← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.144

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.144 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071122.3 Arrest- Rolnummer: 144/2007 Rechtsgebied: Insolventierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-11-22 Raadplegingen: 716 - laatst gezien 2026-07-03 19:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de met de gefailleerde gelijkgestelde personen die in die wetsbepaling worden beoogd, geen enkele maatregel tot verzachting van het verbod kunnen genieten. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Personen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Nijvel. Handelsrecht - Faillissement - Beroepsverbod - 1. Met de gefailleerde gelijkgestelde personen die een kennelijke grove fout hebben begaan - Ontstentenis van mogelijkheid tot verzachting van het verbod - 2. Gefailleerden die een strafrechtelijke fout hebben begaan - Mogelijkheid tot verzachting van het verbod. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 24-10-1934 - 3bis,§3 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4142 Arrest nr. 144/2007 van 22 november 2007 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Nijvel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, J.-P. Snappe en E. Derycke, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 31 januari 2007 in zake het openbaar ministerie tegen Marco Brandelard, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 februari 2007, heeft de Rechtbank van Koophandel te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre ten aanzien van de voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerde, met inbegrip van de persoon die op grond van artikel 3bis, § 1, van dat koninklijk besluit met hem wordt gelijkgesteld, een regeling wordt toegepast die verschilt van die welke wordt toegepast ten aanzien van de voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerde, tegen wie de correctionele rechtbank een beroepsverbod kan uitspreken op grond van de artikelen 1 en 1bis van hetzelfde koninklijk besluit ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - is verschenen : Mr. M. Mareschal loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het openbaar ministerie heeft bij de Rechtbank van Koophandel een zaak aanhangig gemaakt teneinde Marco Brandelard het verbod op te leggen van uitoefening van enig koopmansbedrijf, van enige functie van beheerder, zaakvoerder of commissaris in een handelsvennootschap of een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft, van enige functie die de bevoegdheid inhoudt om dergelijke vennootschappen te verbinden en van enige functie die de bevoegdheid inhoudt om een vestiging in België te besturen, zoals bepaald in het Wetboek van vennootschappen. De voornoemde persoon was de vroegere zaakvoerder van een failliet verklaarde vennootschap, de bvba Davantage. De verweerder steunt op het arrest van het Hof nr. 119/2006 en vraagt de Rechtbank die vordering tot het uitspreken van een verbod te verwerpen; in ondergeschikte orde stelt hij de rechter voor aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. In haar motieven wijst de Rechtbank in de eerste plaats erop dat, volgens het voormelde arrest, de in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 24 oktober 1934 beoogde persoon - namelijk de persoon die op grond van een strafonderzoek is veroordeeld - een gunstigere behandeling geniet dan de persoon die wordt beoogd in artikel 3bis, § 2, namelijk de gefailleerde handelaar; de laatstgenoemde kan voor de rechtbank van koophandel 3 immers niet de verzachtende maatregelen genieten die de strafrechter kan toekennen. De verwijzende rechter stelt vervolgens evenwel vast dat de bij hem aanhangig gemaakte zaak niet de situatie van een gefailleerde handelaar betreft, maar die van een persoon - de zaakvoerder van de gefailleerde vennootschap - die bij artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1934 met de gefailleerde is gelijkgesteld, en « dat die bepaling niet is vernietigd » door het Hof; hij stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 augustus 1978 « tot economische heroriëntering », die het in het geding zijnde artikel 3bis heeft ingevoegd, en merkt eerst op dat de wetgever uit het handelscircuit de personen heeft willen weren die, als beheerder, zaakvoerder of persoon die die bevoegdheid werkelijk heeft gehad, een kennelijke grove fout hebben begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement van hun vennootschap, door aldus het verbod aan te vullen dat reeds in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 was vervat ten aanzien van de niet gerehabiliteerde gefailleerden. In verband met de beheerders en zaakvoerders van gefailleerde handelsvennootschappen - die niet het voorwerp uitmaakten van automatische sancties - leek het de wetgever opportuun de praktijk te bestraffen van bestuurders die zich niet om het lot van de schuldeisers zouden bekommeren door een nieuwe vennootschap op te richten zodra het faillissement van hun vennootschap is uitgesproken. A.2. Nadat is herinnerd aan de arresten van het Hof nrs. 57/98 en 160/2004 wordt in de memorie de draagwijdte van de artikelen 1 en 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 beschreven. Artikel 1 somt de economische en fiscale strafbare feiten op die aanleiding kunnen geven tot een beroepsverbod dat bestaat in het verbod om, persoonlijk of door een tussenpersoon, bepaalde op exhaustieve wijze opgesomde functies uit te oefenen. Dat verbod is facultatief, waarbij de wetgever, luidens de parlementaire voorbereiding, heeft gesteld dat de magistraat aan wie het strafdossier is voorgelegd, het meest geschikt was om, op grond van de intrinsieke ernst van de gepleegde feiten, te oordelen of die subsidiaire sanctie al dan niet moest worden toegepast. Dat verbod is tevens in de tijd beperkt : de rechter bepaalt de duur ervan, die niet minder dan drie jaar en niet meer dan tien jaar mag bedragen. Ten slotte zijn onder de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 opgesomde strafbare feiten de misdrijven vermeld waarin de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek voorzien, die specifiek zijn gekwalificeerd als misdrijven die verband houden met de staat van faillissement (Strafwetboek, boek II, titel IX, hoofdstuk II, afdeling I). Artikel 1bis kent van zijn kant de strafrechter de mogelijkheid toe een veroordeling - zelfs voorwaardelijk - als dader of als medeplichtige van een of meer strafrechtelijke fouten in verband met de staat van faillissement (voormelde strafbare feiten van het Strafwetboek) gepaard te doen gaan met een verbod om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen gedurende een periode die niet minder dan drie jaar en niet meer dan tien jaar mag bedragen. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit volgens de Ministerraad voort dat het beroepsverbod in de gevallen die door de voormelde bepalingen worden beoogd, het karakter heeft van een bijkomende strafrechtelijke sanctie bovenop de strafrechtelijke hoofdveroordeling; het volgt dus het lot van de laatstgenoemde, met alle gevolgen van dien inzake het uitstel of de opschorting van de uitspraak. A.3. De Ministerraad analyseert vervolgens het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling en verklaart dat dat verschil zou liggen in de verbodsregeling voor personen die met de gefailleerde zijn gelijkgesteld, naargelang zij worden gedagvaard voor de rechtbank van koophandel (artikel 3bis, § 3, van het voormelde koninklijk besluit) of voor de correctionele rechtbank (artikelen 1 en 1bis van hetzelfde besluit); de eventuele discriminatie zou erin bestaan dat de rechtbank van koophandel het door haar uitgesproken beroepsverbod wegens het bestaan van kennelijke grove fouten die tot het faillissement hebben bijgedragen, niet gepaard zou kunnen doen gaan met enige vorm van uitstel of opschorting van de uitspraak, terwijl de strafrechter dat wel zou kunnen. 4 A.4. Ten gronde voert de Ministerraad eerst aan dat de categorieën van personen die respectievelijk worden beoogd in de artikelen 1 en 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22, niet met elkaar vergelijkbaar zijn ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening houdend met de aard van de begane fouten, met de personen die deze hebben begaan, en, in mindere mate, met de draagwijdte van het verbod dat hun kan worden opgelegd. De personen beoogd in de litterae

  1. a)tot
  2. j)van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 zijn personen die misdrijven hebben begaan die door strafrechtelijke bepalingen worden bestraft. Met uitzondering van de personen die de strafbare feiten hebben gepleegd bepaald in de artikelen 489, 489bis en 489ter van het Strafwetboek, die in het eerste deel van littera
  3. g)worden beoogd, is de staat van faillissement niet een van de bestanddelen van die strafbare feiten. Het betreft dus personen die zich bevinden in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de persoon beoogd in artikel 3bis, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, die met een gefailleerde wordt gelijkgesteld, ofwel omdat hij de beheerder of de zaakvoerder van een in staat van faillissement verklaarde handelsvennootschap is geweest, ofwel omdat hij, zonder beheerder of zaakvoerder te zijn geweest, werkelijk de bevoegdheid heeft gehad om een in staat van faillissement verklaarde vennootschap te beheren. Die met de gefailleerde gelijkgestelde persoon heeft een kennelijke grove fout begaan - niet noodzakelijk van strafrechtelijke aard - die heeft geleid tot het faillissement van de handelsvennootschap waarin hij werkzaam was. Zoals de bewoordingen zelf van de artikelen 1 en 3bis, §§ 2 en 3, aangeven, is de draagwijdte van het verbod waarin die bepalingen voorzien, overigens niet identiek. A.5.1. De Ministerraad betwist evenwel niet dat, gelet op het voormelde arrest van het Hof nr. 119/2006, de in artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 beoogde personen zouden kunnen worden vergeleken met personen beoogd in artikel 3bis, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit. Artikel 1bis is immers met name van toepassing op een persoon die « zelfs voorwaardelijk [is veroordeeld] als dader of als medeplichtige van een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter […] van het Strafwetboek »; die bepalingen bestraffen onder meer « de bestuurders, in rechte of in feite, van handelsvennootschappen die zich in staat van faillissement bevinden ». Die personen zijn vergelijkbaar met diegenen die worden beoogd in artikel 3bis, § 3, vermits zij allen in rechte of in feite bestuurder, beheerder of zaakvoerder van de in staat van faillissement verklaarde vennootschap zijn geweest en beheersfouten hebben gepleegd. A.5.2. Zelfs in die benadering zou evenwel een verschil moeten worden onderstreept in verband met de draagwijdte van het verbod dat aan ieder van hen kan worden opgelegd. De in artikel 1bis beoogde personen kan het verbod worden opgelegd om « persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen », terwijl diegenen die worden beoogd in artikel 3bis, § 3, een verbod kan worden opgelegd om « persoonlijk of door een tussenpersoon, enige taak van beheerder, zaakvoerder of commissaris uit te oefenen in een handelsvennootschap of een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen, om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om zodanige vennootschap rechtsgeldig te verbinden en om het beheer van een Belgisch filiaal waar te nemen, zoals bepaald in artikel 198, tweede lid, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935 ». De in artikel 3bis, § 3, beoogde personen kan evenwel ook het verbod worden opgelegd om persoonlijk of door een tussenpersoon enig « koopmansbedrijf » uit te oefenen door de gecombineerde toepassing van de paragrafen 1 en 2 van hetzelfde artikel; vanuit die invalshoek kunnen zij bijgevolg worden vergeleken met een in artikel 1bis beoogde persoon. De Ministerraad merkt echter op dat die vergelijking uitsluitend betrekking zal hebben op artikel 1bis en artikel 3bis, § 2, dat niet door de prejudiciële vraag wordt beoogd, maar reeds is onderzocht door het Hof in zijn arrest nr. 119/2006. Hij leidt hieruit af dat de verwijzende rechter op grond van artikel 26, § 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 niet ertoe gehouden was de prejudiciële vraag te stellen. A.6. De Ministerraad onderzoekt echter de stelling volgens welke het Hof, aangezien het in zijn arrest nr. 119/2006 niet heeft verklaard dat de in artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 beoogde gefailleerden eveneens de met de gefailleerde gelijkgestelde personen waren, niet kan worden verondersteld reeds uitspraak te hebben gedaan over een vraag met een identiek onderwerp. Zelfs in een dergelijke hypothese zou de pertinente vergelijking tussen een persoon beoogd in artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 en de met de gefailleerde gelijkgestelde persoon ten aanzien van wie de rechtbank van koophandel het verbod kan uitspreken om enig koopmansbedrijf uit te oefenen, echter betrekking hebben op 5 artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 en niet op artikel 3bis, § 3, dat als enige door de prejudiciële vraag wordt beoogd. Die vraag zou volgens de Ministerraad bijgevolg ontkennend dienen te worden beantwoord, omdat zij de verkeerde onderdelen van de vergelijking voorstelt. A.7. De personen die respectievelijk worden beoogd in de artikelen 3bis, § 3, - het enige dat aan het Hof is voorgelegd - en 1bis, zouden niet het voorwerp kunnen uitmaken van een pertinente vergelijking, gelet op het reeds opgemerkte verschil (A.4) op het vlak van de draagwijdte van de sancties die zij kunnen oplopen. A.8. In het beschikkende gedeelte wordt in de memorie besloten dat de prejudiciële vraag in hoofdorde geen antwoord behoeft of in ondergeschikte orde ontkennend dient te worden beantwoord. -B- B.1. Uit de prejudiciële vraag en de motieven van het verwijzingsvonnis blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het volgende verschil in behandeling : de personen die worden beoogd in artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen », die op grond van paragraaf 1 van hetzelfde artikel met de gefailleerde worden gelijkgesteld, genieten geen enkele maatregel tot verzachting van het beroepsverbod waartoe de rechtbank van koophandel heeft beslist, terwijl dat wel het geval is voor de personen die worden beoogd in de artikelen 1 en 1bis van hetzelfde besluit, ten aanzien van wie de strafrechter een verbod heeft uitgesproken. B.2. De Ministerraad betwist de vergelijkbaarheid van die categorieën van personen. B.3. De artikelen 1, 1bis en 3bis, §§ 1 tot 4, van het koninklijk besluit nr. 22 bepalen : « Art. 1. Onverminderd bijzondere verbodsbepalingen kan de rechter die, hetzij in België, hetzij in de gebieden die onder Belgisch gezag of bestuur hebben gestaan, een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader van of medeplichtige aan een van de volgende strafbare feiten of poging daartoe :
  4. a)valse munt;
  5. b)namaking of vervalsing van openbare effecten, aandelen, obligaties, rentebewijzen en bankbiljetten uitgegeven door de Schatkist, of bankbiljetten waarvan de uitgifte toegestaan is door of krachtens een wet;
  6. c)namaking of vervalsing van zegels, stempels, keurstempels en -merken; 6
  7. d)valsheid en gebruik van valsheid in geschriften;
  8. e)omkoping van openbare ambtenaren of knevelarij;
  9. f)diefstal, afpersing, verduistering of misbruik van vertrouwen, oplichting, heling of andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voortkomen[,] private omkoping
  10. g)een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek, fictief in omloop brengen van handelseffecten of overtreding van de bepalingen betreffende fondsbezorging van cheques of andere titels tot een contante betaling of betaling op zicht op beschikbare gelden.
  11. h)overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 40, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  12. i)overtreding van de strafbepalingen die zijn vastgesteld in hoofdstuk XXIV van de algemene wet inzake douane en accijnzen, hoofdstuk XII van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de artikelen 133 tot 133octies van het Wetboek der successierechten, de artikelen 66 tot 67octies van het Wetboek van zegelrechten, de artikelen 207 tot 207octies van het Wetboek van met het zegel gelijkgestelde taksen, de artikelen 449 tot 453 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 2, derde lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, de artikelen 73 tot 73octies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en de artikelen 395 tot 398 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur;
  13. j)inbreuken op de artikelen 324bis en 324ter van het Strafwetboek; zijn veroordeling doen gepaard gaan met het verbod om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198, § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen. De rechter stelt de duur van dat verbod vast zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen ». « Art. 1bis. Wanneer de rechter een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader of als medeplichtige van een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek, oordeelt hij tevens of de veroordeelde al dan niet verbod wordt opgelegd om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen. De rechter stelt de duur van dat verbod vast zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen ». « Art. 3bis. § 1. Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de beheerders en zaakvoerders van een in staat van faillissement verklaarde handelsvennootschap wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of 7 zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de in staat van faillissement verklaarde vennootschap te beheren. § 2. Onverminderd de bepalingen waarbij aan een niet in eer herstelde gefailleerde, het verbod wordt opgelegd om bepaalde beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, kan de rechtbank van koophandel die het faillissement heeft uitgesproken, of de rechtbank van koophandel te Brussel, wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon enig koopmansbedrijf uit te oefenen. § 3. Daarenboven kan de rechtbank van koophandel die het faillissement van de handelsvennootschap heeft uitgesproken, of de rechtbank van koophandel te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens § 1 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, enige taak van beheerder, zaakvoerder of commissaris uit te oefenen in een handelsvennootschap of een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen, om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om zodanige vennootschap rechtsgeldig te verbinden en om het beheer van een Belgisch filiaal waar te nemen, zoals bepaald in artikel 198, tweede lid, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935. § 4. De duur van dit verbod wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt minimum drie jaar en maximum tien jaar ». B.4.1. De personen die worden beoogd in de litterae
  14. a)tot
  15. j)van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22, zijn personen die op grond van strafrechtelijke bepalingen strafbare feiten hebben gepleegd. Behalve voor de personen die strafbare feiten hebben gepleegd waarin de artikelen 489, 489bis en 489ter van het Strafwetboek voorzien, die worden beoogd in littera
  16. g)- personen die eveneens worden beoogd in artikel 1bis -, is de staat van faillissement niet een van de bestanddelen van die strafbare feiten. Het betreft dus personen die zich bevinden in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de persoon die wordt beoogd in artikel 3bis, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit. Die op grond van paragraaf 1 van hetzelfde artikel met de gefailleerde gelijkgestelde persoon - beheerder, zaakvoerder of persoon die werkelijk de bevoegdheid heeft gehad de failliet verklaarde vennootschap te beheren - heeft een kennelijke grove fout begaan - niet noodzakelijk van strafrechtelijke aard - die tot het faillissement heeft bijgedragen. B.4.2. De draagwijdte van de verbodsmaatregelen waarin de artikelen 1, 1bis en 3bis, § 3, voorzien, is overigens verschillend. Hoewel de in de artikelen 1 en 3bis, § 3, beoogde persoon in 8 beide gevallen het verbod kan worden opgelegd de in die bepalingen opgesomde functies uit te oefenen, zijn de betrokken handelsvennootschappen verschillend en wordt het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar alleen beoogd in artikel 1. De in artikel 1bis beoogde persoon kan daarentegen het verbod worden opgelegd om « persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen ». B.4.3. Gelet op die verschillen met betrekking tot de aard van de gepleegde fouten, tot de personen die ze hebben gepleegd en tot de draagwijdte van het verbod dat hun kan worden opgelegd, kunnen de in artikel 3bis, § 3, beoogde personen niet op pertinente wijze worden vergeleken met alle in de artikelen 1 en 1bis beoogde personen. B.5.1. De in artikel 1, littera g), beoogde personen kunnen daarentegen worden vergeleken met de personen die in artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 worden beoogd. Artikel 1, littera g), is immers van toepassing op met name een persoon die, zelfs voorwaardelijk, is veroordeeld als dader of als medeplichtige van een van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis en 489ter. De eerste drie bepalingen bestraffen onder meer « de bestuurders, in rechte of in feite, van handelsvennootschappen » die met name de in die artikelen omschreven beheersfouten hebben begaan. Artikel 3bis, § 3, is, zoals reeds is opgemerkt, van toepassing op de beheerders, zaakvoerders of personen die werkelijk de bevoegdheid hebben gehad de failliet verklaarde vennootschap beheren, waarbij vaststaat dat zij « een kennelijke grove fout » hebben begaan die « heeft bijgedragen tot het faillissement ». B.5.2. Die twee categorieën van personen zijn met elkaar vergelijkbaar, vermits zij, de enen en de anderen, de bestuurders in rechte of in feite van een gefailleerde vennootschap zijn die tijdens de exploitatie van die vennootschap fouten hebben begaan en om die reden het voorwerp kunnen uitmaken van een verbodsmaatregel met betrekking tot de uitoefening van diverse functies die in de artikelen 1 en 3bis, § 3, van het besluit nr. 22 worden opgesomd. B.6. De in artikel 1, littera g), beoogde personen genieten een gunstigere behandeling dan diegenen die in artikel 3bis, § 3, worden beoogd. 9 Het door de strafrechter uitgesproken verbod is immers een aanvullende straf (Cass., 17 mei 2005, P.04.1571.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2) die met name het voorwerp kan uitmaken van een maatregel tot uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf. Daarnaast stelt het Hof vast dat de duur van het door de strafrechter uitgesproken verbod minder dan drie jaar zou kunnen bedragen indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, kunnen de in artikel 3bis, § 3, beoogde personen daarentegen geen enkele maatregel genieten die het verbod verzacht. B.7. Een dergelijk verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord : het leidt ertoe dat bestuurders in rechte of in feite van gefailleerde vennootschappen wier beheersfouten als de meest ernstige worden beschouwd vermits zij strafbare feiten vormen, gunstiger worden behandeld dan dezelfde bestuurders die geen strafrechtelijke fout hebben begaan. B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 3bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de met de gefailleerde gelijkgestelde personen die in die wetsbepaling worden beoogd, geen enkele maatregel tot verzachting van het verbod kunnen genieten. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 22 november 2007. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.144 Gerelateerde publicatie(
  17. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.