← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.123

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.123 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070926.1 Arrest- Rolnummer: 123/2007 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-28 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-29 14:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 26, § 4, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, vóór de vervanging ervan bij artikel 6 van het decreet van 23 juni 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat de beroepstermijn loopt vanaf de datum van verzending van het heffingsbiljet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Pejudiciële vraag betreffende artikel 26, § 4, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Vlaams Gewest - Leegstandsheffing - Administratief beroep - Aanvangspunt van de beroepstermijn - Datum van afgifte van het aanslagbiljet bij de post. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - Recht van verdediging. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 19-04-1995 - 26,§4 - 51 ELI link Pub nr 1995036290 Decreet Vlaamse Raad - 23-06-2006 - 6 - 33 ELI link Pub nr 2006036076 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4215 Arrest nr. 123/2007 van 26 september 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 26, § 4, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Bossuyt, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 25 mei 2007 in zake de nv « Corimmo » tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 26, § 4, van het Vlaamse decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het bepaalt dat de termijn om bezwaar aan te tekenen tegen de heffing begint te lopen vanaf de datum van verzending van de aanslag, hoewel de belastingplichtige hiervan op dat ogenblik onmogelijk kennis kan hebben en de werkelijke kennisname afhankelijk is van de wisselvalligheden van de postbedeling, waardoor niet iedere belastingplichtige over eenzelfde gewaarborgde minimumtermijn beschikt om een ontvankelijk administratief beroep in te stellen, terwijl dit administratief beroep een ontvankelijkheidsvereiste is om zich te wenden tot de rechtbank overeenkomstig artikel 1385undecies van het gerechtelijk wetboek ? ». Op 20 juni 2007 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. De nv « Corimmo », met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Kuiperstraat 7, en de Vlaamse Regering hebben ieder een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 27 oktober 2002 verzendt de administratie van het Vlaamse Gewest de kennisgeving van de leegstandsheffing voor het aanslagjaar 2001 ten laste van de nv « Corimmo ». Op 19 november 2002 dient de nv « Corimmo » tegen die heffing een bezwaarschrift in. De gemachtigde ambtenaar verklaart het bezwaarschrift onontvankelijk wegens laattijdigheid. Op grond van artikel 26, § 4, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals van toepassing op het ogenblik van het indienen van het bezwaarschrift, moest het bezwaarschrift binnen een maand na de verzending van het heffingsbiljet worden ingediend. Op 26 februari 2003 dient de nv « Corimmo » bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een verzoek in tot ontheffing van de bestreden heffing. De Rechtbank verwijst naar de arresten nrs. 170/2003, 166/2005 en 43/2006 van het Hof. Alvorens uitspraak te doen, stelt de Rechtbank de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.

  1. In hun conclusies, die werden opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, hebben de rechters-verslaggevers verwezen naar het arrest nr. 85/2007, waarin het Hof reeds over een soortgelijke vraag inzake een bepaling met dezelfde strekking uitspraak heeft gedaan. A.
  2. De nv « Corimmo » sluit zich aan bij het voormelde arrest en is zoals de rechters-verslaggevers van oordeel dat mutatis mutandis hetzelfde antwoord kan worden gegeven op de thans voorliggende prejudiciële vraag. A.
  3. Volgens het Vlaamse Gewest, verwerende partij voor de verwijzende rechter, was artikel 26, § 4, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten reeds vervangen op het ogenblik van het indienen van het bezwaarschrift, waardoor de bezwaartermijn drie maanden bedraagt in plaats van één maand. Naar het oordeel van het Vlaamse Gewest, stelt een bezwaartermijn van drie maanden de rechtsonderhorige in staat om, ongeacht het aanvangspunt van die termijn, tijdig zijn verweer te organiseren en een bezwaar in te dienen. -B- B.1.
  4. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 26, § 4, van het Vlaamse decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, vóór de vervanging ervan bij artikel 6 van het decreet van 23 juni 2006, dat op 1 januari 2006 in werking is getreden. B.1.
  5. De verwerende partij voor de verwijzende rechter betwist de toepasselijkheid van het vroegere artikel 26, § 4, op het bodemgeschil. Zij meent daarentegen dat het nieuwe artikel 26, § 3, van toepassing is. B.1.
  6. Het komt in beginsel de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel een bepaling wordt voorgelegd die kennelijk geen betrekking heeft op het in het geding zijnde geschil, staat het niet aan het Hof de grondwettigheid van die bepaling te onderzoeken. B.1.
  7. De verwijzende rechter dient met name te beoordelen of het bezwaarschrift tegen de leegstandsheffing voor het aanslagjaar 2001, ingediend op 19 november 2002, door de bevoegde ambtenaar terecht onontvankelijk werd verklaard. 4 Nu het nieuwe artikel 26, § 3, van het decreet van 19 april 1995 pas op 1 januari 2006 in werking is getreden, kan niet worden besloten dat het vroegere artikel 26, § 4, kennelijk niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. B.
  8. Artikel 26, § 4, van het decreet van 19 april 1995, zoals van toepassing op het ogenblik van het indienen van het bezwaarschrift door de eisende partij voor de verwijzende rechter, bepaalde : « De persoon op wiens naam de heffing is ingekohierd, kan tegen deze heffing, evenals tegen de eventueel opgelegde administratieve geldboete, een bezwaarschrift indienen bij de ambtenaar van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, daartoe aangewezen door de Vlaamse regering. Het bezwaarschrift moet op straffe van verval bij de in het eerste lid bedoelde ambtenaar met een aangetekende brief ingediend worden binnen een maand na de datum van verzending van het heffingsbiljet ». B.
  9. Krachtens die bepaling loopt de termijn om bezwaar aan te tekenen vanaf de datum van verzending van het heffingsbiljet. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt geschonden doordat niet iedere belastingplichtige over eenzelfde gewaarborgde minimumtermijn beschikt om op grond van die bepaling een ontvankelijk administratief beroep in te stellen. B.
  10. Zoals het Hof reeds in de arresten nrs. 170/2003, 166/2005, 34/2006, 43/2006 en 85/2007 heeft geoordeeld, is het redelijk verantwoord dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen. De keuze van de datum van verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt evenwel het recht van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van het aanslagbiljet. B.
  11. De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek). 5 B.
  12. In zoverre volgens de in het geding zijnde bepaling de beroepstermijn begint te lopen op de datum van afgifte ter post van het aanslagbiljet waarmee de leegstandsheffing wordt meegedeeld, beperkt zij op onevenredige wijze de rechten van verdediging van de heffingsplichtige. B.
  13. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 26, § 4, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, vóór de vervanging ervan bij artikel 6 van het decreet van 23 juni 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat de beroepstermijn loopt vanaf de datum van verzending van het heffingsbiljet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 26 september
  14. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.