 47decies, § 7, van het Wetboek van strafvordering staat toe dat de procureur des Konings, onder een aantal precies bepaalde voorwaarden, aan een informant de toestemming geeft om misdrijven te plegen die strikt noodzakelijk zijn voor het behoud van de informatiepositie. De bestreden bepaling heeft uitsluitend als doel om in welbepaalde omstandigheden het behoud van het beroep op informanten mogelijk te maken. De Ministerraad benadrukt dat de toestemming gegeven aan een informant om een misdrijf te plegen, door de wetgever niet als een methode op zich wordt ingevoerd maar wel als een bijzondere modaliteit van de methode die erin bestaat beroep te doen op informanten. Het beroep op informanten staat de vervolgende partij niet toe rechtstreeks het bestaan van bewijselementen aan te voeren, waarvan zij gebruik zal kunnen maken in het strafproces : het gaat er enkel om, via het beroep op informanten, aanwijzingen te verkrijgen omtrent reeds gepleegde of nog te plegen misdrijven en niet om, op zich, bewijzen te verkrijgen. De toestemming gegeven aan een informant om misdrijven te plegen, komt dus tussen op het moment dat er nog geen sprake is van bewijsbepaling. De bestreden bepaling heeft geen of geen rechtstreeks gevolg voor de manier waarop de vervolgende partij haar bewijselementen zal voorleggen of mededelen noch voor de wijze waarop die bewijselementen zullen worden besproken door beide partijen. Aldus verandert de bestreden bepaling niets aan de stelling van het Hof in het voormelde arrest dat het vertrouwelijk dossier betreffende de informanten in principe geen bewijzen bevat die in een later proces zullen worden gebruikt. De bestreden bepaling voert bijgevolg, volgens de Ministerraad, geen onderscheid in tussen verdachten of beklaagden, vermits de omstandigheid dat een beroep werd gedaan op informanten of dat informanten misdrijven hebben gepleegd, geen invloed heeft op de manier waarop de verdachten of beklaagden zich kunnen verdedigen tegen alle bewijselementen die tegen hen worden aangevoerd : het vertrouwelijk dossier betreffende de informanten bevat geen bewijzen die in een later proces zullen worden gebruikt. Evenmin is er een onderscheid op het vlak van het uitoefenen van de waarborgen verbonden aan de rechten van verdediging en de wapengelijkheid. Het is evenmin pertinent om een onderscheid te maken tussen personen die het slachtoffer zijn van misdrijven gepleegd door informanten en personen die dat niet zijn : normaliter zullen de door de informanten gepleegde misdrijven de vorm aannemen van daden van mededaderschap bij een criminele onderneming en zullen zij niet zijn gericht tegen de persoon met wie de informant in contact staat. Volgens de Ministerraad is het door de wetgever nagestreefde doel gerechtvaardigd en wel degelijk beperkt door de voorwaarden waarin is voorzien voor de toepassing van de maatregel. Die voorwaarden strekken juist ertoe dat het principe van evenredigheid zou worden nageleefd. Ook de parlementaire voorbereiding toont aan dat het bestreden mechanisme slechts is toegestaan indien er geen ander middel bestaat voor de informant om zijn informantenpositie te behouden. Volgens de Ministerraad kunnen op dat punt de informanten niet worden vergeleken met de leden van de politiediensten die, overeenkomstig artikel 47quinquies, § 2, van het Wetboek van strafvordering, ertoe worden gebracht misdrijven te plegen. De Ministerraad beklemtoont hun verschil in statuut en verwijst dienaangaande naar de parlementaire voorbereiding, waaruit duidelijk blijkt dat de wetgever geen burgerlijke infiltranten heeft willen scheppen. De Ministerraad wijst tevens de kritiek ten aanzien van het toepassingsgebied van de hand en aanvaardt niet dat alle mogelijke overtredingen zouden kunnen worden toegestaan door de procureur des Konings. Ook op dat punt verwijst de Ministerraad naar de uitleg verschaft in de parlementaire voorbereiding. De Ministerraad is het niet eens met de stelling als zou de bestreden bepaling onevenredige schade kunnen berokkenen aan de slachtoffers van de toegelaten misdrijven van informanten : niet alleen zijn er strikte voorwaarden; evenmin kan de informant worden toegestaan om het even welk misdrijf te plegen. 25 De Ministerraad meent dat de vereiste van voorzienbaarheid in strafzaken niet wordt miskend. De toestemming kan slechts aan de informant worden gegeven op zijn verzoek; hij zal noodzakelijkerwijze de draagwijdte ervan kennen en weten dat hij mogelijk het voorwerp kan zijn van vervolgingen voor de misdrijven die hij zou plegen. De Ministerraad is het evenmin eens met de stelling van de verzoekende partijen dat de misdrijven gepleegd door informanten niet het voorwerp zouden kunnen zijn van een gerechtelijke controle : vermits de informanten in dat kader geen verschoningsgrond kunnen genieten, zullen zij kunnen worden vervolgd voor de door hen gepleegde misdrijven en nadien ten gronde worden berecht door een rechtbank. De Ministerraad benadrukt verder dat, zoals hiervoor is uiteengezet, de inhoud van het vertrouwelijk dossier betreffende de informanten, zonder weerslag is op het strafproces. Aldus kan niet worden aangenomen dat een wettigheidscontrole noodzakelijk is wat betreft het vertrouwelijk dossier betreffende het beroep op een informant. Nu het beroep op informanten niet rechtstreeks toelaat om bewijzen te verkrijgen of te verzamelen die dienstig zijn voor het strafproces, zal de eventuele miskenning van de gestelde voorwaarden zonder gevolg zijn voor de rechtsgeldigheid van de bewijzen die nadien zouden worden verkregen. De controle op de naleving van die voorwaarden is dus volgens de Ministerraad niet noodzakelijk. Het feit dat er geen controle bestaat, belet volgens de Ministerraad niet dat personen met wie de informanten nauwe banden onderhouden, al dan niet het voorwerp zijn geweest van provocatie in de zin van artikel 30 van het Wetboek van strafvordering. De toegang tot het vertrouwelijk dossier is geen noodzakelijke voorwaarde om de provocatie te kunnen bewijzen. A.6.6.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 4010 is het verweer van de Ministerraad volledig afhankelijk van het feit dat de toestemming die wordt gegeven aan een informant om een misdrijf te plegen, geen ander doel kan hebben dan het behoud van de informantenpositie en gaat het voorbij aan het feit dat hierop geen controlemogelijkheden bestaan. A.6.6.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4012 herhalen in hun memorie van antwoord hun bezwaren en zij benadrukken dat het een informant kan worden toegestaan mededader of medeplichtige te worden van de zwaarste misdrijven. Het verschil in statuut tussen een informant en leden van de politiediensten en met name het feit dat een informant « delinquent » dient te blijven, kan volgens hen geen voldoende verantwoording bieden voor het feit dat de informant geen strafuitsluitende verschoningsgrond kan genieten. A.6.6.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4027 menen dat het verweer van de Ministerraad de positie van het slachtoffer van een toegelaten misdrijf miskent, alsmede die van andere personen die dergelijke misdrijven hebben gepleegd, al dan niet op basis van provocatie door de informant. Zij stellen dat de inhoud van het vertrouwelijk dossier onmiskenbaar is gewijzigd, nu informanten misdrijven mogen plegen. Geen enkel argument van de Ministerraad rechtvaardigt de uitsluiting van elke vorm van controle. A.6.6.4. De verzoekende partij in de zaak nr. 4015 wijst erop dat de verslagen van de informanten aan de procureur des Konings niet deel uitmaken van het dossier terwijl daaromtrent tegenspraak zou moeten mogelijk zijn. Bij gebreke van inzage van het vertrouwelijk dossier, kan de stelling van de Ministerraad dat het vertrouwelijk dossier betreffende de informanten geen bewijzen bevat die in een later dossier zullen worden gebruikt, niet worden gecontroleerd. Ook de verzoekende partij in de zaak nr. 4016 blijft van mening dat de verslagen van de informanten aan de procureur des Konings aan een op tegenspraak gevoerd debat moeten worden onderworpen, zonder dat dit de identiteit van de informant zelf in het gedrang brengt. Wanneer op basis van die verdenkingen onderzoeksdaden worden bevolen, zou dan de nietigheid ervan kunnen worden aangevoerd, hetgeen nu niet mogelijk is, gelet op het feit dat die informatie zelfs niet bekend is. Evenmin kan nu worden gecontroleerd of het vertrouwelijk dossier betreffende de informanten bewijzen bevat die in een later proces zullen worden gebruikt. A.6.6.5. De Ministerraad beklemtoont in zijn memorie van wederantwoord dat het slachtoffer van een « toegelaten » misdrijf begaan door een informant een klacht met burgerlijke partijstelling kan indienen en aldus de vervolging kan instellen, ongeacht de houding van de procureur des Konings dienaangaande. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen het plegen van « toegelaten » misdrijven door informanten ten onrechte assimileren met « provocatie ». De bestreden bepaling laat een informant enkel toe zelf een misdrijf te plegen; het laat hem niet toe anderen te provoceren tot het plegen van misdrijven. Evenmin staat de bestreden bepaling de procureur des Konings toe de informant een toestemming tot provocatie te geven. De Ministerraad is ten slotte van mening dat de verzoekende partijen het begrip « provocatie » bedoeld in artikel 2 van de bestreden wet verwarren met het begrip « deelneming » bedoeld in artikel 66 van het Strafwetboek. De Ministerraad ziet evenmin in waarom het behoud van de informatiepositie geen wettige doelstelling zou kunnen zijn zoals de 26 verzoekers beweren. De Ministerraad wijst opnieuw op de strikte voorwaarden van artikel 47decies, § 7, van het Wetboek van strafvordering. De artikelen 9 tot 14, 22 tot 25 en 28 van de wet van 27 december 2005 : de controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie De draagwijdte en toepassing van het vertrouwelijk dossier A.7.1. In de zaak nr. 4003 vordert L.L. de vernietiging van artikel 23 van de wet van 27 december 2005, dat een nieuw artikel 235ter in het Wetboek van strafvordering heeft ingevoegd. In een eerste middel voert hij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij meent dat, indien het nieuwe artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering aldus zou moeten worden geïnterpreteerd dat het het openbaar ministerie toestaat voor recht te laten zeggen dat de uitgevoerde observaties en infiltraties regelmatig werden toegepast en dat de procedure wettig is, zodat over de algehele regelmatigheid van de onderzoekshandeling definitief zou worden geoordeeld en dit tevens op basis van het gewone strafdossier en zonder enige tegenspraak, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is geschonden. Dit is des te meer het geval, nu artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering niet voorziet in tegenspraak, het principe van wapengelijkheid niet wordt gerespecteerd, een volledige inzage gelet op de korte termijn niet mogelijk is en geen getuigen kunnen worden opgeroepen. De beoordeling van de geldigheid of regelmatigheid van bijzondere opsporingsmethoden in haar geheel dient immers verplicht te gebeuren in een op tegenspraak gevoerd debat en niet in het kader van de bijzondere niet-tegensprekelijke rechtspleging van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering. Naar zijn mening kan de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de rechtspleging waarin artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering voorziet, niet beslissen dat de bijzondere opsporingsmethoden in hun geheel en in al hun aspecten geldig en regelmatig zijn verlopen. A.7.2. Ook de partijen bedoeld in A.1.7 stellen dat de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering tot gevolg hebben dat de hele wettigheidscontrole met betrekking tot de observatie en infiltratie - ook voor wat de niet-vertrouwelijke aspecten van die bijzondere onderzoeksmethoden betreft - aan tegenspraak wordt onttrokken. In hun tweede middel vorderen zij dan ook de vernietiging van de artikelen 9, 10, 11, 12, 23 en 24 van de wet van 27 december 2005 wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij zien geen enkele redelijke verantwoording waarom het niet-contradictoir karakter van het proces ingevolge de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering wordt uitgebreid tot de wettigheidscontrole van het « gewone » toegankelijke dossier en zij menen dat, op straffe van schending van het recht op een eerlijk proces, minstens over de niet-vertrouwelijke elementen van het strafdossier een debat op tegenspraak mogelijk moet zijn. Zij zijn verder van mening dat tegenspraak moet kunnen worden gevoerd omtrent gegevens die thans enkel en alleen in het vertrouwelijk dossier zijn terug te vinden. Het feit dat de verdediging ingevolge de artikelen 47sexies, 47septies, 47octies, 47novies en 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering, steeds volledig verstoken blijft van de controle op de uitvoering van de gemachtigde observatie en infiltratie en zodoende niet de aanwending ervan maar slechts de legaliteit van de machtiging tot observatie en infiltratie kan nagaan, maakt een schending uit van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en voldoet niet aan de vereisten van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 22 juli 2003 en 27 oktober 2004, Edwards en Lewis t. Verenigd Koninkrijk). Dit klemt des te meer daar de uitvoering van de observatie en infiltratie gepaard kan gaan met het plegen van misdrijven door politiediensten en door derden, enerzijds, en tevens provocatie kan zijn gebruikt, anderzijds. De verdediging blijft niet alleen verstoken van informatie omtrent die misdrijven; ze zal evenmin de provocatie kunnen aantonen op basis van de vermeldingen van de machtiging tot observatie of infiltratie. De verzoekende partijen doen opmerken dat er een groot onderscheid bestaat tussen de verslagen in het vertrouwelijk dossier en die in het gewone dossier : alle voor de verdediging nuttige verslagen omtrent de uitvoering van de observatie en infiltratie bevinden zich in het vertrouwelijk dossier. De toegankelijke verslagen in het proces-verbaal, opgesteld overeenkomstig artikel 47septies, § 2, tweede lid, of 47novies, § 2, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, bieden de verdediging geen enkele waarborg van enige doeltreffende legaliteitscontrole. De partijen voeren aan dat de verdediging niet alleen geen enkele controle heeft op de wettigheid van het verloop van de observatie maar ook geen enkele garantie heeft dat de eventuele onwettigheid zal worden bestraft. De geviseerde regeling voorziet immers niet in een nietigheidsregeling wanneer wordt vastgesteld dat 27 het bewijs niet wettig is verlopen, hetgeen problematisch is gelet op de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 14 oktober 2003, R.W., 2003-04, p. 814; Cass. 15 november 2005, P.05.1275.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051115.12). Aldus schenden de in het middel bestreden bepalingen niet alleen het recht van verdediging maar ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vermits andere even ingrijpende onderzoekshandelingen, waaronder de telefoontap, wel in een nietigheidssanctie voorzien. Ten slotte stellen de partijen dat de bestreden bepalingen hun niet voldoende tijd en faciliteiten toekennen om hun recht van verdediging uit te oefenen en om terdege kennis te nemen van het dossier. Zij besluiten dat het middel gegrond is daar de bestreden bepalingen op onevenredige wijze afbreuk doen aan de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gehuldigde beginselen van tegenspraak, recht van verdediging en wapengelijkheid tussen het openbaar ministerie en de verdediging. Tevens zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden, nu de bestreden bepalingen een niet redelijk verantwoord onderscheid invoeren tussen de personen die het voorwerp uitmaken van bijzondere opsporingsmethoden en wier recht op een eerlijk proces niet voldoende wordt gewaarborgd, enerzijds, en personen die het voorwerp uitmaken van opsporingsmethoden die niet als bijzonder worden omschreven en die zich op een behoorlijke manier kunnen verdedigen nadat hun voldoende tijd en faciliteiten daartoe werden geboden, met kennis van alle stukken van het dossier, in een op tegenspraak gevoerd debat waarbij alle middelen van verdediging kunnen worden aangewend, anderzijds. A.7.3. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 4015 en 4016 stellen dat het nieuwe artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet