id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.111 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070726.3 Arrest- Rolnummer: 111/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-06-29 13:48 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 74bis, § 2, en 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - KIESWETGEVING - Verkiezingen gemeente Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 74bis, § 2, en 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek, gesteld door de Raad van State. Grondwettelijk recht - Verkiezingen - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Verkiezingen van de gemeenteraden -
- Bezwaar in verband met de verkiezing -
- Bezwaar in verband met de verkiezingsuitgaven - Termijn -
- Vervallenverklaring van het mandaat van het gemeenteraadslid. Wettelijke bepalingen: Brussels gemeentelijk kieswetboek - 04-08-1932 - 74bis,§2 - 31 ELI link Pub nr 1932080451 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Brussels gemeentelijk kieswetboek - 04-08-1932 - 75bis,§1,L5 - 31 ELI link Pub nr 1932080451 Tekst van de beslissing Rolnummer 4205 Arrest nr. 111/2007 van 26 juli 2007 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 74bis, § 2, en 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 170.895 van 7 mei 2007 in zake Jacques Vandenhaute, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 mei 2007, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het, in het licht van de ordonnanties van 20 juli 2006 en 20 oktober 2006, zo moet worden geïnterpreteerd dat het enkel van toepassing is op de bezwaren tegen de verkiezing met uitsluiting van die bezwaren die zijn gegrond op de wet van 7 juli 1994 ‘ betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden, de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn ’, waardoor aldus een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen onder de gemeenteraadsleden naargelang hun mandaat in het geding wordt gebracht naar aanleiding van een bezwaar tegen de verkiezing of een bezwaar dat is gegrond op de wet van 7 juli 1994 ? »;
- « Schendt artikel 74bis, § 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een verschil in behandeling in het leven roept onder de politieke mandatarissen naargelang zij deelnemen aan de parlementsverkiezingen of aan de gemeenteraadsverkiezingen, in zoverre het voorziet in de mogelijkheid om een kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen zijn mandaat te ontzeggen wanneer die niet de bepalingen van de artikelen 3, § 2, of 7 van de wet van 7 juli 1994 ‘ betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden, de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn ’ of van artikel 23, § 2, van het voormelde Wetboek in acht zou hebben genomen, terwijl een dergelijke mogelijkheid van ontzegging van mandaat niet bestaat ten aanzien van de kandidaten voor de parlementsverkiezingen, vermits in die specifieke sanctie niet wordt voorzien in de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Emmanuel Degrez, wonende te 1150 Brussel, Stuivenbergstraat 70-72, en Agnès Degouy, wonende te 1150 Brussel, Paliosteeg 20; - Jacques Vandenhaute, wonende te 1150 Brussel, Jules Du Jardinlaan 29/18; - de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement; - de Regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Op de openbare terechtzitting van 12 juli 2007 : - zijn verschenen : . Mr. F. Gosselin, advocaat bij de balie te Brussel, voor Jacques Vandenhaute; 3 . Mr. P. Levert en Mr. B. Trachte, advocaten bij de balie te Brussel, voor Emmanuel Degrez en Agnès Degouy; . Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement; . Mr. J.-F. De Bock, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoeker voor de Raad van State, Jacques Vandenhaute, werd bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006 verkozen tot gemeenteraadslid in Sint-Pieters-Woluwe. Hij werd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen tot burgemeester bij beslissing van 24 november
- Op 22 november 2006 hebben Emmanuel Degrez, verkozen gemeenteraadslid, en Agnès Degouy, kandidate bij de verkiezingen, bij het Rechtscollege van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een beroep ingesteld op grond van artikel 3, §§ 1 en 2, van de wet van 7 juli 1994 « betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden, de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn », alsmede op grond van artikel 74, § 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek wegens, enerzijds, overschrijding van de toegelaten verkiezingsuitgaven en, anderzijds, het uitdelen van geschenken of gadgets gedurende de periode van de verkiezingen. Bij een beslissing van 19 februari 2007 heeft het Rechtscollege het bezwaarschrift ten aanzien van Jacques Vandenhaute ontvankelijk en gegrond bevonden en hem vervallen verklaard van zijn mandaat van gemeenteraadslid. De verzoeker heeft voor de Raad van State tegen die beslissing hoger beroep ingesteld waarbij hij in hoofdorde de vernietiging vordert wegens de onbevoegdheid ratione temporis van het Rechtscollege. Volgens hem had dat College, luidens artikel 75 van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek, zich moeten uitspreken binnen dertig dagen na de indiening van het bezwaarschrift in het raam van een verkiezingsgeschil. In het verwijzingsarrest is de Raad van State van oordeel dat, in tegenstelling tot wat de verzoeker betoogt, de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 75 van het voormelde Wetboek moet worden geïnterpreteerd als een termijn van orde, wat betreft de bezwaren die zijn gebaseerd op de schending van de voormelde wet van 7 juli
- Vermits in het verwijzingsarrest rekening wordt gehouden met de ordonnantie van 20 juli 2006 « tot wijziging van de nieuwe gemeentewet en van het Brussels gemeentekieswetboek » waarbij de termijn om bezwaar in te dienen tegen de verkiezing tot tien dagen wordt teruggebracht en de termijn waarbinnen, bij ontstentenis van bezwaar tegen de verkiezing, het verkiezingsresultaat definitief wordt, op vijfenveertig dagen wordt teruggebracht en ook rekening wordt gehouden met de ordonnantie van 20 oktober 2006 « tot wijziging van artikel 74, § 2, van het Brussels Gemeentekieswetboek » waarbij de termijn voor indiening van bezwaren inzake verkiezingsuitgaven op vijfenveertig dagen werd vastgesteld, wordt geoordeeld dat de procedure van het verkiezingsgeschil en die van het geschil inzake verkiezingsuitgaven los staan van elkaar, zodat, aangezien artikel 75, § 1, vijfde lid, van het voormelde Wetboek niet van toepassing is op laatstvermelde, de in het vierde lid van de voormelde bepaling bedoelde termijn van dertig dagen « een termijn van orde is die slechts mag 4 worden bekritiseerd in geval van overschrijding van een redelijke termijn ». De Raad van State, die van oordeel is dat uit die interpretatie van artikel 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek een verschil in behandeling onder de verkozen gemeenteraadsleden voortvloeit naargelang hun mandaat in het geding wordt gebracht naar aanleiding van een bezwaar tegen de verkiezing of een bezwaar gegrond op de wet van 7 juli 1994, stelt aan het Hof op vraag van de verzoeker de eerste hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. In ondergeschikte orde betoogt de verzoeker voor de Raad van State dat de regeling van vervallenverklaring van het mandaat, bedoeld in artikel 74bis, § 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek, discriminerend is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Dat is de reden waarom de Raad van State aan het Hof de tweede prejudiciële vraag stelt. III. In rechte -A- Standpunt van de belanghebbende partijen voor de Raad van State Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
- De belanghebbende partijen voor de Raad van State brengen in herinnering dat het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek voorziet in twee types van bezwaren : enerzijds, de bezwaren tegen de verkiezing en, anderzijds, die welke zijn gegrond op de schending van de artikelen 3, §§ 1 en 2, of 7 van de wet van 7 juli 1994 « betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden, de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn ». De termijn van indiening voor het eerste beroep bedraagt tien dagen vanaf het proces-verbaal dat uitgaat van het hoofdstembureau dat de resultaten van de verkiezing vaststelt. De op de wet van 7 juli 1994 gegronde bezwaren moeten worden ingediend binnen vijfenveertig dagen na de datum van de verkiezingen. A.1.
- Wat betreft de termijn voor behandeling van die bezwaren door het Rechtscollege, bepaalt artikel 75, § 1, vierde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek dat dit College uitspraak doet binnen dertig dagen na de indiening van het bezwaar. De belanghebbende partijen brengen vervolgens in herinnering dat de Raad van State in het verwijzingsarrest heeft geoordeeld dat de bij artikel 75, § 1, vierde lid, voorgeschreven termijn van dertig dagen moest worden geïnterpreteerd als een vaste termijn inzake bezwaar tegen de verkiezing maar dat daarentegen die termijn van dertig dagen enkel een termijn van orde kon zijn wat betreft de bezwaren ingediend op grond van de wet van 7 juli
- A.1.
- Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het bestaan van twee soorten geschillen die kunnen ontstaan naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen. Dat criterium is relevant aangezien het noodzakelijk is dat de gemeenteraad snel en zeker wordt geïnstalleerd, wat verantwoordt dat geschillen inzake de geldigheid van de verkiezingen snel worden behandeld, aangezien dat contentieux in voorkomend geval kan leiden tot de ongeldigverklaring van de verkiezingen. Diezelfde imperatieven zijn echter niet van toepassing op geschillen inzake de verkiezingsuitgaven, zo menen de betrokken partijen, aangezien de sanctie van dat contentieux, de ontneming van het mandaat van een verkozen kandidaat, niet hetzelfde drastische karakter vertoont als de vernietiging van de verkiezingen. A.1.
- De belanghebbende partijen voor de Raad van State herinneren eraan dat indien die korte termijn inzake bezwaren in verband met de verkiezingsuitgaven zou worden toegepast, zulks in werkelijkheid erop zou neerkomen dat de klagers een daadwerkelijk beroep wordt ontzegd. De eerste prejudiciële vraag dient, volgens hen, dus ontkennend te worden beantwoord. A.1.
- De belanghebbende partijen voor de Raad van State brengen in hun memorie van antwoord in herinnering dat het Hof gebonden is door de interpretatie die de verwijzende rechter aan de door hen ter toetsing voorgelegde bepalingen geeft en dat het enkel een andere interpretatie voorstelt, wanneer die met de Grondwet 5 kan worden verzoend. Te dezen is het echter geenszins nodig een andere interpretatie te geven dan die van de Raad van State, vermits die interpretatie, volgens de belanghebbende partijen, om de door hen in hun memorie uiteengezette motieven, de enige is die verzoenbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.2.
- In hoofdorde doen de belanghebbende partijen voor de Raad van State gelden dat artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat de gewesten bevoegd zijn om de voorzieningen te treffen in verband met de controle van de verkiezingsuitgaven. Het is in dat verband dat de verschillende in het geding zijnde Brusselse ordonnanties werden aangenomen. Het Hof heeft evenwel meermaals geoordeeld dat een verschillende behandeling in aangelegenheden waar de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, het gevolg is van een verschillend beleid en als zodanig niet kan worden geacht strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Naast het feit dat de wetgevingen die men in onderhavige vraag wil vergelijken niet dezelfde situatie beogen, vermits zij verschillende verkiezingen en verschillende mandaten beogen, dienen ook de gevolgen uit de voormelde rechtspraak te worden getrokken en dient de vergelijking van de wetgeving van twee onderscheiden gewesten betreffende het contentieux van de gemeenteraadsverkiezingen te worden afgewezen. Aangezien het hier gaat om onderscheiden verkiezingen, met name de federale verkiezingen, enerzijds, en de gemeenteraadsverkiezingen, anderzijds, die afhangen van verschillende overheden - de federale Staat, enerzijds, en de gewesten, anderzijds - en rekening houdend met het principe van de autonomie van de deelentiteiten, een autonomie die zowel van toepassing is tussen de deelentiteiten als ten aanzien van de federale Staat, dient a fortiori te worden geconcludeerd dat de categorieën die men in de vraag in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wil analyseren, niet vergelijkbaar zijn. Bijgevolg dient de tweede prejudiciële vraag, volgens de belanghebbende partijen voor de Raad van State, ontkennend te worden beantwoord. A.2.
- In ondergeschikte orde erkennen dezelfde partijen dat niet in de sanctie van de vervallenverklaring van het mandaat wordt voorzien ten aanzien van een volksvertegenwoordiger of een senator die de maximale toegestane verkiezingsuitgaven zou hebben overschreden, terwijl zulks wel het geval is voor een gemeenteraadslid in dezelfde omstandigheden. Zij erkennen tevens dat de beide wetgevingen hetzelfde doel nastreven. Het gaat echter om twee verschillende procedures die van toepassing zijn op twee verschillende types van verkiezingen, waarbij overheden van verschillende juridische aard optreden teneinde verschillende sancties op te leggen. Voor de federale verkiezingen is, in geval van overschrijding van het maximumplafond van de toegestane verkiezingsuitgaven, de in artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 juli 1989 « betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen » bedoelde controlecommissie bevoegd, die is samengesteld uit parlementsleden, zijnde gelijken, die optreedt en die de sanctie van de verbeurdverklaring van de dotatie kan opleggen of onder meer aangifte kan doen bij de procureur des Konings. Het gaat om een wetgevend orgaan. Voor de gemeenteraadsverkiezingen zijn, in geval van overschrijding van het maximumplafond van de toegestane verkiezingsuitgaven, het Rechtscollege en de Raad van State - in beroep -, zijnde administratieve rechtscolleges, bevoegd. Zij kunnen de sanctie van de vervallenverklaring van het mandaat opleggen. Krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet kunnen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen enkel hoven en rechtbanken en de arbitrale rechtscolleges zich uitspreken over geschillen in verband met politieke rechten. De inachtneming van die bepalingen wordt weliswaar niet rechtstreeks verzekerd door het Hof. Een wet die een niet verantwoorde afwijking zou bevatten ten aanzien van dat fundamentele beginsel van de Grondwet zou de regels van gelijkheid en niet-discriminatie echter schenden. Het Hof kan dus niet aan de in het geding zijnde bepalingen een interpretatie geven die niet in overeenstemming is met de artikelen 144 en 145 van de Grondwet. Het is dus niet zozeer de keuze van de in het geding zijnde sanctie dan wel de keuze van het orgaan dat uitspraak moet doen die ten grondslag ligt aan de aangeklaagde discriminatie. 6 Er dient evenwel te worden vastgesteld dat dat punt niet aan het Hof wordt voorgelegd. A.2.
- In hun memorie van antwoord voeren de belanghebbende partijen voor de Raad van State, in ondergeschikte orde en met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State, aan dat de sanctie van de vervallenverklaring van het mandaat niet evenredig is, dat ze overigens niet automatisch is en dat, in deze zaak, een andere verkozen mandataris die nochtans schuldig werd bevonden aan een overschrijding van de verkiezingsuitgaven, niet op dergelijke wijze werd bestraft. Standpunt van de verzoekende partij voor de Raad van State Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.3.
- De verzoekende partij voor de Raad van State stelt in de eerste plaats dat de door de Raad van State in zijn verwijzingsarrest gesuggereerde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling de bedoeling van de wetgever niet in acht neemt : niets maakt het immers, volgens haar, mogelijk te denken dat artikel 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek, waarin het principe wordt gesteld van de dwingende aan het Rechtscollege opgelegde termijn voor de bezwaren in het raam van het verkiezingscontentieux, aan daadkracht zou hebben ingeboet wat betreft de bezwaren met het oog op de vervallenverklaring van het mandaat. Die interpretatie, zo vervolgt de verzoekende partij voor de Raad van State, vindt geen enkele grondslag in de parlementaire voorbereiding van de ordonnanties. De federale wetgever van 1994 had bovendien, volgens haar, de beide types van bezwaren aan dezelfde dwingende termijn willen onderwerpen. Hoe dan ook, zo meent zij nog, kan een dwingende termijn niet impliciet worden gewijzigd, wat het geval zou zijn indien de interpretatie van het verwijzend rechtscollege zou worden aangenomen. In het voormelde Kieswetboek wordt weliswaar een verschillende termijn ingevoerd voor de beide types van bezwaren, maar zonder dat daarom de termijn waarbinnen de beslissing van het Rechtscollege moet worden gewezen, werd gewijzigd. De verzoekende partij voor de Raad van State leidt daaruit af dat het Hof niet de door de Raad van State gesuggereerde interpretatie in aanmerking kan nemen en die moet vervangen door de interpretatie volgens welke, dezelfde dwingende termijn van dertig dagen van toepassing is op de beide types van beslissingen die door het Rechtscollege worden gewezen. A.3.
- Indien de door de Raad van State gegeven interpretatie van de in het geding zijnde bepaling in aanmerking zou worden genomen, zo vervolgt de verzoekende partij voor dat rechtscollege, zou daaruit, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, onder de verkozen mandatarissen een onverantwoord verschil in behandeling voortvloeien naargelang een bezwaar de geldigheid van de verkiezingen of de verkiezingsuitgaven zou betreffen. Alle in het raam van de gemeenteraadsverkiezingen verkozen kandidaten zijn immers potentiële rechtsonderhorigen van het Rechtscollege en zijn dus onderworpen aan de procedure die van toepassing is voor dat College wanneer het zich uitspreekt over enig bezwaar. Volgens die procedure, die het grondrecht om te worden verkozen waarborgt indien het Rechtscollege zich niet uitspreekt binnen de toebedeelde dwingende termijn van openbare orde, wordt het bezwaar, ongeacht de aard ervan, als verworpen beschouwd en wordt het verkiezingsresultaat definitief en dus onaanvechtbaar. Als adressaten van de maatregel van vernietiging van de verkiezingen of van vervallenverklaring van het mandaat, een maatregel die in eerste aanleg enkel kan worden uitgesproken door het Rechtscollege, vormen de gemeentelijke verkozenen identieke categorieën op wie dezelfde procedure voor het Rechtscollege moet worden toegepast. Geen enkele redelijke verantwoording maakt het mogelijk de interpretatie van de verwijzende rechter te volgen volgens welke op de rechtsonderhorigen van hetzelfde Rechtscollege die aan dezelfde procedure onderworpen zijn, verschillende termijnen zouden worden toegepast. A.3.
- In haar memorie van antwoord brengt de verzoekende partij voor de Raad van State in herinnering dat het belangrijk is een onderscheid te maken tussen de regeling van de termijnen waarin is voorzien voor het instellen van een beroep en de regeling van de termijnen die aan de overheid worden toegekend om uitspraak te doen over het beroep. Zij brengt ook in herinnering dat ten aanzien van de mogelijke schending van het 7 fundamenteel recht om te worden verkozen, het loutere bestaan van onderscheiden beroepsprocedures wat betreft de termijn voor indiening ervan, niet kan volstaan om aan te nemen dat dezelfde rechtsonderhorigen van een rechtsprekend orgaan op verschillende wijze worden behandeld. Er kan niet worden aangenomen dat een op grond van het algemeen stemrecht regelmatig verkozen persoon zijn mandaat tijdens de hele legislatuur ziet verdwijnen naar gelang van de tijd die het Rechtscollege nodig zal hebben gehad om het bezwaar te onderzoeken. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.4.
- De verzoekende partij voor de Raad van State is evenwel van mening dat het verschil in behandeling tussen de federale mandatarissen en de lokale verkozenen niet verantwoord is. De twee categorieën van verkozenen zijn vergelijkbaar. De discriminatie, zo meent de verzoekende partij, staat bijgevolg vast. Dat verschil in behandeling werd overigens in herinnering gebracht in de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 juli 1994 en werd aangekaart in de rechtsleer. Ten slotte blijkt de sanctie, ook al is het nagestreefde doel wettig, onevenredig. Ofschoon te dezen in theorie de vervallenverklaring van het mandaat niet van rechtswege wordt verwezenlijkt, aangezien het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek bepaalt dat een kandidaat van zijn mandaat vervallen kan worden verklaard, blijkt die maatregel in de feiten niettemin nagenoeg een automatische maatregel te zijn, die bijgevolg onevenredig is. Enerzijds, brengt de vastgestelde overschrijding van de verkiezingsuitgaven, aangezien ze op cijfers berust, het Rechtscollege logischerwijs ertoe de daartoe voorgeschreven sanctie op te leggen en, anderzijds, beschikt het Rechtscollege, wanneer het een schending van de wet van 7 juli 1994 vaststelt, evenwel over geen enkel ander alternatief dan de vervallenverklaring van het mandaat. A.4.
- In haar memorie van antwoord betoogt de verzoekende partij voor de Raad van State dat de door de andere partijen aangehaalde rechtspraak van het Hof niet relevant is, in zoverre volgens haar niet kan worden betwist dat de Brusselse wetgever geen specifieke en uitdrukkelijke wetgeving heeft uitgevaardigd wat betreft de regeling van de dwingende termijn en de specifieke sanctie ervoor die van toepassing is op de bezwaren die strekken tot de vervallenverklaring van het mandaat : de in het Brusselse Gewest van toepassing zijnde regeling is nog steeds die welke is aangenomen door de wetgever van 1994, namelijk het bestaan van een dwingende termijn zowel voor de bezwaren die strekken tot de vernietiging van de verkiezingen als voor de bezwaren die strekken tot de vervallenverklaring van het mandaat. Standpunt van de voorzitter van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.5.
- De voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement is van oordeel dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.5.
- In het contentieux van de geldigverklaring van de verkiezingen, zo brengt de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement in herinnering, worden bij het Rechtscollege bezwaren aanhangig gemaakt met zeer uiteenlopende onderwerpen (bijvoorbeeld de organisatie van het verloop van de verkiezing, de telling van de stembiljetten bij de stemopneming, de inbreuk op de vrijheid van stem, allerhande vergissingen in de oproepingen, op de stembiljetten enz.) die, volgens de in 2006 tot uiting gebrachte wens van de Brusselse ordonnantiegever, binnen een korte termijn (tien dagen) moeten worden geformuleerd teneinde tot een snelle geldigverklaring of ongeldigverklaring van de verkiezingen te komen (vijfenveertig dagen na de verkiezingen bij ontstentenis van bezwaar en maximum veertig dagen wanneer bij het Rechtscollege een bezwaar aanhangig is gemaakt). Aldus vallen de termijnen van de procedure van de geldigverklaring van de verkiezingen voor het Rechtscollege samen met de « wachttijd » voor het aantreden van de gemeenteraad. Het is eveneens om reden van die termijnen dat, in geval van bezwaar, hetzij het Rechtscollege uitspraak doet binnen dertig dagen (artikel 75, § 1, vierde lid), hetzij, bij ontstentenis van beslissing van dat College binnen die termijn, het bezwaar als verworpen wordt beschouwd en het verkiezingsresultaat definitief wordt. Het 8 gaat hier om een uitzondering op de grondwettelijke verplichting van motivering van jurisdictionele handelingen, die bijgevolg restrictief moet worden geïnterpreteerd. Die uitzondering wordt verantwoord door motieven van continuïteit van de overheden en van permanentie. Wanneer bij het Rechtscollege een bezwaar wordt aanhangig gemaakt in het contentieux van de geldigverklaring van de verkiezing, onderzoekt het de regelmatigheid van de verkiezing in haar geheel en is het niet gehouden tot de bewoordingen van het bezwaar en kan het ambtshalve uitspraak doen over de onregelmatigheden die het vaststelt of die te laat bij het College worden aangeklaagd. Zelfs wanneer een bezwaar niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het College daarmee dus rekening houden bij het algemeen onderzoek van de geldigverklaring van de verkiezingen. Krachtens artikel 74bis, § 1, van het Brussels Kieswetboek, kan het Rechtscollege de verkiezingen enkel vernietigen op grond van onregelmatigheden die de zetelverdeling tussen de onderscheiden lijsten kunnen beïnvloeden. A.5.
- De situatie is niet dezelfde, zo vervolgt de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, in het contentieux betreffende de verkiezingsuitgaven. Vermits dat contentieux de vervallenverklaring van het mandaat teweegbrengt, gaat het niet om de geldigverklaring van het resultaat van een verkiezing. Vóór de aanneming van de ordonnantie van 20 oktober 2006 « tot wijziging van artikel 74, § 2, van het Brussels Gemeentekieswetboek » verwees paragraaf 2 van artikel 74 betreffende de termijn voor indiening van een bezwaar in verband met de verkiezingsuitgaven, naar de termijn waarin werd voorzien voor de indiening van de bezwaren in verband met de geldigverklaring van de verkiezingen. Die termijn werd bij de ordonnantie van 20 juli 2006 tot tien dagen teruggebracht. Hetzelfde gold dus impliciet voor de termijn van indiening van een bezwaar op grond van de wet betreffende de verkiezingsuitgaven. Zoals wordt uiteengezet in de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 20 oktober 2006, is die termijn van tien dagen evenwel niet bestaanbaar met de procedure in verband met de verkiezingsuitgaven. Om hieraan tegemoet te komen heeft de voormelde ordonnantie de termijn voor bezwaren die steunen op een overtreding van de wetgeving op de verkiezingsuitgaven op vijfenveertig dagen gebracht. De Raad van State heeft terecht gesteld dat, wanneer bij het Rechtscollege een bezwaar aanhangig wordt gemaakt op grond van de wet betreffende de verkiezingsuitgaven of van artikel 23, § 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek, het College rechtsprekend werk doet. Het gaat immers niet langer om het geldig verklaren van een verkiezing waarbij eventuele fouten, onregelmatigheden of fraude worden onderzocht, maar om een eventuele sanctie wegens een fout die toe te schrijven is aan een welbepaalde persoon, namelijk de kandidaat die bepalingen inzake verkiezingsuitgaven die werden aangenomen om de gelijkheid onder de kandidaten te waarborgen, zou hebben geschonden. Tot besluit is de impliciete geldigverklaring van de verkiezingen als uitzondering op de verplichting om een rechterlijke beslissing te motiveren, niet langer verantwoord in het geval van een contentieux in verband met de verkiezingsuitgaven dat de vervallenverklaring van een mandaat van gemeenteraadslid teweegbrengt. Krachtens artikel 149 van de Grondwet, dat vereist dat elk vonnis met redenen wordt omkleed, zou het toepassen van artikel 75, § 1, vijfde lid, en de erin vervatte sanctie, namelijk een verwerping van bezwaren door het stilzwijgen van de overheid waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, neerkomen op het begaan van een ongrondwettigheid. De Raad van State heeft dus terecht gesteld dat de door de verzoeker gemaakte ruime interpretatie van artikel 75, § 1, vijfde lid, diende te worden verworpen. Zodoende moet geen enkele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden vastgesteld, aangezien het Rechtscollege uitspraak doet over het bezwaar binnen een redelijke termijn, na een debat op tegenspraak en mits een met redenen omklede beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State. A.5.
- In zijn memorie van antwoord betoogt de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement dat het Hof gebonden is door de interpretatie die door de verwijzende rechter aan een wetgevende bepaling wordt gegeven. Het stelt enkel een andere interpretatie voor, indien die in overeenstemming mocht zijn met de Grondwet. Te dezen is de door de Raad van State aan artikel 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek gegeven interpretatie de enige mogelijke interpretatie en is ze eveneens in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 De voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement onderstreept voorts dat het niet juist is te beweren dat in het contentieux betreffende de verkiezingsuitgaven het Rechtscollege ertoe gemachtigd zou zijn pas jaren nadat het bezwaar werd ingediend uitspraak te doen. De Raad van State heeft in zijn verwijzingsarrest gepreciseerd dat de termijn van dertig dagen geen dwingende termijn kon zijn maar dat die termijn niettemin een termijn van orde is waarbij het Rechtscollege de verplichting wordt opgelegd om zich binnen een redelijke termijn uit te spreken. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.6.
- In hoofdorde is de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement van oordeel dat de vergelijking van de sancties die kunnen worden uitgesproken ten laste van de politieke mandatarissen naargelang zij aan de gemeenteraadsverkiezingen of de parlementsverkiezingen deelnemen, niet toelaatbaar is gelet op onder meer het arrest van het Hof nr. 78/
- Te dezen zijn de drie gewesten volledig autonoom wetgevend opgetreden, in voorkomend geval door de tot dan vigerende federale wetgeving aan te passen. Net zoals ze niet toestaan de gewestelijke wetgevingen met elkaar te vergelijken, staan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet evenmin toe de federale wetgeving te vergelijken met de Brusselse gewestelijke wetgeving. Enkel om die reden behoeft de prejudiciële vraag, zoals ze is geformuleerd, geen antwoord. A.6.
- In ondergeschikte orde zou een vergelijking van de beide in de prejudiciële vraag bedoelde wetgevingen, volgens de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, niet leiden tot de vaststelling van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Enerzijds moet worden opgemerkt dat de sanctie van vervallenverklaring van het mandaat geen automatische sanctie is. Krachtens artikel 74bis, « kan » ze worden uitgesproken door het Rechtscollege dat over een aanzienlijke beoordelingsmarge beschikt en ertoe gehouden is zijn beslissing te motiveren. Het staat eveneens aan dat College de ernst van de schendingen van de artikelen van de wet betreffende de verkiezingsuitgaven te evalueren. De sanctie wordt dus behoedzaam gehanteerd. Anderzijds kan tegen de beslissing van het Rechtscollege een beroep met volle rechtsmacht worden ingediend bij de Raad van State. In het contentieux in verband met de verkiezingsuitgaven kan de Raad van State de beslissing van het Rechtscollege om een verkozen kandidaat van zijn mandaat vervallen te verklaren, bevestigen of vernietigen. Die situatie is in verscheidene opzichten niet voldoende vergelijkbaar met de controle van de verkiezingsuitgaven voor de federale verkiezingen. In de eerste plaats worden de verkiezingen op federaal niveau niet geldig verklaard door een jurisdictioneel orgaan waarbij een bezwaar wordt ingediend, maar door de betrokken assemblees (artikel 48 van de Grondwet) en zulks, met toepassing van de basisbeginselen van de opbouw van de Staat die eisen dat de wetgevende kamers in de uitoefening van hun opdracht over de meest ruime onafhankelijkheid beschikken (arrest nr. 20/2000 van 23 februari 2000). Vervolgens behoort de controle van de verkiezingsuitgaven, volgens de wet van 4 juli 1989, tot de bevoegdheid van de Controlecommissie, een niet-jurisdictioneel orgaan dat paritair is samengesteld uit leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat (artikel 1, 4°). Die commissie onderzoekt de juistheid en de volledigheid van de verslagen die door de voorzitters van de hoofdbureaus worden toegezonden en stelt een eindverslag op waarin inzonderheid de inbreuken op de in artikel 2 van de wet opgesomde plafonds worden vermeld. Bij overschrijding van het maximumbedrag vastgesteld door de Controlecommissie verliest de betrokken politieke partij ambtshalve het recht op de dotatie (artikel 13 van de wet van 4 juli 1989). Er wordt in geen enkele beroepsmogelijkheid voorzien. Hetzelfde geldt voor de beslissing van de Controlecommissie genomen overeenkomstig artikel 4bis, § 4, van de wet van 4 juli 1989, inzake mededelingen of voorlichtingscampagnes. 10 Bovendien is de te begeven functie niet vergelijkbaar : enerzijds, oefent de verkozen kandidaat op gemeentelijk of provinciaal vlak een functie uit binnen een administratieve overheid, de gemeenteraad of de provincieraad en, anderzijds, gaat het om een wetgevende overheid, het Parlement. Ten slotte heeft de sanctie van vervallenverklaring van het mandaat geen enkel strafrechtelijk karakter. Het bestaan ervan werd verantwoord door het lokale karakter van de verkiezingen, de duur van het mandaat (zes jaar), zonder risico van vroegtijdige ontbinding (wat moet worden vergeleken met maximum vier jaar van een federale legislatuur). Aangezien het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen regionale dotaties toekent aan de partijen, is de sanctie van het verbeuren van de dotatie louter theoretisch. Bovendien zijn de lijsten die bij de gemeenteraadsverkiezingen en provincieraadsverkiezingen worden gevormd niet altijd lijsten van partijen maar veeleer lijsten met een gemengde samenstelling, wat bevestigt dat de toepassing van een straf op een partij en niet op een kandidaat geen nut heeft. Een bij de gemeenteraadsverkiezingen tegen de kandidaat, en zelfs tegen de lijsttrekker, uitgesproken sanctie is adequater en doeltreffender. De aangevoerde discriminatie wordt dus niet aangetoond. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voor de Raad van State heeft aangevoerd, heeft niemand aangetoond dat de hiervoor beschreven situatie niet objectief zou kunnen worden verantwoord en bijgevolg discriminerend zou zijn. Ofschoon een auteur in de rechtsleer die mening schijnt toegedaan te zijn, zet hij niet uiteen waarom de situatie van de enen discriminerend zou zijn in vergelijking met de situatie van de anderen. Sommige volksvertegenwoordigers daarentegen hebben tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 juli 1994 geoordeeld dat er essentiële verschillen waren tussen de beide mandaten. Indien een discriminatie zou worden vastgesteld, zou zij overigens evengoed betrekking kunnen hebben op de bepalingen van de wet van 4 juli 1989 veeleer dan op artikel 74bis, § 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek. Sommigen zouden immers kunnen vinden dat de federale wetgeving (en niet het voormelde Kieswetboek) discriminerend is, in zoverre zij niet voorziet in de vervallenverklaring van het politieke mandaat voor de mandataris die de toegelaten verkiezingsuitgaven zou hebben overschreden in het raam van de federale parlementsverkiezingen. A.6.
- In zijn memorie van antwoord preciseert de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement dat de verzoekende partij voor de Raad van State niet aantoont hoe de beide categorieën van mandatarissen - federale en gemeentelijke - met elkaar vergelijkbaar zijn. Standpunt van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.7.
- Na de antecedenten in herinnering te hebben gebracht in verband met de wet van 7 juli 1994 « betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden, de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn » zet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering uiteen dat, naar aanleiding van de toekenning van die bevoegdheid aan de gewesten bij artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een gemeentelijk Kieswetboek heeft aangenomen op 16 februari 2006, en dat het dat Wetboek heeft gewijzigd bij een ordonnantie van 20 juli 2006 wat betreft de termijnen inzake bezwaren tegen de verkiezingen en inzake verkiezingsuitgaven. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering zet uiteen waarom de ordonnantie van 20 oktober 2006 de termijn voor indiening van de bezwaren inzake verkiezingsuitgaven op vijfenveertig dagen heeft gebracht. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering brengt vervolgens in herinnering dat het Hof in zijn rechtspraak heeft vastgesteld dat krachtens de bevoegdheden die aan de gewesten inzake ondergeschikte besturen en in het bijzonder inzake gemeenteraadsverkiezingen zijn toegekend, het aan de gewestelijke wetgever toekomt te bepalen of verschillende situaties verschillende reglementeringen vergen en zulks zelfs wanneer de grondwettelijke normen een vorm van gelijkheid opleggen (arrest nr. 35/2003 van 25 maart 2003). 11 A.7.
- Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dient de eerste prejudiciële vraag hoe dan ook ontkennend te worden beantwoord. De verkozen kandidaten wier mandaat wordt betwist in het raam van een bezwaar tegen de verkiezing, bevinden zich immers niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van de verkozen kandidaten die worden geconfronteerd met een bezwaar inzake verkiezingsuitgaven. De beide types van bezwaren leiden weliswaar uiteindelijk tot de vervallenverklaring van het mandaat van gemeenteraadslid en, in de beide gevallen, zal de sanctie voortvloeien uit de niet-naleving van regels die zijn vastgesteld om het goede verloop van de verkiezingen te waarborgen. De beide types van bezwaren vinden echter hun oorsprong in verschillende bronnen, zijn gebaseerd op verschillende gronden, worden geregeld door procedures waarvan de modaliteiten verschillend zijn en hebben verschillende gevolgen. Wat in het bijzonder de sancties inzake het contentieux van de geldigverklaring van de verkiezingen betreft, leidt een succesvol bezwaar hetzij tot de vernietiging van de verkiezing, hetzij tot de wijziging van de zetelverdeling tussen de lijsten, of heeft dat bezwaar een weerslag op de rangorde van de verkozen raadsleden of op die van de opvolgers, overeenkomstig artikel 76 van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek. Inzake verkiezingsuitgaven leidt een succesvol bezwaar enkel tot de vervallenverklaring van het mandaat van het beoogde raadslid. Het bezwaar inzake verkiezingen beoogt overigens per definitie niet slechts één enkel individu maar wel alle kandidaten, vermits dat bezwaar eventueel leidt tot de wijziging van de zetelverdeling tussen de lijsten, en zelfs tot de ongeldigverklaring van de verkiezingen in hun totaliteit. Alle kandidaten zijn dus betrokken partij bij de termijn van de uitspraak in het contentieux betreffende de geldigverklaring van de verkiezingen aangezien, in geval van ongeldigverklaring daarvan (of een wijziging van de zetelverdeling), zij allen zullen worden geconfronteerd met een verlies van mandaat en met een nieuwe verkiezing (of een wijziging van de zetelverdeling). In het tegenovergestelde geval is enkel de in het bezwaar bedoelde kandidaat betrokken bij de termijn van uitspraak en zal hooguit de opvolger eventueel worden opgeroepen om hem te vervangen. In ondergeschikte orde betoogt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voorts dat het criterium van onderscheid relevant is, dat het nagestreefde doel wettig is en dat de maatregel niet onevenredig is. De gevolgen van een ongeldigverklaring van een verkiezing kunnen immers niet worden vergeleken met die van de vervallenverklaring van een mandaat. Bovendien verschilt de procedure in het contentieux van de geldigverklaring van de verkiezingen ook in andere opzichten van die in het contentieux van de verkiezingsuitgaven. Overigens zijn termijnen waarbinnen een rechtscollege zich dient uit te spreken, eerder uitzonderlijk en, als ze al bestaan, gaat het veeleer om termijnen van orde. Tenslotte dient het rechtscollege in ieder geval de redelijke termijn in acht te nemen. A.7.
- In haar memorie van antwoord betoogt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voor de Raad van State aanvoert, de door de Raad van State gegeven interpretatie van de in het geding zijnde bepaling in overeenstemming is met de economie van alle betwiste bepalingen. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
- De vraag of de kandidaten bij de gemeenteraadsverkiezingen zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de kandidaten bij de federale parlementsverkiezingen, wat betreft de sancties die hen kunnen worden opgelegd bij schending van de respectievelijke wetgevingen inzake verkiezingsuitgaven, moet, volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, ontkennend worden beantwoord. In de beide gevallen is weliswaar sprake van een verkiezing met het oog op de samenstelling van een representatieve vergadering én van de schending van regels inzake verkiezingsuitgaven. De beide verkiezingsstelsels zijn echter totaal verschillend, vinden hun oorsprong in verschillende wetgevingen die door verschillende wetgevers zijn aangenomen en hebben betrekking op verschillende machtsniveaus. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering brengt in herinnering dat de bijzondere wetgever, overeenkomstig de bijzondere wet van 13 juli 2001, aan de gewesten ruime bevoegdheden heeft toegekend inzake de verkiezing van de gemeentelijke organen, met inbegrip van de controle op de desbetreffende verkiezingsuitgaven. Het is dus 12 op die basis dat de Brusselse gewestelijke wetgever bij ordonnantie van 12 februari 2006 het gemeentelijk Kieswetboek heeft aangenomen en een eigen regeling inzake verkiezingsuitgaven heeft ingevoerd, met verwijzing naar de voormelde wet van 7 juli 1994 en daarbij eigen regels heeft opgesteld, inzonderheid in artikel 23 van het genoemde Wetboek. In zoverre, zoals blijkt uit het onderzoek van de voorgaande bepalingen, de categorieën van personen ten aanzien van wie het verschil in behandeling wordt aangevoerd, onder de toepassing vallen van verschillende wetgevingen, die door verschillende wetgevers zijn aangenomen en betrekking hebben op verschillende machtsniveaus, kan er geen sprake zijn van discriminatie. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke een verschil in behandeling in aangelegenheden waarin de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken het resultaat is van een verschillend beleid wat, als dusdanig, geen discriminatie kan vormen. Ten slotte stelt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vast dat de procedure van controle van de verkiezingsuitgaven, zoals georganiseerd op federaal vlak, geenszins kan worden vergeleken met die waarin wordt voorzien op gemeentelijk vlak. Noch de drempels, noch de procedure van bekendmaking van de uitgaven, noch het orgaan dat de naleving van de normen moet controleren, zijn vergelijkbaar. Hetzelfde geldt voor de procedure en de termijnen die toepasbaar zijn bij de uitoefening van de controle. Op het federale niveau zijn de beslissingen van de Controlecommissie niet onderworpen aan een beroep voor de Raad van State. In dat verband is de omstandigheid dat de vervallenverklaring van het mandaat, een specifieke sanctie in het contentieux van de gemeentelijke verkiezingsuitgaven, niet bestaat op federaal vlak, slechts één van de talrijke verschillen waardoor de betrokken wetgevingen worden gekenmerkt. Niets maakt het bijgevolg mogelijk te oordelen dat dat verschil relevant is, aangezien de beide stelsels al te verschillend zijn. -B- De in het geding zijnde bepalingen en de te dezen toepasbare bepalingen B.
- De artikelen 74, 74bis en 75 van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek luiden als volgt : « Art.
- §
- In dit wetboek wordt verstaan onder ‘ Rechtscollege ’, het college zoals bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Alleen de kandidaten zijn gerechtigd bij het Rechtscollege tegen de verkiezing bezwaar in te brengen. Elk bezwaar moet, op straffe van verval, schriftelijk worden ingediend binnen tien dagen te rekenen van de dagtekening van het proces-verbaal en de identiteit en de woonplaats van de bezwaarde vermelden. Het wordt overhandigd aan de secretaris van het Rechtscollege of ter post aangetekend verzonden. 13 De ambtenaar aan wie het bezwaarschrift wordt overhandigd is verplicht een ontvangstbewijs af te geven. Het is op straffe van gevangenis van één maand tot twee jaar verboden dit ontvangstbewijs te antidateren. §
- Een bezwaar dat steunt op een overtreding van artikelen 3, §§ 1 en 2, of 7 van de wet van 7 juli 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden en de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn of van artikel 23, § 2, wordt ingediend bij het rechtscollege binnen vijfenveertig dagen na de datum van de verkiezingen. §
- Een ieder die een bezwaar heeft ingediend dat ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat het is ingediend met het oogmerk om te schaden wordt gestraft met een geldboete van 250 tot 2 500 euro. Een nieuwe termijn van vijftien dagen wordt geopend met ingang van de uitspraak van de definitieve veroordeling gesteund op een klacht, ingediend op grond van artikel 12 van 7 juli 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden, de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn. Art. 74bis. §
- De verkiezingen kunnen zowel door het Rechtscollege als door de Raad van State alleen ongeldig worden verklaard op grond van onregelmatigheden die de zetelverdeling tussen de onderscheiden lijsten kunnen beïnvloeden. §
- Een verkozen kandidaat kan zowel door het Rechtscollege, als door de Raad van State van zijn mandaat vervallen worden verklaard, indien hij de bepalingen van de artikelen 3, § 2, of 7 van de wet van 7 juli 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden en de gemeenteraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn of van artikel 23, § 2, niet naleeft. Een lijstaanvoerder van een gemeentelijst kan zowel door het Rechtscollege, als door de Raad van State van zijn mandaat vervallen worden verklaard, indien hij de bepalingen van de artikelen 3, § 1, of 7, van dezelfde wet van 7 juli 1994 of van artikel 23, § 2, niet naleeft. §
- Het gemeenteraadslid dat van zijn mandaat vervallen is verklaard door het Rechtscollege of door de Raad van State, wordt in de gemeenteraad vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij werd verkozen. Art.
- §
- Het Rechtscollege doet uitspraak over de bezwaren. De uiteenzetting van de zaak door een lid van het Rechtscollege en de uitspraak van de beslissing geschieden in openbare vergadering. De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de naam van de verslaggever en de namen van de aanwezige leden, alles op straffe van nietigheid. 14 De stembiljetten mogen alleen worden onderzocht wanneer de krachtens artikel 23 aangewezen getuigen tegenwoordig of althans behoorlijk opgeroepen zijn; de omslagen die de stembiljetten bevatten, worden opnieuw vergezeld in hun bijzijn en door hun toedoen. Het Rechtscollege doet uitspraak binnen dertig dagen na de indiening van het bezwaar. Indien binnen deze termijn geen uitspraak is gedaan, wordt het bezwaar als verworpen beschouwd en is de uitslag van de verkiezing, zoals hij door het hoofdstembureau is afgekondigd, definitief, onverminderd de toepassing van artikel 74, §
- §
- Het Rechtscollege kan de verkiezing alleen ongeldig verklaren op grond van een bezwaar. Bij ontstentenis van bezwaren gaat het Rechtscollege alleen de juistheid na van de zetelverdeling tussen de lijsten en van de rangorde waarin de raadsleden en de opvolgers gekozen zijn verklaard. Zij wijzigt, in voorkomend geval, ambtshalve de zetelverdeling en de rangorde. Onverminderd de toepassing van artikel 74, § 3, wordt de uitslag van de verkiezing, zoals hij door het hoofdstembureau is afgekondigd, definitief vijfenveertig dagen na de dag van de verkiezingen. §
- Wanneer zij een beslissing neemt met toepassing van de paragrafen 1 en 2, doet het Rechtscollege uitspraak als administratief rechtscollege, ongeacht of bij haar bezwaar is ingediend of niet ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.2.
- Artikel 74, §§ 1 en 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek bepaalt de termijnen binnen welke bezwaren inzake de verkiezing en inzake de verkiezingsuitgaven moeten worden ingediend. Artikel 75, § 2, van hetzelfde Wetboek bepaalt wanneer de uitslag van de verkiezingen, zoals hij door het hoofdstembureau is afgekondigd, definitief wordt. De ordonnantie van 20 juli 2006 « tot wijziging van de nieuwe gemeentewet en van het Brussels gemeentekieswetboek » beperkt de termijn voor indiening van de bezwaren tegen de verkiezing tot tien dagen (artikel 74, § 1) en tot vijfenveertig dagen de termijn waarbinnen, bij ontstentenis van bezwaar tegen de verkiezing, het resultaat definitief wordt (artikel 75, § 2, derde lid). De ordonnantie van 20 oktober 2006 « tot wijziging van artikel 74, § 2 van het Brussels Gemeentekieswetboek » stelt, harerzijds, de termijn voor indiening van een bezwaar inzake verkiezingsuitgaven vast op vijfenveertig dagen (artikel 74, § 2). 15 B.2.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 20 juli 2006 blijkt dat de Brusselse ordonnantiegever een snellere installatie van de gemeenteraad heeft gewild (Parl. St., Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2005-2006, A-244/1, pp. 3-4). B.2.
- De bij de ordonnantie van 20 oktober 2006 ingevoerde wijziging werd in de parlementaire voorbereiding verantwoord door het feit dat de termijn van tien dagen onbestaanbaar is met de procedure inzake verkiezingsuitgaven en inzonderheid met de termijn van dertig dagen, waarin artikel 23, § 2, van het Gemeentelijk Kieswetboek voorziet, om de aangifte van de verkiezingsuitgaven te kunnen indienen : « De ordonnantie van 20 juli 2006 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet en van het Brussels gemeentekieswetboek (Belgisch Staatsblad van 29 augustus 2006) diende onder meer om de termijnen voor de installatie van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen in te korten. Artikel 6 van die ordonnantie vervangt het derde lid van artikel 74, § 1, van het Brussels gemeentekieswetboek en verkort aldus de termijn voor het indienen van bezwaren tegen de verkiezing bij het rechtscollege van veertig tot tien dagen. Het gaat hier om geschillen over de geldigheid van de verkiezingen. Artikel 6 van de ordonnantie van 20 juli 2006 heeft daardoor eveneens de termijn voor het indienen van bezwaren in verband met de verkiezingsuitgaven tot tien dagen ingekort. Artikel 74, § 2, van het Brussels gemeentekieswetboek, dat over die bezwaren handelt, verwijst immers naar § 1 voor de termijn voor het indienen van bezwaren bij het rechtscollege. Deze ‘ impliciete ’ wijziging in artikel 74, § 2, is ontsnapt aan de waakzaamheid van de wetgever en van de Raad van State, hoewel dat helemaal niet de bedoeling van de wetgever was. Die termijn van tien dagen is evenwel niet verenigbaar met de procedure voor de verkiezingsuitgaven. De aangiften van de verkiezingsuitgaven moeten immers worden ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg binnen dertig dagen na de datum van de verkiezingen (artikel 23, § 2, derde en vierde lid van het Brussels gemeentekieswetboek) en worden er, vanaf de eenendertigste dag na de datum van de verkiezingen, gedurende vijftien dagen ter inzage gelegd van alle kiesgerechtigden van de betrokken kieskring (artikel 23, § 2, zevende lid, van hetzelfde wetboek). Bepaalde praktijken, zoals het verspreiden van geschenken of gadgets of het gebruik van reclameborden of affiches groter dan 4 m², kunnen betwist worden binnen tien dagen na de 16 verkiezingen, maar de eigenlijke verkiezingsuitgaven kunnen niet worden betwist binnen diezelfde termijn, aangezien de desbetreffende aangiften gedurende dertig dagen na de verkiezingen kunnen worden ingediend en pas vanaf de eenendertigste dag na de datum van de verkiezingen ter inzage liggen. Omwille van de rechtszekerheid en een eenvormige behandeling van geschillen in verband met de verkiezingsuitgaven, dient bijgevolg artikel 74, § 2, van het Brussels gemeentekieswetboek te worden gewijzigd om te voorzien in een termijn van vijfenveertig dagen na de datum van de verkiezingen, teneinde de daadwerkelijke uitoefening van het recht van bezwaar in het kader van geschillen over de verkiezingsuitgaven mogelijk te maken. Dat is trouwens de termijn die het nieuwe Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie heeft vastgesteld voor dat soort bezwaar, waarbij de procedure voor de aangifte van en inzage in de verkiezingsuitgaven in dezelfde termijnen voorziet als het Brussels gemeentekieswetboek (respectievelijk dertig en vijftien dagen) » (Parl. St., Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2005-2006, A-303/1, pp. 1-2). B.3.
- In de verwijzingsbeslissing is de Raad van State van oordeel dat uit die wijzigingen voortvloeit dat « de procedure van het verkiezingscontentieux en die van het contentieux van de verkiezingsuitgaven los staan van elkaar; de laatstvermelde procedure moet worden voortgezet na de termijn binnen welke het college uitspraak doet over het bezwaar tegen de verkiezing en de termijn waarin is voorzien voor de geldigverklaring van de verkiezing ». De Raad van State stelt vervolgens vast dat de termijn van dertig dagen, bedoeld in artikel 75, § 1, vierde lid, « onverzoenbaar is met het onderzoek van de bezwaren in het contentieux van de verkiezingsuitgaven », zodat de geldigverklaring van de verkiezingen wegens ontstentenis van een uitspraak van het Rechtscollege binnen de dwingende termijn van dertig dagen enkel geldt voor het bezwaar in verband met de verkiezing. De termijn van dertig dagen binnen welke het Rechtscollege zijn beslissing moet nemen zou inzake het contentieux van de verkiezingsuitgaven « een termijn van orde [zijn] die enkel kan worden afgekeurd in geval van overschrijding van een redelijke termijn ». B.3.
- De Raad van State vraagt het Hof of, in die interpretatie, artikel 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de gemeenteraadsleden wier mandaat in het geding wordt gebracht naar aanleiding van een bezwaar tegen de verkiezing en, anderzijds, gemeenteraadsleden wier mandaat in het geding wordt gebracht door een bezwaar inzake verkiezingsuitgaven. De eerste categorie van 17 gemeenteraadsleden zou zonder redelijke verantwoording een gunstigere regeling genieten dan de tweede categorie van gemeenteraadsleden, vermits het Rechtscollege dat die bezwaren dient te beslechten, enkel wat de eerste categorie van gemeenteraadsleden betreft, uitspraak dient te doen binnen dertig dagen, voor zover het desbetreffende bezwaar niet stilzwijgend als verworpen wordt beschouwd. B.
- Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit die interpretatie van artikel 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek berust op een objectief criterium, namelijk de verschillende aard van twee types van bezwaren die kunnen worden ingediend bij het Rechtscollege. Terwijl het bezwaar in verband met de verkiezing betrekking heeft op, onder meer, de organisatie van de verkiezingen, de telling van de stembiljetten, eventuele inbreuken op de vrijheid van stemming, vergissingen in de oproepingen of op de stembiljetten, heeft het bezwaar in verband met de verkiezingsuitgaven tot doel het gedrag te bestraffen van een kandidaat voor de verkiezingen die de bijzondere bepalingen in verband met de verkiezingsuitgaven niet in acht zou hebben genomen. Het bezwaar in verband met de verkiezing kan ofwel leiden tot de ongeldigverklaring van de verkiezing, ofwel tot de wijziging van de zetelverdeling tussen de lijsten of van de volgorde van de verkozen raadsleden of van de opvolgers (artikel 76 van het voormelde Wetboek). Het bezwaar in verband met de verkiezingsuitgaven heeft, zijnerzijds, enkel tot doel in voorkomend geval de kandidaat van zijn mandaat vervallen te verklaren, waarbij die vervallenverklaring niet de organisatie van nieuwe verkiezingen vergt, vermits luidens artikel 74bis, § 3, het gemeenteraadslid dat van zijn mandaat vervallen is verklaard, in de gemeenteraad wordt vervangen door de eerste opvolger van zijn lijst. B.
- De in het geding zijnde bepaling streeft tevens een wettig doel na dat erin bestaat de continuïteit van de gemeentelijke overheden te verzekeren. Teneinde de installatie en het aantreden van de gemeenteraad niet te vertragen en om de rechtszekerheid met betrekking tot de verkiezing van alle kandidaten te beschermen, doet het Rechtscollege uitspraak binnen een dwingende termijn van dertig dagen na indiening van het bezwaar. Om diezelfde redenen wordt, indien binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, de uitslag van de verkiezing, zoals hij door het hoofdstembureau is afgekondigd, definitief. 18 B.6.
- Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de restrictieve interpretatie van het in het geding zijnde artikel 75, § 1, vijfde lid, is niet zonder redelijke verantwoording. Het Rechtscollege dient immers als administratief rechtscollege uitspraak te doen binnen een redelijke termijn, waarbij het oog dient te hebben voor het belang van de zaak voor de betrokken partijen, en in het bijzonder hun belang bij een snelle oplossing ervan. B.6.
- Het is bovendien na een debat op tegenspraak en door middel van een met redenen omklede beslissing dat het Rechtscollege de verkozen kandidaat van zijn mandaat vervallen kan verklaren. Tegen die beslissing kan een beroep met volle rechtsmacht worden ingesteld bij de Raad van State, die uitspraak doet binnen zestig dagen. B.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- In de tweede prejudiciële vraag vraagt de Raad van State of artikel 74bis, § 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het in de mogelijkheid voorziet om een verkozen kandidaat van zijn mandaat vervallen te verklaren wanneer die niet de bepalingen in verband met de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven in acht zou hebben genomen, terwijl een dergelijke mogelijkheid van sanctie niet bestaat ten aanzien van de verkozenen voor de parlementsverkiezingen. Het staat niet aan het Hof om in het kader van deze prejudiciële vraag de proportionaliteit van de in het geding zijnde maatregel te toetsen aan andere grondwetsbepalingen. B.
- De belanghebbende partijen voor het verwijzende rechtscollege, de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voeren aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, vermits de artikelen 10 en 11 van de Grondwet het Hof niet toelaten federale wetgeving te vergelijken met de wetgeving van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. 19 B.10.
- Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 « houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen », vervolgens gewijzigd bij artikel 2 van de bijzondere wet van 25 april 2004, kent aan het Vlaamse en het Waalse Gewest de volgende bevoegdheid toe : « VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft : […] 4° de verkiezing van de provinciale, gemeentelijke en binnengemeentelijke organen, alsook van de organen van de agglomeraties en federaties van gemeenten, met inbegrip van de controle op de hierop betrekking hebbende verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen die daaraan zijn besteed : a) met uitzondering van de regelingen die krachtens de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen opgenomen zijn in de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen, en b) met uitzondering van de exclusieve bevoegdheid van de Raad van State om bij wijze van arresten op de beroepen in hoogste aanleg uitspraak te doen in kiesrechtzaken; c) met dien verstande dat decreten en ordonnanties die als gevolg hebben dat de evenredigheid van de zetelverdeling in verhouding tot de verdeling der stemmen vermindert, moeten worden aangenomen met de in artikel 35, § 3, bedoelde meerderheid. De gewesten oefenen deze bevoegdheid uit, onverminderd de artikelen 5, tweede en derde lid, 23bis en 30bis van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, en de artikelen 2, § 2, vierde lid, 3bis, tweede lid, 3novies, tweede lid, en 5, derde lid, van de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen; […] ». B.10.
- Artikel 4, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 « met betrekking tot de Brusselse instellingen » - gewijzigd bij artikel 66 van de bijzondere wet van 16 juli 1993 « tot vervollediging van de federale staatsstructuur » en bij artikel 5, A), van de bijzondere wet van 27 maart 2006 « tot aanpassing van diverse bepalingen aan de nieuwe 20 benaming van het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap » - kent aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dezelfde bevoegdheid toe. B.
- In zoverre in de tweede prejudiciële vraag de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat artikel 74bis, § 2, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek erin voorziet dat een verkozen kandidaat die de bepalingen van de artikelen 3, § 2, of 7 van de wet van 7 juli 1994 « betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden, de gemeenteraden en de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn » of van artikel 23, § 2, van het voormelde Wetboek niet naleeft, vervallen kan worden verklaard van zijn mandaat, terwijl een dergelijke sanctie niet bestaat voor de kandidaten bij de federale parlementsverkiezingen die de regels van de wet van 4 juli 1989 « betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen » niet in acht nemen, dient te worden opgemerkt dat, krachtens artikel 6, § 1, VIII, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, de controle van de verkiezingsuitgaven in verband met de verkiezing van de gemeentelijke organen onder de bevoegdheid van de gewesten valt. B.
- Met de ordonnantie van 16 februari 2006 houdende wijziging van de gemeentekieswet heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn wil tot uitdrukking gebracht om zich, binnen de hem toegewezen bevoegdheden, de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 eigen te maken. B.
- Daaruit volgt dat, bij een vergelijking van de situatie van de gemeenteraadsleden met die van de federale parlementsleden, in de prejudiciële vraag een verschil in behandeling wordt bekritiseerd dat zijn oorsprong vindt in de toepassing van normen van verschillende wetgevers op personen die verschillende functies uitoefenen. Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de bevoegdheidsuitoefening, zou de autonomie die bij artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gewesten is toegekend, geen betekenis hebben indien een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, federale regels en, anderzijds, gewestelijke 21 regels in analoge aangelegenheden, als zodanig strijdig zou worden geacht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
- De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 22 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 74bis, § 2, en 75, § 1, vijfde lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 26 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div