← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.141

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.141 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071114.4 Arrest- Rolnummer: 141/2007 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-11-14 Raadplegingen: 281 - laatst gezien 2026-06-29 13:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Verzekering geneeskundige verzorging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van de artikelen 8 en 9 van de wet van 25 februari 2007 tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, ingesteld door de vzw « Cliniques Universitaires Saint-Luc » en Raymond Reding. Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. # Gezondheidsrecht - Transplanteren van organen - Kandidaat-orgaanontvanger - Wachtlijst - Toelatingsvoorwaarden andere dan medische Wettelijke bepalingen: Wet - 25-02-2007 - 8 - 57 ELI link Pub nr 2007022504 Wet - 25-02-2007 - 9 - 57 ELI link Pub nr 2007022504 Tekst van de beslissing Rolnummer 4262 Arrest nr. 141/2007 van 14 november 2007 ___________ In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 8 en 9 van de wet van 25 februari 2007 tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, ingesteld door de vzw « Cliniques Universitaires Saint-Luc » en Raymond Reding. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 juli 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 juli 2007, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 8 en 9 van de wet van 25 februari 2007 tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 april 2007), door de vzw « Cliniques Universitaires Saint-Luc », met maatschappelijke zetel te 1200 Brussel, Hippocrateslaan 10, en Raymond Reding, wonende te 1950 Kraainem, Baron d’Huartlaan

  1. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wettelijke bepalingen. Bij beschikking van 19 juli 2007 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 19 september 2007, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde gezagsorganen te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, ten laatste op maandag 10 september 2007 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Ministerraad heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 september 2007 : - zijn verschenen : . Mr. J. Vanden Eynde en Mr. J. Feld, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. M. Mareschal loco Mr. E. Maron en Mr. S. Leroy, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.1.
  2. De verzoekende partijen bestrijden de wet van 25 februari 2007 « tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen », in zoverre die wet bepaalt dat, om als kandidaat- orgaanontvanger te worden ingeschreven of erkend in een Belgisch transplantatiecentrum, men hetzij van Belgische nationaliteit moet zijn of in België gedomicilieerd zijn sinds minstens zes maanden, hetzij de nationaliteit moet hebben van een Staat die hetzelfde toewijzingsorganisme voor organen deelt, of sinds minstens zes maanden in die Staat gedomicilieerd moet zijn. A.1.
  3. De eerste verzoekende partij is een vzw waarvan het maatschappelijk doel erin bestaat ziekenhuis- en geneeskundige verzorging te verstrekken. Zij beschikt over een centrum voor orgaantransplantatie dat internationaal gerenommeerd is, in het bijzonder op het vlak van pediatrische levertransplantatie. Ter ondersteuning van haar belang om in rechte te treden, beroept zij zich op het collectieve belang van de kandidaat-orgaanontvangers, dat zij verdedigt en dat verschilt van het individuele belang van haar leden. Zij is overigens van mening dat de bestreden normen haar maatschappelijk doel dat bestaat in het verstrekken van ziekenhuis- en geneeskundige verzorging, rechtstreeks en ongunstig kunnen raken omdat de bestreden normen in bepaalde omstandigheden het verstrekken van geneeskundige verzorging onmogelijk maken. De verzoekende partij voert eveneens een aanzienlijk financieel nadeel aan doordat de kosten van een orgaantransplantatie voor een persoon die niet onder de Belgische sociale zekerheid valt, meer dan 84 000 euro bedragen; de daling van de omzet als gevolg van de bestreden normen, zal met name leiden tot een afslanking van het personeel. A.1.
  4. De tweede verzoekende partij doet blijken van haar belang om in rechte te treden door haar hoedanigheid van geneesheer gespecialiseerd in pediatrische heelkunde, van wie de hoofdactiviteit de transplantatie van organen is op kinderen wier overlevingskansen zonder die ingreep heel beperkt zijn. Zij is van mening dat de bestreden normen, door haar te verhinderen een ingreep uit te voeren op een kind wegens diens nationaliteit, haar in een situatie plaatsen die onverenigbaar is met haar beroepsethiek en haar plichten als arts, die geformaliseerd zijn in de eed van Hippocrates die zij heeft afgelegd. Aangezien de orgaantransplantaties op kinderen die niet ressorteren onder het erkende toewijzingsorganisme voor organen Eurotransplant, 59 pct. vertegenwoordigen van de door haar uitgevoerde levertransplantaties, is de verzoekende partij overigens van mening dat de bestreden normen een onmiskenbare vermindering impliceren van haar beroepsactiviteit, en bijgevolg van haar praktijk en haar reputatie. Zij meent dus niet alleen een moreel belang, maar eveneens een professioneel belang te hebben bij haar beroep. Ten aanzien van de middelen A.2.
  5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23, derde lid, 2°, en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en met de artikelen 12, lid 2, d, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, en 11, 1°, van het Europees Sociaal Handvest. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepalingen, door de toegang tot geneeskundige verzorging te beperken voor personen die geen onderdaan zijn van of sinds zes maanden gedomicilieerd zijn in België of in een Staat die aangesloten is bij het netwerk Eurotransplant, afbreuk doen aan het beginsel volgens hetwelk eenieder recht heeft op geneeskundige verzorging. A.2.
  6. In een eerste onderdeel van het middel oordelen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het beginsel van het vrij verrichten van diensten dat gewaarborgd is bij artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en dat, volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese 4 Gemeenschappen, eveneens betrekking heeft op medische activiteiten : aan onderdanen van lidstaten van de Europese Unie die geen deel uitmaken van de zeven landen die zijn aangesloten bij Eurotransplant (België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, Slovenië en Kroatië), zullen immers geneeskundige verstrekkingen worden geweigerd, terwijl de Kroaten en de personen die gedomicilieerd zijn in Kroatië (dat geen lid is van de Europese Unie) zullen kunnen worden beschouwd als kandidaat-ontvangers in een Belgisch transplantatiecentrum. Terwijl de afdeling wetgeving van de Raad van State hierover een voorbehoud had gemaakt, werd geen enkele objectieve verantwoording gegeven voor die principiële uitsluiting van « niet-residenten » die onderdaan zijn van lidstaten van de Europese Unie. De verzoekende partijen vragen dan ook de vernietiging en de schorsing van de bestreden normen of, subsidiair, om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van de bestreden bepalingen met het vrij verrichten van diensten dat is gewaarborgd bij artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. A.2.
  7. In een tweede onderdeel van het middel oordelen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen, door orgaantransplantatie afhankelijk te stellen van het land waarvan men onderdaan is of van het domicilie, afbreuk doen aan de verplichting van de overheid om de gepaste maatregelen te nemen die eenieder een eerlijke toegang waarborgen tot geneeskundige verzorging, en de standstill-verplichting schenden die de wetgever verbiedt maatregelen aan te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen van een bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgd recht. A.3.
  8. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepalingen aanleiding geven tot discriminatie tussen, enerzijds, de Belgische onderdanen, de onderdanen van een Staat die is aangesloten bij Eurotransplant - waarvan één lid geen lidstaat is van de Europese Unie - en de personen die sinds meer dan zes maanden in die staten gedomicilieerd zijn en, anderzijds, de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die niet bij Eurotransplant zijn aangesloten; de bestreden bepalingen schenden op die manier het verbod van discriminatie tussen, enerzijds, Belgen en vreemdelingen en, anderzijds, onder vreemdelingen. A.3.
  9. In een eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, onder het voorwendsel de wachtlijst voor organen te willen inkorten, een wettelijk verbod invoeren om voor een heelkundige ingreep een beroep te doen op Belgische artsen wanneer de voorwaarde van nationaliteit of domicilie niet is vervuld, zelfs wanneer de transplantatie moet gebeuren door middel van een orgaan dat is weggenomen bij een familielid van de kandidaat-ontvanger. Overigens bevinden alle personen die op een transplantatie wachten, zich in een objectief vergelijkbare situatie. Volgens de parlementaire voorbereiding strekt de bestreden maatregel ertoe het aantal sterfgevallen te beperken onder de op de wachtlijst ingeschreven kandidaat-ontvangers. Niettemin is de discriminatie tussen de personen die al dan niet een orgaantransplantatie kunnen genieten, onverantwoord : enerzijds passen de andere landen van Eurotransplant geen voorwaarde toe van nationaliteit of domicilie, zodat de plaats van de kandidaat-ontvangers niet grondig zal verbeteren door de bestreden normen; anderzijds zou, zoals de Raad van State heeft onderstreept, de uitsluiting van de vreemdelingen gerechtvaardigd zijn wanneer die zou leiden tot een significante toename van de kansen van transplantatie voor de patiënten voor wie België instaat, hetgeen geenszins is aangetoond. De bestreden bepalingen zijn kennelijk onevenredig omdat zij impliceren dat sommige personen vlugger voor een orgaan in aanmerking kunnen komen, terwijl dat orgaan had kunnen worden toegekend aan een persoon voor wie het van levensbelang is, hetgeen zal leiden tot een hoger sterftecijfer buiten het systeem Eurotransplant. A.3.
  10. In een tweede onderdeel van het middel wijzen de verzoekende partijen erop dat, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alleen zeer sterke overwegingen een verschil in behandeling dat uitsluitend op nationaliteit is gegrond, aannemelijk kunnen maken. Er is te dezen echter geen sprake van een zeer sterke overweging, behalve dan het criterium van nationale voorkeur. Overigens was het systeem van toewijzing en toekenning van organen tot hiertoe gebaseerd op twee objectieve medische criteria : de medische urgentie en de compatibiliteit tussen donoren en ontvangers. Terwijl mensenlevens op het spel staan, toont de wetgever geenszins aan in welk opzicht het nieuwe criterium van nationaliteit of domicilie zou toelaten het aantal sterfgevallen te verminderen. De uitsluiting van de wachtlijst 5 vormt aldus een gerichte aantasting van het leven van het individu, zonder dat wordt aangetoond dat de patiënten die niet tot de Belgische ziekenhuizen worden toegelaten, elders een menswaardige verzorging of gelegenheid tot verzorging zullen vinden. Het wegnemen van organen na overlijden kan, ten slotte, plaatsvinden bij eenieder die in het bevolkingsregister of sinds meer dan zes maanden in het vreemdelingenregister is ingeschreven : de voorwaarde van domicilie voor een kandidaat-ontvanger is dus strikter dan voor een donor, hetgeen niet objectief kan worden verantwoord. A.3.
  11. In een derde onderdeel van het middel oordelen de verzoekende partijen dat het doel dat door de wet wordt nagestreefd, niet wordt bereikt met de bestreden maatregelen, rekening houdend met de toepassing van het systeem Eurotransplant. Terwijl Eurotransplant functioneert op grond van een vrij verkeer van organen naar gelang van de behoeften van de nationale transplantatiecentra, is België immers het enige van de zeven landen van Eurotransplant dat de inschrijving van kandidaat-ontvangers afhankelijk stelt van nationaliteit of domicilie. Een kandidaat-ontvanger die men in een Belgisch transplantatiecentrum weigert in te schrijven op de wachtlijst, zou echter naar Duitsland kunnen gaan, er om zijn inschrijving verzoeken en hetzelfde orgaan verkrijgen dat op hem zou zijn getransplanteerd indien hij in België een operatie had ondergaan, en dat met voorrang op de Belgische onderdanen, indien voldaan is aan de criteria van medische urgentie en compatibiliteit. Ten slotte schendt de bestreden maatregel, in zoverre het nieuwe systeem aan sommige kandidaat- ontvangers verbiedt een Belgische geneesheer te raadplegen, het algemeen beginsel van vrijheid van de patiënt om zijn zorgverstrekker te kiezen. A.3.
  12. In het vierde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat men de concrete situaties moet bekijken waarin de toepassing van de nieuwe wet zal leiden tot een overduidelijke discriminatie. Wanneer een niet-Belg die niet gedomicilieerd is in een Staat van het netwerk Eurotransplant, zich op Belgisch grondgebied bevindt en gedurende zijn verblijf het slachtoffer wordt van een ongeval waarbij een orgaantransplantatie onmiddellijk is vereist, zal echter geen enkele Belgische arts de voor hem levensnoodzakelijke heelkundige verstrekkingen mogen uitvoeren. Die discriminatie is zo duidelijk dat de wetgever aan de Koning de mogelijkheid heeft gedelegeerd om in uitzonderingen te voorzien op de toepassing van de voorwaarde van nationaliteit of domicilie, om rekening te houden met de situaties waarin de strikte toepassing van die voorwaarde zou leiden, zoals vermeld in de memorie van toelichting, tot « een tragische situatie waarbij de persoon in gevaar niet kan geholpen worden ». De wetgever erkent op die manier impliciet dat de nieuwe voorwaarde van nationaliteit of domicilie in de praktijk aanleiding geeft tot situaties waarop de wet niet is afgestemd. Die aan de Koning toegekende mogelijkheid tot afwijking heeft echter betrekking op het bepalen van de modaliteiten van de gedifferentieerde behandeling : die delegatie is bijgevolg te ruim omdat de wet geen enkel criterium vaststelt dat voor de Koning zou moeten gelden bij de uitoefening van die bevoegdheid, hetgeen aldus de mogelijkheid impliceert dat nieuwe discriminaties ontstaan onder vreemdelingen, met schending van artikel 191 van de Grondwet. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.4.
  13. De verzoekende partijen zijn van mening dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden normen voor hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel teweegbrengt omdat zij zich in de onmogelijkheid bevinden hun activiteit, die erin bestaat levens te redden, uit te oefenen. Daaruit volgt een ernstig moreel nadeel dat niet zou kunnen worden hersteld door een latere vernietiging omdat personen die geen orgaantransplantatie konden genieten, misschien niet meer in leven zullen zijn. Bij verwerping van de vordering tot schorsing zouden de verzoekende partijen, wanneer zij niettemin zouden oordelen dat zij wegens een dwingende noodzaak en een hoger dan de wet geachte waarde, de bestreden normen zouden moeten schenden om levens te redden, strafrechtelijk worden vervolgd en zouden zij ter verdediging de noodtoestand moeten aanvoeren. 6 Bij niet-schorsing zou dus een situatie van rechtsonzekerheid ontstaan die, gelet op de mensenlevens die in gevaar zijn, moet worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. A.4.
  14. Subsidiair vragen de verzoekende partijen dat het Hof de bestreden normen schorst in afwachting van een antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op een prejudiciële vraag over de verenigbaarheid van de bestreden bepalingen met de vrijheid van het verrichten van diensten. De bestreden normen moeten dus worden geschorst omdat er bij toepassing van de wet slachtoffers dreigen te vallen. A.5.
  15. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen niet aantonen dat er een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat. A.5.
  16. Zo herinnert de Ministerraad eraan, wat de door de tweede verzoekende partij aangevoerde noodtoestand betreft, dat artikel 13quater van de wet van 25 februari 2007 toelaat uitzonderingen te bepalen op artikel 13ter, met name om schuldig verzuim te vermijden in geval van medische urgentie. Overigens, ook al is er thans geen koninklijk besluit dat artikel 13quater ten uitvoer legt, wordt schuldig verzuim door het Belgische recht veroordeeld; bovendien werd medische urgentie in het koninklijk besluit van 24 november 1997 reeds beschouwd als een uitzondering om op een wachtlijst te worden ingeschreven. In een brief aan Eurotransplant vraagt de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid overigens orgaantransplantatie toe te staan op niet-residenten in drie gevallen van transplantatie waarin sprake is van medische urgentie. Het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 13quater zou die uitzonderingen moeten overnemen en uitbreiden. De tweede verzoekende partij heeft dus niet aangetoond dat de bestreden bepalingen aanleiding zouden geven tot een situatie van rechtsonzekerheid, die voor haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou doen ontstaan. A.5.
  17. Het nadeel dat is verbonden aan de afname van hun activiteit, en het moreel nadeel kunnen niet worden aangenomen omdat artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 november 1997 de inschrijving op wachtlijsten reeds beperkte tot de personen die hetzij de Belgische nationaliteit bezitten of hun vaste woonplaats in België hebben, hetzij de nationaliteit ervan bezitten of woonachtig zijn op het grondgebied van een land dat deelneemt aan het wegnemen van organen in het raam van hetzelfde toewijzingsorganisme. Aangezien het bestreden artikel 13ter enkel reeds bestaande voorwaarden verduidelijkt, wordt de situatie van de verzoekende partijen niet gewijzigd door de onmiddellijke uitvoering van de bestreden bepalingen. Overigens wijzigt in geen enkel opzicht het aantal organen als gevolg van de bestreden bepalingen, zodat het aantal uit te voeren orgaantransplantaties identiek blijft. Ten slotte, zelfs in de veronderstelling dat die afname van activiteit zou zijn bewezen - quod non -, zou zij, wegens de louter financiële aard ervan, geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaken. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
  18. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging en de schorsing van de artikelen 8 en 9 van de wet van 25 februari 2007 tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen (hierna : de wet van 25 februari 2007). 7 Bij artikel 8 van de wet van 25 februari 2007 wordt een artikel 13ter ingevoegd in de wet van 13 juni 1986, dat bepaalt : « Om als kandidaat receptor te worden ingeschreven of erkend in een Belgisch transplantatiecentrum, moet elke persoon, hetzij de Belgische nationaliteit hebben of in België gedomicilieerd zijn sinds minstens zes maanden, hetzij de nationaliteit hebben van een staat die hetzelfde toewijzingsorganisme voor organen deelt of sinds minstens 6 maanden in deze staat gedomicilieerd zijn ». Artikel 9 van dezelfde wet voegt in de wet van 13 juni 1986 een artikel 13quater in, dat bepaalt : « De Koning kan de uitzonderingsvoorwaarden bepalen voor de toepassing van artikel 13ter ». Artikel 10 van dezelfde wet verbindt aan de niet-naleving van de artikelen 13ter en 13quater de sancties waarin artikel 17, § 3, van de wet van 13 juni 1986 voorziet. B.
  19. In de memorie van toelichting bij de bestreden wet wordt verklaard : « Zoals alle Europese landen kampt België met een tekort aan organen. Dit is het gevolg van de ontwikkelingen op het vlak van transplantaties en van de spectaculaire verbetering van de resultaten tijdens de voorbije 20 jaar. De wachtlijsten worden alsmaar langer en sterfgevallen op de wachtlijst zijn een realiteit » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2680/001, p. 5). Vanuit die vaststelling strekt het wetsontwerp dat de bestreden wet is geworden ertoe een aantal wijzigingen aan te brengen in de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, met name « door aan de Koning machtiging te geven om het wegnemen van organen optimaal te organiseren en door sommige regels inzake de toestemming voor wegneming bij levende donoren en het verzet tegen wegneming na overlijden aan te passen » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2680/001, p. 6). Wat verder in de memorie van toelichting staat overigens het volgende : « Anderzijds kan de ambivalentie van de definitie van kandidaat receptoren, ‘ residenten ’ geheten (een notie die is opgenomen in het uitvoeringsbesluit van 24 november 1997) tot verschillende interpretaties leiden en een bron van rechtsonzekerheid vormen, die snel moet weggewerkt worden. Onderhavig ontwerp van wet formuleert dus een aantal basisprincipes 8 voor de allocatie van organen en bepaalt de voorwaarden om als kandidaat-receptor te worden ingeschreven of erkend in een Belgisch transplantatiecentrum. België heeft het supranationale toewijzingsorganisme voor organen, Eurotransplant, erkend. Binnen deze instelling, heerst er een vrij verkeer van organen tussen landen die deel uitmaken van Eurotransplant en dit in functie van verschillende criteria zoals de histocompatibiliteit, de mate van dringendheid, het evenwicht tussen het aantal weggenomen en getransplanteerde organen per land,… Het is dus normaal, en toegestaan door Eurotransplant, dat de leden van de landen die bij Eurotransplant zijn aangesloten, kunnen worden ingeschreven op een wachtlijst in een van de andere landen die een exclusieve samenwerkingsovereenkomst met Eurotransplant hebben afgesloten. Om de voorwaarden om in ons land op een wachtlijst ingeschreven te kunnen worden te verduidelijken, is het eveneens aangewezen uitzonderingen op deze criteria te bepalen, in het bijzonder voor dringende situaties waarin levens op het spel staan » (Parl. St., Kamer, 2005- 2006, DOC 51-2680/001, pp. 6-7). Ten aanzien van het belang B.3.
  20. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.3.
  21. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.
  22. De eerste verzoekende partij is een vzw waarvan het maatschappelijk doel erin bestaat ziekenhuis- en geneeskundige verzorging te verstrekken, alsook andere diensten te verlenen die daarmee verband houden. Zij beschikt over een centrum voor orgaantransplantatie dat zich onder meer toelegt op pediatrische levertransplantatie. Zij is van mening dat de bestreden normen haar maatschappelijk doel rechtstreeks en ongunstig raken omdat zij in bepaalde omstandigheden het verstrekken van geneeskundige verzorging onmogelijk maken. De verzoekende partij voert eveneens een aanzienlijk financieel nadeel aan. 9 B.4.
  23. De tweede verzoekende partij verantwoordt haar belang om in rechte te treden door haar hoedanigheid van geneesheer gespecialiseerd in pediatrische heelkunde, wiens hoofdactiviteit de transplantatie van organen is op kinderen wier overlevingskansen zonder die ingreep heel beperkt zullen zijn. De verzoekende partij meent een moreel belang en een professioneel belang te hebben bij haar beroep omdat de bestreden normen, door haar te verhinderen operaties uit te voeren op met name kinderen, haar enerzijds in een situatie plaatsen die onverenigbaar is met haar beroepsethiek en haar plichten als geneesheer en, anderzijds, een onmiskenbare vermindering van haar beroepsactiviteit, en bijgevolg van haar praktijk en haar reputatie zullen impliceren. B.4.
  24. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing kon overgaan, blijkt in dit stadium van de rechtspleging niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - als onontvankelijk moet worden beschouwd. Ten aanzien van de grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing B.
  25. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. 10 Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  26. Een schorsing door het Hof moet kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partijen, door de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.7.
  27. De verzoekende partijen zijn van mening dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden normen voor hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel teweegbrengt omdat zij zich in de onmogelijkheid bevinden hun activiteit, die erin bestaat levens te redden, uit te oefenen. Daaruit zou een ernstig moreel nadeel volgen dat niet zou kunnen worden hersteld door een latere vernietiging omdat personen die geen orgaantransplantatie konden genieten, mogelijk niet meer in leven zullen zijn. Bij verwerping van de vordering tot schorsing zouden de verzoekende partijen, wanneer zij niettemin zouden oordelen, wegens een dwingende noodzaak en een hoger dan de wet geachte waarde, de bestreden normen te moeten schenden om levens te redden, strafrechtelijk worden vervolgd en zouden zij ter verdediging de noodtoestand moeten aanvoeren. Bij niet- schorsing zou dus volgens hen een situatie van rechtsonzekerheid ontstaan die, gelet op de mensenlevens die in gevaar zijn, moet worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De eerste verzoekende partij voert eveneens een aanzienlijk financieel nadeel aan, terwijl de tweede verzoekende partij aanvoert dat afbreuk wordt gedaan aan haar ervaring en haar deskundigheid op het gebied van transplantatie. B.7.
  28. Subsidiair vragen de verzoekende partijen dat het Hof de bestreden normen schorst in afwachting van een antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op een prejudiciële vraag. B.
  29. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep instelt doet blijken van een belang, waaruit volgt dat de actio popularis niet toelaatbaar is. In dezelfde gedachtegang is vereist dat de schorsing wordt nagestreefd op grond van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat betrekking heeft op de verzoekende partijen zelf. 11 B.
  30. De bestreden bepalingen hebben betrekking op andere dan medische voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te kunnen worden ingeschreven of erkend als kandidaat- orgaanontvanger op de wachtlijst van de Belgische transplantatiecentra, teneinde de toewijzing van een orgaan te genieten. B.
  31. Wat het aangevoerde nadeel betreft met betrekking tot de onmogelijkheid voor een ziekenhuis en/of een geneesheer om mensenlevens te redden en de mogelijke rechtsonzekerheid inzake strafbaarheid die eruit zou voortvloeien, moet worden vastgesteld dat de bestreden maatregel de beperktheid heeft die eigen is aan iedere georganiseerde gezondheidszorg en waarbij niet op alle vragen kan worden ingegaan. Nu de vraag naar organen groter is dan de beschikbaarheid ervan, gaat het redden van mensenlevens noodzakelijkerwijs gepaard met het niet redden van andere mensenlevens. Ook al zouden de aangevoerde nadelen ernstig worden geacht, ze worden niet veroorzaakt door de bestreden bepalingen maar wel door de onmogelijkheid die uit de praktijk blijkt om over een compatibel orgaan te beschikken voor iedere kandidaat-ontvanger. B.
  32. Aangezien één van de grondvoorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 november
  33. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.