id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.110 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070726.4 Arrest- Rolnummer: 110/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-06-29 13:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsnetten - Gemeenschapsonderwijs Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 23 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 maart 2006 betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst, ingesteld door de Orthodoxe Kerk in België en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Gesubsidieerd officieel onderwijs - Leerkrachten godsdienst - Aanstelling van tijdelijke leerkrachten -
- Bijhouden van een lijst van prioritaire leerkrachten door de autoriteiten van de eredienst - a. Ontstentenis van financiële middelen - b. Mededeling van de nodige gegevens voor het opstellen van de lijst -
- Legaliteitsbeginsel - Delegatie aan een uitvoerend orgaan -
- Weigering van een betrekking - Verlies van zijn voorrang inzake aanstelling -
- Dienstanciënniteit ? Berekeningswijze. Rechten en vrijheden -
- Vrijheid van onderwijs - a. Recht op subsidiëring - Beperkingen - b. Onderricht erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer -
- Vrijheid van eredienst. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 10-03-2006 - 23 - 60 ELI link Pub nr 2006029068 Tekst van de beslissing Rolnummer 4072 Arrest nr. 110/2007 van 26 juli 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 23 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 maart 2006 betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst, ingesteld door de Orthodoxe Kerk in België en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 november 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 november 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 23 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 maart 2006 betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 mei 2006, tweede editie), door de Orthodoxe Kerk in België, met zetel te 1030 Brussel, Charbolaan 71, Pierre Spasky, wonende te 1180 Brussel, Generaal Lotzstraat 44/1, Irène Mandis, wonende te 7134 Péronnes-lez-Binche, rue Quintaux 12, Vasileios Meichanetsidis, wonende te 1060 Brussel, Bosniëstraat 73, Elena-Camelia Popescu-Craciun, wonende te 1450 Cortil-Noirmont, rue Gaston Delvaux 56, en Carmen Sottile, wonende te 7100 Haine-Saint-Paul, chaussée de Mons
- De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 juli 2007 : - zijn verschenen : . Mr. V. Rigodanzo, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. Gonthier loco Mr. M. Kestemont-Soumeryn, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- Na een uiteenzetting van de regeling voor de tijdelijke aanstelling van de leermeesters en leraars (hierna « leerkrachten ») godsdienst, vóór en na de goedkeuring van het decreet van 10 maart 2006, en van de bepalingen van het decreet die het bestreden artikel 23 omkaderen, op het vlak van het statuut van de tijdelijke leerkrachten, wordt in het verzoekschrift het belang van de verzoekende partijen verantwoord. De Orthodoxe Kerk wordt bij artikel 23 een verplichte administratieve opdracht opgelegd - het vaststellen van een zonale rangschikking op grond van de anciënniteit van de prioritaire tijdelijke leerkrachten godsdienst, en daarvan 3 kennisgeven aan de betrokkenen -, hetgeen een rechtstreekse en ongunstige weerslag heeft op haar interne en materiële organisatie. De andere verzoekende partijen zouden een belang hebben om de bestreden bepaling aan te vechten omdat zij prioritaire tijdelijken zijn en omdat die bepaling voor hen ongunstig is : zij zouden nog niet zijn aangesteld wegens het systeem van rangschikking op basis van anciënniteit, die door de decreetgever werd ingevoerd en door het hoofd van de eredienst moet worden opgesteld. A.
- In haar memorie van wederantwoord betwist de Franse Gemeenschapsregering dat het opstellen, door het hoofd van de eredienst, van die rangschikking een werklast zou veroorzaken die dermate groot is dat zij een goede organisatie van de lessen orthodoxe godsdienst zou verhinderen. Aan de hand van meer bepaald cijfergegevens verduidelijkt die partij dat, ook al is het juist dat er moeilijkheden waren bij het begin van dit schooljaar, die moeilijkheden slechts tijdelijk waren en verbonden aan de invoering van een nieuw systeem; er is dus geen sprake van een onmogelijke situatie waarbij de organisatie van de lessen godsdienst wordt verhinderd. Door hun belang te beperken tot de kwestie van niet-subsidiëring, door de Franse Gemeenschap, van de eerste verzoekende partij, zouden overigens de andere verzoekende partijen, die leerkrachten orthodoxe godsdienst zijn, zelf hebben aangetoond dat zij geen rechtstreeks belang hebben bij dit beroep; zij zouden slechts onrechtstreeks worden geraakt door de zogenaamde organisatorische moeilijkheden van de Orthodoxe Kerk in België. Wat de middelen betreft Ten aanzien van het eerste middel A.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. Het bekritiseert vanuit twee oogpunten het feit dat het bestreden artikel 23 de autoriteiten van de erediensten de opdracht toevertrouwt om een zonale rangschikking op te maken van de prioritaire tijdelijke leerkrachten godsdienst, volgens de anciënniteit die zij binnen de betrokken zone hebben verworven. A.4.
- Wat de rechtstreekse schending van artikel 24 van de Grondwet betreft, wordt aangevoerd dat de decreetgever, door de autoriteiten van de erediensten die belangrijke opdracht toe te vertrouwen, hun een administratieve opdracht toewijst die in principe zou moeten worden vervuld door de inrichtende machten in hun hoedanigheid van werkgever, of althans door een administratief orgaan dat meerdere inrichtende machten overkoepelt en dat in staat zou zijn die opdracht te beheren. De decreetgever geeft hun echter niet de middelen om zulk een opdracht te volbrengen, terwijl de Orthodoxe Kerk een religieuze overheid is die over een zeer kleine structuur en zeer beperkte materiële en menselijke middelen beschikt. Daaruit zou volgen dat in talrijke scholen van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet geen leerkrachten orthodoxe godsdienst konden worden aangesteld, of althans pas lange tijd na het begin van het schooljaar. Artikel 23 zou bijgevolg op reële en concrete wijze raken aan de vrijheid van onderwijs en aan de vrije keuze van de ouders, die de keuze van een confessionele strekking omvat (artikel 24, § 1, vierde lid). A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist die analyse. De lessen werden in de grote meerderheid van de gevallen vanaf het begin van het schooljaar georganiseerd, en het feit dat bepaalde onderwijsinstellingen geen onderricht in orthodoxe godsdienst kunnen verstrekken, zou eerder kunnen worden verklaard door het gebrek aan kandidaten dan door problemen in verband met de aanstelling van prioritaire leerkrachten. De verzoekende partijen zouden niet aantonen in welk opzicht het bijhouden van een lijst die betrekking heeft op maximum 50 personen en die thans is uitgewerkt en enkel nog moet worden geactualiseerd, dermate moeilijk zou zijn dat het een onoverkomelijke taak zou vormen, waaruit een schending van artikel 24 van de Grondwet kan worden afgeleid. A.
- In het kader van het eerste middel voeren de verzoekende partijen eveneens het feit aan dat de Franse Gemeenschap, door zulk een opdracht toe te wijzen zonder de nodige subsidiëring voor de uitvoering ervan, de autoriteiten van de erediensten verschillend zou hebben behandeld ten opzichte van de inrichtende machten uit het onderwijs, terwijl zij gelijk moeten worden behandeld op het vlak van de opdrachten die zij moeten vervullen. A.6.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt in hoofdorde dat de inrichtende machten en de autoriteiten van de erediensten, en meer bepaald de Orthodoxe Kerk, geen vergelijkbare categorieën zijn. De basis voor de subsidiëring van de inrichtende machten moet worden gezien binnen de inachtneming van het beginsel van de 4 onderwijsvrijheid en van de vrije keuze van de ouders : die subsidiëring heeft immers enkel tot doel voor die laatsten een ruim onderwijsaanbod te kunnen waarborgen, waardoor zij kunnen kiezen voor een instelling die beantwoordt aan hun levensbeschouwelijke keuze. Men zou redelijkerwijze niet kunnen beweren dat de Orthodoxe Kerk, die niets te maken heeft met het begrip « onderwijsvrijheid », zich in dezelfde situatie zou bevinden als de inrichtende machten. A.6.
- De verzoekende partijen werpen tegen dat, als gevolg van het bestreden decreet, de autoriteiten van de erediensten terechtkomen in een situatie die analoog is met die van de inrichtende machten doordat hun opdrachten worden toevertrouwd die zuiver administratief zijn en die geen verband houden met het spirituele domein : de autoriteiten van de erediensten kunnen bijgevolg worden vergeleken met de inrichtende machten wat het recht op subsidiëring betreft. Wat betreft het ontbrekende verband tussen de autoriteiten van de erediensten en de vrijheid van onderwijs, wordt aangevoerd dat, wanneer de aanstelling van de leerkrachten godsdienst niet is gewaarborgd of niet volledig, noch op correcte wijze is gewaarborgd, de ouders geen echte vrije keuze genieten van de confessionele strekking van het onderwijs. A.7.
- Subsidiair - in de veronderstelling dat de inrichtende machten en de autoriteiten van de erediensten vergelijkbaar zijn – wijst de Franse Gemeenschapsregering, ter verantwoording van het bekritiseerde verschil, de bestaansreden aan van de subsidiëring van de inrichtende machten, die reeds werd toegelicht : concreet gezien heeft die subsidiëring tot doel de organisatie van het onderwijs voor het overgrote deel te financieren, vanaf de huur van de lokalen tot en met de aankoop van de schoolbenodigdheden en de wedden van de leerkrachten. Het bijhouden op zich van een rangschikking van de prioritaire tijdelijke leerkrachten die hun ambt wensen uit te oefenen bij andere inrichtende machten van hun zone, zou moeten worden beschouwd als fundamenteel minder belangrijk voor de uitoefening zelf van het onderwijs dan de subsidiëring van de scholen van het vrije en van het officiële onderwijsnet. De Franse Gemeenschap voert bovendien aan dat het administratieve optreden van de erediensten, in plaats van zwaarder te worden door het opstellen van die rangschikking, thans duidelijk wordt beperkt. Terwijl het hoofd van een eredienst voordien, voor iedere leerkracht van zijn religie en bij het begin van elk schooljaar, voor elke betrokken inrichtende macht opnieuw een aanstellingsvoorstel moest formuleren, moet het voortaan alleen een voorstel formuleren voor de aanstelling van de leerkrachten die niet over een anciënniteit van 360 dagen beschikken, alsook voor de aanstelling van de tijdelijke leerkrachten die een zonale prioriteit genieten : de werklast die deze rangschikking inhoudt, zou in werkelijkheid zeer ruim worden gecompenseerd door het achterwege laten van het systeem van het systematisch voorstellen, voor iedere individuele leerkracht, bij het begin van elk schooljaar. De gemeenschapswetgever kon bijgevolg op legitieme wijze oordelen dat de toepassing van de bestreden bepaling, gelet op het secundaire en accessoire karakter ervan, niet viel binnen de uitvoering van een grondwettelijk beginsel dat de toekenning van subsidies rechtvaardigt. A.7.
- De verzoekende partijen werpen in de eerste plaats tegen - wat de omvang van de in het geding zijnde taak betreft - dat het bijhouden van de rangschikking op basis van de anciënniteit van de tijdelijke leerkrachten, van kapitaal belang is omdat die rangschikking een voorwaarde is voor de aanstelling van de leerkrachten in de gemeentelijke en provinciale scholen, en die aanstelling mogelijk maakt. Wat de omvang van de taak betreft, zou deze tegelijkertijd nieuw en omvangrijk zijn ten opzichte van het verleden. Enerzijds zou het gaan om een nieuwe, louter administratieve opdracht, terwijl de voordrachten enkel betrekking hebben op de bekwaamheid van de kandidaten om de religie te onderwijzen, en dus nauw verbonden zijn met het confessionele domein waarvoor de autoriteiten van een eredienst bevoegd zijn. In werkelijkheid was de hernieuwing van de voordrachten overigens automatisch voor de reeds aangestelde leerkrachten van wie het verstrekte onderwijs geen aanleiding gaf tot kritiek vanwege de eredienst. Anderzijds zou de nieuwe opdracht een aanzienlijke werklast met zich meebrengen : voor elke zone een rangschikking opstellen op basis van anciënniteit, die wordt bijgehouden op grond van de loopbaanontwikkeling van de leerkrachten en de eventuele weigering van aangeboden betrekkingen, enz. Ten aanzien van het tweede middel A.8.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan. De decreetgever wordt verweten dat hij niet, in het decreet zelf, heeft voorzien in een mechanisme van financiering van de autoriteiten van de erediensten in ruil voor de administratieve taken die hun worden toevertrouwd (eerste onderdeel van het middel), noch in concrete maatregelen die waarborgen dat die autoriteiten de nodige 5 gegevens verkrijgen voor het opstellen van de rangschikking van de tijdelijke leerkrachten, met inbegrip van sancties wanneer die gegevens hun niet worden meegedeeld (tweede onderdeel van het middel). A.8.
- Wat het feit betreft dat de decreetgever niet in het decreet zelf heeft voorzien in de subsidiëring van de taak die aan de autoriteiten van de erediensten is opgelegd, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat zij niet de draagwijdte van de kritiek begrijpt omdat die autoriteiten als dusdanig geen absoluut subjectief recht op subsidies hebben. Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, worden de categorieën die met de autoriteiten van de erediensten worden vergeleken, niet vermeld waardoor dat onderdeel, hetzij samenvalt met het eerste middel, hetzij onontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet de vergeleken personen preciseert, noch verduidelijkt waarin de beweerde schending zou bestaan; de verzoekende partijen voeren in het bijzonder aan dat zij door het ontbreken van een reglementering benadeeld zouden zijn; zij tonen echter niet aan dat andere personen, die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden, wel het voordeel genieten van zulk een door de Franse Gemeenschap uitgevaardigde decreetgeving. A.8.
- De grieven met betrekking tot de moeilijkheden bij het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor de behandeling van de dossiers, of het gebrek aan medewerking van de leerkrachten of van de inrichtende machten zouden volgens de Franse Gemeenschap onontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij niet verbonden zijn aan een ongrondwettigheid van de bestreden bepaling, maar aan een slechte toepassing ervan : het Hof is echter niet bevoegd om een wetgevende tekst te vernietigen om reden dat hij slecht zou worden toegepast of dat de toepassing ervan niet erg gemakkelijk zou zijn. Naast het feit dat bepaalde praktische moeilijkheden bij de eerste toepassing van artikel 23 gaandeweg zouden moeten verdwijnen, voorziet het decreet, om het hoofd van een eredienst in staat te stellen die rangschikking op te maken, in een reeks mechanismen die hem toelaten op elk ogenblik de opdracht en de anciënniteit van iedere leerkracht precies te kennen. Zo gaan de eerste voordracht tot aanstelling en de aanstelling van de leerkracht uit van het hoofd van de eredienst zelf, die dus precies weet wanneer, waar en voor welke fractie van lesrooster een leerkracht godsdienst is aangesteld. Die aanstelling moet worden vastgelegd in een akte waarin, zoals artikel 22 van het decreet preciseert, alle nodige gegevens worden opgenomen, en die wordt toegezonden aan het hoofd van de eredienst. Voor elk van de volgende aanstellingen - zowel op voordracht van het hoofd van de eredienst als op grond van het prioriteitsmechanisme - wordt eenzelfde aanstellingsakte opgesteld en opnieuw aan het hoofd van de eredienst toegezonden. Ten slotte moet een leerkracht, om een zonale prioriteit te genieten, zijn kandidatuur indienen bij het hoofd van de eredienst zelf, waarbij die kandidatuur alle gegevens bevat die het hoofd van de eredienst nodig heeft om vervolgens de rangschikking van de kandidaten op te stellen. Wat de sancties betreft die verbonden zijn aan de niet-naleving van de administratieve verplichtingen door de inrichtende machten, verwijst de memorie naar artikel 24, § 2bis, van het schoolpact, en naar de mechanismen van buitencontractuele aansprakelijkheid. A.8.
- In hun memorie van antwoord betwisten of relativeren de verzoekende partijen, naar gelang van het geval, die verschillende mechanismen en sanctiemogelijkheden. De Franse Gemeenschap beweert overigens ten onrechte dat de autoriteiten van de erediensten zouden beslissen over de aanstelling van de leerkrachten, die immers een voorrecht is van de inrichtende machten. De moeilijkheden waarmee de verzoekende partijen worden geconfronteerd, zijn niet te wijten aan een aarzelende of onjuiste toepassing van het nieuwe decreet, maar aan de lacunes van de tekst van het decreet en aan de incoherentie ervan; die analyse zou worden bevestigd door het feit dat de administratie van de Franse Gemeenschap een omzendbrief heeft moeten uitvaardigen om een betere toepassing te waarborgen, door de inrichtende machten, van de nieuwe regels. A.8.
- In antwoord daarop voegt de Franse Gemeenschap toe, met betrekking tot de mechanismen en sancties waarop zij in haar memorie heeft gewezen, dat het niet aan het Hof toekomt zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het Parlement van de Franse Gemeenschap. Wat de uitvaardiging van een omzendbrief betreft, merkt zij op dat elk decreet waarbij een nieuwe statutaire regeling inzake onderwijs wordt ingevoerd, het voorwerp uitmaakt van een verklarende omzendbrief die aan de scholen wordt gericht, zonder dat daaruit kennelijk dient te worden afgeleid dat de decreten met betrekking tot de statuten van de personeelsleden onregelmatig zouden zijn. Ten aanzien van het derde middel A.9.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 tot 21 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. 6 Door administratieve opdrachten toe te vertrouwen aan de autoriteiten van een eredienst, zonder die nieuwe opdracht te plannen noch optimaal te organiseren op het vlak van subsidiëring en op het vlak van de modaliteiten die betrekking hebben op de materiële middelen om die opdracht te volbrengen - zoals het doorgeven van gegevens bijvoorbeeld -, zou het bestreden artikel 23 zich inmengen in de interne en materiële organisatie van de erediensten; het zou de vrijheid van eredienst en het verbod van inmenging schenden die in de voormelde bepalingen zijn vastgelegd. A.9.
- De Franse Gemeenschapsregering wijst in de eerste plaats erop dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Grondwettelijk Hof de overheid het recht toekent om het optreden van de erediensten te regelen, op voorwaarde dat die regeling verantwoord is en niet willekeurig. Dat is te dezen wel degelijk het geval : het mechanisme van prioriteit dat onder andere door artikel 23 wordt geregeld, laat toe de betrokken leerkrachten, in tegenstelling tot het verleden, een grotere werkzekerheid te waarborgen, en de leerlingen een betere onderwijskwaliteit, met inachtneming van het beginsel van gelijkheid onder leerkrachten; de in het geding zijnde regelgeving is voldoende toegankelijk en nauwkeurig; de aangevoerde inmenging is ten slotte redelijk evenredig met het nagestreefde doel. Wat dat laatste punt betreft, herinnert de Franse Gemeenschap eraan dat het ingevoerde mechanisme in zijn geheel voortvloeit uit een verlichting van de administratieve werklast van het hoofd van een eredienst, omdat die laatste enkel nog voor een beperkt aantal leerkrachten voordrachten voor aanstelling moet formuleren, en niet langer voor alle leerkrachten, bij het begin van elk schooljaar. A.9.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het arrest van het Hof nr. 152/2005 waarnaar de Franse Gemeenschap verwijst, betrekking heeft op een geval waarin een wetgever positieve maatregelen heeft genomen om een effectieve uitoefening van de vrijheid van godsdienst te waarborgen, hetgeen te dezen niet het geval is. Ook al is de bekommernis om, voor de aanstelling van de tijdelijke leerkrachten godsdienst, een prioriteitsmechanisme in te voeren op basis van anciënniteit rechtmatig, toch gaat het om een nieuwe en omvangrijke taak die aan de erediensten wordt toevertrouwd, die niet wordt gecompenseerd door een verlichting van de andere opdrachten van de erediensten en waarvoor de autoriteiten van een eredienst niet gekwalificeerd, noch uitgerust zijn. Een geringere inmenging was mogelijk geweest, zoals bijvoorbeeld die opdracht door de Gemeenschap zelf laten vervullen, of een zonale commissie oprichten, zoals voor de kinderverzorgers. Ten aanzien van het vierde middel A.10.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 24 ervan, alsook met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, artikel 18, § 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en artikel 13, § 3, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Door aan de autoriteiten van de erediensten, die daartoe echter niet zijn uitgerust noch gekwalificeerd, cruciale administratieve opdrachten toe te vertrouwen voor de aanstelling van de leerkrachten godsdienst, en bijgevolg voor het geven van de lessen godsdienst, zou de decreetgever, in het gesubsidieerd officieel onderwijs, de aanstelling van de leermeesters en leraars godsdienst alsook, bijgevolg, het geven van de lessen godsdienst verhinderen of althans aanzienlijk vertragen. A.10.
- De Franse Gemeenschapsregering wijst op het verband met het tweede middel en herhaalt dat de kritiek die hier evenzeer wordt geformuleerd, geen betrekking heeft op het bestreden artikel als zodanig, maar wel op de concrete toepassing ervan. Naast het feit dat die moeilijkheden tijdelijk blijken te zijn en inherent aan de toepassing van een nieuw mechanisme, zou het de bevoegde overheid toekomen daaraan een einde te maken, zonder dat het Hof de manier waarop de wetgevende bepaling wordt toegepast, vermag te beoordelen. Dat middel zou bijgevolg onontvankelijk zijn. 7 Ten aanzien van het vijfde middel A.
- In het vijfde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, wordt de bestreden bepaling in die zin bekritiseerd dat zij de leerkrachten godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs aan andere regels onderwerpt dan de leerkrachten van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. Dat middel bestaat uit vier onderdelen. Wat het eerste onderdeel betreft A.12.
- Volgens het eerste onderdeel van het middel strekt het systeem van rangschikking van de prioritaire tijdelijke leerkrachten godsdienst op basis van het aantal dagen anciënniteit ertoe het beginsel van gelijkheid onder die leerkrachten te waarborgen; wanneer die rangschikking niet wordt nageleefd of verkeerd wordt opgesteld, leidt dat automatisch tot een verbreking van de gelijkheid tussen die leerkrachten, met een schending van artikel 24, § 4, van de Grondwet tot gevolg. De verzoekende partijen vergelijken die situatie met die welke voortvloeit uit de decreetgeving betreffende de kinderverzorgers, die een mechanisme bevat van zonale rangschikking op basis van anciënniteit, en die voorziet in het optreden van een zonale commissie alsook in sancties voor de inrichtende machten die de lijsten van de kinderverzorgers niet aan de Commissie zouden bezorgen. A.12.
- De Franse Gemeenschapsregering herhaalt dat de kritiek alweer geen betrekking heeft op de bestreden bepaling zelf, maar op de toepassing ervan, die buiten de bevoegdheid van het Hof valt. Artikel 23 voorziet precies in het opstellen van een rangschikking, en is dus regelmatig; het decreet voorziet overigens, doordat het bepaalt dat de aanstellingsakten aan het hoofd van de eredienst moeten worden bezorgd, in alle maatregelen die nodig zijn om die rangschikking op te stellen. Wat het feit betreft dat niet is voorzien in sancties voor de inrichtende machten die hun verplichtingen inzake het meedelen van de gegevens niet nakomen, wordt eraan herinnerd dat dit type sancties reeds bestaat, hetzij via een rechtstreekse vordering van het hoofd van de eredienst voor de hoven en rechtbanken, op grond van een aansprakelijkheidsvordering, hetzij via een tenuitvoerlegging, door de overheid, van het sanctiemechanisme waarin artikel 24 van het schoolpact voorziet wanneer de inrichtende machten hun statutaire verplichtingen niet nakomen. Wat de vergelijking betreft met de regeling die geldt voor de kinderverzorgers - en meer bepaald het feit dat de niet-mededeling van de gegevens door de inrichtende machten wordt bestraft met de niet-aanstelling van een contractuele beambte (artikel 28, § 7, van het decreet van 21 mei 2004) -, wijst de Franse Gemeenschapsregering erop dat zulk een sanctie te dezen niet in overweging kon worden genomen : doordat de organisatie van de lessen godsdienst een grondwettelijke verplichting is, vermocht de decreetgever niet het niet-meedelen van gegevens door de inrichtende machten aldus te verbinden aan het verlies van het eraan verbonden recht. Daarom kon hij ervan uitgaan, zonder daarom echter het gelijkheidsbeginsel te schenden, dat de reeds bestaande sancties voldoende dwingend waren om te waarborgen dat de gegevens zouden worden meegedeeld, en dat het bijgevolg niet nodig was om in andere sancties te voorzien. A.12.
- Wat de verwijzing betreft naar het decreet van 21 mei 2004 betreffende de kinderverzorgers, onderstrepen de verzoekende partijen in hun memorie dat zij niet suggereren dat de sanctie van artikel 28, § 7, van dat decreet, te dezen zou moeten worden overgenomen. De vergelijking heeft enkel tot doel aan te tonen dat een rangschikking op basis van anciënniteit alleen overeenstemt met het gelijkheidsbeginsel wanneer die rangschikking correct wordt opgesteld en wanneer zij werkelijk in acht wordt genomen; wat de kinderverzorgers betreft, heeft de gemeenschapswetgever het nuttig geacht te waarborgen dat de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van de rangschikking, aan de zonale commissie worden bezorgd om te vermijden dat het hele dispositief van het decreet aan het wankelen wordt gebracht. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft A.13.
- De leerkrachten godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs zouden gediscrimineerd worden ten opzichte van die van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs wanneer zij weigeren in te gaan op een voorstel tot aanstelling dat op grond van prioriteit werd verkregen : de regeling die geldt voor de 8 laatstgenoemden zou volgens de verzoekende partijen duidelijk gunstiger zijn. In het verzoekschrift wordt niet alleen aangevoerd dat die situatie discriminerend is, maar ook dat vele leerkrachten tegelijkertijd werkzaam zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en in het gesubsidieerd officieel onderwijsnet : de verschillende regeling zou vele moeilijkheden met zich meebrengen, zoals de verschillende zones die in aanmerking moeten worden genomen, de verschillende anciënniteit die men kan laten gelden, de verschillende sancties in geval van weigering van een tijdelijke aanstelling, enz. Dat verschil in behandeling is niet gerechtvaardigd des te meer omdat, tot de goedkeuring van het bestreden decreet, in de twee onderwijsnetten dezelfde aanstellingsmodaliteiten van toepassing waren. Dat verschil in behandeling zou artikel 24, § 4, van de Grondwet schenden aangezien alleen een verantwoording vanuit het feit dat het personeel tot verschillende onderwijsnetten behoort, volgens de rechtspraak van het Hof niet voldoende is. A.13.
- De Franse Gemeenschapsregering verduidelijkt dat in beide onderwijsnetten een vergelijkbaar systeem van sancties werd ingevoerd voor de leerkrachten die zonder voldoende verantwoording een betrekking weigeren waarvoor ze zich nochtans kandidaat hadden gesteld. De decreetgever heeft getracht twee identieke sanctiesystemen in te voeren voor het geval waarin een leerkracht zonder rechtvaardiging een aanstelling weigert waarvoor hij kandidaat was, maar hij heeft rekening moeten houden met een fundamenteel onderscheid, dat bepaalde verschillen verantwoordt. Het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs vertoont immers de bijzonderheid dat er voor alle leerkrachten één enkele territoriale entiteit bestaat, namelijk de Franse Gemeenschap zelf, zodat zij mogelijkerwijs, vrijwillig of niet, hun ambt kunnen uitoefenen in elk van de onderwijsinstellingen, ongeacht de ligging ervan. Dat betekent dat een leerkracht, via één enkele kandidatuur, kandidaat is voor alle vacante betrekkingen, binnen de zones die hij kiest, en zelfs in alle zones indien hij dat wenst. Bijgevolg volstaat, bij de oproep tot de kandidaten die uitgaat van de administratie van de Franse Gemeenschap, één enkele kandidatuur om eender waar te worden aangesteld. Het door de decreetgever gekozen criterium van onderscheid tussen leerkrachten berust aldus op die kandidaturen, die de basisakte vormen voor de aanstelling van een tijdelijke leerkracht; hoe meer kandidaturen hij indient, hoe groter zijn prioriteit. Zulk een mechanisme kan niet worden toegepast in het gesubsidieerd officieel onderwijsnet. Binnen dat net zijn er immers vele verschillende inrichtende machten (elke gemeente, stad of provincie is een inrichtende macht op zich). Op die manier is het voormelde systeem van één enkele kandidatuur niet mogelijk : men zou immers zijn kandidatuur moeten indienen bij elke inrichtende macht, wat duidelijk niet realiseerbaar is. Het mechanisme van de kandidatuur werd hier dus vervangen door dat van de anciënniteit : het is dat laatste criterium dat de kandidaten onderscheidt en hun een grotere of minder grote prioriteit toekent. Gelet op de onmogelijkheid om voor het gesubsidieerd officieel onderwijs een mechanisme over te nemen dat identiek is aan dat van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, heeft de decreetgever het in het geding zijnde systeem ingevoerd : de gevolgen van dat systeem zijn zoveel mogelijk soortgelijk, namelijk het verlies van een mogelijkheid om gedurende een schooljaar bij voorkeur te worden aangesteld. Het bekritiseerde onderscheid is dus beperkt, en is het gevolg van een objectief verschil tussen de twee onderwijsnetten. De Franse Gemeenschapsregering voegt aan die argumentatie toe dat, inzake religie, het gelijkheidsbeginsel meervoudig is : voor de wetgever is het immers van belang erop toe te zien dat de leerkrachten godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet niet alleen op dezelfde wijze worden behandeld als de leerkrachten godsdienst van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, maar eveneens als de leerkrachten van de andere vakken van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet. De decreetgever heeft bijgevolg het gelijkheidsbeginsel toegepast door, voor de verzoekende partijen, het statuut van hun rechtstreekse collega’s over te nemen, namelijk het statuut van de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet, zoals dat is vastgelegd in het decreet van 6 juni 1994; dat neemt echter niet weg dat, telkens wanneer de klassieke statutaire bepalingen ontoepasbaar waren wegens een bijzonderheid die te maken had met het optreden van het hoofd van de eredienst, het statuut van de leerkrachten godsdienst dat werd vastgesteld bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, als basis werd genomen. Die dubbele dimensie van de gelijkheid leidt tot een hybride statuut, een noodzakelijk gevolg van de volledige inachtneming van het beginsel, met zijn dualiteit die eigen is aan de leerkrachten godsdienst. Te dezen wordt in artikel 23, § 8, een mechanisme overgenomen dat reeds van toepassing is op de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet, en dat vervat is in artikel 24, § 7, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs. Aangezien de kwestie van de niet-gerechtvaardigde weigering van een aanstelling, door een tijdelijke leerkracht, geen verband houdt met het optreden van het hoofd van de eredienst, kon de decreetgever op geldige wijze beslissen 9 om voor die leerkracht het statuut van zijn rechtstreekse collega’s te laten gelden, met een strikte inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. A.13.
- In hun memorie van antwoord beklemtonen de verzoekende partijen dat het systeem van verlies van prioriteit in geval van weigering van een betrekking, voor de autoriteiten van de eredienst een bijkomende administratieve last met zich meebrengt omdat zij de rangschikkingen moeten bijhouden op basis van die weigeringen, terwijl zij daarvan niet in kennis zouden worden gesteld. Wat betreft het zoeken naar de « soepel aanpasbare » gelijkheid onder leerkrachten, wordt, naast de vaststelling dat geen enkel uittreksel uit de parlementaire voorbereiding van het decreet die argumentatie ondersteunt, meer bepaald opgemerkt dat artikel 24 van het decreet van 6 juni 1994 alleen het verlies van prioriteit binnen een inrichtende macht regelt, en niet het verlies van prioriteit binnen een zone die uit meerdere inrichtende machten zou bestaan; die bepaling beoogt dus geen geval dat vergelijkbaar is met het geval van deze zaak, en kan niet worden overgenomen, in tegenstelling tot de regels die van toepassing zijn op de leerkrachten van het onderwijsnet van de Gemeenschap. A.13.
- In haar memorie van wederantwoord citeert de Franse Gemeenschapsregering de uittreksels uit de parlementaire voorbereiding die de wil van de decreetgever bevestigen om, wanneer geen enkele objectieve rechtvaardiging hem dat verhindert, dezelfde statutaire regels toe te passen op de leerkrachten godsdienst en hun rechtstreekse collega’s van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Wat het derde onderdeel van het middel betreft A.14.
- In dat onderdeel wordt een ander verschil in behandeling bekritiseerd tussen de leerkrachten van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet, dat betrekking heeft op de berekeningswijze van de dienstanciënniteit die vereist is om als leerkracht prioriteit van aanstelling te genieten : die anciënniteit bedraagt, krachtens het bestreden artikel, 360 dagen voor de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijsnet, en 240 dagen voor de leerkrachten van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, krachtens artikel 5quater van het koninklijk besluit van 25 oktober
- Dat verschil in behandeling zou discriminerend zijn des te meer omdat, tot de goedkeuring van het bestreden decreet, de leerkrachten godsdienst van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en die van het gesubsidieerd officieel onderwijs volgens dezelfde modaliteiten werden aangesteld. A.14.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de toepassing van twee licht verschillende bepalingen op de twee categorieën van leerkrachten die in dat onderdeel worden vergeleken, opnieuw kan worden verantwoord vanuit de inachtneming van het beginsel van gelijkheid onder leerkrachten van eenzelfde onderwijsnet. De bepalingen waaruit de voormelde verschillende anciënniteit voortvloeit, nemen immers mechanismen over die overigens reeds bestaan en van toepassing zijn op de leerkrachten van de andere vakken van de twee onderwijsnetten. De Regering besluit dat de decreetgever, door een verschillende bepaling toe te passen op elk van de door de verzoekende partijen vergeleken categorieën van leerkrachten, het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden, maar dat beginsel daarentegen heeft nageleefd door ervoor te kiezen, aangezien het begrip « godsdienstonderricht » niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de dienstanciënniteit, een gelijke behandeling te waarborgen van alle leerkrachten van eenzelfde onderwijsnet. Wat betreft het vierde onderdeel van het middel A.15.
- In dat laatste onderdeel wordt aangevoerd dat bepaalde inrichtende machten, wegens het uitblijven van een correcte rangschikking per zone, leerkrachten zouden hebben aangesteld zonder rekening te houden met de regels van het bestreden decreet; die aanstellingen zouden de facto een nadeel teweegbrengen en discriminatie voor de prioritaire tijdelijke leerkrachten die op hun aanstelling wachten, aangezien voorkeur wordt gegeven aan leerkrachten die niet voldoen aan de statutair bepaalde voorwaarden. Volgens de verzoekende partijen zou die situatie het gevolg zijn van het systeem van rangschikking dat door de decreetgever is ingevoerd. 10 A.15.
- De Franse Gemeenschapsregering wijst erop, in het verlengde van haar vroegere argumentatie, dat het niet de in het geding zijnde bepaling is die ten grondslag zou liggen aan de zogenaamde onregelmatige aanstellingen, maar de niet-inachtneming ervan. Indien die aanstellingen bewaarheid zouden worden, zouden zij aanvechtbaar zijn omdat zij niet in overeenstemming zijn met het decreet; zij konden in voorkomend geval worden betwist voor de Raad van State, die bevoegd is om een administratieve akte die werd uitgevaardigd zonder rekening te houden met de rechtsregels, nietig te verklaren. Die argumentatie heeft echter niets te maken met een ongrondwettigheid van het decreet. A.15.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het feit dat men tot onregelmatige aanstellingen kon beslissen, te wijten is aan de lacunes en de tekortkomingen van het bestreden decreet, die in de andere middelen van het verzoekschrift zijn aangeklaagd en die aanleiding geven tot ongrondwettigheid. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
- Het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 maart 2006 « betreffende de statuten van de leermeesters godsdienst en de leraars godsdienst » regelt de loopbaan van de leerkracht godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Het voorziet meer bepaald, in zijn artikel 23, in een mechanisme voor de aanstelling van tijdelijke leerkrachten, dat is verbonden aan anciënniteit, en het bepaalt de voorwaarden, de modaliteiten en de procedure ervan. Die procedure omvat een rangschikking van de prioritaire tijdelijke leerkrachten, waarvan het bijhouden aan de autoriteiten van de eredienst wordt toevertrouwd bij de tweede paragraaf van artikel 23; de verzoekende partijen hebben hoofdzakelijk kritiek op het bijhouden van die lijst. Artikel 23, § 2, bepaalt : « Na uitputting van de lijst van de prioritaire kandidaten bedoeld in § 1, stelt het hoofd van de eredienst, bij wijze van voorrang, de tijdelijke aanstelling voor, als leermeester godsdienst of leraar godsdienst in een ambt waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, van het personeelslid dat het bewijs kan leveren van 360 dagen die werkelijk werden gepresteerd in één van de ambten van leermeester godsdienst of leraar godsdienst, in hoofdambt in het gesubsidieerd officieel onderwijs, verdeeld over ten minste twee schooljaren, en verworven gedurende de laatste vijf schooljaren : 1° In het lager, gewoon en gespecialiseerd onderwijs, binnen de inrichtende machten van elk van de zones zoals bepaald in artikel 1, 8°, van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen; 11 2° In het secundair en kunstonderwijs, binnen de inrichtende machten van elk van de zones zoals bepaald in artikel 8 van het decreet van 12 mei 2004 betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs. De aanstellingen geschieden met inachtneming van de rangschikking. Die wordt bepaald door het hoofd van de eredienst op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, §
- Bij gelijke dienstanciënniteit wordt de voorrang verleend aan het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit berekend overeenkomstig artikel 18, §
- Bij gelijke ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid. Bij gelijke leeftijd, wordt de voorrang verleend aan het personeelslid waarvan het jaar van uitreiking van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarnaar wordt gesolliciteerd het oudste is ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist in verschillende opzichten het belang van de verzoekende partijen. Door te voorzien in het bijhouden van een lijst van de prioritaire leerkrachten godsdienst, gerangschikt volgens hun anciënniteit, en door de opdracht toe te vertrouwen aan de autoriteiten van de eredienst, wijzigt de bestreden bepaling op dat gebied de vroegere situatie van de eerste verzoekende partij, en raakt zij bijgevolg rechtstreeks haar situatie. Men kan bovendien aannemen, zonder vooruit te lopen op het onderzoek van de middelen, dat die wijzigingen haar situatie ongunstig kunnen beïnvloeden. Aangezien een voldoende belang is aangetoond in hoofde van de eerste verzoekende partij, is het beroep ontvankelijk; er dient bijgevolg niet te worden nagegaan of de andere verzoekende partijen evenzeer doen blijken van het vereiste belang. 12 Ten gronde B.
- In de middelen wordt de niet-naleving van de artikelen 10, 11, 19 tot 21 en 24 van de Grondwet aangevoerd; in sommige middelen worden die bepalingen onderling gecombineerd, alsook met internationale verdragsbepalingen. De kritiek heeft betrekking op drie punten : - het feit dat het decreet de verplichting om de lijst van de prioritairen bij te houden, die aan de autoriteiten van de eredienst is opgelegd, niet koppelt aan enige financiële steun, ten gunste van die autoriteiten; - het feit dat het decreet de autoriteiten van de eredienst niet waarborgt dat zij de gegevens verkrijgen die nodig zijn voor het opstellen van de rangschikking van de tijdelijke leerkrachten, met inbegrip van sancties wanneer die gegevens niet worden meegedeeld; - het feit dat het decreet in verschillende opzichten de leerkrachten godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs zou discrimineren ten opzichte van die van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. De verzoekende partijen voeren bovendien, ter ondersteuning van hun argumentatie, moeilijkheden aan bij de uitvoering van de bestreden bepaling. B.
- De verzoekende partijen klagen meermaals een ontbrekende, vertraagde of onregelmatige aanstelling aan van leerkrachten godsdienst, alsook lacunes en moeilijkheden bij het bezorgen, aan de autoriteiten van de eredienst, van de gegevens die nodig zijn voor het correct bijhouden van de rangschikking. Zonder zich te moeten uitspreken over de realiteit of de omvang van de aldus aangevoerde moeilijkheden, dient te worden vastgesteld dat de kritiek erop de wijze betreft waarop de bestreden bepaling zou worden toegepast, en niet die bepaling zelf : die wijze van toepassing ontsnapt aan de bevoegdheid van het Hof. Het komt in voorkomend geval de bevoegde overheid en de bevoegde rechtscolleges toe daaraan een einde te maken. 13 B.
- Volgens de memorie van toelichting biedt titel I van het decreet van 10 maart 2006 een oplossing voor het ontbreken van een eigen statuut voor de leerkrachten godsdienst van de gesubsidieerde officiële onderwijsinstellingen, door ze een statuut toe te kennen dat analoog is met dat van de andere leerkrachten (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2005- 2006, 223, nr. 1, pp. 8-9). Tijdens de parlementaire voorbereiding werd het volgende gepreciseerd : « Om dat te verwezenlijken heeft men zich bij het schrijven van die tekst voortdurend laten leiden door de bekommernis om het beginsel van gelijkheid onder leerkrachten scrupuleus na te leven. Aangezien het doel van dit ontwerp erin bestaat de statutaire mechanismen die reeds in de andere statuten bestaan, toepasselijk te maken op de leerkrachten godsdienst, moest men immers die mechanismen zo nauwkeurig mogelijk overnemen, en enkel ervan afwijken wanneer een objectief verschil dat rechtvaardigde. […] Zij [de minister-presidente] onderstreept hier nu reeds het fundamentele ingrijpen van het hoofd van de eredienst in de loopbaan van de personeelsleden, dat ten grondslag ligt aan enkele specifieke elementen die hier worden ingevoerd ten opzichte van de statuten van de andere leerkrachten. Men moest uiteraard specifieke elementen invoeren in de klassieke mechanismen om het hoofd van de eredienst de plaats en de bevoegdheid te waarborgen die hem eigen is, en dat zowel bij het begin als gedurende de loopbaan van de leerkracht godsdienst. In dit geval rechtvaardigt het noodzakelijke ingrijpen van het hoofd van de eredienst dat dit statuut specifieke kenmerken vertoont ten opzichte van de statuten die voor de andere leerkrachten gelden. […] Ook al wordt, doordat de inrichtende machten van de instellingen uit het gesubsidieerd officieel onderwijs het karakter van een overheid hebben, de verwijzing geprivilegieerd naar het statuut van het personeel van de instellingen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs, toch leiden bepaalde kenmerken tot een andere benadering, zoals dat het geval is voor de andere leden van het gesubsidieerd onderwijzend personeel uit het gesubsidieerd officieel onderwijs, die onderworpen zijn aan het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs » (ibid., nr. 3, pp. 5 en 6). 14 Ten aanzien van het feit dat het decreet aan de autoriteiten van de eredienst geen financiële middelen toekent voor het bijhouden van de lijst van prioritaire leerkrachten B.
- Door de autoriteiten van de eredienst geen middelen toe te kennen voor het bijhouden van de lijst van de prioritaire leerkrachten, zou de decreetgever artikel 24, § 1, vierde lid, en § 5, alsook de artikelen 19 tot 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, schenden. B.7.
- Artikel 24, § 1, eerste en tweede lid, van de Grondwet waarborgt de vrijheid van onderwijs. Die grondwettelijke vrijheid onderstelt, wil ze niet louter theoretisch zijn, dat de inrichtende machten die niet rechtstreeks afhangen van de gemeenschap, onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op subsidiëring vanwege de gemeenschap. Het recht op subsidiëring vindt zijn beperking, enerzijds, in het vermogen van de gemeenschap om de subsidiëring te laten afhangen van vereisten van algemeen belang, zoals onder meer die van een behoorlijke onderwijsverstrekking en van bepaalde schoolbevolkingsnormen, en, anderzijds, in de noodzakelijkheid om de beschikbare financiële middelen te spreiden over de onderscheiden opdrachten van de gemeenschap. Artikel 24, § 1, vierde lid, heeft, door de openbare overheden die scholen inrichten te verplichten de keuze te bieden tussen het onderricht in een van de erkende godsdiensten en dat in de niet-confessionele leer, een fundamenteel recht vastgelegd. Elke maatregel die van dien aard zou zijn dat hij die keuze verhindert, ondermijnt of bestraft, zou, al was die economisch gerechtvaardigd, die grondwettelijke bepaling schenden. B.7.
- Artikel 24, § 5, drukt de wil uit van de Grondwetgever om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden een regeling te treffen voor de essentiële aspecten van het onderwijs wat de inrichting, erkenning of subsidiëring ervan betreft, doch verbiedt niet dat onder bepaalde voorwaarden opdrachten aan andere overheden worden gegeven. B.7.
- Artikel 19 van de Grondwet waarborgt de vrijheid van eredienst en de vrije openbare uitoefening ervan; artikel 20 verbiedt elke vorm van dwang op dat gebied. Krachtens artikel 21, eerste lid, mag de Staat zich niet bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van een eredienst, noch hun verbieden briefwisseling te houden met hun overheid of hun akten openbaar te maken. 15 B.8.
- De bestreden bepaling voorziet erin dat de rangschikking van de tijdelijke leerkrachten godsdienst - met inachtneming waarvan de aanstellingen bedoeld in artikel 23, § 2, van het decreet moeten gebeuren - wordt opgemaakt door het hoofd van de eredienst, op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit. B.8.
- Overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 maart 2006 worden de leermeesters godsdienst en leraars godsdienst, behalve als zij prioritair zijn in de zin van artikel 23, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet, tijdelijk aangesteld op de voordracht van het hoofd van de eredienst. Door de autoriteiten van de eredienst te betrekken bij de aanstellingsprocedure van hun leerkrachten, geeft de decreetgever een antwoord op de bekommernis om « het hoofd van de eredienst de plaats en de bevoegdheid te waarborgen die hem eigen is, en dat zowel bij het begin als gedurende de loopbaan van de leerkracht godsdienst » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2005-2006, nr. 223, nr. 3, p. 5). B.8.
- Wanneer een inrichtende macht tot aanstelling van een tijdelijke leermeester of leerkracht godsdienst wil overgaan na uitputting van de lijst van de prioritaire kandidaten bedoeld in artikel 23, § 1, van het decreet van 10 maart 2006, dient bij die aanstelling de door het hoofd van de eredienst bepaalde rangschikking op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit in acht te worden genomen. Zonder dat moet worden beslist of het feit dat het hoofd van de eredienst aan het bijhouden van die rangschikking middelen moet besteden die voordien aan andere taken werden besteed, een inmenging vormt in de uitoefening van de rechten die worden gewaarborgd door de door de verzoekende partijen aangevoerde bepalingen, dient te worden vastgesteld dat die inmenging niet kennelijk onredelijk is gelet op de beperkte omvang van die taak in hoofde van de eerste verzoekende partij. Uit het dossier blijkt niet dat het bijhouden van een rangschikking van ongeveer 60 kandidaten de taak van het hoofd van de eerste verzoekende partij, die, vóór de goedkeuring van de bestreden bepaling, reeds via een raadplegingsprocedure betrokken was bij de aanstelling van de leerkrachten godsdienst, op onredelijke wijze zou verzwaren. B.8.
- Wat de inachtneming van artikel 24, § 5, van de Grondwet betreft, stelt het Hof vast dat de rangschikking door de decreetgever zelf werd ingevoerd. 16 B.8.
- De combinatie van de voormelde grondwetsbepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de internationale verdragsbepalingen die de verzoekende partijen hebben aangevoerd, leidt niet tot andere conclusies. B.
- In zoverre het kritiek uitoefent op het feit dat het hoofd van de eredienst ermee wordt belast een rangschikking te bepalen van tijdelijke leerkrachten op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit, zonder dat de nodige middelen worden toegekend voor het bijhouden van die rangschikking, is het middel niet gegrond. Wat het feit betreft dat het decreet de autoriteiten van de eredienst niet zou waarborgen dat zij de nodige gegevens verkrijgen voor het opstellen van de rangschikking van de tijdelijke leerkrachten B.
- Volgens de verzoekende partijen zouden die lacunes leiden tot de schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet, en van de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen die de vrijheid van eredienst waarborgen en de inmenging in de aangelegenheden van de erediensten verbieden. B.
- Het decreet van 10 maart 2006 voorziet in verschillende mechanismen die het hoofd van de eredienst toelaten de opdracht en de anciënniteit van elk van de betrokken leerkrachten te kennen. Krachtens artikel 21, eerste lid, worden de leerkrachten godsdienst, onverminderd artikel 23, aangesteld op voordracht van het hoofd van de eredienst. Krachtens het tweede lid van dat artikel ontvangt het hoofd van de eredienst een afschrift van elke aanstellingsakte. Krachtens artikel 22, eerste lid, vermeldt die aanstellingsakte onder andere de datum van indiensttreding en de datum waarop de aanstelling eindigt. Op het einde van elke activiteitsperiode reikt de inrichtende macht de tijdelijke leerkracht een attest uit dat eveneens onder meer de begin- en einddatum van de activiteit vermeldt (artikel 22, derde lid); dat attest moet krachtens artikel 23, § 7, worden bezorgd aan het hoofd van de eredienst bij wie de leerkrachten die hun voorrangrecht wensen te laten gelden, hun kandidatuur moeten indienen. 17 Daaruit volgt dat het decreet op voldoende wijze de mededeling waarborgt, aan de autoriteiten van de eredienst, van de gegevens die nodig zijn voor het bijhouden van de rangschikking van de tijdelijke leerkrachten. Wat betreft de aangevoerde discriminaties tussen de leerkrachten godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs en die van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs B.
- In het vijfde middel wordt artikel 23 van het bestreden decreet in die zin bekritiseerd dat het de leerkrachten godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs aan andere regels onderwerpt dan die welke van toepassing zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, met schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. B.
- Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen en personeelsleden het beginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de Grondwet een verschil in behandeling niet uit op voorwaarde dat dit gegrond is op « de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht ». Om ten aanzien van de regel van gelijkheid en niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de onderwijsinstellingen en tussen de personeelsleden van de onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende te wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die instellingen en personeelsleden. Bovendien moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, het bekritiseerde onderscheid relevant is om een verschil in behandeling in redelijkheid te verantwoorden. B.14.
- Het eerste verschil in behandeling betreft de sanctieregeling die van toepassing is op de prioritaire tijdelijke leerkracht godsdienst die een betrekking weigert waarvoor hij zich kandidaat had gesteld : in het gesubsidieerd officieel onderwijs verliest hij in principe, krachtens artikel 23, § 8, van het decreet van 10 maart 2006, zijn voorrang, binnen de inrichtende macht of binnen de zone naar gelang van het geval, voor een betrekking in hetzelfde ambt gedurende het lopende schooljaar; in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs ziet de leerkracht, krachtens artikel 6ter van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, gewijzigd bij artikel 139 van hetzelfde decreet, zijn aantal kandidaatstellingen verminderd met één eenheid voor de betrokken zone. 18 B.14.
- In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs kan een leerkracht, doordat er slechts één inrichtende macht is, zich door middel van één enkele kandidatuur kandidaat stellen voor een aanstelling; die kandidatuur vermeldt de zones die de leerkracht kiest en die zelfs het hele grondgebied van de Franse Gemeenschap kunnen dekken; het aantal ingediende kandidaturen bepaalt de voorrang. In het gesubsidieerd officieel onderwijs daarentegen is, wegens de verscheidenheid van en het grote aantal inrichtende machten, één enkele kandidatuur voor het hele onderwijsnet uitgesloten : om dezelfde voorrangsregeling te laten gelden, zou de leerkracht bij elke inrichtende macht zijn kandidatuur moeten indienen, hetgeen - zoals werd opgemerkt tijdens de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2005-2006, 223, nr. 1, p. 10) redelijkerwijs niet realiseerbaar is. Dat objectieve verschil is pertinent ten opzichte van de onderscheiden sanctieregeling - die in het ene geval gebaseerd is op het aantal door een leerkracht ingediende kandidaturen, maar niet in het andere geval - die van toepassing is op een prioritaire leerkracht die een aanstelling weigert waarvoor hij zich nochtans kandidaat had gesteld. Het verschil in behandeling is ook niet onevenredig wat de gevolgen ervan betreft : in beide gevallen wordt een ongerechtvaardigde weigering bestraft door het verlies van voorrang om als tijdelijke te worden aangesteld; evenzeer is die sanctie in beide gevallen beperkt tot de inrichtende macht of de zone waarvoor de betrekking is geweigerd, en eveneens beperkt in de tijd; de voorrang gaat immers voor slechts één schooljaar verloren. Het Hof merkt daarnaast op dat, als gevolg van het bestreden artikel 23, § 8, de leerkrachten godsdienst van het gesubsidieerd officieel onderwijs zijn onderworpen aan hetzelfde type sanctie als de andere leerkrachten van dat onderwijsnet, krachtens artikel 24, § 7, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs . B.15.
- De verzoekende partijen bekritiseren eveneens een ander verschil in behandeling tussen de leerkrachten van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijs, dat betrekking heeft op de berekeningswijze van de dienstanciënniteit waarover de leerkrachten moeten beschikken om voorrang inzake aanstelling te genieten : die anciënniteit bedraagt, krachtens het bestreden 19 artikel 23, 360 dagen voor de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijs, en, krachtens artikel 5quater van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, slechts 240 dagen voor de leerkrachten van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. B.15.
- De Franse Gemeenschapsregering wijst erop dat de dienstanciënniteit die is vereist om als prioritair te worden beschouwd - respectievelijk 240 (het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs) en 360 dagen (gesubsidieerd officieel onderwijs) voor de leerkrachten godsdienst -, eveneens de dienstanciënniteit is die wordt geëist van de andere leerkrachten van die twee onderwijsnetten. Er wordt in het bijzonder opgemerkt dat artikel 24, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 « tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs », in dezelfde dienstanciënniteit van 360 dagen voorziet voor een aanstelling als prioritair tijdelijk personeelslid. Tijdens de parlementaire voorbereiding van dat decreet verduidelijkte de Regering het volgende : « […] dit ontwerpstatuut is de uitdrukking van verschillende strekkingen die wij hebben moeten harmoniseren gedurende lange besprekingen met alle partners (inrichtende machten en vakbonden). Zij hebben unaniem hun wens geuit dat het aantal dagen dat vereist is om in de categorie van de gerangschikte prioritaire tijdelijken te worden opgenomen, ten minste 360 werkelijk gepresteerde dagen zou zijn. Zij wensten dat die laatsten een voldoende anciënniteit zouden hebben binnen de inrichtende macht » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1993-1994, 156, nr. 2, p. 16). B.15.
- Het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs wordt gekenmerkt door haar eenheid, in tegenstelling tot het gesubsidieerd officieel onderwijs. Dat laatste omvat inrichtende machten die zowel verschillend (provincies, steden en gemeenten) als talrijk zijn; die vaststelling geldt meer bepaald op het niveau van de overheden die zich moeten bemoeien met de loopbaan van de leerkrachten, meer bepaald op het vlak van hun evaluatie. Die vaststelling impliceert eveneens dat een leerkracht, in het bijzonder een leerkracht godsdienst, een loopbaan kan hebben die bestaat uit diensten die werden gepresteerd bij verschillende inrichtende machten. B.15.
- De decreetgever kon redelijkerwijs uit die vaststelling afleiden dat het aantal dagen dienstanciënniteit dat het recht opent op een prioritaire tijdelijke aanstelling, in het gesubsidieerd officieel onderwijs vrij hoog moest zijn om voldoende waarborgen te bieden omdat de aanstelling van een leerkracht als prioritaire tijdelijke van rechtswege bestaat. 20 B.15.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat artikel 23, in zoverre het de bekritiseerde anciënniteit vereist om een aanstelling als prioritaire tijdelijke leerkracht te genieten, artikel 24, § 4, van de Grondwet niet schendt. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 26 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.