← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.138

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.138 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071114.1 Arrest- Rolnummer: 138/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-14 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-06-29 13:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - verwerpt het beroep; - schrapt de zaken ingeschreven onder nr. 3965 en nr. 3991 van de rol. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - KIESWETGEVING - Verkiezingen provincie PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - KIESWETGEVING - Verkiezingen gemeente Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 3, 4 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2006 houdende wijziging van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming, ingesteld door de feitelijke vereniging « Groen ! » en anderen. Grondwettelijk recht - Verkiezingen - Vlaams Gewest - Verkiezingen van de gemeenteraden, provincieraden en districtsraden - Verdeling van de aan de lijsten toekomende zetels tussen de kandidaten van die lijsten. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 07-07-2006 - 3 - 31 ELI link Pub nr 2006036112 Decreet Vlaamse Raad - 07-07-2006 - 4 - 31 ELI link Pub nr 2006036112 Decreet Vlaamse Raad - 07-07-2006 - 5 - 31 ELI link Pub nr 2006036112 Tekst van de beslissing Rolnummer 4121 Arrest nr. 138/2007 van 14 november 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 3, 4 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2006 houdende wijziging van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming, ingesteld door de feitelijke vereniging « Groen ! » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Melchior, de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 januari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 januari 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 4 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2006 houdende wijziging van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2006) door de feitelijke vereniging « Groen ! », met zetel te 1070 Brussel, Sergeant De Bruynestraat 78-82, Vera Dua, wonende te 9000 Gent, Lange Violettestraat 241, Jozef Tavernier, wonende te 9880 Aalter, Keltenlaan 8, Kathleen Bevernage, wonende te 8900 Ieper, Kapucienenstraat 16, Ann Poppe, wonende te 2018 Antwerpen, Hertsdeinstraat 53, en Elisabeth Meuleman, wonende te 9700 Oudenaarde, Borgveld

  1. De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. S. Van Hecke, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.
  2. Teneinde hun belang om in rechte op te treden te verantwoorden, verwijzen de verzoekende partijen naar de rechtspraak van het Hof, waaruit volgt dat het kiesrecht in een representatieve democratie een fundamenteel politiek recht is. De eerste verzoekende partij is een politieke partij. Zij wijst erop dat de beslissing om een beroep tot vernietiging in te stellen werd genomen door het partijbestuur, overeenkomstig de statuten van de partij. 3 Ze meent dat zij als feitelijke vereniging belang heeft om voor het Hof op te treden in aangelegenheden, zoals de kieswetgeving, waarvoor zij wettelijk als afzonderlijke entiteit wordt erkend. Ze acht zich rechtstreeks en ongunstig geraakt doordat de bestreden bepalingen bevestigen dat het « systeem Imperiali » wordt gehanteerd voor de zetelverdeling bij de gemeenteraden. Zij oordeelt dat dit systeem nadelig is voor kleinere partijen. De overige verzoekende partijen beroepen zich op hun hoedanigheid van kiezer en van kandidaat bij de gemeenteraads-, disctrictsraads- en provincieraadsverkiezingen om hun belang aan te tonen. A.1.
  3. In hun enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 3, 4 en 5 van het decreet van 7 juli 2006 houdende wijziging van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming (hierna : decreet van 7 juli 2007) niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, voor zoveel als nodig, met artikel 14 van dat Verdrag, doordat zij het bestaande verschil met betrekking tot het toepasselijke systeem van zetelverdeling bevestigen. Bij de provincieraads- en districtsraadsverkiezingen wordt het « systeem D’Hondt » gehanteerd, bij de gemeenteraadsverkiezingen het « systeem Imperiali » (dat voor kleinere partijen nadeliger zou zijn dan het « systeem D’Hondt »), zonder dat voor dat verschil een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Zij zetten uiteen dat, hoewel de aangeklaagde verschillen bij de berekening van het verkiesbaarheidscijfer dat specifiek is voor elke lijst en bij de bepaling van het aantal zetels per lijst niet als zodanig worden ingevoerd door het bestreden decreet, ze toch door dat decreet worden bevestigd in de bestreden artikelen, die voortbouwen op de bepalingen van de gemeente- en de provinciekieswet die voorschrijven dat het « systeem D’Hondt », dan wel het « systeem Imperiali » wordt toegepast. Door in eenzelfde decreet de beide kiesstelsels door elkaar te gebruiken, worden, volgens de verzoekende partijen, zowel de kiezers als de kandidaten (en de lijsten) getroffen door een ongelijke behandeling. Bij de verkiezingen van de gemeente-, provincie- en districtsraden dienen alle kiezers en kandidaten in ieder geval als onderling vergelijkbaar te worden beschouwd. De verzoekende partijen wijzen erop dat de keuze van de decreetgever voor het behoud van het « systeem Imperiali » bij de gemeenteraadsverkiezingen zou zijn ingegeven door de bezorgdheid om op het lokale niveau de stabiliteit te bevorderen en de versnippering tegen te gaan. Volgens verklaringen van de bevoegde minister in het Vlaams Parlement is het toepassen van een ander systeem bij de provincieraadsverkiezingen verantwoord « omdat daar geen sprake zou zijn van lokale lijsten ». Daaruit blijkt dat de minister ervan uitgaat dat er minder lijsten zouden worden ingediend bij de provincieraadsverkiezingen dan bij de gemeenteraadsverkiezingen, zodat er geen gevaar is voor versnippering of instabiliteit. De verzoekende partijen betwisten dat er bij de gemeenteraadsverkiezingen doorgaans meer lijsten worden ingediend dan bij de provincieraadsverkiezingen. Bovendien wijzen ze erop dat bij de verkiezingen voor de districtsraden het « systeem D’Hondt » wel wordt toegepast. Als de zetelverdeling via het « systeem Imperiali » noodzakelijk is om de stabiliteit op het lokale niveau te garanderen, dan kan niet worden ingezien waarom het « systeem D’Hondt » wordt toegepast bij de verkiezingen op het lagere lokale niveau, namelijk het niveau van de districten. Zij oordelen dan ook dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet pertinent is om het gestelde doel te bereiken. Zij verwijzen daarbij naar een advies van de Hoge Raad voor het Binnenlands Bestuur, naar luid waarvan de decreetgever geen enkele verantwoording aanreikt voor het verschil in behandeling, en naar andere adviezen, waaruit zou blijken dat het hanteren van twee verschillende systemen bij verkiezingen die gelijktijdig worden georganiseerd, de transparantie van het kiessysteem voor de kiezers niet zou verhogen en dat het « systeem Imperiali » er minder in zou slagen de evenredigheid te bewerkstelligen dan dat dit het geval is bij het « systeem D’Hondt ». A.2.
  4. De Vlaamse Regering benadrukt voorafgaandelijk dat het enige middel van de verzoekende partijen betrekking heeft op het hanteren van de zogenaamde « delerreeks Imperiali » voor de zetelverdeling bij de gemeenteraadsverkiezingen en het hanteren van de « delerreeks D’Hondt » bij de provincie- en districtsraadsverkiezingen terwijl die aangelegenheid niet het voorwerp uitmaakt van het bestreden decreet en al evenmin het voorwerp uitmaakte van het decreet van 10 februari 2006 « houdende wijziging van de 4 gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, de wet tot organisatie van de geautomatiseerde stemming van 11 april 1994 en het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de controle van de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen voor de verkiezing van het Vlaams Parlement » (hierna : decreet van 10 februari 2006). Zij stelt in dit verband vast dat de decreetgever noch in het voormelde decreet noch in het te dezen bestreden decreet normerend is opgetreden op het vlak van de toewijzing van de zetels aan een welbepaalde lijst en de desbetreffende regelingen zowel wat de gemeenteraads- als de districtsraads- en de provincieraadsverkiezingen, onaangeroerd zijn gebleven. De Vlaamse Regering is van mening dat het beroep tot vernietiging uitsluitend bestaat in opportuniteitskritiek op bepalingen in de kieswetgeving die door het bestreden decreet onaangeroerd zijn gebleven. De Vlaamse Regering betoogt dat de verzoekende partijen niet beschikken over het rechtens vereiste belang, nu zij de ongrondwettigheid aanvoeren van een bij de bestreden bepaling alleen maar « bevestigde » regeling. Zij wijst bovendien erop dat, indien het Hof het verschil in behandeling met betrekking tot het toepasselijke kiessysteem ongrondwettig zou verklaren, de grondwettigheid van alle vroegere verkiezingen in het gedrang zou komen. Ten slotte voert de Vlaamse Regering aan dat de vernietiging van de bestreden bepalingen de verzoekende partijen geen voordeel oplevert. Zelfs indien het Hof de bestreden bepalingen zou vernietigen, zou het aangevoerde nadeel niet verdwijnen, aangezien de oude bepalingen die het bekritiseerde verschil in behandeling bevatten, zouden herleven. A.2.
  5. De Vlaamse Regering stelt dat het enige middel onontvankelijk is omdat de verzoekende partijen tegen de bestreden bepalingen geen grieven aanvoeren. De bestreden bepalingen wijzigen de artikelen 57, 57bis en 58 van de gemeentekieswet : die artikelen regelen hoe de zetels die aan een welbepaalde lijst toekomen aan de kandidaten van die lijst moeten worden toebedeeld. Volgens de Vlaamse Regering voeren de verzoekende partijen inhoudelijk enkel grieven aan tegen de regeling van de toewijzing van het aantal zetels aan een lijst, hetgeen niet wordt geregeld door de bestreden bepalingen maar wel door de artikelen 56 en 110 van de gemeentekieswet en artikel 19, § 2 van de provinciekieswet. De verdeling van de aan de lijst toekomende zetels over de kandidaten van die lijst en de toewijzing van het aantal zetels aan een lijst zijn, in het geheel van de kiesverrichtingen, afzonderlijke bewerkingen. Vermits de verzoekende partijen bijgevolg geen grieven aanvoeren tegen de bepalingen die zij in hun middel bestrijden, is het enige middel onontvankelijk. A.2.
  6. Ten gronde benadrukt de Vlaamse Regering dat op vlak van de organisatie van de verkiezingen de discretionaire beleidsruimte van de wetgever groot is. In een representatieve democratie zal er steeds een spanning bestaan tussen, enerzijds, een tendens om de band tussen de kiezer en de verkozene zo innig mogelijk te maken, en, anderzijds, een streven naar een minimale politieke stabiliteit. De keuze van de wetgever voor het ene of het andere systeem zal steeds beleidskritiek teweegbrengen en zal volledig afhangen van de subjectieve preferenties van diegene die zich uit voor een meer directe democratie dan wel voor een partijgestuurde democratie. Het is niet de rol van een grondwettelijk hof om de beleidskeuzes van de wet- of decreetgever in twijfel te trekken op grond van de overweging dat bepaalde rechtsonderhorigen een andere optie zouden hebben verkozen. Het betoog van de verzoekers dat de zetelverdeling volgens het « systeem D’Hondt » representatiever is en daarom de kleinere partijen beter behandelt dan het « systeem Imperiali », dat meer oog heeft voor politieke stabiliteit en voordeliger is voor grotere partijen, houdt volgens de Vlaamse Regering een subjectieve voorkeur in die volstrekt beleidsmatig is, zodat het Hof zich daarover niet kan of mag uitspreken. Overigens benadrukt de Vlaamse Regering dat geen enkel kiesstelsel neutraal is en dat de decreetgever steeds een keuze moet maken. De Vlaamse Regering ziet niet in hoe de decreetgever het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden aangezien, enerzijds, de regels, per verkiezing, voor elke partij, kandidaat en kiezer dezelfde zijn en, anderzijds, hij niet onredelijk en dus niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld door niet voor elke vertegenwoordigende vergadering hetzelfde kiesstelsel te hanteren. De decreetgever vermag voor verschillende verkiezingen verschillende kiesstelsels aan te wenden. A.
  7. De verzoekende partijen antwoorden dat het bestreden decreet wel degelijk betrekking heeft op het hanteren van de zogenaamde « delerreeks Imperiali » voor de zetelverdeling bij de gemeenteraadsverkiezingen, vermits de keuze voor dat stelsel erin wordt bevestigd. Zij stellen dat hun beroep tot vernietiging geen beleidskritiek maar wel een juridische kritiek inhoudt, waarbij zij niet de opportuniteit van het « systeem Imperiali » of « D’Hondt » op zich betwisten maar wel de ongelijkheid van behandeling die tussen de verschillende niveaus bestaat. Zij menen dat door de vernietiging van de bestreden bepalingen de decreetgever gedwongen zal worden een andere grondwetsconforme regeling uit te werken, hetgeen hun belang aantoont. 5 Zij antwoorden verder dat zij wel degelijk daadwerkelijke grieven tegen de bestreden bepalingen zelf aanvoeren, namelijk dat op grond van de doelstelling van het decreet niet kan worden ingezien waarom het « systeem D’Hondt » wordt gehanteerd voor de kleinere kieskring van het district. De discretionaire bevoegdheid van de decreetgever mag niet zover gaan dat zij een ongrondwettige ongelijkheid mag instellen. -B- B.
  8. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 3, 4 en 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2006 houdende wijziging van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming (hierna : decreet van 7 juli 2006). De bestreden bepalingen brengen wijzigingen aan in de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, (hierna : gemeentekieswet) en luiden : « Art.
  9. Artikel 57 van dezelfde wet, vervangen bij artikel 7 van de wet van 26 juni 2000 en gewijzigd bij artikel 22 van het decreet van 10 februari 2006, wordt vervangen door wat volgt : ‘ Artikel
  10. Wanneer het aantal kandidaten van een lijst gelijk is aan het aantal zetels dat aan die lijst toekomt, zijn al die kandidaten gekozen. Is het eerste van die aantallen groter dan het tweede, dan worden de zetels toegekend aan de kandidaten in afnemende grootte van het aantal stemmen dat zij hebben behaald. Bij gelijk stemmenaantal is de volgorde van voordracht op de lijst beslissend. Alvorens de gekozenen aan te wijzen, kent het hoofdstembureau aan de kandidaten individueel een derde van het aantal stemmen toe ten gunste van de volgorde van voordracht. Dit derde wordt vastgesteld door het product van de vermenigvuldiging van het aantal stembiljetten met een lijststem, vermeld in artikel 50, § 1, tweede lid, 1°, en het aantal door deze lijst behaalde zetels, te delen door drie. De in het tweede lid vermelde toekenning gebeurt door overdracht. De toe te kennen stembiljetten worden toegevoegd aan de naamstemmen die de eerste kandidaat van de lijst heeft behaald, voor wat nodig is om het verkiesbaarheidscijfer dat specifiek is voor elke lijst, te bereiken. Is er een overschot, dan wordt het op gelijkaardige wijze toegekend aan de tweede kandidaat, vervolgens aan de derde en zo verder, totdat het derde van het aantal gunstige stemmen voor de volgorde van voordracht, zoals die bepaald is in het tweede lid, uitgeput is. 6 Het verkiesbaarheidscijfer dat specifiek is voor elke lijst, wordt bereikt door het product van de vermenigvuldiging van het stemcijfer van de lijst zoals het bepaald is in artikel 55, en het aantal zetels dat aan die lijst toegekend is, te delen door het aantal zetels dat toekomt aan die lijst, vermeerderd met een eenheid. Wanneer het aantal kandidaten van een lijst lager is dan dat van de aan de lijst toekomende zetels, zijn die kandidaten allemaal gekozen en worden de overblijvende zetels toegekend overeenkomstig artikel 56, derde lid ’. Art.
  11. Artikel 57bis van dezelfde wet, vervangen bij artikel 23 van het decreet van 10 februari 2006, wordt vervangen door wat volgt : ‘ Artikel 57bis. De eventuele decimalen van het quotiënt dat verkregen wordt enerzijds door de in artikel 57, tweede lid, vermelde verrichting uit te voeren, en anderzijds door de in artikel 57, vierde lid, vermelde verrichting uit te voeren, worden afgerond naar de hogere eenheid, ongeacht het feit of zij al dan niet 0,50 bereiken ’. Art.
  12. In artikel 58 van dezelfde wet, vervangen bij artikel 9 van de wet van 26 juni 2000 en gewijzigd bij artikel 24 van het decreet van 10 februari 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt : ‘ Voorafgaandelijk aan hun aanwijzing gaat het hoofdstembureau, nadat het de verkozenen heeft aangewezen, over tot een nieuwe individuele toekenning aan de niet- gekozen kandidaten, van een derde van het aantal stemmen die gunstig zijn voor de volgorde van voordracht, zoals bepaald is in artikel 57, tweede lid, waarbij die toekenning op dezelfde manier gebeurt als voor de aanwijzing van de verkozenen, maar beginnende bij de eerste niet- gekozen kandidaat, in de volgorde van inschrijving op het stembiljet ’; 2° het derde en vierde lid worden opgeheven ». B.
  13. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen, nu zij de ongrondwettigheid aanvoeren van een bij de bestreden bepalingen alleen maar « bevestigde » regeling. B.
  14. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.
  15. De eerste verzoekende partij is de politieke partij « Groen ! ». 7 B.4.
  16. Naar luid van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient de verzoekende partij voor het Hof een natuurlijke persoon of een rechtspersoon te zijn die doet blijken van een belang. De politieke partijen die feitelijke verenigingen zijn, hebben in beginsel niet de vereiste bekwaamheid om voor het Hof een beroep in te stellen. Anders is het wanneer zij optreden in aangelegenheden, zoals de kieswetgeving, waarvoor zij wettelijk als afzonderlijke entiteiten worden erkend en wanneer, terwijl hun optreden bij de wet is erkend, sommige aspecten daarvan in het geding zijn. B.5.
  17. De overige verzoekende partijen beroepen zich op hun hoedanigheid van kiezer en kandidaat bij de verkiezingen van de provincieraden, gemeenteraden en districtsraden om hun belang bij het beroep tot vernietiging aan te tonen. B.5.
  18. Het kiesrecht is het fundamentele politieke recht in de representatieve democratie. Elke kiezer of kandidaat doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die zijn stem of zijn kandidatuur ongunstig kunnen beïnvloeden. B.
  19. De verzoekende partijen motiveren hun belang bij het beroep met verwijzing naar de inhoud van de door hen bestreden bepalingen. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen, ten eerste omdat de vernietiging van de bestreden bepalingen aan de verzoekende partijen geen voordeel kan opleveren nu de vroegere regeling identiek is aan de huidige en, ten tweede, omdat zij de ongrondwettigheid aanvoeren van een bij de bestreden bepalingen alleen maar « bevestigde » regeling en de decreetgever in het bestreden decreet niet normerend is opgetreden op het vlak van de toewijzing van het aantal zetels aan een welbepaalde lijst. Om dezelfde reden is het beroep volgens de Vlaamse Regering onontvankelijk nu de verzoekende partijen tegen de bestreden bepalingen zelf geen grieven aanvoeren. B.
  20. Aangezien de excepties verband houden met de draagwijdte van de bestreden bepalingen, valt het onderzoek ervan samen met de beoordeling ten gronde. 8 B.
  21. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, voor zoveel als nodig, met artikel 14 van dat Verdrag. Volgens de verzoekende partijen zijn de bestreden artikelen niet bestaanbaar met de in het middel aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen, doordat zij het bestaande verschil met betrekking tot het toepasselijke systeem van zetelverdeling bevestigen. Bij de provincieraads- en districtsraadsverkiezingen wordt het « systeem D’Hondt » gehanteerd en bij de gemeenteraadsverkiezingen het « systeem Imperiali » - dat nadeliger zou zijn voor kleinere politieke partijen -, zonder dat voor dat verschil een objectieve en redelijke verantwoording zou bestaan. B.9.
  22. Artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens luidt als volgt : « De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden welke de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen ». B.9.
  23. De in het Vlaamse Gewest georganiseerde verkiezingen van de gemeenteraden hebben geen betrekking op het « kiezen van de wetgevende macht » in de zin van voormelde bepaling. Bijgevolg is artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing. B.9.
  24. Vermits artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens enkel kan worden aangevoerd in samenhang met een in dat Verdrag vermeld recht of een in dat Verdrag vermelde vrijheid, is ook die bepaling te dezen niet van toepassing. B.9.
  25. In zoverre het middel artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van dat Verdrag aanvoert, is het niet ontvankelijk. Het Hof beperkt bijgevolg zijn toetsing tot de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 B.10.
  26. De bestreden artikelen 3, 4 en 5 brengen wijzigingen aan in de artikelen 57, 57bis en 58 van de gemeentekieswet. Die bepalingen van de gemeentekieswet regelen sommige aspecten van de wijze waarop de aan de lijsten toekomende zetels dienen te worden toegekend aan de kandidaten van die lijsten. Ze regelen op geen enkele wijze de verdeling van de zetels tussen de verschillende lijsten. B.10.
  27. De in de artikelen 56 en 110 van de gemeentekieswet en 19 en 20 van de provinciekieswet vervatte delerreeksen (het « systeem Imperiali » bij de gemeenteraadsverkiezingen en het « systeem D’Hondt » bij de provincie- en districtsraadsverkiezingen) hebben enkel betrekking op de verdeling van de zetels tussen de lijsten, en niet op de verdeling van de aan de lijsten toekomende zetels tussen de kandidaten van die lijsten. B.
  28. De artikelen 56 en 110 van de gemeentekieswet en 19 en 20 van de provinciekieswet werden niet gewijzigd door het bestreden decreet en kunnen bijgevolg niet het voorwerp uitmaken van het onderhavige beroep. Door wijzigingen aan te brengen in de bepalingen die betrekking hebben op de toekenning van de zetels aan de kandidaten van een lijst, kan de decreetgever bovendien niet worden geacht normerend te zijn opgetreden op het vlak van de in de voormelde artikelen van de gemeentekieswet en de provinciekieswet vervatte aangelegenheden. B.
  29. Het middel is niet gegrond. 10 Om die redenen, het Hof - verwerpt het beroep; - schrapt de zaken ingeschreven onder nr. 3965 en nr. 3991 van de rol. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 november 2007, door rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter ter vervanging van emeritus voorzitter A. Arts, wettig verhinderd. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux E. De Groot PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.