id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.109 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070726.5 Arrest- Rolnummer: 109/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-07-02 10:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof stelt vast dat de prejudiciële vragen zonder voorwerp zijn. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Strafvordering - Bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksmethoden - Observatie en infiltratie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling - Vertrouwelijk dossier - Afwezigheid van rechtsmiddel. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 09-12-1808 - 235ter,§6 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de beslissing Rolnummers 4069, 4070 en 4098 Arrest nr. 109/2007 van 26 juli 2007 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij twee arresten van 31 oktober 2006 in zake respectievelijk V.I. en M. V.C., waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 13 november 2006, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze wetsbepaling geen enkel cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de controle van de regelmatigheid over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, in zoverre daartoe de controle van het vertrouwelijk dossier is vereist, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering een onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de toepassing van onder meer artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 407, 408, 409, 413 en 416, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering cassatieberoep toelaten tegen elk eindarrest of eindvonnis ? ». b. Bij arrest van 5 december 2006 in zake C.G., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 december 2006, heeft het Hof van Cassatie dezelfde prejudiciële vraag gesteld. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4069, 4070 en 4098 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - M. V.C. en V.I.; - C.G.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 10 mei 2007 : - zijn verschenen : . Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, voor M. V.C., V.I. en C.G.; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de drie voorliggende zaken werd cassatieberoep ingesteld tegen arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent, waarbij deze zich op grond van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering, bij de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek, heeft uitgesproken over de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie en heeft vastgesteld dat deze regelmatig zijn verlopen. Om redenen van spoedeisendheid en omdat het antwoord niet onontbeerlijk werd geacht om over de vordering van het openbaar ministerie te oordelen, is de kamer van inbeschuldigingstelling niet ingegaan op het verzoek van de eisers in cassatie om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. De eisers in cassatie voeren drie middelen aan ter ondersteuning van hun beroep. In het eerste middel voeren zij aan dat artikel 235ter, § 2, van het Wetboek van strafvordering een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat het de verdediging niet is toegestaan een kopie te vragen van het strafdossier en doordat de periode waarin het strafdossier ter inzage ligt te kort zou zijn om de verdediging voor te bereiden. In de verwijzingsbeslissing gaat het Hof van Cassatie niet in op het verzoek om daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen. In het tweede cassatiemiddel voeren de eisers aan dat artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering het recht op een eerlijk proces schendt indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het de kamer van inbeschuldigingstelling zou toelaten zich niet alleen uit te spreken over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier maar ook aan de hand van het strafdossier. In de verwijzingsbeslissing stelt het Hof van Cassatie dat de kamer van inbeschuldigingstelling een debat moet openen overeenkomstig artikel 235bis, § 3, van het Wetboek van strafvordering, wil ze ter gelegenheid van de controle van het vertrouwelijk dossier, overgaan tot een onderzoek van de wettigheid en de regelmatigheid van de observatie en infiltratie aan de hand van het strafdossier. In het derde cassatiemiddel voeren de eisers aan dat artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering ongrondwettig is doordat het bepaalt dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat, terwijl personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van even ingrijpende onderzoeksmethoden zoals telefoontap en huiszoeking, tegen het arrest dat zich uitspreekt over de wettigheid van de bewijsgaring, wel cassatieberoep kunnen instellen. Het Hof van Cassatie gaat in op het verzoek om daarover een prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.