id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.135 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071107.1 Arrest- Rolnummer: 135/2007 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-11-08 Raadplegingen: 322 - laatst gezien 2026-06-30 15:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :
- Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is. - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4147 behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi, de Politierechtbank te Luik en de Politierechtbank te Verviers. Verzekeringsrecht - Vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar of een werknemer die het slachtoffer is van een ongeval - Aansprakelijkheid van een derde - Vergoeding voor de schade van de werkgever -
- Werkgevers van de openbare sector -
- Privéwerkgevers. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4078, 4147 en 4180 Arrest nr. 135/2007 van 7 november 2007 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi, de Politierechtbank te Luik en de Politierechtbank te Verviers. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 16 november 2006 in zake Philippe Fontenelle tegen Philippe Pussemier en in aanwezigheid van de Belgische Staat en de nv « KBC Verzekeringen », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 november 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling, in de interpretatie die het Hof van Cassatie eraan geeft, met name in zijn arresten van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een ambtenaar het slachtoffer zou zijn en, anderzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een werknemer het slachtoffer zou zijn ? ». b. Bij vonnis van 13 februari 2007 in zake « Ethias Verzekering » tegen de nv « Corona Direct », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 februari 2007, heeft de Politierechtbank te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bepalingen ervan, in de interpretatie die het Hof van Cassatie eraan geeft, met name in zijn arresten van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoeren tussen, enerzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een ambtenaar het slachtoffer zou zijn en, anderzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een werknemer het slachtoffer zou zijn, wegens hun vordering tot vergoeding van de materiële schade die zij lijden naar aanleiding van de bij dat ongeval opgelopen lichamelijke letsels ? »;
- « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bepalingen ervan, in de interpretatie die het Hof van Cassatie eraan geeft, met name in zijn arresten van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoeren tussen het slachtoffer van een ongeval in de openbare sector en het slachtoffer van een ongeval in de privésector, daar de veroorzaker die voor het ongeval gedeeltelijk aansprakelijk is, van het eerstgenoemde slachtoffer diens aandeel zou kunnen vorderen, waardoor het mogelijk de vergoedingen moet terugbetalen die het wegens zijn statuut ontvangt ? ». c. Bij vonnis van 26 maart 2007 in zake « Ethias Arbeidsongevallen » tegen de nv « Swiss Life Belgium », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 maart 2007, heeft de Politierechtbank te Verviers de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling, in de interpretatie die het Hof van Cassatie eraan geeft, met name in zijn arresten van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april 2003, een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een ambtenaar het slachtoffer zou zijn en, anderzijds, de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan een werknemer het slachtoffer zou zijn ? ». 3 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4078, 4147 en 4180 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « KBC Verzekeringen », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 3000 Leuven, Waaistraat 6, in de zaak nr. 4078; - « Ethias Verzekering », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4000 Luik, rue des Croisiers 24, in de zaak nr. 4147; - de nv « Corona Direct », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1130 Brussel, Metrologielaan 2, in de zaak nr. 4147; - de nv « Swiss Life Belgium », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1060 Brussel, Fonsnylaan 38, in de zaak nr. 4180; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. L. Swartenbroux, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. J.-M. Nelissen-Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de nv « KBC Verzekeringen », in de zaak nr. 4078; . Mr. J.-F. Jeunehomme en Mr. J. Wildemeersch, advocaten bij de balie te Brussel, voor Ethias Verzekering », in de zaak nr. 4147; . Mr. B. Graulich, advocaat bij de balie te Luik, loco Mr. C. Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Mr. N. Simar, advocaat bij de balie te Luik, voor de nv « Corona Direct » in de zaak nr. 4147, en voor de nv « Swiss Life Belgium » in de zaak nr. 4180; . Mr. M. Mareschal loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 4078 Philippe Fontenelle, ambtenaar bij het Ministerie van Financiën, is in disponibiliteit gesteld en vervolgens vervroegd met pensioen gegaan wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid als gevolg van een ongeval veroorzaakt door een dier waarvoor een derde aansprakelijk was. Hij heeft Philippe Pussemier, eigenaar van het dier, voor de verwijzende rechter gedagvaard tot het betalen van een schadevergoeding; de nv « KBC Verzekeringen », verzekeraar van Philippe Pussemier, is voor de verwijzende rechter tussengekomen, alsook de Belgische Staat, die de wedden vordert die hij aan Philippe Fontenelle gedurende diens periode van ongeschiktheid heeft betaald, zonder dat hij de prestaties van zijn ambtenaar genoot. Om zijn eis te gronden, baseert de Belgische Staat zich op de wettelijke subrogatie waarin artikel 160 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen voorziet, alsook op zijn eigen schade op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig de huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie. De verwijzende rechter refereert aan verschillende arresten van het Hof van Cassatie van 2001, die in diens jaarverslag worden geciteerd en betrekking hebben op het eigen vorderingsrecht van de werkgever op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens die arresten staat de statutaire verplichting ten laste van een overheid om de wedden van haar ambtenaren te betalen, los van de vraag of een oorzakelijk verband bestaat tussen de door de derde begane fout en de schade die, voor die overheid, voortvloeit uit de voortzetting van de betaling van de wedde zonder in ruil daarvoor prestaties te ontvangen. Het probleem moet worden benaderd vanuit de invalshoek van de schade : de werkgever van de openbare sector die, op grond van zijn wettelijke of reglementaire verplichtingen, de wedde en de desbetreffende toeslagen verder moet betalen zonder dat arbeidsprestaties worden verricht, heeft het recht om te worden vergoed op voorwaarde dat hij hierdoor schade lijdt. Het bestaan van een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting sluit het bestaan van schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet uit, tenzij uit de bewoordingen of de draagwijdte van de wet, het reglement of de overeenkomst volgt dat de uitgave of de prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die ertoe gehouden is ze te verrichten op grond van die wet, dat reglement of die overeenkomst. De nv « KBC Verzekeringen » is van mening dat die rechtspraak leidt tot een verschil in behandeling tussen de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan het slachtoffer een ambtenaar van de overheidssector zou zijn, en de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan het slachtoffer een werknemer van de privésector zou zijn, en heeft de verwijzende rechter gevraagd aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen, wat de rechter in de hiervoor weergegeven bewoordingen heeft gedaan. In de zaak nr. 4147 De Politierechtbank te Luik wordt ertoe gebracht zich uit te spreken over een vordering die tegen de nv « Corona Direct » is ingesteld door « Ethias Verzekering », wetsverzekeraar van Yvan Charlet, postbeambte en slachtoffer van een verkeersongeval waarvoor de verzekerde van de nv « Corona Direct » onbetwistbaar aansprakelijk is. Het beroep is gegrond op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en verwijst naar de arresten van het Hof van Cassatie van 30 januari 2002 en 10 april
- De nv « Corona Direct », die overigens enigerlei subrogatie van « Ethias Verzekering » in de rechten van haar verzekerde betwist en op tegenvordering de terugbetaling eist van een bedrag dat zij heeft uitgekeerd, betwist bovendien het rechtstreeks verhaal op grond van 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Nadat de partijen hebben verwezen naar de prejudiciële vraag die in de zaak nr. 4078 aan het Hof is gesteld, stelt de verwijzende rechter aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen zoals ze in de conclusies van de nv « Corona Direct » zijn geformuleerd. In de zaak nr. 4180 De Politierechtbank te Verviers wordt ertoe gebracht zich uit te spreken over een vordering die door « Ethias Arbeidsongevallen », verzekeraar van de stad Verviers, is ingesteld tegen de nv « Swiss Life Belgium »; Marc Renard, een ambtenaar van die stad, is het slachtoffer geweest van een verkeersongeval waarvoor 5 uitsluitend Vincent Braham, verzekerde van de nv « Swiss Life Belgium », aansprakelijk is. Ethias voert aan dat zij in de rechten treedt van de stad Verviers, die volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek beschikt over het recht om de aansprakelijke derde of diens verzekeraar aan te spreken. Nadat de partijen hebben verwezen naar de vragen die zijn gesteld in de zaken nrs. 4078 en 4147, stelt de verwijzende rechter aan het Hof een prejudiciële vraag in dezelfde bewoordingen als die in de zaak nr.
- Hij wijst een tweede vraag af die door de verwerende partij was voorgesteld, aangezien het probleem van een gedeelde aansprakelijkheid te dezen niet aan de orde is. III. In rechte -A- Ten aanzien van de aansprakelijke derde (zaken nrs. 4078 en 4180 en eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 4147) A.1.
- De Ministerraad (zaken nrs. 4078, 4147 en 4180) herinnert aan de feiten van de zaak en schetst de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof van Cassatie in verband met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de « theorie van de gelijkwaardigheid van de voorwaarden » (volgens welke iedere persoon die een nadeel aanvoert, moet aantonen dat de schade zich zonder de fout niet had voorgedaan zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan) en de « theorie van de verbreking van het oorzakelijk verband door een eigen rechtsgrond » (volgens welke het oorzakelijk verband niet bestaat indien tussen de fout en de schade een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting bestaat). Die laatste theorie werd bevestigd in het arrest van 17 januari 1938, verlaten in het arrest van 5 maart 1953, opnieuw gevolgd in het arrest van 28 april 1978 en ten slotte, na hevige kritiek in de rechtsleer, opgegeven in vijf arresten van 19 en 20 februari 2001, waaruit voortvloeit dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voortaan in die zin wordt geïnterpreteerd dat het bestaan van een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting niet uitsluit dat er schade is, op voorwaarde evenwel dat uit de overeenkomst of de wet niet voortvloeit dat de betaling definitief ten laste moet blijven van diegene die op die basis daartoe verplicht is. Het Hof van Cassatie heeft die rechtspraak bevestigd, met name in zijn arresten van 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 6 november 2001, 30 januari 2002, 4 maart 2002 en 10 april
- A.1.
- De Ministerraad (zaken nrs. 4078, 4147 en 4180) voert aan dat de interpretatie die het Hof van Cassatie aan de in het geding zijnde bepaling geeft niet de draagwijdte heeft die de verwijzende rechter eraan toekent. Artikel 1382 legt immers de voorwaarden vast waaronder diegene - eender wie - die een fout heeft begaan ertoe kan worden geroepen de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Die bepaling - en de interpretatie van de theorie van het oorzakelijk verband die wordt gegeven door de huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie - is zonder onderscheid van toepassing op iedere persoon die ertoe gehouden is een bedrag te betalen aan een werknemer die het slachtoffer is van een fout van een derde. Het Hof maakt geen onderscheid volgens de - contractuele, reglementaire of wettelijke - aard van de in geding zijnde verplichting, noch volgens de hoedanigheid van de werkgever - overheid of privé -, noch volgens de aard van de indienstneming van de werknemer - statutair of contractueel. Het gegeven dat de vijf arresten van 2001 betrekking hebben op een publiek persoon, houdt niet in dat de interpretatie van het Hof anders zou zijn indien het ging om een werkgever die een privaatrechtelijk rechtspersoon was. De werkgever, ongeacht zijn hoedanigheid, moet aantonen dat de betaalde bedragen voor hem herstelbare schade vormen (op voorwaarde dat de wet, het reglement of de overeenkomst die bedragen niet definitief te zijnen laste leggen) of moet, met andere woorden, aantonen dat hij een loon en de daarop geheven bijdragen heeft betaald, alsook alle bedragen die hij verschuldigd is op grond van « wettelijke, reglementaire of contractuele verplichtingen », zonder de prestaties te genieten die de werknemer gewoonlijk verricht, en dit wegens de fout van een derde. Het bestaan van de wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting sluit dus niet noodzakelijk het bestaan van schade uit en dezelfde criteria dienen te worden toegepast op de verzekeraar van de werkgever. Die verplichting vloeit voor de privésector en de contractuele ambtenaren van de overheidssector met name voort uit de artikelen 52 tot 54, 70 tot 72 en 75 van de wet van 3 juli 1978 betreffende 6 de arbeidsovereenkomsten en, voor het statutair kader van het openbaar ambt, uit artikel 160 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. Inzake arbeidsongevallen of ongevallen op de weg van en naar het werk rust zij op de werkgever op grond van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (privésector) en de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen in de overheidssector. In elk geval kan zij ook voortvloeien uit een contractuele verbintenis van de werkgever of uit het bijzonder statuut van een categorie van ambtenaren van de overheidssector. De rechtsleer bevestigt dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de in het geding zijnde discriminatie niet tot stand brengt. Het Hof van Cassatie heeft nooit een onderscheid willen maken tussen een publiekrechtelijk en een privaatrechtelijk persoon die de terugbetaling zou eisen van een bedrag dat hij op grond van zijn eigen contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting heeft betaald. Het arrest van 6 november 2001 betreft aldus vrijwillige prestaties van privépersonen en meer bepaald van grootouders die hadden beslist in te staan voor de opvoeding van hun kleinkind nadat zijn moeder was overleden ten gevolge van een ongeval. In de aan de rechter voorgelegde zaak wordt op de aansprakelijke derde dus dezelfde juridische regeling toegepast en wordt hij onder dezelfde voorwaarden ertoe gebracht het door de werkgever geleden nadeel integraal te vergoeden. In de interpretatie die het Hof van Cassatie aan artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geeft, schendt het dus niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.1.
- In de zaken nrs. 4147 en 4180 verwijst de Ministerraad, die de ontstentenis van een verschil in behandeling bevestigt, naar een arrest van het Hof van Cassatie van 24 april 2002 (Pas. 2002, nr. 248) dat niet het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag en waarmee, in verband met artikel 14, § 3, van de voormelde wet van 3 juli 1967, is beslist dat de verzekeraar die in de rechten van het slachtoffer treedt, geen persoonlijke schade ondervindt door het verlies van de arbeidsprestaties van de laatstgenoemde. De Ministerraad is van mening dat het aan de verwijzende rechter staat zich uit te spreken over de vraag of de lering van dat arrest te dezen van toepassing is, maar merkt op dat dat arrest bevestigt dat de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet afhangt van de hoedanigheid van het slachtoffer, maar van het bestaan van herstelbare schade. A.1.
- In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad (zaak nr. 4078) eraan toe dat het Hof niet gebonden is door de interpretatie van de verwijzende rechter en dat het, om het werk van de wetgever te vrijwaren, een grondwetsconforme interpretatie kan voorstellen. Dat is de draagwijdte van de interpretatie die hij in zijn memorie heeft voorgesteld. A.2.
- De nv « KBC Verzekeringen » (zaak nr. 4078) herinnert aan de feiten van de onderhavige zaak en aan de verplichting voor het Hof om de in het geding zijnde bepaling te onderzoeken in de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft. De laatstgenoemde heeft gesteld dat de interpretatie die het Hof van Cassatie aan artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geeft, leidt tot een verschil in behandeling waardoor, volgens de auteur van de memorie, de publiekrechtelijke personen voortaan beschikken over een rechtstreekse vordering ten aanzien van de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarbij een van hun ambtenaren betrokken is, terwijl de werkgevers die personeel onder een arbeidsovereenkomst tewerkstellen, geen dergelijke vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zouden kunnen instellen, maar alleen een subrogatoire vordering. Wanneer het slachtoffer een ambtenaar van de overheidssector is, zou de vordering bijgevolg veel gunstiger zijn voor de werkgever. Die laatste vordering zou met name de brutobezoldigingen en niet de netto- of semi-nettobezoldigingen omvatten. Niettegenstaande het feit dat een gemeenschappelijk aangewezen arts-deskundige zou hebben gekozen voor periodes van degressieve arbeidsongeschiktheid terwijl het slachtoffer niet aanwezig was op het werk, zou de vordering bovendien betrekking hebben op het volledige bedrag van de voor die periodes van afwezigheid betaalde brutobezoldigingen en zou zij dus niet beperkt zijn tot de schade die een oorzakelijk verband met het ongeval vertoont. De overheid stelt met andere woorden als werkgever van onder een statutaire regeling in dienst genomen slachtoffers zelf de omvang van haar schuldvordering vast, terwijl in het gemeen recht, met slachtoffers die onder een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld, alleen de gevolgen die een rechtstreeks verband met het ongeval vertonen, zullen worden vergoed door de aansprakelijke derde. Dat verschil in behandeling, dat betrekking heeft op de mogelijkheden van verhaal waarover de werkgevers van statutair personeel en van personeel met een arbeidsovereenkomst beschikken, is eveneens uitgesproken in geval van gedeelde aansprakelijkheid. Een vergoeding die geen rekening zou houden met de aard van de herstelbare materiële schade, namelijk de lichamelijke letsels van het slachtoffer, zou mogelijk zijn wanneer die onder de publieke sector valt : de publiekrechtelijke personen zouden van de derde die medeaansprakelijk is voor het ongeval, de vergoeding kunnen eisen van al hun prestaties ten aanzien van hun ambtenaar, zonder rekening te houden met de gedeelde aansprakelijkheid, terwijl het medeslachtoffer overigens de helft van zijn schade van de medeaansprakelijke derde zou kunnen eisen. 7 A.2.
- De nv « KBC Verzekeringen » (zaak nr. 4078) merkt op dat de Ministerraad niet de hypothese voor ogen houdt volgens welke, in de interpretatie van het Hof van Cassatie, artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zou kunnen leiden tot een verschil in behandeling en dus niet onderzoekt of het verantwoord zou kunnen zijn; zij is van mening dat dat verschil in behandeling discriminerend is. De derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarbij een ambtenaar van de overheidssector is betrokken, is vergelijkbaar met de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarbij een werknemer met een arbeidsovereenkomst is betrokken, vermits het ongeval betrekking heeft op een slachtoffer dat beroepshalve actief is. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium dat afhankelijk is van het sociaal statuut waaronder het slachtoffer van het ongeval is tewerkgesteld. Dat verschil is echter niet redelijk verantwoord, aangezien het sociaal statuut niet relevant is ten aanzien van het doel van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek; het houdt geen verband met het feit of aan de werkgever al dan niet een rechtstreekse vordering tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde wordt toegekend met het oog op de terugbetaling van de bezoldigingen die de werkgever aan het slachtoffer van het ongeval heeft betaald, terwijl hij diens arbeidsprestaties niet heeft genoten. In de interpretatie die het Hof van Cassatie aan artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geeft, behandelt het de derden die aansprakelijk zijn voor een ongeval waarbij een ambtenaar van de overheidssector betrokken is, op discriminerende wijze en schendt het bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.3.
- « Ethias Verzekering » (zaak nr. 4147) stelt vast dat de prejudiciële vraag verschilt van die in de zaak nr. 4078, in zoverre zij betrekking heeft op een vordering tot vergoeding van de materiële schade van het slachtoffer voor de lichamelijke letsels als gevolg van het ongeval; zij is van mening dat die vraag geen verband houdt met de feiten van het geschil en niet verwant is met de prejudiciële vraag in de zaak nr. 4078, maar beschouwt, gelet op de samenvoeging, dat beide vragen identiek zijn. A.3.
- « Ethias Verzekering » (zaak nr. 4147) herinnert aan de feiten van de onderhavige zaak en voert aan dat zij in de rechten van de publieke werkgever (De Post) is gesteld door de werking van artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en van een bij overeenkomst vastgestelde subrogatie, waardoor zij een rechtstreekse vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek kan instellen; de publieke werkgever treedt zelf in de rechten van zijn ambtenaar, die het slachtoffer is van een ongeval, door de werking van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de arbeidsongevallen in de overheidssector; die laatste voorziet overigens niet in een verzekeringsplicht ten laste van de publieke werkgever, maar verplicht de werkgever ertoe aan het slachtoffer zijn bezoldigingen gedurende de afwezigheid als gevolg van het ongeval integraal uit te keren en de sociale en fiscale bijdragen te betalen (Ethias betaalt dat brutoloon vervolgens terug aan de werkgever op grond van de door hem gesloten verzekeringsovereenkomst); in het algemeen worden de medische kosten en de uitkeringen voor blijvende arbeidsongeschiktheid betaald door de verzekeraar, rechtstreeks ten behoeve van het slachtoffer, maar voor rekening van de werkgever. Zij voert ten slotte aan dat, hoewel het slachtoffer beschikt over een vorderingsrecht tegen zijn werkgever en de aansprakelijke voor het ongeval (of zijn verzekeraar), het daarover niet beschikt tegen de verzekeraar van zijn werkgever. Die verzekeraar beschikt van zijn kant over een drievoudige vordering tegen de schuldige of diens verzekeraar : - de wettelijke quasisubrogatie op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 1967 betreffende de arbeidsongevallen in de overheidssector (de publieke werkgever treedt in de rechten van de ambtenaar die het slachtoffer is van het arbeidsongeval of van het ongeval op de weg van en naar het werk); - het rechtstreeks verhaal op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met toepassing van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en meer bepaald van de in de prejudiciële vragen genoemde arresten; - wanneer het slachtoffer van het ongeval een contractueel ambtenaar is, de rechtstreekse vordering bepaald in de artikelen 54, § 4, en 75 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, die het hem mogelijk maakt alleen het gewaarborgd loon en de desbetreffende sociale bijdragen te recupereren. Die bepalingen maken het hem dus niet mogelijk de vergoedingen te recupereren die bovenop het gewaarborgd loon zijn betaald. A.3.
- « Ethias Verzekering » (zaak nr. 4147) is van mening dat de publieke en de privésector geen met elkaar vergelijkbare categorieën zijn. Zij stelt de juridische betrekkingen in beide vergoedingsstelsels als volgt voor : 8 Privésector Art. 47 van de wet van 1971 (subrogatie in de rechten van het slachtoffer) Privéwerkgever Werknemer/arbeider Wetsverzekeraar slachtoffer AO Art. 47 van de wet van 1992 (subrogatie in de rechten van de werkgever) Rechtstreekse vordering Art. 1382 van het « gewaarborgd loon » Burgerlijk Wetboek Schuldige en/of BA-verzekeraar Overheidssector Artikel 14, § 3, van de wet van 1967 Publieke werkgever of facultatieve Ambtenaar slachtoffer verzekeraar van het arbeidsongeval Art. 41 wet van 1992 Subrogatie in de rechten van de werkgever Art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek Art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek (Cass. 19 en 20 februari 2001) + Art. 54, § 4, en 75 van de wet van 1978 Schuldige en/of Rechtstreekse vordering « gewaarborgd loon » BA-verzekeraar Zij wijst op meerdere verschillen tussen beide stelsels :
- Terwijl de publieke werkgever ertoe gehouden is het slachtoffer te vergoeden, zonder toepassing van enige vergoedingsgrens en zonder beperking van de duur wat de tijdelijke ongeschiktheid betreft (artikel 3bis van de wet van 1967), en de medische kosten terug te betalen, moet de privéwerkgever alleen het gewaarborgd loon (hoogstens een maand) uitkeren aan de arbeider of de bediende die het slachtoffer van een arbeidsongeval is geweest. Vervolgens is het de wetsverzekeraar die alle vergoedingsverplichtingen zal dragen (er is immers voorzien in maximale vergoedingsbedragen voor de tijdelijke ongeschiktheden);
- Terwijl de publieke werkgever geenszins verplicht is om zich te verzekeren (het is een mogelijkheid), is de privéwerkgever wel daartoe verplicht (artikel 49 van de wet van 1971);
- Terwijl de publieke werkgever de enige wettelijke schuldenaar is van het slachtoffer van het arbeidsongeval, kan de privéwerkgever door het slachtoffer slechts worden gedagvaard voor de betaling van het gewaarborgd loon en de gevolgen van een opzettelijke fout, van een fout die schade aan de goederen heeft veroorzaakt of van een verkeersongeval;
- Terwijl in de overheidssector de schuldenaar van de vergoeding voor het arbeidsongeval geen enkele tegenprestatie ontvangt, int de wetsverzekeraar van de privésector natuurlijk premies om het risico van het 9 voorvallen van het arbeidsongeval te dekken. Ten aanzien van het gewaarborgd loon is de schuldenaar de privéwerkgever en ontvangt hij geen tegenprestatie voor zijn verplichting (maar hij beschikt over een eigen recht tegen de schuldige);
- Terwijl de werkgever van de overheidssector een nadeel lijdt, met name door bezoldigingen uit te keren, zonder beperking van de duur en zonder in ruil daarvoor een arbeidsprestatie te genieten, en beschikt over een subrogatoire vordering tegen de aansprakelijke voor het ongeval of zijn verzekeraar, over een rechtstreeks verhaal op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en, wanneer het om een contractueel ambtenaar gaat, over een rechtstreeks verhaal op grond van de wet van 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (alleen voor het gewaarborgd loon, namelijk de eerste maand ongeschiktheid, en niet voor de vergoedingen met betrekking tot de volgende maanden), lijdt de privéwerkgever een zeer beperkt nadeel, namelijk alleen het gewaarborgd loon, en beschikt hij over een rechtstreeks verhaal op grond van dezelfde wet van
- Hij zou eveneens rechtstreeks verhaal kunnen uitoefenen op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de gedeelten van de eindejaarpremies, het vakantiegeld en de dertiende maand met betrekking tot het gewaarborgd loon. De privéwerkgever lijdt geen nadeel en beschikt niet over een vordering tegen de schuldige boven die grenzen, aangezien de last van de vergoeding rust op de wetsverzekeraar. De wet van 1978 kent hem nog steeds een vordering toe waarmee hij de bezoldiging die hij moet betalen integraal kan recupereren, terwijl de werkgever van de overheidssector volgens diezelfde wet slechts over dat rechtstreeks verhaal beschikt wanneer het gaat om een contractueel ambtenaar (in de wetgeving bestaat immers geen enkele vergelijkbare bepaling voor de statutaire ambtenaren) en bovendien geldt dat rechtstreeks verhaal hoogstens voor de eerste maand ongeschiktheid (namelijk voor het gewaarborgd loon) en niet voor de wedde die tijdens de hele duur van de tijdelijke ongeschiktheid wordt uitgekeerd (die verschillende maanden of zelfs verschillende jaren kan duren). Alleen de interpretatie die het Hof van Cassatie aan de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek heeft gegeven, biedt hem een vordering die gelijkwaardig is aan die welke de werkgever van de privésector geniet;
- Terwijl, in de overheidssector, het slachtoffer alleen tegen zijn werkgever een vordering heeft, er geen enkel rechtstreeks juridisch verband bestaat tussen het slachtoffer en de facultatieve verzekeraar van de publieke werkgever (een dergelijk verband bestaat tussen het slachtoffer en de overheid die hem tewerkstelt) en het slachtoffer daarentegen beschikt over een keuzerecht dat het hem mogelijk maakt op te treden tegen zijn werkgever en/of tegen de aansprakelijk voor het ongeval en/of zijn verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid, zonder dat de vergoeding voor de tijdelijke ongeschiktheid is beperkt door een maximaal vergoedingsbedrag, beschikt het slachtoffer in de privésector over een vordering tegen de verzekeraar van de werkgever (waarbij de werkgever geen verplichting heeft boven het gewaarborgd loon); het slachtoffer moet eerst optreden tegen de wetsverzekeraar en heeft geen keuzerecht ten aanzien van de volgorde waarin de vordering tot vergoeding op grond van de arbeidsongevallenwet en de vordering op grond van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de schadeverwekker worden ingesteld. Er zij ten slotte opgemerkt dat de vergoeding van de blijvende ongeschiktheid gunstiger is in de privésector dan in de overheidssector (hogere bovengrens van de vergoeding in de privésector). « Ethias Verzekering » is van mening dat onder die voorwaarden de werkgevers van de privésector en de werkgevers van de overheidssector categorieën zijn die niet met elkaar vergelijkbaar zijn. A.3.
- Ten aanzien van het verschil in behandeling waarnaar in de prejudiciële vraag wordt verwezen, herinnert « Ethias Verzekering » (zaak nr. 4147) aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie in verband met artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, volgens welke de eigen rechtsgrond het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade niet noodzakelijk verbreekt. Ten aanzien van de partijen in het geding is zij van mening dat de gestelde vraag in werkelijkheid betrekking heeft op de situatie van de derde die aansprakelijk is voor een ongeval ten aanzien van de werkgever van het slachtoffer van het ongeval, met andere woorden de situatie van de aansprakelijke derde ten aanzien van de publieke werkgever of de privéwerkgever. Zij voert aan dat het Hof van Cassatie in zijn arresten van 19 en 20 februari 2001 en in de latere arresten zich weliswaar telkens heeft uitgesproken over geschillen waarbij een overheid in het geding was, maar dat betekent niet dat artikel 1382 anders zou moeten worden geïnterpreteerd in het geval van een privéwerkgever, daar de hoedanigheid van de werkgever niet aan de orde is in de interpretatie van het Hof van Cassatie; het enige centrale element van die interpretatie is het al dan niet definitieve karakter van de door de werkgever gedragen last en de rechtsleer heeft de toepassing van die rechtspraak op de privésector recentelijk goedgekeurd. Zij merkt overigens op dat de werkgever van de privésector die het gewaarborgd loon moet betalen, nooit het volledige bedrag daarvan bij zijn wetsverzekeraar recupereert, daar de berekeningsgrondslagen niet identiek zijn. De vergoeding die bij een arbeidsongeval wordt uitgekeerd, is immers gelijk aan 90 pct. van een begrensde jaarbezoldiging en bevat niet langer het vakantiegeld, terwijl het gewaarborgd loon geenszins begrensd is en de werkgever, ondanks de 10 afwezigheid van zijn werknemer, voor hem eveneens het recht op het vakantiegeld en verschillende premies waarin de collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden voorzien, moet behouden. Hij geniet dus eveneens het voordeel van de nieuwe interpretatie van het Hof van Cassatie, om het verschil te kunnen recupereren (het rechtstreeks verhaal bepaald in de wet van 1978 is overigens beperkt tot uitsluitend het gewaarborgd loon). Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, door het Hof van Cassatie geïnterpreteerd in zijn rechtspraak na 19 en 20 februari 2001, voert bijgevolg geen enkele discriminatie in naargelang de derde die aansprakelijk is voor een arbeidsongeval te maken heeft met een publieke werkgever of een privéwerkgever. A.3.
- In ondergeschikte orde onderzoekt « Ethias Verzekering » (zaak nr. 4147) wat de vraag is die de verwijzende rechter misschien had willen stellen, namelijk die van een discriminatie tussen de personen die de schade hebben veroorzaakt, naargelang zij worden geconfronteerd met de wetsverzekeraar van de privéwerkgever of met een publieke werkgever (of diens gesubrogeerde facultatieve verzekeraar). In een arrest van 28 november 2006 heeft het Hof van Beroep te Bergen evenwel gesteld dat geen enkele discriminatie bestond tussen die laatstgenoemden, daar de bezoldiging normaal gezien bestemd is als tegenprestatie voor arbeid, terwijl de tegenprestatie voor de verzekeringsvergoeding de verzekeringspremie is die het verzekerde risico moet dekken, en daar het dus niet discriminerend is dat de werkgever die door de fout van een derde de bezoldiging moet betalen zonder een overeenstemmende arbeidsprestatie te genieten, zich zou kunnen beroepen op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, in tegenstelling tot de verzekeraar die heeft aanvaard een risico te dekken mits een verzekeringspremie wordt betaald. De premies die de verzekeraar int, zouden wellicht ertoe leiden dat het Hof van Cassatie hem het rechtstreeks verhaal op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek weigert, omdat de verzekeraar geen vergoedbare schade lijdt. Dat is overigens wat het Hof van Beroep te Bergen in een arrest van 11 oktober 2004 heeft beslist. De wetsverzekeraar beschikt alleen over subrogatoire vorderingen (artikel 47 van de wet van 10 april 1971 en artikel 41 van de wet van 25 juni 1992); hij kan niet worden vergeleken met de publieke werkgever. De wetsverzekeraar van de privésector en de facultatieve verzekeraar van de overheidssector zijn daarentegen vergelijkbaar, maar genieten dezelfde rechten : zij beschikken niet over een rechtstreeks verhaal op grond van de rechtspraak van het Hof van Cassatie, vermits zij premies ontvangen als tegenprestatie voor de vergoeding die zij moeten uitkeren; zij treden in de rechten van de verzekeraar, waardoor zij het verhaal kunnen uitoefenen waarin zowel de wet van 1978 (rechtstreeks verhaal) als artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voorzien; zij treden ook in de rechten van het slachtoffer, rechtstreeks via artikel 47 van de wet van 1971 in het geval van de wetsverzekeraar, indirect door de cumulatie van artikel 41 van de wet van 1992 en artikel 14, § 3, van de wet van 1967 in het geval van de facultatieve verzekeraar van de overheidssector. De vraag bestaat in werkelijkheid erin of de wet tegenstelbaar is aan derden zoals een overeenkomst tegenstelbaar is aan derden, maar die vraag is niet relevant voor het Hof. De vergoedingen kunnen verschillen naargelang het slachtoffer een zelfstandige, een arbeider, een bedrijfsleider, een ambtenaar of een gepensioneerde is, of naargelang het ongeval zich buiten de dienst of tijdens het werk voordoet, maar dat is toevalsgebonden, zonder dat hierbij kan worden overwogen een discriminatie aan te voeren die met de Grondwet strijdig is. A.4.
- De nv « Corona Direct » (zaak nr. 4147), verzekeraar van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval, herinnert aan de feiten van de zaak, alsook aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie waaraan de verwijzende rechter refereert; zij voert aan dat die rechtspraak vanuit twee invalshoeken (een derde zal in het kader van de tweede prejudiciële vraag worden onderzocht) mogelijke discriminaties creëert, waarbij zij voorafgaandelijk erop wijst dat de werkgever van de overheidssector persoonlijk ertoe gehouden is de schade te herstellen die uit arbeidsongevallen en ongevallen op de weg van en naar het werk voortvloeit (ook al kan hij zich vrijwillig verzekeren), terwijl de werkgever van de privésector ertoe gehouden is zich te verzekeren (behalve het gewaarborgd loon heeft hij geen verplichting ten aanzien van het slachtoffer) en de wetsverzekeraar volgens het arrest van 24 april 2002 van het Hof van Cassatie geen persoonlijke schade ondervindt door het verlies van de arbeidsprestaties van het slachtoffer. A.4.
- De nv « Corona Direct » voert aan dat in de privésector de subrogatoire vordering van de wetsverzekeraar is beperkt volgens de rechten van het slachtoffer : de beslissing van de wetsverzekeraar is bindend voor de aansprakelijke derde ten aanzien van de periodes van tijdelijke ongeschiktheid en de consolidatiedatum (vermits een en ander de uitbetalingen van de wetsverzekeraar bepaalt), maar niet ten aanzien van de waarde van het geval in het gemeen recht (grondslag van de vordering). De subrogatie van de wetsverzekeraar kan immers nooit betrekking hebben op bedragen boven die welke op grond van het gemeen recht aan de gerechtigde verschuldigd zijn (Cass., 4 oktober 1991, Pas., 1992, I, nr. 66). Het optreden van een wetsverzekeraar ten behoeve van het slachtoffer is dus, voor de aansprakelijke derde, een element zonder belang dat voor hem noch voordelen noch nadelen inhoudt. De schade van het slachtoffer wordt niet bewezen door de uitbetalingen van de wetsverzekeraar, maar door het gegeven dat die noodzakelijk zijn geworden door het 11 ongeval en de aansprakelijke derde kan het bestaan van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de afwezigheid van de werknemer op het werk betwisten, zodat zijn rechten van verdediging worden nageleefd. Dat oorzakelijk verband kan daarentegen niet worden onderworpen aan een debat op tegenspraak in de overheidssector, vermits de rechtspraak van het Hof van Cassatie het verlies, door de overheid, van de prestaties van haar ambtenaar koppelt aan de fout van de aansprakelijke derde. Een en ander brengt een discriminatie teweeg onder de aansprakelijke derden, terwijl het nochtans vergelijkbare categorieën betreft. A.4.
- De nv « Corona Direct » (zaak nr. 4147) voert aan dat, in de privésector, de werkgever alleen optreedt binnen een in de tijd beperkte periode; de wetsverzekeraar die daarna optreedt, kan alleen de subrogatoire vordering instellen, die beperkt is, enerzijds, volgens de uitbetalingen van de wetsverzekeraar, de socialezekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing (artikel 43 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en artikel 31 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971) en, anderzijds, door het feit dat de aansprakelijke derde de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie kan aanvoeren volgens welke de schadevergoeding die bestemd is om het verlies van de beroepsinkomsten gedurende een periode van tijdelijke ongeschiktheid te compenseren, alleen op basis van de bruto-inkomsten kan worden berekend wanneer de rechter vaststelt dat het bedrag van de op de vergoeding rustende lasten gelijkwaardig is aan het bedrag van die welke zouden worden geheven op de bezoldiging van het slachtoffer (zie met name Cass., 19 februari 2001, Pas., 2001, I, p. 96). In de overheidssector daarentegen kan de werkgever de subrogatoire vordering binnen dezelfde perken uitoefenen, maar kan hij zich daarvan bevrijden door te kiezen voor de uitoefening van een eigen recht dat de sociale en fiscale lasten op de aan het slachtoffer betaalde bezoldiging omvat. Een en ander leidt tot een discriminatie onder de aansprakelijke derden buiten de beperkte periode tijdens welke de privéwerkgever moet optreden. A.4.
- In haar memorie van antwoord voegt de nv « Corona Direct » (zaak nr. 4147) eraan toe dat de memorie van de Ministerraad geen rekening houdt met de regels inzake de vergoeding voor arbeidsongevallen in de privésector (waar de verzekeraar de schuldenaar van de vergoeding is en, daar hij niet de werkgever is, geen verlies lijdt van prestaties van het slachtoffer en dus niet over een recht op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek tegen de aansprakelijke derde beschikt) en in de overheidssector (waar de werkgever, de schuldenaar van de vergoeding, op grond van artikel 160 van het de wet van 21 december 1994 in de rechten van het slachtoffer treedt en een eigen recht aanvoert op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, omdat die subrogatie is beperkt tot de rechten van het slachtoffer). In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, is het in de overheidssector dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie op de meest fundamentele wijze discriminaties kan teweegbrengen door de verdubbeling van de rechtstreekse slachtoffers van het ongeval. A.4.
- De nv « Swiss Life Belgium » (zaak nr. 4180), verzekeraar van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval, herinnert eveneens aan de feiten van de zaak en de rechtspraak van het Hof van Cassatie, waarbij zij erop wijst dat de door de overheid geleden schade ook de medische kosten kan omvatten die op vrijwillige basis worden gedekt, maar niet, zo lijkt het, de bedragen die worden uitgekeerd als rente voor een gedeeltelijke blijvende ongeschiktheid. A.4.
- De nv « Swiss Life Belgium » (zaak nr. 4180), voert aan dat in de rechtsleer op vaste wijze wordt onderstreept dat het belang, voor de overheid, van de rechtspraak van het Hof van Cassatie erin bestaat te ontsnappen aan de grenzen van de subrogatoire vordering; de enige draagwijdte van die vordering bestaat aldus erin dat zij - eventueel - een aanwijzing vormt die het mogelijk maakt rechtstreeks verhaal in te stellen, gelet op het feit dat in dat geval zal worden beschouwd dat de uitgave niet definitief ten laste van de werkgever is. Zij herinnert aan de reeds uiteengezette verschillen tussen de werkgever van de overheidssector (persoonlijk gehouden en beschikkend over de mogelijkheid om zich te verzekeren) en de privéwerkgever (persoonlijk gehouden aan het gewaarborgd loon alleen, maar moet zich verzekeren bij een wetsverzekeraar die, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, geen persoonlijke schade lijdt). Het Hof van Cassatie heeft weliswaar nooit het beginsel van een rechtstreekse vordering door de privéwerkgever uitgesloten, maar indien alle beslissingen betrekking hebben op publieke werkgevers, komt dat omdat het omzeilen van de regels van de subrogatoire vordering door de uitoefening van een eigen vordering - wanneer het een publiekrechtelijk persoon betreft - gevolgen heeft die niet bestaan wanneer het een privéwerkgever betreft; de verplichtingen van de laatstgenoemde zijn immers beperkt in de tijd en tegen de aansprakelijke derde beschikt hij over een vordering tot terugbetaling van de bedragen die hij heeft uitgekeerd, waarbij de wetsverzekeraar vervolgens alleen nog beschikt over een subrogatoire vordering. De rechtspraak van het Hof van Cassatie creëert aldus een discriminatie onder aansprakelijke derden en het is die vergelijking die aan het Hof is voorgelegd. Het gaat dus 12 niet erom de werkgevers van de overheidssector en de werkgevers van de privésector of de publieke werkgever en de wetsverzekeraar met elkaar te vergelijken. De in het geding zijnde discriminatie kan zich vanuit verschillende invalshoeken voordoen, waarbij het gemeenschappelijke element erin bestaat dat, in tegenstelling tot hetgeen bestaat inzake de subrogatie in de rechten van het slachtoffer dat de werknemer is, de werkgever een afzonderlijk slachtoffer is. Terwijl in het geval van de subrogatie het optreden van een wetsverzekeraar ten behoeve van het slachtoffer voor de aansprakelijke derde een element zonder belang is dat voor hem voordelen noch nadelen inhoudt, kan de verdubbeling van de slachtoffers de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar ertoe brengen meer te betalen wanneer het gaat om een ongeval dat onder de arbeidsongevallenwetgeving in de overheidssector ressorteert, daar de publieke werkgever van het slachtoffer verplichtingen heeft die een werkgever van een privésector niet heeft. A.4.
- De nv « Swiss Life Belgium » (zaak nr. 4180) vergelijkt de situatie in de privésector en de situatie in de overheidssector zoals de nv « Corona Direct » dat heeft gedaan in A.4.2 en A.4.3 hierboven. Vervolgens wijst zij erop dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie het de publieke werkgever mogelijk maakt de grenzen van de subrogatoire vordering te omzeilen, waarbij die grenzen met name betrekking hebben op de tegenstelbaarheid van de excepties, de verdeling van de aansprakelijkheid en het probleem van de medische kosten; terwijl de aansprakelijke derde en/of diens verzekeraar ofwel aan de verzekeringsinstelling ofwel aan de wetsverzekeraar (die een subrogatoire vordering uitoefent voor de ziekenhuiskosten van het slachtoffer van een arbeidsongeval) de verdediging kunnen tegenwerpen die zij aan het slachtoffer hadden kunnen tegenwerpen en aldus aanspraak maken op de aftrek van de besparing van de normale kosten voor persoonlijk onderhoud die de ziekenhuisopname mogelijk had gemaakt, kan de overheid, die een ander slachtoffer is dan de werknemer, door de aansprakelijke derde of diens verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet de excepties worden tegengeworpen, zoals de door de werknemer gemaakte besparingen; die aansprakelijke derde en/of zijn verzekeraar worden aldus gediscrimineerd ten opzichte van de aansprakelijke dader van een dergelijke ongeval in de privésector, vermits de gesubrogeerde wetsverzekeraar de regel van de tegenstelbaarheid van de excepties ondergaat. A.4.
- In zijn memorie van antwoord verwijst de nv « Swiss Life Belgium » naar de memorie van de nv « Corona Direct ». A.5.
- In haar memorie van antwoord is « Ethias Verzekering » (zaak nr. 4147) van mening dat de argumenten van de nv « Corona Direct » indruisen tegen de rechtspraak van het Hof : mocht er discriminatie zijn - quod non -, dan vloeit die voort uit de gevolgen van andere wettelijke en reglementaire bepalingen voor de aan de verwijzende rechters voorgelegde geschillen. In dergelijke gevallen is het Hof van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. A.5.
- In haar memorie van antwoord verwijst de nv « Corona Direct » (zaak nr. 4147) naar het arrest nr. 25/2007 en voert zij aan dat het Hof aanvaardt om de privésector en de overheidssector op het vlak van arbeidsongevallen met elkaar te vergelijken, waarbij, om na te gaan of de verschillende regels inzake de vergoeding geen onevenredige gevolgen hebben, rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van elk daarvan. Zij is van mening dat, in tegenstelling tot wat « Ethias Verzekering » beweert, de vraag geen betrekking heeft op de situatie van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval ten aanzien van de werkgever van het slachtoffer van het ongeval, met andere woorden op de situatie van de aansprakelijke derde ten aanzien van de publieke of privéwerkgever, maar wel op de situatie van de aansprakelijke derde en diens verzekeraar, verweerders in de vordering van de overheid als werkgever die ertoe gehouden is de gevolgen van een arbeidsongeval in de overheidssector persoonlijk te herstellen en die hierdoor zelf schade lijdt, ten opzichte van de situatie van de aansprakelijke derde en diens verzekeraar, verweerders in de vordering van de wetsverzekeraar die op grond van de verzekeringsovereenkomst ertoe gehouden is de gevolgen van het arbeidsongeval in de privésector te vergoeden, en die alleen over de subrogatoire vordering beschikt. A.5.
- In zijn memorie van antwoord is de Ministerraad (zaak nr. 4147) van mening dat « Ethias Verzekering », door na te gaan of de rechtspraak van het Hof van Cassatie geen discriminatie teweegbrengt tussen, enerzijds, een aansprakelijke derde die wordt geconfronteerd met de vordering van een publieke werkgever, en, anderzijds, een aansprakelijke derde die wordt geconfronteerd met een vordering tot terugbetaling van de wetsverzekeraar in de privésector, en door aan te voeren dat de wetsverzekeraar die in de privésector optreedt - op grond van artikel 49 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 - de terugbetaling van de bedragen die hij aan zijn verzekerde heeft moeten uitkeren, niet zou kunnen verkrijgen, aan het Hof vraagt om een verschil in behandeling te onderzoeken dat niet door de verwijzende rechter is voorgelegd. 13 Ook al onderzoekt het Hof die vraag, dan nog zou die niet moeten leiden tot de vaststelling van een discriminatie, vermits, indien de wetsverzekeraar van een aansprakelijke derde niet de bedragen kon eisen die hij aan een werknemer van de privésector heeft moeten uitkeren, dat alleen zou voortvloeien uit het feit dat hij geen herstelbare schade kan aanvoeren. Hij ontvangt echter een tegenprestatie die bestaat in de betaling van verzekeringspremies. Het arrest van het Hof van Cassatie van 24 april 2002 bevestigt dat de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet afhangt van de hoedanigheid van het slachtoffer, maar van het bestaan van herstelbare schade, waarbij alleen de publieke werkgever die kan aanvoeren. Een dergelijk verschil in behandeling vindt zijn oorsprong in elk geval niet in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, noch in het voormelde artikel 1382, maar in de wetgevingen inzake arbeidsongevallen en verzekering. A.5.
- In diezelfde memorie van antwoord (alsook in de memorie van antwoord in de zaak nr. 4180) voert hij aan dat de verschillen in de stelsels die inzake arbeidsongevallen van toepassing zijn, verschillen waarop de nv « Corona Direct » (en de nv « Swiss Life Belgium ») heeft gewezen, geen verband houden met de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (het enige artikel waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft), maar inherent zijn aan de stelsels inzake de vergoeding voor arbeidsongevallen in de overheidssector en in de privésector, met hun eigen kenmerken die de verschillen in behandeling verantwoorden, zoals het Hof in zijn arrest nr. 200/2005 heeft vastgesteld. Ten aanzien van het slachtoffer (tweede vraag in de zaak nr. 4147) A.6.
- De Ministerraad verwijst naar het arrest nr. 37/2007 en voert in hoofdorde aan dat het antwoord op de tweede prejudiciële vraag niet noodzakelijk is om het geschil op te lossen, vermits de verwijzende rechter elke gedeelde aansprakelijkheid heeft geweigerd. Die vraag behoeft dus geen antwoord. A.6.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat aangezien de vraag betrekking heeft op een discriminatie ten aanzien van een gedeeltelijk aansprakelijke ambtenaar van de overheidssector in zoverre een derde, die zelf gedeeltelijk aansprakelijk is voor het ongeval, het aandeel van die ambtenaar in de schade van hem zou kunnen vorderen, zij losstaat van de arresten van het Hof van Cassatie van 19 februari 2001, 20 februari 2001, 13 juni 2001, 16 oktober 2001, 30 januari 2002 en 10 april
- Het Hof antwoordt daarin immers alleen op de vraag van het rechtstreekse vorderingsrecht waarover een persoon beschikt ten aanzien van een schuldige derde teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft uitgekeerd - aan een werknemer - wegens zijn eigen wettelijke, reglementaire of bij overeenkomst vastgelegde verplichtingen. Het heeft zich daarentegen geenszins uitgesproken over het bestaan van een regresvordering van de gedeeltelijk schuldige derde tegen een ambtenaar van de overheidssector of een werknemer van de privésector. Het door de verwijzende rechter opgeworpen verschil in behandeling vloeit dus niet voort uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Indien toch zou worden geoordeeld dat die rechtspraak de regresvordering van een schuldige derde tegen het slachtoffer van een ongeval aanvaardbaar maakt, dan zou het Hof moeten vaststellen dat die rechtspraak geen enkel verschil in behandeling invoert tussen de werknemers van de privésector en die van de overheidssector. De Ministerraad verwijst in dat opzicht naar het standpunt dat hij heeft ingenomen in verband met de eerste prejudiciële vraag. A.7.
- « Ethias Verzekering » verwondert zich over die vraag, vermits de hypothese van een gedeelde aansprakelijkheid niet moet worden overwogen doordat de aansprakelijkheid van de persoon die de schade heeft veroorzaakt, niet ter discussie staat. Zij betwist bovendien de vergelijkbaarheid van de categorieën zoals zij dat heeft gedaan in verband met de eerste prejudiciële vraag. A.7.
- « Ethias Verzekering » voert in hoofdorde aan dat de situaties waarnaar in de vraag wordt verwezen, identiek zijn, vermits artikel 46, § 1, 3°, 5° en 6°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 2 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van de openbare rechtspersonen een identieke vrijstelling van aansprakelijkheid invoeren, en noch de werknemer van de privésector, noch de ambtenaar van de overheidssector ertoe zouden kunnen worden verplicht aan de mede-aansprakelijke derde de vergoedingen terug te betalen die op grond van hun statuut werden geïnd. A.7.
- In ondergeschikte orde onderzoekt « Ethias Verzekering » de hypothese waarin de aansprakelijke derde de fout van de ambtenaar rechtstreeks zou aanvoeren tegen de publieke werkgever die hem dagvaardt tot de terugbetaling van zijn schade. Zij is van mening dat die fout tegenstelbaar is aan de overheid, omdat de quasisubrogatie waarin artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 voorziet, inhoudt dat de overheid in de rechten en verplichtingen van het slachtoffer treedt, zodat het deel van de schade dat toe te schrijven is aan de ambtenaar, 14 een definitieve last wordt die de overheid niet zal kunnen terugvorderen in het kader van het rechtstreeks verhaal op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Daar de fout van het slachtoffer ook tegenstelbaar is aan de privéwerkgever is er geen enkele discriminatie. Hetzelfde geldt, in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, inzake de tegenstelbaarheid aan de rechtverkrijgenden van een overledene, van diens fout, na een ongeval dat gedeeltelijk is veroorzaakt door een derde : het arrest van 19 december 1962 van het Hof van Cassatie past de theorie van gelijkwaardigheid van de voorwaarden niet op absolute wijze en zonder nuancering toe. Aan de rechthebbenden van de overledene wordt diens fout aldus tegengeworpen wanneer zij niet alleen iure haereditario handelen (wat vanzelfsprekend is), maar ook wanneer zij iure proprio handelen (wat lijkt in te druisen tegen de regels van de gelijkwaardigheid van de voorwaarden). Dat is aldus het geval met verschillende oplossingen inzake de cumulatie van aansprakelijkheden, de aansprakelijkheid van de uitvoerend ambtenaar of de relatieve onrechtmatigheid. Het gezond verstand verantwoordt de tegenstelbaarheid aan de publieke werkgever van de fout die is begaan door het slachtoffer dat zijn ambtenaar is en die oplossing brengt geen enkele discriminatie teweeg. A.8.
- De nv « Corona Direct » voert aan dat, in de privésector, aan de wetsverzekeraar die in de plaats van het slachtoffer is gesteld, de verdeling van de aansprakelijkheid tussen dat slachtoffer en een derde wordt tegengeworpen en hij zijn subrogatoire vordering dus alleen zal kunnen uitoefenen ten belope van de bedragen die door de derde in het gemeen recht verschuldigd zijn, gelet op die gedeelde aansprakelijkheid. Wanneer de overheid daarentegen een eigen recht uitoefent, doet zij dat als persoonlijk slachtoffer van de fout van de aansprakelijke derde en de theorie van de gelijkwaardigheid van de voorwaarden vereist dat haar schade integraal wordt vergoed, niettegenstaande het feit dat haar ambtenaar gedeeltelijk aansprakelijk is. A.8.
- Volgens de nv « Corona Direct » voert de rechtspraak van het Hof van Cassatie, wanneer de aansprakelijke derde tegen de mededader die het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een ongeval op de weg van en naar het weg is, beschikt over een regresvordering ten belope van zijn aandeel in de aansprakelijkheid voor de schade van de werkgever van dat slachtoffer, een discriminatie in tussen het slachtoffer van een arbeidsongeval in de overheidssector (aan wie het voordeel wordt ontzegd van een deel van de vergoeding waarin de arbeidsongevallenwetgeving voorziet) en het slachtoffer van een arbeidsongeval in de privésector : dat laatste ontvangt in alle gevallen de op grond van de wet verschuldigde bedragen en kan die niet indirect verliezen door een regresvordering van de mededader van het ongeval, vermits de wetsverzekeraar, die niet de werkgever is, geen aanspraak kan maken op een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek tegen de aansprakelijke derde. Die twee categorieën van slachtoffers zijn echter volkomen met elkaar vergelijkbaar (arrest nr. 40/2002 van 20 februari 2002) en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereist niet dat de verschillen in behandeling aan het Hof worden voorgelegd door de slachtoffers ervan (arrest nr. 176/2002 van 5 december 2002). Indien de aansprakelijke derde of diens verzekeraar niet beschikken over een regresvordering, worden zij ertoe gebracht op definitieve wijze meer te dragen dan het deel van de schade dat een oorzakelijk verband met de fout vertoont, wat leidt tot een discriminatie ten opzichte van de derde die gedeeltelijk aansprakelijk is voor een verkeersongeval dat voor de andere bestuurder een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk in de privésector is, of diens verzekeraar, vermits de gesubrogeerde wetsverzekeraar de regel van de tegenstelbaarheid van de excepties ondergaat. A.9.
- In haar memorie van antwoord bevestigt « Ethias Verzekering » dat de vraag geen antwoord behoeft vermits er geen sprake is van een gedeelde aansprakelijkheid en preciseert zij overigens dat de bepalingen van de voormelde wet van 3 juli 1967, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 « betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk » en van het reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst de rol van die instelling bepalen; de draagwijdte van haar beslissingen moduleert de mogelijkheid voor de aansprakelijke derde om zich te verzetten tegen de medische conclusies inzake arbeidsongevallen in de overheidssector. Het argument dat de nv « Corona Direct » afleidt uit een vermeende prejudiciële onmogelijkheid heeft dus geen belang in het onderzoek van de vragen, vermits de gevolgen van de medische verslagen van de Administratieve Gezondheidsdienst (of elke andere instelling die gemachtigd zou zijn) zich pas zouden voordoen in het kader van de beoordeling, door de feitenrechter, van het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade en van de omvang ervan, en staat dus los van de aan het Hof voorlegde interpretatie van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij ziet evenmin de draagwijdte in van het argument dat is afgeleid uit de mogelijkheid, voor de publieke werkgever, om via de rechtstreekse vordering de limiet te omzeilen die wordt opgelegd door de subrogatoire 15 vordering (in verband met de waarde van het geval in het gemeen recht) en ervan te worden vrijgesteld aan te tonen dat het bedrag van de op de vergoeding te dragen lasten (socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing) gelijkwaardig is aan het bedrag ervan op de vergoeding van het slachtoffer. « Ethias Verzekering » is immers van mening dat de keuze tussen beide vorderingen losstaat van de vraag van de interpretatie van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en dat het onderzoek van de gelijkwaardigheid van de lasten moet gebeuren door de feitenrechters, die overigens - samen met het Hof van Cassatie - de terugvordering van de bijdragen door de wetsverzekeraar in het kader van de subrogatoire vordering hebben aanvaard. A.9.
- In haar memorie van antwoord onderstreept de nv « Corona Direct » dat de feitenrechter in de regel moet beslissen of het antwoord op een vraag noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil. Het is voor hem dat zij heeft gewezen op diverse knelpunten die de rechtspraak van het Hof van Cassatie met zich meebrengt, zoals in verband met de verdeling van de aansprakelijkheid die de verwijzende rechter aan het Hof heeft voorgelegd, alsook bijvoorbeeld die in verband met de besparing van de kosten voor persoonlijk onderhoud die de ziekenhuisopname mogelijk maakt voor het slachtoffer. Wanneer zij zich verdedigen in het kader van een subrogatoire vordering tegen de werkgever van de overheidssector of tegen de verzekeraar in de privésector, kunnen de aansprakelijke derde en diens verzekeraar die besparing als exceptie aanvoeren. Indien de excepties niet tegenstelbaar zijn aan de publieke werkgever die zich op eigen schade beroept op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dan is er sprake van een discriminatie die niet redelijk kan worden verantwoord. A.9.
- In diezelfde memorie geeft zij samen met « Ethias Verzekering » toe dat het slachtoffer van een arbeidsongeval nooit ertoe zal kunnen worden gebracht aan de aansprakelijke derde de vergoedingen terug te betalen die op grond van zijn statuut werden geïnd en dat de aansprakelijke derde en diens verzekeraar de gedeelde aansprakelijkheid zouden kunnen aanvoeren tegen de overheid die optreedt op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en het bestaan van eigen schade aanvoert. Maar zij is van mening dat de tegenovergestelde interpretatie - de niet-tegenstelbaarheid van de excepties wanneer de overheid zich beroept op eigen schade - mogelijk blijft en verzoekt het Hof hierover uitspraak te doen. -B- Ten aanzien van de memories ingediend door de nv « Swiss Life Belgium » B.1.
- De nv « Swiss Life Belgium » heeft op 2 mei 2007 een memorie en op 31 mei en 7 juni 2007 twee memories van antwoord ingediend. In de laatste memorie van antwoord wordt aangegeven dat die een antwoord vormt « op de memorie van antwoord ingediend door ‘ Ethias Verzekering ’ in de samengevoegde zaken nrs. 4078, 4147 en 4180 ». B.1.
- Artikel 89, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : « Wanneer het Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories aan de andere partijen die een verzoekschrift of een memorie hebben ingediend. Deze beschikken dan over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van antwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories van antwoord aan de andere partijen die een memorie hebben ingediend ». 16 Uit die bepaling volgt dat de memorie van antwoord die de nv « Swiss Life Belgium » op 7 juni 2007 heeft ingediend, niet ontvankelijk is. Ten gronde B.2.
- Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden ». B.2.
- Artikel 160 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen luidt : « §
- De Staat treedt van rechtswege in de rechten en vorderingen van de begunstigden ten opzichte van aansprakelijke derden die ten laste van de Staat zijn uitgegeven, voor geneeskundige kosten, voor de wedden, toelagen en vergoedingen die ten gunste van het personeelslid voorgeschoten zijn tijdens de periode van afwezigheid om gezondheidsredenen die het gevolg is van de schadeverwekkende handeling en voor alle andere door de Staat gedragen kosten. Deze in-de-plaatsstelling geldt voor het geheel der bedragen die, krachtens de Belgische of vreemde wetgeving, verschuldigd zijn als gehele of gedeeltelijke vergoeding van de schade die het personeelslid door toedoen van de aansprakelijke derden, opgelopen heeft. §
- § 1 is van toepassing op het geheel van de federale overheidsdiensten, ongeacht zij al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten ». B.2.
- De artikelen 52, § 4, en 75 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepalen in verband met respectievelijk de arbeiders en de bedienden (met inbegrip van diegenen die op contractuele basis in de overheidsdiensten zijn tewerkgesteld) : « Art.
- […] §
- De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor het in § 1 bedoelde ongeval, een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer werd betaald en van de sociale bijdragen waartoe de werkgever door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden ». 17 « Art.
- De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor de ongevallen, de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar of van het werk en de beroepsziekten, die een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst hebben veroorzaakt als bedoeld in de artikelen 70, 71 en 72, een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer is betaald en van de sociale bijdragen waartoe hij door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden ». Ten aanzien van de aansprakelijke derde (zaken nrs. 4078 en 4180 en eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 4147) B.3.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op het verschil in behandeling dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zou invoeren onder de derden die aansprakelijk zijn voor een ongeval naargelang het slachtoffer een ambtenaar bij de overheid of een werknemer van de privésector zou zijn, in zoverre de overheid volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie tegen de aansprakelijke derde of diens verzekeraar niet alleen een subrogatoire vordering zou kunnen instellen, maar ook een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl een werkgever van de privésector niet over die laatste mogelijkheid zou beschikken. B.3.
- In tegenstelling tot wat « Ethias Verzekering » aanvoert, gaat het hierbij om vergelijkbare situaties, vermits beide de mate beogen waarin de werkgever zich kan keren tegen de derde die aansprakelijk is voor een ongeval waarvan het slachtoffer arbeidsprestaties ten behoeve van de eerstgenoemde verrichtte. B.
- In de memorie van toelichting van de voormelde wet van 21 december 1994 staat in verband met de bepaling die artikel 160 is geworden, te lezen : « Ze wil de Staat - en dus het geheel van de federale overheidsdiensten - het voordeel geven van een wettelijke in-de-plaatsstelling voor de terugbetaling van alle kosten die zijn teweeggebracht door de schade waarvan een personeelslid slachtoffer zou zijn door de fout van een aansprakelijke derde. Voor het ogenblik bestaat deze procedure enkel in de wet op de vergoeding van arbeidsongevallen in de overheidssector. Ze zal in positieve zin de mogelijkheid op bedongen in-de-plaatsstelling vervangen die, wegens de logheid ervan, omzeggens nooit wordt aangewend » (Parl. St., Senaat, 1994-1995, nr. 1218-1, p. 69). 18 B.
- De overheid die als werkgever ertoe is gehouden de gewone wedde en de erop betrekking hebbende lasten en belastingen te betalen gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, kan tegen de laatstgenoemde verhaal uitoefenen. Zij beschikt daartoe over een subrogatoire vordering - van wetgevende of contractuele oorsprong - die het haar mogelijk maakt in de plaats van het slachtoffer te handelen. Het antwoord op de vraag of de overheid, teneinde de terugbetaling van de gedragen lasten te verkrijgen, eveneens beschikt over een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en of de door de publieke werkgever uitgevoerde betalingen (op basis van zijn wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting en zonder in ruil daarvoor arbeidsprestaties te verkrijgen) een vergoedbaar nadeel vormen, waarbij tussen dat nadeel en de fout van de derde een oorzakelijk verband bestaat, is in de rechtspraak van het Hof van Cassatie geëvolueerd. Het heeft die vraag in het verleden ontkennend beantwoord. Sinds 2001 kent het het voordeel van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek toe aan de werkgever, die dus niet langer stuit op de beperkingen die voortvloeien uit de subrogatoire vordering. Het beslist immers : « Overwegende dat, krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht is deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld; Dat de overheid die ingevolge de fout van een derde krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, gerechtigd is op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt; Dat immers het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uitsluit dat schade, in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten » (Cass., 19 februari 2001, Arr. Cass. 2001, nr. 99; zie eveneens Cass., 30 januari 2002, Arr. Cass. 2002, nr. 63; 4 maart 2002, Arr. Cass. 2002, nr. 154; 9 april 2003, Arr. Cass. 2003, nr. 235; 10 april 2003, Arr. Cass. 2003, nr. 245). B.
- In de interpretatie van de verwijzende rechters zou het voordeel van de cumulatie van de subrogatoire vordering en van de vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek alleen openstaan voor de publieke werkgever, aangezien de privéwerkgever alleen over de subrogatoire vordering beschikt. 19 B.
- De geschillen naar aanleiding waarvan het Hof wordt ondervraagd, hebben nu eens betrekking op een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, dan weer op een ander ongeval. Ten aanzien van de arbeidsongevallen en de ongevallen op de weg van en naar het werk B.
- Er kan worden aangenomen dat de schade waarmee de publieke werkgever wordt geconfronteerd die, als gevolg van de arbeidsongeschiktheid van zijn ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval dat door een derde is veroorzaakt, ten aanzien van die ambtenaar, zonder in ruil daarvoor iets te verkrijgen, financiële prestaties moet waarborgen en zijn diensten moet reorganiseren, gemeenschappelijke punten vertoont met de schade waarmee een werkgever van de privésector in vergelijkbare omstandigheden zou worden geconfronteerd. Er dient echter rekening ermee te worden gehouden dat de arbeidsongevallenwetgeving in de privésector (artikel 49 van de wet van 10 april 1971) de werkgever belast met een verplichting waarin de arbeidsongevallenwetgeving in de overheidssector (wet van 3 juli 1967) niet voorziet, namelijk die om een verzekering te sluiten die, hoewel zij de privéwerkgever ertoe verplicht premies te betalen, hem alleen beperkte verplichtingen oplegt ten aanzien van de werknemer, die rechtstreeks tegen de verzekeraar kan optreden. De overheid daarentegen blijft ertoe gehouden de ambtenaar te vergoeden overeenkomstig de op hem toepasselijke bepalingen en hem de renten en vergoedingen te betalen waarin de wet van 3 juli 1967 voorziet. B.
- Uit het feit dat zowel het slachtoffer van het ongeval als de privéwerkgever of de overheid zich aldus in wezenlijk verschillende situaties bevinden, vloeit voort dat hetzelfde geldt voor de derde die aansprakelijk is voor het ongeval en dat het niet irrelevant is te voorzien in een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voor de overheid, die als enige de aan de ambtenaar verschuldigde bedragen en de schade die zij door zijn afwezigheid lijdt, ten laste neemt, terwijl de privéwerkgever of de verzekeraar die in zijn plaats treedt slechts over een subrogatoire vordering beschikt. In die zin geïnterpreteerd doet artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten 20 van de betrokkenen, vermits de verplichtingen van de privéwerkgever ten aanzien van het slachtoffer zijn beperkt en de verzekeraar die de subrogatoire regeling geniet, van zijn kant, verzekeringspremies int. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de andere ongevallen B.
- Het criterium waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling berust, is objectief, doch niet relevant, vermits niet wordt ingezien hoe de schade waarmee de publieke werkgever wordt geconfronteerd die, door de arbeidsongeschiktheid van zijn ambtenaar die het slachtoffer is van een ongeval dat door een derde is veroorzaakt, aan die ambtenaar, zonder in ruil hiervoor iets te verkrijgen, financiële prestaties moet waarborgen en zijn diensten moet reorganiseren, zich zou onderscheiden van de schade waarmee, in vergelijkbare omstandigheden, een werkgever van de privésector zou worden geconfronteerd. Het gegeven dat de publieke werkgever gehouden is aan het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst volstaat niet om een verschil in behandeling te verantwoorden, vermits in beide gevallen de werkgever schade kan lijden door de bezoldigingen van de betrokkenen te betalen, de wettelijke, reglementaire of bij overeenkomst vastgestelde verplichting niet noodzakelijk het bestaan van schade uitsluit en de uitgave mogelijk niet definitief ten laste van de werkgever blijft. B.
- In die interpretatie dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. B.
- De in het geding zijnde bepaling kan evenwel anders worden geïnterpreteerd. Hoewel de rechtspraak van het Hof van Cassatie waaraan de verwijzende rechter refereert, slaat op geschillen waarbij overheden zijn betrokken, wordt niet ingezien waarom de toepassing ervan niet zou kunnen worden uitgebreid tot de werkgevers van de privésector. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met het al dan niet definitieve karakter van de last voor de werkgever. Het staat aan de werkgever aan te tonen dat de schade zich zonder de fout niet zou hebben voorgedaan zoals die zich in concreto heeft voorgedaan. Het staat aan de 21 aansprakelijke derde in voorkomend geval de door de werkgever geleden schade integraal te vergoeden. Er is dus geen verschil in behandeling. Het is weliswaar juist dat de vergoeding die de werkgever van de privésector op grond van het voormelde artikel 1382 zou kunnen verkrijgen, in beginsel kleiner zal zijn dan die welke aan de werkgever van de overheidssector zou worden toegekend. Een dergelijk verschil is echter niet toe te schrijven aan de in het geding zijnde bepalingen, maar aan die welke de vergoeding regelen van de werknemers van de privésector en die van de overheidssector die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, en op grond waarvan de last voor de werkgever van de privésector kleiner is dan die voor de werkgever van de overheidssector. B.
- In die interpretatie dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van het slachtoffer (tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4147) B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zou invoeren onder de slachtoffers van een ongeval naargelang zij ambtenaren van overheidsdiensten of werknemers van de privésector zijn, in zoverre de overheid, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, een rechtstreekse vordering kan instellen tegen de aansprakelijke derde teneinde een vergoeding te verkrijgen voor de schade die zij lijdt door een ambtenaar te moeten vergoeden die arbeidsongeschikt is en wiens prestaties zij niet geniet, zodat die derde, in geval van een fout van het slachtoffer en bij gedeelde aansprakelijkheid, tegen dat slachtoffer een regresvordering zou kunnen instellen waardoor aan dat slachtoffer de vergoedingen zouden worden ontzegd waarin zijn statuut van ambtenaar bij de overheid voorziet, terwijl het slachtoffer dat een werknemer van de privésector is, zich niet in een dergelijke situatie zou kunnen bevinden. 22 B.
- Uit de feiten van de onderhavige zaak, zoals die door de partijen in het geding voor de verwijzende rechter zijn uiteengezet, blijkt dat de aansprakelijkheid voor het ongeval waarvan de ambtenaar het slachtoffer is geweest, uitsluitend ligt bij de verzekerde van de nv « Corona Direct »; in de motivering van het verwijzingsvonnis wordt aangegeven dat diens aansprakelijkheid onbetwistbaar is. B.
- Het staat in beginsel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, na te gaan of het antwoord op de vraag dienend is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.
- Daar uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil geen betrekking heeft op een gedeelde aansprakelijkheid, zou het antwoord op de prejudiciële vraag niet dienstig kunnen zijn om dat geschil te beslechten. 23 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is. - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het kan worden aangevoerd door een werkgever van de privésector die, teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij heeft moeten uitkeren aan een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, een vordering zou instellen tegen de derde die voor dat ongeval aansprakelijk is.
- De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4147 behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 7 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.135 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.