id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070726.7 Arrest- Rolnummer: 108/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-06-29 13:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië, ingesteld door de nv « Gery International » en anderen. Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Afgedankte bedrijfsruimte - 1. Procedure voor erkenning - 2. Wijziging van de wetgeving - Overgangsbepalingen - a. Definitief erkende afgedankte bedrijfsruimten - Omzetting in herin te richten site - b. Voorlopig erkende afgedankte bedrijfsruimten - Geen omzetting in herin te richten site. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 23-02-2006 - 56 - 34 ELI link Pub nr 2006200752 Decreet Waalse Gewest - 23-02-2006 - 60 - 34 ELI link Pub nr 2006200752 Tekst van de beslissing Rolnummer 4042 Arrest nr. 108/2007 van 26 juli 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië, ingesteld door de nv « Gery International » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 september 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 september 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2006), door de nv « Gery International », de nv « Imolu » en de nv « Murimo », alle drie met maatschappelijke zetel te 7100 La Louvière, boulevard des Droits de l’Homme 9. De vordering tot schorsing van dezelfde decretale bepalingen, ingediend door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 159/2006 van 18 oktober 2006, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2006. De Waalse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. F. Abu Dalu en Mr. E. Morati, advocaten bij de balie te Luik, loco Mr. C. Steyaert, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. N. Van Damme, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. In het gedeelte van het verzoekschrift dat nog pertinent is gelet op het arrest waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen, verantwoorden de verzoekende partijen hun belang bij het beroep, en geven een historisch overzicht van de bestreden bepalingen; zij beschrijven eveneens verschillende procedures die reeds werden ingesteld voor de Raad van State en die verband houden met het aan het Hof voorgelegde dossier. 3 In hun memorie van antwoord stellen de verzoekende partijen het Hof in kennis van de vrijwillige ontbinding van de nv « Gery International ». De ontvankelijkheid van het beroep zou echter niet zijn aangetast, meer bepaald omdat de situatie van de twee andere verzoekende partijen niet door die ontbinding wordt geraakt. Dat de verzoekende partijen hun belang behouden, zou eveneens voortvloeien uit het arrest nr. 168.730 van de Raad van State van 9 maart 2007 : dat arrest heeft de akte geschorst waarbij het Waalse Gewest de verzoekende partijen in kennis stelde van de automatische omzetting - door de werking van het decreet -, in een herin te richten site (hierna : H.R.S.), van de afgedankte bedrijfsruimte (hierna : A.B.R.) die voorlopig was erkend bij het besluit van 1 december 2005; na die interpretatie te hebben verworpen, beslist de Raad van State dat de voormelde akte van het Waalse Gewest de juridische ordening wijzigt en griefhoudend is voor de verzoekende partijen, waardoor de exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen. A.2. Ten gronde worden vier middelen aangevoerd ter ondersteuning van het beroep. Ten aanzien van het eerste middel A.3.1. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 146, 160 en 161 van de Grondwet, door de gecombineerde artikelen 56 en 60 van het decreet van 23 februari 2006, zoals zij door het Waalse Gewest worden geïnterpreteerd. Die bepalingen zouden tot gevolg hebben - hetgeen de verzoekende partijen betwisten - dat de voorlopige A.B.R. automatisch wordt omgezet in een H.R.S. Zulk een automatische omzetting zou tot gevolg hebben de betwisting te verhinderen, voor de Raad van State, van het besluit tot vaststelling van de A.B.R./H.R.S. Door op die manier te raken aan het administratief contentieux, zou de decreetgever een aangelegenheid hebben geregeld die, krachtens de artikelen 146, 160 en 161 van de Grondwet, tot de exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever behoort. Zulk een bevoegdheidsoverschrijding zou niet kunnen worden gedekt door de impliciete bevoegdheden omdat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.3.2. In zijn memorie herinnert het Waalse Gewest in de eerste plaats aan het middel en bevestigt, naar aanleiding daarvan, dat de bestreden artikelen 56 en 60 voor het Gewest tot gevolg hebben « een voorlopige A.B.R. ‘ om te zetten ’ in een definitieve H.R.S., door de werking zelf van het decreet ». Wat de grond van de zaak betreft, zou noch uit de tekst van die bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijken dat de mogelijkheid zou zijn afgeschaft om voor de Raad van State individueel de aanwijzing van een H.R.S. als gevolg van het voormelde artikel 56, te betwisten. Ter ondersteuning van die stelling verwijst het Waalse Gewest bij analogie naar de « stilzwijgende » stedenbouwkundige vergunning die voortvloeit uit het vroegere artikel 52, § 2, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium; de Raad van State heeft immers die stilzwijgende vergunning beschouwd als een administratieve akte waartegen beroep tot nietigverklaring mogelijk is. A.3.3. In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen op de tegenstrijdigheid tussen de stelling die op die manier door het Waalse Gewest wordt verdedigd voor het Hof - behoud van een beroepsmogelijkheid voor de Raad van State, niettegenstaande het bestreden artikel 56 - en die welke diezelfde partij voor de Raad van State verdedigt : voor dat laatste rechtscollege voert zij immers aan dat de akte waarbij de verzoekende partijen in kennis werden gesteld van de omzetting in een H.R.S., geen griefhoudende administratieve akte was, maar een louter declaratoire akte die gewoon een lezing zou aanreiken van de bestreden bepalingen, en meer bepaald van artikel 56. De parallel die wordt gemaakt met de stilzwijgende vergunning, zou irrelevant zijn. Te dezen wordt bij artikel 56, zonder de tussenstap van de fictie van een administratieve akte, een rechtssituatie omgezet in een andere rechtssituatie, met als gevolg dat de verzoekende partijen elk nuttig beroep voor de Raad van State wordt ontnomen. Er kan geen sprake zijn van een stilzwijgende akte omdat te dezen geen enkel gevolg expliciet wordt verbonden aan het stilzwijgen van de overheid. A.3.4. In zijn memorie van wederantwoord betwist het Waalse Gewest het bestaan van een tegenstrijdigheid met betrekking tot de stelling die het respectievelijk voor het Hof en voor de Raad van State verdedigt : de akten die voor die rechtscolleges in het geding zijn, zijn verschillend, zodat geen sprake zou kunnen zijn van tegenstrijdigheid. Voor het overige wordt de redenering die steunt op de analogie met de stilzwijgende vergunning, bevestigd : aangezien het bestreden artikel 56 aan een site de hoedanigheid van H.R.S. toekent, zou niet kunnen worden betwist dat die administratieve akte voortvloeit uit de werking van de wet; de analogie moet bijgevolg worden erkend. 4 Ten aanzien van het tweede middel A.4.1. In dat middel, dat eveneens gericht is tegen de artikelen 56 en 60, wordt de schending aangevoerd van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de eerste plaats is, volgens de verzoekende partijen, de interpretatie van het Waalse Gewest niet verdedigbaar ten aanzien van het onderscheid dat door het in het geding zijnde artikel 56 wordt gemaakt tussen de erkende sites en de sites waarvoor « het onderzoek van [een] aanvraag tot erkenning van de omtrek […] opgestart werd » - aangezien die tweede categorie, in die interpretatie, geen enkele inhoud meer heeft. In werkelijkheid zouden de erkende sites de enige sites zijn waarvan de afdankingsomtrek definitief erkend was op 1 januari 2006; voor de sites die enkel het voorwerp hebben uitgemaakt van een voorlopig besluit, zou het onderzoek van de aanvragen tot erkenning op basis van het decreet moeten worden voortgezet, dit wil zeggen met, meer bepaald, een beoordeling van de gevolgen en een voorafgaande raadpleging van de eigenaars. Alleen die interpretatie zou bestaanbaar zijn met de in het middel beoogde bepalingen en met de rechtspraak daaromtrent, in het bijzonder uit het oogpunt van de evenredigheid van de aantasting van het eigendomsrecht van de betrokken personen. Door de onderzoeksfase te omzeilen, doet de automatische omzetting in een H.R.S. een aantal procedurele waarborgen verdwijnen : het contradictoire karakter van de rechtspleging, de mogelijkheid van een jurisdictioneel beroep voor de Raad van State en de raadpleging van de adviesinstanties. Wat dat laatste punt betreft, wijzen de verzoekende partijen op de Europese bepalingen die zouden zijn geschonden door het ontbreken van een raadpleging van het publiek, en van een milieubeoordeling; het wegvallen van de voormelde eerste twee waarborgen zou dan weer afbreuk doen aan de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen besluiten dat de artikelen 56 en 60 van het aangevochten decreet, in de interpretatie die het Waalse Gewest eraan geeft, op onevenredige wijze hun eigendomsrecht aantasten. A.4.2. In haar memorie voert de Waalse Regering aan dat noch uit de formulering van de bestreden bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt dat het eigendomsrecht is aangetast. Bovendien zouden de verzoekende partijen het gebrek aan evenredigheid of het buitensporige karakter van de aantasting niet hebben aangetoond, a fortiori gelet op het feit dat, volgens het Waalse Gewest, een beroep bij de Raad van State mogelijk blijft; zulk een beroep zou toelaten om in voorkomend geval de niet-naleving van de procedurele waarborgen te bestraffen. A.4.3. In hun memorie van antwoord herinneren de verzoekende partijen aan hun argumentatie en onderstrepen zij dat het Waalse Gewest voor het Hof opnieuw « een interpretatie verdedigt die totaal verschilt van die welke het aanvoert voor de Raad van State ». Bovendien, terwijl het Waalse Gewest de verzoekende partijen was beginnen te raadplegen over de op 1 december 2005 vastgestelde voorlopige omtrek van een A.B.R., werd hun antwoord eenvoudigweg geblokkeerd door de terugwerkende kracht, tot 1 januari 2006, van het bestreden decreet. Ten aanzien van het derde middel A.5.1. In dat middel wordt de schending aangevoerd van de bepalingen die in het tweede middel worden beoogd, maar deze keer in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zoals eerder is aangetoond, genieten de eigenaars van goederen die voorlopig als een A.B.R. zijn geklasseerd op de datum van inwerkingtreding van het bestreden decreet, door de werking van het decreet geen enkele onderzoeksprocedure, terwijl de eigenaars van zowel een A.B.R. van het « vroegere stelsel » als van een H.R.S. van het « nieuwe stelsel » wel zulk een procedure genieten, die de bescherming van hun belangen waarborgt. A.5.2. In haar memorie van antwoord voert de Waalse Regering aan dat zij, aangezien de artikelen 56 en 60 niet als zodanig de draagwijdte hebben die de verzoekende partijen eraan geven, niet goed ziet in welk opzicht zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden. 5 Ten aanzien van het vierde middel A.6.1. Dat laatste middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In tegenstelling tot de twee voormelde categorieën van eigenaars - die voor de Raad van State de definitieve beslissing tot klassering (hebben) kunnen betwisten -, genieten de eigenaars van goederen die voorlopig als een A.B.R. zijn geklasseerd op 1 januari 2006, door de werking van het decreet, geen jurisdictioneel beroep. Het besluit tot voorlopige klassering was immers niet vatbaar voor zulk een beroep; overigens vervangt het aangevochten decreet, in de interpretatie van het Waalse Gewest, zonder meer een besluit tot definitieve klassering. A.6.2. In zijn memorie van antwoord wijst het Waalse Gewest op de stelling die het heeft uiteengezet in verband met het eerste middel : gelet op het feit dat in werkelijkheid beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State tegen de aanwijzing van een H.R.S. als gevolg van artikel 56 van het decreet van 23 februari 2006, worden de vergeleken categorieën van burgers gelijk behandeld. -B- B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 56 en 60 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië. Die twee bepalingen maken deel uit van hoofdstuk X van het decreet, met als titel « Wijzigingen in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, in het decreet van 27 mei 2004 waarbij een belasting op afgedankte bedrijfsruimten wordt ingevoerd, in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en in het decreet van 1 april 2004 betreffende de sanering van verontreinigde bodems en te herontwikkelen bedrijfsruimten ». B.2.1. Artikel 56 van het decreet van 23 februari 2006 bepaalt : « Elke site die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet als afgedankte bedrijfsruimte erkend is, heeft de hoedanigheid van herin te richten site in de zin van artikel 169, § 4, sub artikel 47. Het onderzoek van elke aanvraag tot erkenning van de omtrek van een site dat vóór de inwerkingtreding van dit decreet opgestart werd, mag voortgezet worden op basis van dit decreet. Elk gebied voor landschappelijk en milieuherstel dat voorkomt op de lijst bedoeld in artikel 182 van het Wetboek en vastgelegd door de Regering vóór de inwerkingtreding van dit decreet heeft de hoedanigheid van gebied voor landschappelijk en milieuherstel in de zin van artikel 182 van het bij dit decreet gewijzigde Wetboek ». 6 B.2.2. Artikel 56, eerste lid, verwijst naar artikel 169, § 4, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP). Dat laatste artikel werd gewijzigd bij het bestreden decreet van 23 februari 2006. Artikel 169 bepaalt voortaan : « § 1. De Regering kan besluiten tot de herinrichting van een site waarvan zij de omtrek vastlegt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een gemeente, een intercommunale met ruimtelijke ordening of huisvesting als maatschappelijk doel, een vereniging van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een gemeentebedrijf, de ‘ Société wallonne du Logement ’ (Waalse Huisvestingsmaatschappij) en de door haar erkende openbare vastgoedmaatschappijen, de ‘ Société publique d’Aide à la Qualité de l’Environnement ’ (Openbare maatschappij voor hulpverlening inzake de verbetering van het leefmilieu) bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, één of meer eigenaars of houders van een zakelijk recht. § 2. De Regering geeft per post kennis van het besluit bedoeld in § 1 en legt het, desgevallend samen met het milieueffectrapport, voor advies over : 1° aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.