← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.108

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070726.7 Arrest- Rolnummer: 108/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-06-29 13:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië, ingesteld door de nv « Gery International » en anderen. Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Afgedankte bedrijfsruimte - 1. Procedure voor erkenning - 2. Wijziging van de wetgeving - Overgangsbepalingen - a. Definitief erkende afgedankte bedrijfsruimten - Omzetting in herin te richten site - b. Voorlopig erkende afgedankte bedrijfsruimten - Geen omzetting in herin te richten site. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 23-02-2006 - 56 - 34 ELI link Pub nr 2006200752 Decreet Waalse Gewest - 23-02-2006 - 60 - 34 ELI link Pub nr 2006200752 Tekst van de beslissing Rolnummer 4042 Arrest nr. 108/2007 van 26 juli 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië, ingesteld door de nv « Gery International » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 september 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 september 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2006), door de nv « Gery International », de nv « Imolu » en de nv « Murimo », alle drie met maatschappelijke zetel te 7100 La Louvière, boulevard des Droits de l’Homme 9. De vordering tot schorsing van dezelfde decretale bepalingen, ingediend door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 159/2006 van 18 oktober 2006, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2006. De Waalse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. F. Abu Dalu en Mr. E. Morati, advocaten bij de balie te Luik, loco Mr. C. Steyaert, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. N. Van Damme, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. In het gedeelte van het verzoekschrift dat nog pertinent is gelet op het arrest waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen, verantwoorden de verzoekende partijen hun belang bij het beroep, en geven een historisch overzicht van de bestreden bepalingen; zij beschrijven eveneens verschillende procedures die reeds werden ingesteld voor de Raad van State en die verband houden met het aan het Hof voorgelegde dossier. 3 In hun memorie van antwoord stellen de verzoekende partijen het Hof in kennis van de vrijwillige ontbinding van de nv « Gery International ». De ontvankelijkheid van het beroep zou echter niet zijn aangetast, meer bepaald omdat de situatie van de twee andere verzoekende partijen niet door die ontbinding wordt geraakt. Dat de verzoekende partijen hun belang behouden, zou eveneens voortvloeien uit het arrest nr. 168.730 van de Raad van State van 9 maart 2007 : dat arrest heeft de akte geschorst waarbij het Waalse Gewest de verzoekende partijen in kennis stelde van de automatische omzetting - door de werking van het decreet -, in een herin te richten site (hierna : H.R.S.), van de afgedankte bedrijfsruimte (hierna : A.B.R.) die voorlopig was erkend bij het besluit van 1 december 2005; na die interpretatie te hebben verworpen, beslist de Raad van State dat de voormelde akte van het Waalse Gewest de juridische ordening wijzigt en griefhoudend is voor de verzoekende partijen, waardoor de exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen. A.2. Ten gronde worden vier middelen aangevoerd ter ondersteuning van het beroep. Ten aanzien van het eerste middel A.3.1. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 146, 160 en 161 van de Grondwet, door de gecombineerde artikelen 56 en 60 van het decreet van 23 februari 2006, zoals zij door het Waalse Gewest worden geïnterpreteerd. Die bepalingen zouden tot gevolg hebben - hetgeen de verzoekende partijen betwisten - dat de voorlopige A.B.R. automatisch wordt omgezet in een H.R.S. Zulk een automatische omzetting zou tot gevolg hebben de betwisting te verhinderen, voor de Raad van State, van het besluit tot vaststelling van de A.B.R./H.R.S. Door op die manier te raken aan het administratief contentieux, zou de decreetgever een aangelegenheid hebben geregeld die, krachtens de artikelen 146, 160 en 161 van de Grondwet, tot de exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever behoort. Zulk een bevoegdheidsoverschrijding zou niet kunnen worden gedekt door de impliciete bevoegdheden omdat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.3.2. In zijn memorie herinnert het Waalse Gewest in de eerste plaats aan het middel en bevestigt, naar aanleiding daarvan, dat de bestreden artikelen 56 en 60 voor het Gewest tot gevolg hebben « een voorlopige A.B.R. ‘ om te zetten ’ in een definitieve H.R.S., door de werking zelf van het decreet ». Wat de grond van de zaak betreft, zou noch uit de tekst van die bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijken dat de mogelijkheid zou zijn afgeschaft om voor de Raad van State individueel de aanwijzing van een H.R.S. als gevolg van het voormelde artikel 56, te betwisten. Ter ondersteuning van die stelling verwijst het Waalse Gewest bij analogie naar de « stilzwijgende » stedenbouwkundige vergunning die voortvloeit uit het vroegere artikel 52, § 2, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium; de Raad van State heeft immers die stilzwijgende vergunning beschouwd als een administratieve akte waartegen beroep tot nietigverklaring mogelijk is. A.3.3. In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen op de tegenstrijdigheid tussen de stelling die op die manier door het Waalse Gewest wordt verdedigd voor het Hof - behoud van een beroepsmogelijkheid voor de Raad van State, niettegenstaande het bestreden artikel 56 - en die welke diezelfde partij voor de Raad van State verdedigt : voor dat laatste rechtscollege voert zij immers aan dat de akte waarbij de verzoekende partijen in kennis werden gesteld van de omzetting in een H.R.S., geen griefhoudende administratieve akte was, maar een louter declaratoire akte die gewoon een lezing zou aanreiken van de bestreden bepalingen, en meer bepaald van artikel 56. De parallel die wordt gemaakt met de stilzwijgende vergunning, zou irrelevant zijn. Te dezen wordt bij artikel 56, zonder de tussenstap van de fictie van een administratieve akte, een rechtssituatie omgezet in een andere rechtssituatie, met als gevolg dat de verzoekende partijen elk nuttig beroep voor de Raad van State wordt ontnomen. Er kan geen sprake zijn van een stilzwijgende akte omdat te dezen geen enkel gevolg expliciet wordt verbonden aan het stilzwijgen van de overheid. A.3.4. In zijn memorie van wederantwoord betwist het Waalse Gewest het bestaan van een tegenstrijdigheid met betrekking tot de stelling die het respectievelijk voor het Hof en voor de Raad van State verdedigt : de akten die voor die rechtscolleges in het geding zijn, zijn verschillend, zodat geen sprake zou kunnen zijn van tegenstrijdigheid. Voor het overige wordt de redenering die steunt op de analogie met de stilzwijgende vergunning, bevestigd : aangezien het bestreden artikel 56 aan een site de hoedanigheid van H.R.S. toekent, zou niet kunnen worden betwist dat die administratieve akte voortvloeit uit de werking van de wet; de analogie moet bijgevolg worden erkend. 4 Ten aanzien van het tweede middel A.4.1. In dat middel, dat eveneens gericht is tegen de artikelen 56 en 60, wordt de schending aangevoerd van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de eerste plaats is, volgens de verzoekende partijen, de interpretatie van het Waalse Gewest niet verdedigbaar ten aanzien van het onderscheid dat door het in het geding zijnde artikel 56 wordt gemaakt tussen de erkende sites en de sites waarvoor « het onderzoek van [een] aanvraag tot erkenning van de omtrek […] opgestart werd » - aangezien die tweede categorie, in die interpretatie, geen enkele inhoud meer heeft. In werkelijkheid zouden de erkende sites de enige sites zijn waarvan de afdankingsomtrek definitief erkend was op 1 januari 2006; voor de sites die enkel het voorwerp hebben uitgemaakt van een voorlopig besluit, zou het onderzoek van de aanvragen tot erkenning op basis van het decreet moeten worden voortgezet, dit wil zeggen met, meer bepaald, een beoordeling van de gevolgen en een voorafgaande raadpleging van de eigenaars. Alleen die interpretatie zou bestaanbaar zijn met de in het middel beoogde bepalingen en met de rechtspraak daaromtrent, in het bijzonder uit het oogpunt van de evenredigheid van de aantasting van het eigendomsrecht van de betrokken personen. Door de onderzoeksfase te omzeilen, doet de automatische omzetting in een H.R.S. een aantal procedurele waarborgen verdwijnen : het contradictoire karakter van de rechtspleging, de mogelijkheid van een jurisdictioneel beroep voor de Raad van State en de raadpleging van de adviesinstanties. Wat dat laatste punt betreft, wijzen de verzoekende partijen op de Europese bepalingen die zouden zijn geschonden door het ontbreken van een raadpleging van het publiek, en van een milieubeoordeling; het wegvallen van de voormelde eerste twee waarborgen zou dan weer afbreuk doen aan de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen besluiten dat de artikelen 56 en 60 van het aangevochten decreet, in de interpretatie die het Waalse Gewest eraan geeft, op onevenredige wijze hun eigendomsrecht aantasten. A.4.2. In haar memorie voert de Waalse Regering aan dat noch uit de formulering van de bestreden bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt dat het eigendomsrecht is aangetast. Bovendien zouden de verzoekende partijen het gebrek aan evenredigheid of het buitensporige karakter van de aantasting niet hebben aangetoond, a fortiori gelet op het feit dat, volgens het Waalse Gewest, een beroep bij de Raad van State mogelijk blijft; zulk een beroep zou toelaten om in voorkomend geval de niet-naleving van de procedurele waarborgen te bestraffen. A.4.3. In hun memorie van antwoord herinneren de verzoekende partijen aan hun argumentatie en onderstrepen zij dat het Waalse Gewest voor het Hof opnieuw « een interpretatie verdedigt die totaal verschilt van die welke het aanvoert voor de Raad van State ». Bovendien, terwijl het Waalse Gewest de verzoekende partijen was beginnen te raadplegen over de op 1 december 2005 vastgestelde voorlopige omtrek van een A.B.R., werd hun antwoord eenvoudigweg geblokkeerd door de terugwerkende kracht, tot 1 januari 2006, van het bestreden decreet. Ten aanzien van het derde middel A.5.1. In dat middel wordt de schending aangevoerd van de bepalingen die in het tweede middel worden beoogd, maar deze keer in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zoals eerder is aangetoond, genieten de eigenaars van goederen die voorlopig als een A.B.R. zijn geklasseerd op de datum van inwerkingtreding van het bestreden decreet, door de werking van het decreet geen enkele onderzoeksprocedure, terwijl de eigenaars van zowel een A.B.R. van het « vroegere stelsel » als van een H.R.S. van het « nieuwe stelsel » wel zulk een procedure genieten, die de bescherming van hun belangen waarborgt. A.5.2. In haar memorie van antwoord voert de Waalse Regering aan dat zij, aangezien de artikelen 56 en 60 niet als zodanig de draagwijdte hebben die de verzoekende partijen eraan geven, niet goed ziet in welk opzicht zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden. 5 Ten aanzien van het vierde middel A.6.1. Dat laatste middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In tegenstelling tot de twee voormelde categorieën van eigenaars - die voor de Raad van State de definitieve beslissing tot klassering (hebben) kunnen betwisten -, genieten de eigenaars van goederen die voorlopig als een A.B.R. zijn geklasseerd op 1 januari 2006, door de werking van het decreet, geen jurisdictioneel beroep. Het besluit tot voorlopige klassering was immers niet vatbaar voor zulk een beroep; overigens vervangt het aangevochten decreet, in de interpretatie van het Waalse Gewest, zonder meer een besluit tot definitieve klassering. A.6.2. In zijn memorie van antwoord wijst het Waalse Gewest op de stelling die het heeft uiteengezet in verband met het eerste middel : gelet op het feit dat in werkelijkheid beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State tegen de aanwijzing van een H.R.S. als gevolg van artikel 56 van het decreet van 23 februari 2006, worden de vergeleken categorieën van burgers gelijk behandeld. -B- B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië. Die twee bepalingen maken deel uit van hoofdstuk X van het decreet, met als titel « Wijzigingen in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, in het decreet van 27 mei 2004 waarbij een belasting op afgedankte bedrijfsruimten wordt ingevoerd, in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en in het decreet van 1 april 2004 betreffende de sanering van verontreinigde bodems en te herontwikkelen bedrijfsruimten ». B.2.1. Artikel 56 van het decreet van 23 februari 2006 bepaalt : « Elke site die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet als afgedankte bedrijfsruimte erkend is, heeft de hoedanigheid van herin te richten site in de zin van artikel 169, § 4, sub artikel 47. Het onderzoek van elke aanvraag tot erkenning van de omtrek van een site dat vóór de inwerkingtreding van dit decreet opgestart werd, mag voortgezet worden op basis van dit decreet. Elk gebied voor landschappelijk en milieuherstel dat voorkomt op de lijst bedoeld in artikel 182 van het Wetboek en vastgelegd door de Regering vóór de inwerkingtreding van dit decreet heeft de hoedanigheid van gebied voor landschappelijk en milieuherstel in de zin van artikel 182 van het bij dit decreet gewijzigde Wetboek ». 6 B.2.2. Artikel 56, eerste lid, verwijst naar artikel 169, § 4, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP). Dat laatste artikel werd gewijzigd bij het bestreden decreet van 23 februari 2006. Artikel 169 bepaalt voortaan : « § 1. De Regering kan besluiten tot de herinrichting van een site waarvan zij de omtrek vastlegt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een gemeente, een intercommunale met ruimtelijke ordening of huisvesting als maatschappelijk doel, een vereniging van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een gemeentebedrijf, de ‘ Société wallonne du Logement ’ (Waalse Huisvestingsmaatschappij) en de door haar erkende openbare vastgoedmaatschappijen, de ‘ Société publique d’Aide à la Qualité de l’Environnement ’ (Openbare maatschappij voor hulpverlening inzake de verbetering van het leefmilieu) bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, één of meer eigenaars of houders van een zakelijk recht. § 2. De Regering geeft per post kennis van het besluit bedoeld in § 1 en legt het, desgevallend samen met het milieueffectrapport, voor advies over : 1° aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente(

  1. n)van de plaats waar het onroerend goed gelegen is; 2° op grond van de kadastrale gegevens, aan de betrokken eigenaars; 3° aan de commissie bedoeld in artikel 5; 4° aan de commissie bedoeld in artikel 7 indien ze bestaat; 5° als de omtrek het voorwerp is van een milieueffectrapport, aan de ‘ Conseil wallon de l’Environnement pour le Développement durable ’ (Waalse Milieuraad voor de Duurzame Ontwikkeling); 6° aan elke persoon, instantie of dienst waarvan zij het advies nuttig acht. § 3. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving bedoeld in § 2 is (zijn) de eigenaar(
  2. s)verplicht haar mee te delen aan elke houder van een zakelijk recht, aan elke huurder of bezetter van bedoeld onroerend goed, alsook aan elke persoon die hij (zij) met de uitvoering van werkzaamheden op bedoeld goed belast of daartoe gemachtigd zou(den) hebben. Deze verplichting staat vermeld in de kennisgeving die aan elke eigenaar gezonden wordt. De bestemmelingen van de kennisgeving bedoeld in § 2 richten hun adviezen schriftelijk aan de Regering binnen dertig dagen na de kennisgeving. Zo niet wordt het advies geacht gunstig te zijn. Binnen vijf dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 2 laat het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 4 gedurende vijftien dagen een openbaar onderzoek uitvoeren. 7 § 4. De Regering legt de omtrek van de herin te richten site definitief vast binnen zestig dagen na de kennisgeving bedoeld in § 2. Het besluit wordt bij bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Het wordt per post meegedeeld aan de bestemmelingen bedoeld in § 2 en overgeschreven op het hypotheekkantoor. Dat besluit vervangt het besluit bedoeld in § 1. § 5. Binnen vijftien dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 4, geeft (geven) de eigenaar(
  3. s)kennis ervan aan elke houder van een zakelijk recht, aan elke huurder of bezetter van bedoeld onroerend goed, op straffe hoofdelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor het herstel van de plaats bevolen door de rechtbank overeenkomstig artikel 155. Deze verplichting staat vermeld in de kennisgeving die aan elke eigenaar gezonden wordt. § 6. De omtrek bedoeld in artikel 167 kan door de Regering gewijzigd worden. De bepalingen die de vastlegging van de in artikel 167 bedoelde omtrek regelen zijn toepasselijk op de herziening ervan. § 7. Na herinrichting van de site wordt de in artikel 167 bedoelde omtrek bij besluit van de Regering opgeheven. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het wordt per post meegedeeld aan de bestemmelingen bedoeld in § 2 en overgeschreven op het hypotheekkantoor. Dat besluit vervangt het besluit bedoeld in § 4. § 8. De Regering kan uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vastleggen ». B.2.3. Het voormelde nieuwe artikel 169 regelt een aangelegenheid die voorheen was gereglementeerd in het vroegere artikel 168 van het WWROSP. De vroegere procedure veronderstelde in hoofdzaak de voorlopige aanneming van een omtrek van een afgedankte bedrijfsruimte, die was gekoppeld aan een verplichting tot herstel; de omtrek, voorlopig vastgesteld bij een besluit van de Regering, moest worden ingeschreven bij de hypotheekbewaring (§ 1). De procedure werd eventueel gekoppeld aan een procedure tot wijziging van het gewestplan, en een milieueffectenstudie moest worden uitgevoerd; het besluit tot voorlopige aanwijzing maakte het voorwerp uit van raadplegingen van de betrokken eigenaars en, in voorkomend geval, van de bevoegde adviesinstanties (§§ 1 tot 3). Het besluit van de Regering waarmee de omtrek van de site en het herstel ervan definitief werden aangenomen, moest de bestemming ervan en in voorkomend geval de herziening van het gewestplan bepalen (§ 4). 8 B.2.4. In de memorie van toelichting van het bestreden decreet wordt het volgende opgemerkt : « Het toepassingsgebied van het begrip ‘ afgedankte ruimte ’ werd uitgebreid tot andere activiteiten, met uitsluiting van huisvesting. Niet alle afgedankte ruimten zijn immers afgedankte bedrijfsruimten, wat niet wegneemt dat zij een negatieve visuele impact hebben die niet bevorderlijk is voor het scheppen van activiteiten. Door die uitbreiding van het toepassingsgebied dient het begrip ‘ afgedankte bedrijfsruimte ’ (A.B.R.) en ‘ te herontwikkelen bedrijfsruimte ’ (H.B.R.) te worden afgeschaft in het voordeel van het begrip ‘ herin te richten site ’ (H.R.S.). Die nieuwe algemenere terminologie gaat meer uit van een proactief handelen. Overigens wordt het begrip ‘ gebied voor landschappelijk en milieuherstel ’ dat door het programmadecreet van 3 februari 2005 in artikel 182 van het Wetboek werd ingevoegd, gehandhaafd. Voortaan heeft herinrichting dus betrekking op de herin te richten sites, waaronder wordt verstaan een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen dat bestemd was voor een andere activiteit dan huisvesting en waarvan het behoud in zijn huidige toestand strijdig is met de goede ruimtelijke ordening » (Parl. St., Waals Parlement, 2005-2006, 296, nr. 1, p. 9). B.3. De tweede aangevochten bepaling, artikel 60, voorziet erin dat het bestreden decreet van 23 februari 2006, met uitzondering van artikel 43, in werking treedt op 1 januari 2006. B.4.1. De artikelen 56 en 60 van het bestreden decreet van 23 februari 2006 worden door de verzoekende partijen betwist in de interpretatie die volgens hen die van het Waalse Gewest zou zijn. Volgens die interpretatie « zou artikel 56, in samenhang gelezen met artikel 60 van het bestreden decreet, tot gevolg hebben dat een afgedankte bedrijfsruimte, waarvan de omtrek nochtans slechts voorlopig is erkend, met andere woorden voordat de eigenaars en de betrokken instanties konden worden geraadpleegd, automatisch op 1 januari 2006 als een H.R.S. moeten worden gekwalificeerd, waardoor het ontsnapt aan zowel de procedure voor de definitieve vaststelling van de A.B.R. (en aan de in dat kader geregelde raadplegingen), als aan de procedure voor de vaststelling van de H.R.S. (en aan de in dat kader geregelde raadplegingen) ». B.4.2. De verzoekende partijen voeren vier middelen aan, waarin hoofdzakelijk twee soorten kritiek worden uiteengezet. Enerzijds wordt een schending aangevoerd van de artikelen 146, 160 en 161 van de Grondwet. De automatische omzetting zou tot gevolg hebben de betwisting te verhinderen, voor de Raad van State, van het besluit tot vaststelling van de A.B.R./H.R.S. 9 Anderzijds wordt de bestreden bepalingen verweten dat zij op een zowel onverantwoorde (tweede middel) als discriminerende (derde middel) wijze afbreuk doen aan het eigendomsrecht dat gewaarborgd is bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Door de onderzoeksfase te omzeilen, zou de automatische omzetting, in een H.R.S., van een voorlopig als A.B.R. geklasseerd goed, een aantal procedurele waarborgen doen verdwijnen : het contradictoire karakter van de procedure, de mogelijkheid van een jurisdictioneel beroep voor de Raad van State en de raadpleging van de adviesinstanties. De eigenaars van goederen die voorlopig als een A.B.R. zijn geklasseerd op de datum van inwerkingtreding van het bestreden decreet, zouden aldus, door de werking van het decreet, geen enkele onderzoeksprocedure genieten, terwijl zowel de eigenaars van een A.B.R. van het « vroegere stelsel » als die van een H.R.S. van het « nieuwe stelsel » wel zulk een procedure genieten, die de bescherming van hun belangen waarborgt. Ten slotte zouden diezelfde voormelde categorieën ten opzichte van elkaar worden gediscrimineerd wat betreft het genot van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5. Het onderzoek van de middelen vooronderstelt dat vooraf de draagwijdte van het aangevochten artikel 56 wordt bepaald en meer in het bijzonder, dat wordt onderzocht of artikel 56, eerste lid - en de omzetting in een H.R.S. waarin het voorziet - eveneens van toepassing is op de A.B.R.’s die vóór de decreetswijziging voorlopig werden erkend, dan wel of die bepaling alleen betrekking heeft op de A.B.R.’s die op 1 januari 2006 definitief waren erkend. B.6.1. De parlementaire voorbereiding van het decreet brengt weinig verheldering omtrent de bedoeling die de decreetgever zou hebben gehad bij de goedkeuring van de eerste twee leden van artikel 56. In de artikelsgewijze commentaar wordt vermeld dat dit artikel « tot doel heeft de dossiers die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet worden onderzocht, goed af te handelen » (ibid., p. 21). Uit het onderwerp en uit de bewoordingen van de eerste twee leden van artikel 56, alsook uit de commentaar kan worden afgeleid dat de decreetgever oog heeft gehad voor de afwikkeling van de dossiers die onder de vroegere wetgeving waren ingediend, en dat hij dat heeft gedaan door rekening te houden met de procedure voor erkenning van de A.B.R.’s waarin die wetgeving vroeger voorzag. 10 B.6.2. Die procedure was vastgelegd bij artikel 168 van het WWROSP, vóór de wijziging ervan bij het aangevochten decreet van 23 februari 2006. Zoals in B.2.3 werd opgemerkt, verliep de goedkeuring van de omtrek van een afgedankte bedrijfsruimte reeds in twee onderscheiden fasen - waarvan de ene voorlopig was en de andere definitief - en moest de Waalse Regering in elk van die fasen optreden : eerst met een voorlopig besluit, vervolgens met een definitief besluit. Er kan redelijkerwijze van worden uitgegaan dat de decreetgever, bij de goedkeuring van het aangevochten artikel 56, zich bewust was van die procedure in twee fasen, en dat hij ermee rekening wilde houden. Die opmerking wordt eveneens ondersteund door de vaststelling dat het nieuwe artikel 169 van het WWROSP, zoals het werd gewijzigd bij het aangevochten decreet, voor de H.R.S. dat onderscheid handhaaft : de paragraaf 1 voorziet in de goedkeuring van een voorlopig besluit, terwijl de paragraaf 4 voorziet in de goedkeuring van een definitief besluit. B.6.3. Aangezien, enerzijds, artikel 56, eerste en tweede lid, moet worden gelezen rekening houdend met de twee fasen van erkenning van een A.B.R., namelijk een voorlopige en een definitieve fase - waarin de vroegere decreetgeving reeds voorzag - en, anderzijds, de sites die reeds door de Regering waren erkend op 1 januari 2006, bijgevolg hetzij voorlopig, hetzij definitief erkend konden zijn, lijkt het coherent dat de decreetgever, om de overgangsregeling op geldige wijze te bepalen, elk van de twee voormelde gevallen heeft willen regelen. Het eerste lid van artikel 56 moet dan ook in die zin worden geïnterpreteerd dat het het lot regelt van de A.B.R.’s die door de Regering definitief zijn erkend, waarbij het in dat geval bepaalt dat zij in een H.R.S. moeten worden omgezet, terwijl het tweede lid van datzelfde artikel betrekking heeft op de A.B.R.’s die slechts voorlopig erkend zijn op 1 januari 2006, de datum van de inwerkingtreding van de nieuwe decreetgeving. B.7. De door de verzoekende partijen bekritiseerde interpretatie ontneemt bovendien aan artikel 56, tweede lid, elk nuttig gevolg : wanneer de omzetting, in een H.R.S., van de A.B.R.’s die op 1 januari 2006 zijn erkend - waarin het eerste lid voorziet - van toepassing zou zijn op zowel de definitief erkende A.B.R.’s als die welke slechts voorlopig erkend zijn, kan niet worden 11 ingezien welke aanvragen de decreetgever zou hebben beoogd bij de goedkeuring van artikel 56, tweede lid. B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het bestreden artikel 56, eerste lid, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het uitsluitend van toepassing is op de definitief erkende A.B.R.’s. Artikel 56, eerste lid, is niet van toepassing op de A.B.R.’s waarvan de omtrek vóór 1 januari 2006 enkel voorlopig was erkend. B.9. Aangezien de middelen uitgaan van een onjuiste interpretatie, zijn ze niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof, verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 26 juli 2007. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.