id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.134 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071024.2 Arrest- Rolnummer: 134/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-10-24 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-29 13:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De wet van 16 augustus 1926 « tot goedkeuring van het Verdrag te Brussel, op 28 Maart 1925, gesloten, alsmede van het additioneel Protocol denzelfden dag onderteekend tusschen België en Nederland betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 18 van het « Verdrag te Brussel, op 28 Maart 1925, gesloten [...] tusschen België en Nederland betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten », goedgekeurd bij de wet van 16 augustus 1926, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Internationaal privaatrecht - Exequatur van een in Nederland gewezen scheidsrechterlijke uitspraak - Hoger beroep - Termijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-08-1926 Verdrag of internationale overeenkomst - 28-03-1925 - 18 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4185 Arrest nr. 134/2007 van 24 oktober 2007 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 18 van het « Verdrag te Brussel, op 28 Maart 1925, gesloten [...] tusschen België en Nederland betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten », goedgekeurd bij de wet van 16 augustus 1926, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 26 maart 2007 in zake de nv « J.S.T. Europe » tegen de vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 april 2007, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 18 van het Belgisch-Nederlands verdrag van 28 maart 1925, goedgekeurd bij wet van 16 augustus 1926 en verschenen in het Belgisch Staatsblad van 27 juli 1929, betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het bepaalt dat de beslissing van de voorzitter voorzien in de artikelen 15, 16 en 17 van dit verdrag (ter zake : het exequatur verleend door de voorzitter van de rechtbank voor burgerlijke zaken, zie artikel 15 van het verdrag) niet vatbaar is voor verzet maar kan worden aangevochten door het middel van hoger beroep binnen veertien dagen na tegenspraak, en binnen veertien dagen na de dag van haar betekening in geval van verstek, en dit terwijl de gewone termijn voor hoger beroep in burgerlijke zaken, zoals vastgesteld in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, één maand bedraagt te rekenen vanaf de betekening van het vonnis ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « J.S.T. Europe », met maatschappelijke zetel te 1910 Kampenhout, Oudestraat 15; - de vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. », woonplaats kiezend te 1050 Brussel, Louizalaan 99; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. D. Philippe en Mr. E. Maes, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « J.S.T. Europe »; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. »; . Mr. P. De Maeyer, tevens loco Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 10 mei 2006 werd in een geschil tussen de nv « J.S.T. Europe » en de vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. » een scheidsrechterlijke uitspraak gewezen. Op eenzijdig verzoekschrift van de laatstgenoemde vennootschap heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij bevelschrift van 8 september 2006 de scheidsrechterlijke uitspraak uitvoerbaar verklaard. Het bevelschrift werd op 4 oktober 2006 aan de nv « J.S.T. Europe » betekend. Op 19 oktober 2006 heeft de nv « J.S.T. Europe » beroep ingesteld tegen het bevelschrift. De tegenpartij voert een exceptie van laattijdigheid van het hoger beroep aan, op grond van artikel 18 van het Verdrag van 28 maart 1925, gesloten tussen België en Nederland, betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten. Dat artikel voorziet in een beroepstermijn van veertien dagen na betekening van het bevelschrift houdende uitvoerbaarverklaring van de scheidsrechterlijke beslissing. Volgens de nv « J.S.T. Europe » is die buitengewone beroepstermijn in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het Hof van Beroep stelt vast dat het Grondwettelijk Hof een beroepstermijn van minder dan een maand in een bepaald geval strijdig heeft bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (arrest nr. 125/2001) en in een ander geval niet (arrest nr. 121/2005). Alvorens uitspraak te doen, stelt het Hof van Beroep te Brussel de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.1.
- De vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. » betwist de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van de prejudiciële vraag omdat zij betrekking heeft op een internationale verdragsbepaling. De prejudiciële vraag zou enkel ontvankelijk kunnen zijn indien het Hof het mogelijk acht ze te herformuleren als een vraag over de wet van 16 augustus 1926 waarbij goedkeuring wordt gegeven aan het betrokken Verdrag. In dat verband wijst de vennootschap erop dat een eventuele ongrondwettigverklaring van een instemmingswet de stabiliteit van de met het betrokken Verdrag geregelde internationale betrekkingen in het gedrang kan brengen. A.1.
- Volgens de nv « J.S.T. Europe » is het Hof wel bevoegd om uitspraak te doen over de - eventueel te herformuleren - prejudiciële vraag. Zij verwijst in dat verband naar de arresten nrs. 26/91 en 12/94 van het Hof. Uit het nieuwe artikel 26, § 1bis, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 leidt zij a contrario af dat (de wet houdende goedkeuring van) het Belgisch-Nederlands Verdrag het voorwerp kan uitmaken van een prejudiciële beslissing van het Hof. 4 Ten gronde A.
- De nv « J.S.T. Europe » is van mening dat de termijn van veertien dagen een discriminerende uitzondering uitmaakt op de gemeenrechtelijke termijn voor het instellen van rechtsmiddelen. Een termijn van één maand is van toepassing om verzet aan te tekenen tegen een vonnis (artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek), om beroep aan te tekenen tegen een vonnis (artikel 1051 van hetzelfde Wetboek) en ook om verzet aan te tekenen tegen een beslissing tot uitvoerbaarverklaring van binnenlandse en buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (artikelen 1712 en 1722 van hetzelfde Wetboek). Het Verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken verwijst naar de « regelen van rechtsvordering, geldende in het gebied waar een beroep op de uitspraak wordt gedaan », wat dus een termijn van één maand betekent in België. Ook de bilaterale verdragen waarbij België partij is zouden een termijn van één maand bepalen, met uitzondering van de verdragen met Nederland en Frankrijk (respectievelijk veertien en vijftien dagen). De vennootschap wijst erop dat de verdragen met die twee landen dateren van het begin van de vorige eeuw, een periode waarin nog niet gelegifereerd werd over de uitvoerbaarverklaring van buitenlandse gerechtelijke en scheidsrechterlijke uitspraken. Zij wijst ook erop dat de afwijkende termijnen verwarring stichten en een gevaar inhouden omdat zij de partijen nadeel kunnen berokkenen. De nv « J.S.T. Europe » ontkent niet dat er in ons rechtssysteem nog andere korte termijnen bestaan voor het instellen van rechtsmiddelen (o.a. artikel 14 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, artikel 7 van de onteigeningswet van 26 juli 1962), maar die zouden door een objectief criterium worden verantwoord (o.a. openbare orde, dringende noodzakelijkheid). Wat het door de verwijzende rechter aangehaalde arrest nr. 121/2005 betreft, meent de vennootschap dat de daarin aan de orde zijnde termijn gebruikelijk en bekend is, terwijl de thans in het geding zijnde termijn wezenlijk verschilt van de termijn die gebruikelijk is in exequaturprocedures. Daar zou de gebruikelijke termijn één maand bedragen, zodat een termijn van veertien dagen « totaal onbekend is en een uitzondering vormt op de gebruikelijke termijn in deze materie en zodoende dan ook een onevenredige beperking uitmaakt van de rechten van diegene tegen wie men zich op die termijn beroept ». Om zijn stelling dat er sprake is van een discriminatie kracht bij te zetten, verwijst de nv « J.S.T. Europe » naar rechtsleer en naar bepaalde arresten van het Hof (arresten nrs. 25/95 en 48/2006). De discriminatie zou des te groter zijn doordat de partij die de uitvoerbaarverklaring vraagt zelf de procedure kan kiezen : de procedure krachtens het Verdrag van New York of de procedure krachtens het Belgisch-Nederlands Verdrag. In dat verband wijst zij op arrest nr. 96/2001, waarin het Hof het verantwoord achtte, om rechtsonzekerheid tegen te gaan, dat bij het bepalen van het aanvangspunt van de termijnen van rechtspleging werd gekozen voor een aanvangspunt dat niet afhankelijk is van de houding van de partijen in een rechtsgeding. De nv « J.S.T. Europe » wijst vervolgens op de afwezigheid van dubbele aanleg (verzet is immers uitgesloten volgens het Belgisch-Nederlands Verdrag), zodat een beroepstermijn van veertien dagen een dubbele en buitengewone uitzondering op het gerechtelijk privaatrecht uitmaakt en een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partij. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat men te maken heeft met een internationaal geschil, waarin buitenlandse advocaten dienen te worden geraadpleegd, terwijl in andere internationale situaties de termijnen steeds zouden worden verlengd naar gelang van de afstand van de woonplaats of maatschappelijke zetel van de partij die moet reageren. Zij verwijst in dat verband naar artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten slotte meent de nv « J.S.T. Europe » dat de in het geding zijnde beroepstermijn ook in strijd is met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het recht op een eerlijke behandeling houdt in dat elke partij in een burgerlijke zaak over een redelijke gelegenheid moet beschikken om haar zaak aan de rechtbank voor te leggen onder voorwaarden die haar niet op wezenlijke wijze benadelen ten opzichte van de tegenpartij. Zij verwijst in dat verband naar bepaalde arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 19 december 1989, Kamasinski t. Oostenrijk; EHRM, 18 september 2001, Platakou t. Griekenland). A.
- De Ministerraad vraagt zich in de eerste plaats af of de vergelijking met de gemeenrechtelijke termijn bedoeld in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek wel pertinent is. De artikelen 1676 tot 1723 van hetzelfde Wetboek bevatten immers eigen regels inzake arbitrage en artikel 1051 is in dat geval niet van toepassing. 5 De Ministerraad herinnert eraan dat zowel de wet als de rechtspraak en de rechtsleer de voorrang van verdragen op de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek bevestigen en dat de regels van het Belgisch- Nederlands Verdrag van 28 maart 1925 op een aantal punten afwijken van de regels van het gemeen recht. Vervolgens merkt de Ministerraad op dat ook het Gerechtelijk Wetboek krioelt van bijzondere procedures, met eigen rechtsmiddelen die naar vorm en termijn sterk kunnen verschillen. Die termijnen kunnen meer dan één maand bedragen (in beginsel drie maanden bijvoorbeeld voor een voorziening in cassatie, artikel 1073 van het Gerechtelijk Wetboek), maar ook minder dan één maand (acht dagen bijvoorbeeld voor een verzoek tot rechtsbijstand in de gevallen bepaald in artikel 674bis, § 4, van hetzelfde Wetboek). Ten slotte wijst de Ministerraad erop dat volgens de rechtspraak van het Hof verschillen in procedureregelingen niet zonder meer als discriminaties kunnen worden aangemerkt. Uit het verwijzingsarrest blijkt dat de vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. » in haar verzoekschrift tot erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraak uitdrukkelijk gekozen heeft voor de toepassing van het Belgisch-Nederlands Verdrag van 28 maart
- Aangezien het verzoekschrift gehecht was aan het bevelschrift van de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 september 2006 diende een normaal voorzichtige rechtsonderhorige te weten dat de rechtsmiddelen tegen voormeld bevelschrift eerst in dat Verdrag dienden te worden gezocht. In tegenstelling tot wat de nv « J.S.T. Europe » beweert, doet de in het geding zijnde bepaling geen rechtsonzekerheid ontstaan louter doordat de partij die de uitvoering vraagt de keuze van de procedure heeft. De verwijzingen naar het Verdrag van New York van 10 juni 1958 en naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn volgens de Ministerraad in casu niet pertinent. A.
- De vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. » citeert allereerst uitvoerig uit de parlementaire voorbereiding van de goedkeuringswet. Zij wijst erop dat zowel de bepalingen van het Belgisch-Nederlands Verdrag van 1925 als die van het Belgisch-Frans Verdrag van 1899 nog toepasselijk zijn, althans in zoverre zij de erkenning en de tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke beslissingen regelen. Artikel 69 van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en artikel 55 van het Verdrag van 27 september 1968, gesloten te Brussel, betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken stellen weliswaar elk voor zich dat zij het Belgisch-Nederlands Verdrag van 1925 vervangen, maar de « arbitrage » is uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied van beide teksten uitgesloten. Volgens de vennootschap mag niet uit het oog worden verloren dat de wetgever over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zodat van een schending van het gelijkheidsbeginsel slechts sprake is indien de betwiste ongelijke behandeling kennelijk onredelijk is, dit wil zeggen dat het volgens een algemeen gedeelde rechtsovertuiging niet denkbaar is dat enige naar redelijkheid beslissende overheid een dergelijke appreciatie zou kunnen uitbrengen. Zij verwijst naar arresten van het Hof waaruit die stelling zou blijken. Zij verwijst eveneens naar rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat met de aard van de getoetste norm rekening moet worden gehouden wanneer het niet gaat om een eenzijdige overheidsakte maar om een verdragsnorm die ook buiten de interne rechtsorde gevolgen teweegbrengt. Dat zou des te meer gelden wanneer, zoals te dezen, het Hof een verschil in behandeling dient te beoordelen dat voortvloeit uit een verdragsrechtelijke bepaling, enerzijds, en een internrechtelijke bepaling, anderzijds. Zij verwijst in dat verband inzonderheid naar de arresten nrs. 69/2000 en 138/2003 van het Hof. Indien het Hof toch zou overgaan tot de vergelijking van de beroepstermijn vervat in artikel 18 van het Belgisch-Nederlands Verdrag van 1925 en de gemeenrechtelijke beroepstermijn, dan mag de beoordelings- en beleidsvrijheid van de wetgever niet worden veronachtzaamd. Volgens de vennootschap naar Nederlands recht vereist het gelijkheidsbeginsel niet dat een internationale regeling identiek moet zijn aan de geldende internrechtelijke regeling. Het gelijkheidsbeginsel zou evenmin vereisen dat enkel met een internationaal verdrag kan worden ingestemd wanneer dat de meest gunstige regeling zou bevatten. Zij verwijst daarvoor naar arrest nr. 26/91 van het Hof. De vennootschap betwist dat er op het vlak van de tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke beslissingen sprake zou zijn van uniformiteit in Europa. Zij betwist eveneens dat het Belgisch-Nederlands Verdrag zou dateren uit een periode toen er over de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke beslissingen nog niet zou zijn gelegifereerd. Zij zegt ook niet in te zien waarom de regeling uit dat Verdrag plotseling 6 ongrondwettig zou moeten worden bevonden, louter wegens het feit dat die uit 1925 dateert en wegens het feit dat er andere rechtsbronnen zijn die voor soortgelijke situaties in een langere termijn voorzien. De vennootschap meent, eveneens met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, dat niet elke procedureregeling, laat staan elke (termijn)regeling met betrekking tot het aanwenden van rechtsmiddelen, in elke aangelegenheid identiek moet zijn. Van een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen zou in het voorliggende geval geen sprake zijn. Zij wijst erop dat de uitvoerbaarverklaring van een buitenlandse scheidsrechterlijke beslissing niet de grond van de zaak betreft, maar enkel de vraag of aan de voorwaarden voor de erkenning van de bindende kracht van die buitenlandse uitspraak is voldaan. Voor zoveel als nodig merkt zij ook op (met verwijzing naar het arrest nr. 136/2001 van het Hof) dat van de appellant mag worden verwacht dat zij het beroep instelt binnen de daarvoor bepaalde termijn, die zij geacht wordt te kennen. De verwijzing naar het Verdrag van New York van 10 juni 1958 zou ten slotte geen zin hebben aangezien artikel 7 van dat Verdrag precies bepaalt dat « de bepalingen van dit Verdrag […] geen afbreuk [doen] aan de geldigheid van multilaterale of bilaterale overeenkomsten, gesloten door de Verdragssluitende Staten, betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken en […] geen belanghebbende partij enig recht [ontnemen] dat zij mocht hebben om gebruik te maken van een scheidsrechterlijke uitspraak op de wijze en in de mate, toegestaan volgens de wetgeving of de internationale overeenkomsten van het land waar op die uitspraak een beroep wordt gedaan ». Het door de nv « J.S.T. Europe » aangeklaagde keuzerecht zou niet aan de in het geding zijnde bepaling kunnen worden toegeschreven. De toetsing aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is volgens de vennootschap niet mogelijk, aangezien het niet aan de partijen voor het Hof staat de draagwijdte van de prejudiciële vraag te wijzigen. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 18 van het Verdrag van 28 maart 1925, gesloten tussen België en Nederland, betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, goedgekeurd bij de wet van 16 augustus
- B.1.
- De vennootschap naar Nederlands recht « Integrated Mechanization Solutions B.V. » voert aan dat het Hof niet bevoegd is om een verdragsbepaling te toetsen. B.1.
- Uit de prejudiciële vraag blijkt dat zij in werkelijkheid betrekking heeft op de wet tot goedkeuring van het betrokken Verdrag. Enkel de wetten waardoor een constituerend verdrag betreffende de Europese Unie of het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of een Aanvullend Protocol bij dat Verdrag instemming verkrijgt, zijn aan de prejudiciële bevoegdheid van het Hof onttrokken (artikel 26, § 1bis, van de bijzondere wet van 6 januari 1989). 7 Het Hof kan een instemmingswet met een verdrag niet op zinvolle wijze toetsen zonder de inhoud van de relevante bepalingen van dat verdrag in zijn onderzoek te betrekken. B.1.
- De exceptie wordt verworpen. B.
- Op grond van artikel 15.2 van het Belgisch-Nederlands Verdrag van 28 maart 1925 kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een in Nederland gewezen scheidsrechterlijke uitspraak in België uitvoerbaar verklaren. Artikel 18.2 van dat Verdrag bepaalt : « De beslissing is niet vatbaar voor verzet. Zij kan worden aangevochten door middel van hooger beroep binnen veertien dagen na den dag waarop zij is gegeven in geval van tegenspraak, en binnen veertien dagen na den dag harer beteekening, in geval van verstek ». De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling dat bestaat tussen de personen die hoger beroep instellen tegen een beslissing tot uitvoerbaarverklaring van een in Nederland gewezen scheidsrechterlijke uitspraak en diegenen die hoger beroep instellen in een procedure van gemeen recht, in zoverre de eerstgenoemden over een termijn van veertien dagen beschikken om hoger beroep in te stellen terwijl de laatstgenoemden een termijn van één maand genieten (artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek). B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
- Bij het onderzoek van de vraag of de rechten van de betrokken personen op onevenredige wijze zijn beperkt, dient het Hof rekening te houden met het feit dat het verschil in behandeling te dezen voortvloeit uit een verdragsnorm waartoe België zich ten aanzien van een andere Staat volkenrechtelijk heeft verbonden. 8 B.
- Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.
- De regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. B.
- Een termijn van veertien dagen om hoger beroep in te stellen beperkt de rechten van de betrokken personen niet op onevenredige wijze. Die termijn is niet dermate kort dat hij de aanwending van het beroep buitensporig moeilijk of onmogelijk zou maken. Dit is des te meer het geval nu het een beroep betreft tegen een beslissing tot uitvoerbaarverklaring van een in Nederland gewezen scheidsrechterlijke beslissing, en het bijgevolg niet de grond van het geschil betreft maar enkel de vraag of aan de voorwaarden voor de erkenning van de bindende kracht van die buitenlandse uitspraak is voldaan. B.
- De termijn bepaald in artikel 18.2 van het voormelde Verdrag is bijgevolg niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De wet van 16 augustus 1926 « tot goedkeuring van het Verdrag te Brussel, op 28 Maart 1925, gesloten, alsmede van het additioneel Protocol denzelfden dag onderteekend tusschen België en Nederland betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 24 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div