id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.120 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070919.8 Arrest- Rolnummer: 120/2007 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-20 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-29 13:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 253, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij artikel 11 van het Vlaamse decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 253, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij artikel 11 van het Vlaamse decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Fiscaliteit - Vlaams Gewest - Inkomstenbelastingen - Onroerende voorheffing -
- Investeringen in nieuw materieel en outillage - Vrijstelling -
- Investeringen in tweedehandsmaterieel en outillage - Geen vrijstelling. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 253,L1,5° - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Decreet Vlaamse Raad - 19-12-1997 - 11 - 47 ELI link Pub nr 1997036540 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4082 Arrest nr. 120/2007 van 19 september 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 253, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij artikel 11 van het Vlaamse decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 november 2006 in zake Julien Reidanus en de bvba « Garage Carwash Reidanus » tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 december 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 253, eerste lid, 5° WIB92, zoals gewijzigd door het Decreet van 19 december 1997, Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1997), het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat deze bepaling vrijstelt van onroerende voorheffing, het kadastraal inkomen van nieuwe onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 471, § 3 WIB92 waarvoor voor de eerste maal overeenkomstig artikel 472, § 2 een kadastraal inkomen vastgesteld wordt, daar waar niet worden vrijgesteld van onroerende voorheffing de onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 471, § 3 WIB92 waarvoor niet voor de eerste maal een kadastraal inkomen werd vastgesteld overeenkomstig artikel 472, § 2 WIB92, na de inwerkingtreding van het gewijzigd artikel 253, [eerste lid,] 5° WIB92 (zoals van toepassing in het Vlaams Gewest) en eveneens niet zijn vrijgesteld van onroerende voorheffing de onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 471, § 3 WIB92, die niet als nieuw worden verkregen zoals bedoeld in artikel 472, § 2 WIB92 ? ». Memories zijn ingediend door : - Julien Reidanus, wonende te 9030 Gent, Mazestraat 50, en de bvba « Garage Carwash Reidanus », met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Palinghuizen 150; - de Vlaamse Regering; - de Waalse Regering. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Julien Reidanus en de bvba « Garage Carwash Reidanus »; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 27 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. B. Westen loco Mr. A. Verbist, advocaten bij de balie te Gent, voor Julien Reidanus en de bvba « Garage Carwash Reidanus »; . Mr. M. Cornut, advocaat bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering; . Mr. M.-P. Donéa loco Mr. M. Eloy, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil J. Reidanus en de bvba « Garage Carwash Reidanus », eisers voor de verwijzende rechter, betwisten een administratieve beslissing van 17 mei 2002 waarbij een aanslag in de onroerende voorheffing (aanslagjaar 2000) wordt gevestigd. J. Reidanus baat een garage-carwash uit. In 1994 werd een nieuwe carwashtunnel in gebruik genomen met een herschatting van het kadastraal inkomen van het materieel en de outillage tot gevolg. Op 31 december 1999 werd het bedrijf door de voormelde bvba overgenomen, waarbij het handelsfonds met inbegrip van het materieel en de outillage eigendom werden van die vennootschap. J. Reidanus blijft eigenaar van de grond en het gebouw die aan de vennootschap worden verhuurd. Voor het aanslagjaar 2000 werd ten laste van J. Reidanus een aanslag in de onroerende voorheffing gevestigd. De eisers voor de verwijzende rechter vorderen in hoofdorde dat voor recht wordt gezegd dat het kadastraal inkomen verbonden aan de carwashinstallatie met toepassing van artikel 253, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) van de onroerende voorheffing is vrijgesteld. Dat artikel 253 werd aangevuld door artikel 11 van het Vlaamse decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
- De eisers voor de verwijzende rechter voeren een schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie aan doordat enkel voor nieuw materieel en outillage een vrijstelling van onroerende voorheffing wordt ingevoerd, terwijl voor bestaand materieel en outillage die aan derden worden verkocht of in een vennootschap worden ingebracht, niet in zulk een vrijstelling is voorzien. De verwijzende rechter stelt vast dat het Hof in het arrest nr. 109/99 heeft beslist dat de decreetgever vermocht te oordelen dat volledige vrijstelling wordt verleend voor nieuwe investeringen in materieel en outillage. In dat arrest heeft het Hof evenwel geen uitspraak gedaan over het feit dat de vrijstellingsregeling enkel voor investeringen in nieuwe goederen (nieuw materieel en outillage) wordt toegepast en niet voor nieuwe investeringen in tweedehandsgoederen. Vervolgens stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de eisende partijen voor de verwijzende rechter A.
- Met de in het geding zijnde bepaling beoogt de decreetgever bedrijfsinvesteringen te stimuleren door een lastenverlaging. Ook investeringen in tweedehandsgoederen zijn bedrijfsinvesteringen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat artikel 11 van het voormelde decreet van 19 december 1997 op « nieuwe investeringen » betrekking heeft. Bijgevolg is het niet de bedoeling van de decreetgever om enkel nieuwe investeringen in nieuwe onroerende goederen vrij te stellen. De decreetgever heeft de investeringen in materieel en outillage, gedaan na 1 januari 1998, willen bevoordelen. Het woord « nieuw » heeft betrekking op het tijdstip van de investering en niet op het materieel en de outillage waarin wordt geïnvesteerd. Ook een investering in 4 tweedehandsmaterieel en -outillage, gedaan na 1 januari 1998, is een nieuwe bedrijfsinvestering. Niettemin heeft de decreetgever enkel in een vrijstelling voorzien voor « nieuwe onroerende goederen ». De eisende partijen voor de verwijzende rechter zijn van oordeel dat het verschil in fiscale behandeling tussen, enerzijds, belastingplichtigen die in nieuw materieel en outillage investeren en, anderzijds, belastingplichtigen die in tweedehandsmaterieel en -outillage investeren, niet redelijk is verantwoord : voor beide categorieën van belastingplichtigen betreft het een « nieuwe » investering in het actief van de onderneming; vanuit economisch standpunt gaat het om gelijkwaardige investeringen. In tegenstelling tot de Waalse Regering delen de eisende partijen de zienswijze van de verwijzende rechter en van de Vlaamse Regering volgens welke het Hof zich in het arrest nr. 109/99 niet heeft uitgesproken over de vraag of de vrijstellingsregeling enkel geldt voor investeringen in nieuwe goederen en niet voor nieuwe investeringen in tweedehandsgoederen. Standpunt van de Vlaamse Regering A.
- Volgens de Vlaamse Regering levert de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling geen enkele aanwijzing op omtrent het feit of die bepaling ook van toepassing is op nieuwe investeringen in tweedehandsgoederen. Maar het is duidelijk dat de decreetgever aan het woord « nieuw » geen andere betekenis heeft willen geven dan in het gewone taalgebruik gangbaar is : « nieuw » heeft betrekking op het materieel en de outillage waarin wordt geïnvesteerd en niet op de investeringsdaad. Wat het in het geding zijnde verschil in fiscale behandeling betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat, vanuit economisch standpunt, investeringen in nieuw materieel en investeringen in tweedehandsmaterieel niet gelijkwaardig zijn. Nieuwe goederen hebben een grotere economische waarde en vertonen een groter nut voor de economie dan materieel en outillage die - dikwijls meermaals - worden verkocht. Het is dan ook niet onredelijk dat de decreetgever investeringen in nieuw materieel en outillage heeft willen bevoordelen ten opzichte van investeringen in tweedehandsmaterieel en -outillage. Overigens zijn de beginselen die in het arrest nr. 109/99 worden uiteengezet integraal op de thans voorliggende zaak van toepassing. De Vlaamse Regering sluit zich aan bij de zienswijze van de Waalse Regering volgens welke wanneer, zoals te dezen, een handelaar zijn activiteit onderbrengt in een vennootschap die hij opricht, terwijl hij dezelfde activiteit met hetzelfde materieel en outillage blijft uitoefenen, er in wezen slechts sprake is van een wijziging van de identiteit van de belastingplichtige. Zulk een verrichting schept geen bijkomende rijkdom en heeft voor de economie geen toegevoegde waarde. Het is volgens de Vlaamse Regering dan ook terecht dat de decreetgever een dergelijke verrichting niet met werkelijke investeringen in nieuw materieel en outillage heeft willen gelijkstellen. Standpunt van de Waalse Regering A.
- Vooraf wijst de Waalse Regering erop dat het Waalse Gewest naar het voorbeeld van het Vlaamse Gewest de toekenning van de vrijstelling van onroerende voorheffing afhankelijk heeft gemaakt van het feit dat het materieel en de outillage nieuw moeten zijn, waardoor tweedehandsmaterieel en -outillage worden uitgesloten. Het gaat erom nieuwe investeringen aan te moedigen met het oog op de economische heropleving. Ten gronde is de Waalse Regering van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling niet discriminerend is. Zij onderstreept dat het Hof zich in het arrest nr. 109/99 reeds over het thans aangevoerde verschil in behandeling heeft uitgesproken. Het vijfde middel, gericht tegen artikel 11 van het voormelde decreet van 19 december 1997, dat in die zaak door de Ministerraad werd aangevoerd, werd immers verworpen. Uit de parlementaire voorbereiding van dat artikel 11 blijkt dat de doelstelling van de Vlaamse decreetgever erin bestaat nieuwe investeringen te bevorderen, wat op economisch vlak niet met de aankoop van tweedehandsgoederen kan worden vergeleken. Die doelstelling kan klaarblijkelijk niet worden verwezenlijkt indien de in het geding zijnde bepaling reeds gebruikt materieel en outillage zou beogen. 5 Met verwijzing naar de feiten van de thans voorliggende zaak, merkt de Waalse Regering ten slotte op dat het gaat om een zelfstandige die via een door hem opgerichte vennootschap dezelfde activiteit op dezelfde plaatsen met hetzelfde materieel en dezelfde outillage blijft uitoefenen. Zulk een operatie heeft geen positieve invloed op de economie van het gewest. Bijgevolg is het op zijn minst legitiem dat de decreetgever dat type van operatie niet heeft willen aanmoedigen. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 253, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals gewijzigd bij artikel 11 van het Vlaamse decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
- Krachtens de in het geding zijnde bepaling, is vrijgesteld van onroerende voorheffing het kadastraal inkomen van het nieuwe materieel en de nieuwe outillage die voor de eerste maal een kadastraal inkomen toegewezen krijgen. B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over een eventuele schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat enkel de belastingplichtigen die investeren in nieuwe onroerende goederen (materieel en outillage) van onroerende voorheffing worden vrijgesteld, terwijl in zulk een vrijstelling niet is voorzien voor belastingplichtigen die investeren in onroerende goederen (materieel en outillage) die niet nieuw zijn. B.3.
- In de parlementaire voorbereiding wordt de in het geding zijnde bepaling als volgt toegelicht : « Dit artikel strekt ertoe om het kadastraal inkomen van de nieuwe investeringen (gedaan na 1-1-1998) gedaan door de bedrijven in materieel en outillering welke onroerend zijn door bestemming niet langer te belasten in de onroerende voorheffing » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1997-1998, nr. 788/1, p. 3; ibid., nr. 788/9, pp. 3-4). B.3.
- Zoals het Hof in B.2.1 van het arrest nr. 109/99 reeds heeft aangegeven, worden met « nieuwe » investeringen investeringen in nieuw materieel en in nieuwe outillage bedoeld. Overigens laat de tekst zelf van de in het geding zijnde bepaling daaromtrent geen twijfel bestaan, aangezien daarin uitdrukkelijk van « nieuwe onroerende goederen » melding wordt gemaakt. 6 B.
- Door de in het geding zijnde bepaling aan te nemen, beoogde de decreetgever de bedrijfsinvesteringen te stimuleren door een lastenverlaging. De maatregel vervat in die bepaling houdt met dit doel verband, door van onroerende voorheffing vrij te stellen, het kadastraal inkomen van nieuw materieel en nieuwe outillage die voor de eerste maal een kadastraal inkomen toegewezen krijgen. De decreetgever vermocht daarbij te oordelen dat voor investeringen in tweedehandsmaterieel en -outillage niet in zulk een vrijstelling diende te worden voorzien, aangezien investeringen in dergelijke goederen niet in dezelfde mate als investeringen in nieuw materieel en nieuwe outillage bijdragen tot de doelstelling die de decreetgever beoogde na te streven. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 253, eerste lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij artikel 11 van het Vlaamse decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.120 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div