id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.116 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070919.3 Arrest- Rolnummer: 116/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-20 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-06-29 14:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 462 van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtvaardiging en verschoning STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Diefstal PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 462 van het Strafwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Strafrecht - Algemeen strafrecht - Diefstallen -
- Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot - Verschoningsgrond - 2 Diefstallen gepleegd tussen personen die ongehuwd samenwonen - Ontstentenis van verschoningsgrond. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 462 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4051 Arrest nr. 116/2007 van 19 september 2007 ____________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 462 van het Strafwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 8 augustus 2006 in zake G.R., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 september 2006, heeft een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 462 van het Strafwetboek, eventueel in samenhang gelezen met artikel 78 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschoningsgrond invoert voor de diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, terwijl voor de personen die samenwonen niet in een dergelijke verschoningsgrond wordt voorzien ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 juni 2007 : - is verschenen : Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel is een vordering aanhangig gemaakt tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek naar aanleiding van de diefstal van een portefeuille die G.R. zou hebben gepleegd ten nadele van zijn partner A. V.D.H. De verwijzende rechter stelt vast dat, met toepassing van de artikelen 78 en 462 van het Strafwetboek, diefstal tussen echtgenoten een verschoningsgrond vormt waardoor de strafvordering onontvankelijk wordt. Hij beslist om aan het Hof een vraag te stellen over het onderscheid dat, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wordt gemaakt tussen de gehuwde paren en de niet-gehuwde paren, alvorens, in voorkomend geval, het onderzoek van die feiten aan te vatten. III. In rechte -A- Memorie van de Ministerraad A.
- De Ministerraad zet eerst de context uiteen waarin de in het geding zijnde bepaling is aangenomen en de motieven die hebben geleid tot de aanneming ervan. 3 Hij beklemtoont het feit dat de strafrechtelijke immuniteit waarin de bepaling voorziet reeds ongeveer tweeduizend jaar bestaat; zij is in de Franse wetgeving opgedoken in 1810 en werd vervolgens in het Strafwetboek van 1867 overgenomen. In tegenstelling tot de Franse wetgeving, volgens welke die feiten worden aangemerkt als ontvreemding en de desbetreffende vordering aan de burgerlijke rechtbanken wordt voorgelegd, heeft de Belgische wetgever geoordeeld dat de ontvreemdingen waarvan sprake was in artikel 462 van het Strafwetboek, diefstallen waren. De wetgever zou echter de eenheid van het gezin en de goede verstandhouding tussen echtgenoten voorrang hebben willen geven op het maatschappelijk nut van de bestraffing van dat soort misdrijf. A.2.
- De Ministerraad onderzoekt vervolgens de prejudiciële vraag. Hij is van mening dat de in het geding zijnde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn en bijgevolg niet op identieke wijze moeten worden behandeld. A.2.
- De Ministerraad brengt vervolgens de doelstelling van de wetgever in herinnering die erin bestond de rust binnen het gezin en het familiegevoel te vrijwaren. Die doelstelling zou echter enkel kunnen worden bereikt in het geval waarin het paar gehuwd is en niet in het geval van een samenwonend paar, dat per definitie onzekerder is, vermits het mogelijk is daaraan te allen tijde een einde te maken zonder enige formaliteit. A.2.
- De Ministerraad stelt dat het criterium van onderscheid dat op het al dan niet bestaan van een huwelijksband tussen het slachtoffer en de dader van de diefstal berust een objectief criterium is. Hij citeert de arresten van het Hof nrs. 116/99, 137/2000, 89/2001 en 94/2001 waarin het Hof zelf zou hebben erkend dat het gemaakte verschil in behandeling ontegensprekelijk relevant en objectief is. A.2.
- Wat betreft de evenredigheid van de maatregel, zou de wetgever geen onevenredige beperking van de rechten van de ongehuwd samenwonenden hebben vastgesteld. De Ministerraad onderstreept dat de gehuwde persoon is toegetreden tot een geheel van regels die soms gunstig en soms zwaar zijn maar die een onlosmakelijk geheel vormen. De ongehuwd samenwonende kiest er echter vaak voor om niet te huwen precies omdat hij geen enkele morele en geldelijke verbintenis wil aangaan. De regels van de bijdrage aan de levensgemeenschap zouden op zich een zekere verwarring in de hand werken wat betreft de mate waarin de voorwerpen aan elk van de echtgenoten toebehoren, verwarring die in stand wordt gehouden door een gevoel van een gezamenlijk toebehoren. De instelling van het huwelijk zou dus een bijzondere bescherming verantwoorden tegen strafrechtelijke vervolgingen die aan dat gevoel van toebehoren en de morele en economische werkelijkheid van die instelling afbreuk doen. Het zou wettig zijn niet dezelfde bescherming toe te kennen aan een relatie van samenwoning, aangezien die, zelfs op korte termijn, niet dezelfde waarborgen van stabiliteit vertoont en juridisch gezien geen enkele vermogensverwarring in het leven roept tussen de betrokken personen, noch enige verplichting van een gemeenschappelijke bijdrage tot de lasten die daaruit kunnen voortvloeien. -B- B.
- Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 462 van het Strafwetboek, eventueel in samenhang gelezen met artikel 78 van datzelfde Wetboek, in zoverre het een verschoningsgrond invoert voor de diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, terwijl in die verschoningsgrond niet wordt voorzien voor de personen die ongehuwd samenwonen. 4 Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de enkele vergelijking van de echtgenoten en de categorie van de ongehuwd samenwonenden. B.
- Artikel 462 van het Strafwetboek bepaalt : « Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden, geven alleen aanleiding tot burgerrechtelijke vergoeding. Ieder ander persoon die aan deze diefstallen deelneemt of die de gestolen voorwerpen of een gedeelte ervan heeft, wordt gestraft alsof de vorige bepaling niet bestond ». Artikel 78 van het Strafwetboek bepaalt : « Geen misdaad of wanbedrijf is verschoonbaar dan in de gevallen bij de wet bepaald ». B.
- In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling worden verscheidene uittreksels weergegeven van de memorie van toelichting bij artikel 380 van het Strafwetboek van 1810, dat aan die bepaling ten grondslag ligt. « Zij niet alleen daarop gebaseerd dat ‘ de verhouding tussen die personen te intiem is, opdat het zou betamen om, naar aanleiding van geldelijke belangen, het openbaar ministerie ermee te belasten de familiegeheimen die misschien nooit zouden worden onthuld te doorgronden … en straffen te veroorzaken waarvan het gevolg zich niet ertoe zou beperken alle familieleden met verbijstering te slaan, maar bovendien een eeuwige bron van verdeeldheid en haat zou zijn. ’ […] Het zou uiterst gevaarlijk zijn dat er op grond van een beschuldiging zou kunnen worden vervolgd in zaken waarin de grens tussen het gebrek aan fijngevoeligheid en het echte misdrijf vaak moeilijk vast te stellen is. […] Tussen echtgenoten en tussen verwanten in de opgaande en de nederdalende lijn, zijn de grenzen van eigendom die in de ogen van de wet zeer duidelijk afgebakend zijn in feite niet zo duidelijk; hiermee willen we niet gezegd hebben dat er een mede-eigendom bestaat, maar wel een soort van recht op elkaars eigendom, dat alhoewel het geen open recht is, duidelijk een invloed uitoefent op het karakter van de ontvreemding » (eigen vertaling) (Parl. St., Kamer, vergadering van 7 december 1860, nr. 35, pp. 6-7). B.4.
- Het in de prejudiciële vraag aangehaalde verschil in behandeling is gebaseerd op een objectief element, namelijk dat de echtgenoten jegens elkaar in het Burgerlijk Wetboek gedefinieerde rechten en plichten hebben die de niet-gehuwde paren niet kennen. Laatstgenoemden zijn immers jegens elkaar niet dezelfde juridische verbintenissen aangegaan. 5 B.4.
- De wetgever vermocht wettig te oordelen dat een bijzondere immuniteit moest worden toegekend teneinde een door de wet georganiseerde levensgemeenschap te beschermen, die de vermogenssituatie van de echtgenoten wijzigt en die wederzijdse verplichtingen in het leven roept. De omstandigheid dat de bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde verschoningsgrond niet wordt uitgebreid tot de niet-gehuwde paren, is redelijkerwijze verantwoord, aangezien de door de ongehuwd samenwonenden gevormde gemeenschap niet met dezelfde zekerheid wordt aangetoond als die welke ontstaat uit het huwelijk en daaruit niet dezelfde rechten en plichten voortvloeien. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 462 van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.