id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.145 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071122.4 Arrest- Rolnummer: 145/2007 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-11-22 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-06-29 13:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Tegemoetkoming PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Tegemoetkomingen aan personen met een handicap - Verblijf in een instelling op kosten van de overheid, een openbare dienst of een sociale-zekerheidsinstelling -
- Integratietegemoetkoming - Gedeeltelijke opschorting -
- Tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden - Afwezigheid van gedeeltelijke opschorting. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-02-1987 - 12,§1 - 31 ELI link Pub nr 1987022077 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4145 Arrest nr. 145/2007 van 22 november 2007 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 9 februari 2007 in zake Marc Van Gestel en Hilde Jutten tegen de FOD Sociale Zekerheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2007, heeft de Arbeidsrechtbank te Hasselt de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door de uitbetaling van de integratietegemoetkoming voor één derde op te schorten bij opname van de persoon met een handicap in een instelling, geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een sociale zekerheidsinstelling, terwijl de uitbetaling van de integratietegemoetkoming niet voor één derde wordt opgeschort bij de personen met een handicap die niet in een dergelijke instelling verblijven en die zelf hun opvang organiseren met een persoonlijk assistentiebudget ? »;
- « Schendt artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door bij opname van de persoon met een handicap in een instelling, geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een sociale zekerheidsinstelling, de uitbetaling van de integratietegemoetkoming voor één derde op te schorten terwijl de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden niet wordt opgeschort bij opname van de persoon met een handicap in een instelling, geheel op gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een sociale zekerheidsinstelling ? ». Memories zijn ingediend door : - Marc Van Gestel en Hilde Jutten, wonende te 3900 Overpelt, Kloosterstraat 60; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. De Vlaamse Regering heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. P. Roosens, advocaat bij de balie te Leuven, voor Marc Van Gestel en Hilde Jutten; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. K. Ronse, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. L. Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat Ann Van Gestel als gevolg van een ernstige mentale handicap beschikt over een verminderde zelfredzaamheid. Op grond hiervan hebben haar ouders een aanvraag ingediend voor een inkomensvervangende en een integratietegemoetkoming. Het Bestuur van de Maatschappelijke Integratie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid kende een inkomensvervangende tegemoetkoming ten bedrage van 7 147,44 euro per jaar toe en een integratietegemoetkoming in categorie 3 ten bedrage van 3 420,65 euro per jaar. Met toepassing van artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wordt de betaling van de integratietegemoetkoming voor één derde opgeschort omdat Ann Van Gestel dag en nacht gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden « in een instelling verblijft, geheel of gedeeltelijk ten laste van de overheid, een openbare dienst of een sociale zekerheidsinstelling ». Het is die beslissing van het Bestuur van de Maatschappelijke Integratie die door de ouders van Ann Van Gestel wordt aangevochten voor de Arbeidsrechtbank te Hasselt, mede doordat die beslissing het gelijkheidsbeginsel zou schenden, in zoverre de betaling van de integratietegemoetkoming voor één derde wordt opgeschort. Volgens de eisende partijen in het bodemgeschil is artikel 12 van de wet van 27 februari 1987 discriminatoir in een dubbel opzicht. Daarop stelt de Arbeidsrechtbank de bovenvermelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.
- De eisende partijen voor de verwijzende rechter voeren, wat de eerste prejudiciële vraag betreft, aan dat de doelgroep van het persoonlijke assistentiebudget uit personen met een handicap bestaat die ook in aanmerking komen voor een opname in een instelling die geheel of gedeeltelijk wordt gefinancierd door de overheid. Meer nog, de overheid biedt het persoonlijke assistentiebudget aan als een volwaardig alternatief voor een verblijf in een instelling, in die zin dat mensen die een instelling wensten te verlaten voorrang kregen bij de toewijzing van een persoonlijk assistentiebudget. Nochtans ziet een persoon met een handicap die in een instelling verblijft zijn integratietegemoetkoming met een derde dalen, terwijl dit niet zo is voor de houder van een persoonlijk assistentiebudget. Bovendien hebben recente evoluties ertoe geleid dat in de praktijk nog nauwelijks een verschil bestaat tussen de personen met een handicap die in een instelling verblijven, en diegenen die zelf hun opvang organiseren met een persoonlijk assistentiebudget. De eisende partijen voor de verwijzende rechter menen dat in zoverre het doel van de gedeeltelijke opschorting van de integratietegemoetkoming bij een opname in een instelling louter budgettair is, het criterium van onderscheid weliswaar objectief is, maar niet adequaat om het beoogde doel te bereiken. Er bestaat derhalve geen rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling. 4 A.1.
- Aangaande de tweede prejudiciële vraag werpen de eisende partijen voor de verwijzende rechter op dat zowel de integratietegemoetkoming als de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden eenzelfde finaliteit hebben, namelijk hulp bieden aan personen met een beperkte zelfredzaamheid. De manier waarop de zelfredzaamheid wordt gemeten en waarop het bedrag van de beide tegemoetkomingen wordt bepaald, is vrijwel identiek. Beide tegemoetkomingen zijn een aanvulling op een eventueel ander inkomen. Het verschil tussen beide tegemoetkomingen is dat iemand die vóór zijn 65e wordt geconfronteerd met een handicap een integratietegemoetkoming moet aanvragen, terwijl iemand die vanaf zijn 65e gehandicapt wordt enkel nog een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden kan ontvangen. Nochtans worden de ontvangers van de tegemoetkomingen zeer verschillend behandeld wanneer zij worden opgenomen in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling, omdat de ontvanger van een integratietegemoetkoming zijn tegemoetkoming zal zien verminderen met één derde, terwijl de ontvanger van een tegemoetkoming aan bejaarden zijn volledige tegemoetkoming mag behouden. Theoretisch gezien kan men dus in eenzelfde rusthuis twee types van bewoners met een handicap aantreffen : enerzijds, de ontvangers van een integratietegemoetkoming, die een derde van hun tegemoetkoming moeten opgeven, en, anderzijds, de ontvangers van een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, die hun volledige tegemoetkoming mogen behouden. Evenwel zijn de hoge kosten van een verblijf in een rusthuis voor beide categorieën gelijk. In zoverre het doel van de gedeeltelijke opschorting van de integratietegemoetkoming bij een opname in een instelling louter budgettair is, kunnen vragen worden gesteld bij de objectiviteit van het criterium dat uiteindelijk neerkomt op het criterium « leeftijd », en de evenredigheid tussen het middel en het beoogde doel. In die optiek is, volgens de eisende partijen voor de verwijzende rechter, het verschil in behandeling niet te rechtvaardigen. A.2.
- Allereerst meent de Vlaamse Regering dat voor de prejudiciële vragen dient te worden rekening gehouden met de rechtspraak van het Hof van Cassatie aangaande artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari
- Die rechtspraak (Cass., 16 maart 1992, Soc. Kron. 1992, p. 301) komt erop neer dat artikel 12, § 1, van de voormelde wet als enige voorwaarde stelt dat de kosten van het verblijf in een instelling geheel of gedeeltelijk worden gedragen door de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling, en dat de voormelde wetsbepaling ook toepassing vindt wanneer die instelling niet verplicht is om op eigen kosten bijzondere integratiebevorderende diensten te verlenen of wanneer de gehandicapte voor zijn integratie op eigen kosten een beroep moet doen op bijzondere voorzieningen buiten de instelling om en met behulp van derden. Met andere woorden : de in het geding zijnde bepaling moet worden toegepast indien aan haar formele werkingsvoorwaarden is voldaan, ook al biedt de betrokken instelling geen vervangende integratie- of zelfredzaamheidsbevorderende diensten, en ook al moet de betrokken gehandicapte daarvoor eigen kosten maken. A.2.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat het door de wetgever beoogde doel, te weten het beperken van de cumulering van een materiële integratiebevorderende tegemoetkoming in de vorm van een door de overheid bekostigde opname in een instelling en een financiële integratiebevorderende tegemoetkoming, door de in het geding zijnde bepaling niet wordt bereikt. Immers, de persoon met een handicap wiens uitkering voor één derde wordt geschorst, verliest weliswaar een deel van zijn financiële tegemoetkoming van overheidswege, maar krijgt zeker niet altijd de materiële steun daarvoor in de plaats. Derhalve is het door de wetgever in aanmerking genomen criterium - de bekostiging van de instelling door de overheid - niet pertinent om het gestelde doel te bereiken. De keuze van de wetgever voor het desbetreffende criterium is des te meer verwonderlijk, nu uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever zich van de diversiteit van de instellingen bewust was en hij bovendien zelf erop gewezen heeft dat de opname in een instelling niet in alle gevallen gepaard zal gaan met integratiebevorderende maatregelen. Die stelling wordt ook gevolgd door de rechtsleer. Volgens de Vlaamse Regering is de in het geding zijnde bepaling ook strijdig met de ratio van de aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid. De bevoegdheid van de federale overheid (artikel 5, § 1, II, 4°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen) is ingegeven door de wens alle personen met een handicap in heel België gelijk te behandelen, ongeacht de gemeenschap en de instellingen waarin zij verblijven, en impliceert dat de federale overheid alle personen met een handicap gelijk moet behandelen, ongeacht of zij in een (gemeenschaps)instelling zijn opgenomen. Nu wordt die gelijkheid doorbroken naar gelang van de gemeenschap in wier instelling de betrokkene is opgenomen en de mate waarin die instelling het wegvallen van de federale tegemoetkoming compenseert. 5 De gedeeltelijke schorsing van de integratietegemoetkoming impliceert dan ook het afwentelen van een stuk van de financiële last van de integratie op de gemeenschappen, waardoor artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 op gespannen voet staat met het beginsel van de federale loyauteit. A.2.
- Volgens de Vlaamse Regering dient de tweede prejudiciële vraag tevens positief te worden beantwoord nu geen objectieve en redelijke verantwoording kan worden gevonden om, enerzijds, de betaalbaarheid van de nodige verzorging voor de hulpbehoevende bejaarde wel te waarborgen (bedoeling van de wetgever bij de wijziging van artikel 12, § 1, door de programmawet (I) van 24 december 2002) en, anderzijds, diezelfde betaalbaarheid van de nodige verzorging voor de hulpbehoevende persoon met een handicap volstrekt te negeren. Opnieuw wordt de stelling van de Vlaamse Regering bevestigd door de rechtsleer. A.3.
- De Ministerraad is van oordeel dat niet uit het oog mag worden verloren dat de tegemoetkomingen aan gehandicapten een bijzonder stelsel van maatschappelijke hulp vormen. Dat stelsel wordt volledig gefinancierd door de algemene inkomsten van de Staat. De toekenning ervan vereist een voorafgaand onderzoek, zowel naar de inkomens- als naar de gezondheidstoestand van de betrokkene. Het was, bij de aanneming van de wet van 27 februari 1987, de bedoeling van de wetgever om het bestaande stelsel eenvoudiger, rechtvaardiger en efficiënter te maken, en prioritair, de bestaanszekerheid van de minstbedeelden te waarborgen. Uit de principes en uit de parlementaire voorbereiding volgt, volgens de Ministerraad, dat de wetgever redelijkerwijze vermocht te oordelen dat hij om budgettaire redenen de voorwaarden kon bepalen onder welke hij bepaalde initiatieven met overheidsmiddelen wil financieren. De maatregel om bij het ondersteuningsbeleid van gehandicapten bepaalde opties te nemen, berust op een objectief criterium en is pertinent ten opzichte van het door de wetgever nagestreefde doel en efficiënte aanwending van overheidsmiddelen. Die bepaling is niet als onevenredig te beschouwen; het gelijkheidsbeginsel zou pas geschonden zijn wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. A.3.
- De Ministerraad meent dat wanneer de wetgever een maatregel neemt die een bestaand verschil in behandeling vermindert, hij vermag de eruit voortvloeiende budgettaire weerslag te beperken. De wetgever mag en moet rekening houden met de beperktheid van de omvang van de budgettaire middelen die de vaststelling van ruimere toekenningsvoorwaarden in de weg stond. A.4.
- In haar memorie van antwoord herhaalt de Vlaamse Regering dat, hoewel het de overheid vrij moet staan bij haar beleid rekening te houden met budgettaire middelen en doelstellingen, het nastreven van een budgettair oogmerk op zich genomen geen reden kan zijn om de Grondwet in het algemeen en het gelijkheidsbeginsel in het bijzonder te veronachtzamen. De Vlaamse Regering meent dat bij een opname in een door de overheid gesubsidieerde instelling een automatische gedeeltelijke opschorting van de integratietegemoetkoming, die is gericht op gehandicapten die vanwege hun gebrek aan zelfredzaamheid bijkomende kosten hebben om zich te integreren, enkel dan objectief en redelijk kan worden verantwoord indien in alle door de overheid gesubsidieerde instellingen het gedeeltelijke verlies van de integratietegemoetkoming zou worden gecompenseerd door integratiebevorderende maatregelen. Dat is echter geenszins het geval. A.4.
- De verwijzing in de eerste prejudiciële vraag naar het persoonlijke assistentiebudget is, volgens de Vlaamse Regering, niet van die aard dat zij de prejudiciële vraag haar pertinentie kan ontnemen. Het spreekt voor zich dat het discriminatoire karakter van de ongelijke behandeling voortvloeit uit de toepassing van artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 alleen, namelijk in zoverre zij leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen twee categorieën van personen. 6 -B- B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, door de uitbetaling van de integratietegemoetkoming voor één derde op te schorten bij opname van de persoon met een handicap in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling, wat niet het geval is voor de tegemoetkoming aan personen met een handicap die niet in een dergelijke instelling verblijven en die zelf hun opvang organiseren met een persoonlijk assistentiebudget (eerste prejudiciële vraag) en terwijl de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden niet wordt opgeschort bij opname van de persoon met een handicap in een soortgelijke instelling (tweede prejudiciële vraag). De in het geding zijnde bepaling B.2.
- Artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 bepaalt : « Bij opname van de persoon met een handicap in een instelling, geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een sociale-zekerheidsinstelling, wordt de uitbetaling onder de voorwaarden die de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit bepaalt, voor 28 procent opgeschort voor de integratietegemoetkoming ». B.2.
- De voorwaarden die de Koning krachtens die bepaling bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt, zijn vastgelegd in artikel 28, eerste lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming. Dat artikel bepaalt : « Voor de toepassing van artikel 12, § 1, van de wet [van 27 februari 1987] moet tegelijk voldaan zijn aan volgende voorwaarden :
- de gehandicapte moet zowel overdag als ’s nachts in een instelling verblijven;
- de gehandicapte is niet geplaatst in een gezin;
- de duur van de opname bedraagt minstens drie opeenvolgende maanden. Een verblijf van minder dan 15 opeenvolgende dagen buiten de instelling onderbreekt de periode van drie opeenvolgende maanden niet ». 7 B.2.
- De vervanging van de zinsnede « voor een derde » door « voor 28 procent » is het resultaat van een wetswijziging, ingevoerd door artikel 38 van de programmawet (I) van 27 april 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007). Het staat aan de verwijzende rechter te beoordelen welke versie van de in het geding zijnde bepaling van toepassing is op het bodemgeschil. B.
- Artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap dient zo te worden geïnterpreteerd dat voor de gedeeltelijke opschorting van de integratietegemoetkoming geen andere voorwaarden gelden dan dat de persoon met een handicap in een instelling verblijft onder de voorwaarden bepaald bij artikel 28 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987, en dat de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling de kosten van het verblijf geheel of gedeeltelijk draagt (Cass., 16 maart 1992, Arr. Cass., 1991-1992, p. 685). B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om de integratietegemoetkoming, die gericht is « op de gehandicapten die omwille van hun gebrek aan zelfredzaamheid bijkomende kosten hebben om zich te integreren of hiertoe op bijzondere voorzieningen beroep moeten doen » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448/1, p. 1), voor een derde op te schorten, omdat « in de meeste van deze instellingen » (ziekenhuizen, bejaardentehuizen, internaten, dagverblijven, pleeggezinnen, enz.) « er een dienstverlening [is] die het gebrek aan zelfredzaamheid van de gehandicapten compenseert en die de integratie bevordert » (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448/1, p. 7). In het verslag namens de commissie voor de Tewerkstelling en het Sociaal Beleid werd door de staatssecretaris voor Volksgezondheid en Gehandicaptenbeleid erop gewezen dat : « de gehandicapten die in een instelling verblijven niettegenstaande deze inhoudingen toch over een som van 4000 tot 8000 frank per maand kunnen beschikken, die als zakgeld mag worden beschouwd. Dit geeft reeds uitgebreide keuzemogelijkheden en biedt zelfs de mogelijkheid enig geld opzij te leggen met het oog op een latere beslissing zelfstandig te gaan wonen. Ook meent de Staatssecretaris dat deze maatregel niet ingaat tegen het principe van het individueel recht op tegemoetkoming. […] 8 De Staatssecretaris verduidelijkt nog […] dat 1/3 van de integratietegemoetkoming ongeveer overeenkomt met de gemiddelde tegemoetkoming voor hulp van derde, die momenteel evenmin wordt uitbetaald bij verblijf in een instelling » (Parl. St., Kamer, 1985- 1986, nr. 448/4, p. 25). B.5.
- Oorspronkelijk was er, in de wet van 27 februari 1987, niets bepaald betreffende een opschorting van de tegemoetkoming van de hulp aan bejaarden, omdat een dergelijke tegemoetkoming nog niet bestond. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden in de wet van 27 februari 1987 is pas ingevoerd door de programmawet (I) van 22 december 1989 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1989), zodat ook pas op dat moment het nodig is gebleken een wettelijke regeling te treffen voor de mogelijke opschorting van die tegemoetkoming. Het was de bedoeling van de wetgever, met de invoering van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, om de hervorming te voltooien die de regeling voor de tegemoetkomingen aan gehandicapten sinds 1987 had meegemaakt, en hij betrok daarin de personen die na de leeftijd van 65 jaar gehandicapt zijn geworden. De opschorting van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden werd door de wetgever als volgt verantwoord : « Dit artikel [133] bepaalt dat de betaling van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geschorst wordt voor twee derden in geval van opname in een inrichting ten laste van de overheid, openbare dienst of van een sociale zekerheidsinstelling. In de thans geldende wetgeving is het zo dat de tegemoetkoming voor hulp van derde niet wordt uitbetaald bij verblijf in een verplegingsinstelling of een rusthuis voor bejaarden. Bovendien werd de tegemoetkoming voor hulp van derde nooit uitbetaald in geval van verblijf in een bejaardentehuis of in een verplegingsinstelling, ongeacht of de gehandicapte ten laste viel van de overheid of van een sociale zekerheidsinstelling. Voortaan wordt de uitbetaling enkel geschorst als de gehandicapte in zulke instelling is opgenomen » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 975/1, pp. 50-51). B.5.
- Evenwel werd door artikel 128 van de programmawet (I) van 24 december 2002 (Belgisch Staatsblad van 31 december 2002) een wijziging in artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 doorgevoerd, waardoor thans opschorting ten belope van twee derde van een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden niet meer bestaat. 9 De door de wetgever daarvoor aangevoerde verantwoording is summier : « In het eerste lid van artikel 12 wordt de vermindering met 2/3 van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden in geval van een volledige of gedeeltelijke opname in een instelling ten laste van de overheid, geschrapt. Deze maatregel werd in mei door de Ministerraad goedgekeurd » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, p. 95). Wat de eerste prejudiciële vraag betreft B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet verblijven in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling. Wanneer een persoon met een handicap niet in een dergelijke instelling verblijft, wordt zijn integratietegemoetkoming niet opgeschort, terwijl een persoon met een handicap die wel in een dergelijke instelling verblijft zijn integratietegemoetkoming wel gedeeltelijk opgeschort ziet, ongeacht de omstandigheid of die tevens over een persoonlijk assistentiebudget beschikt. B.7.
- Rekening houdend met de doelstelling van de integratietegemoetkoming, zou het kunnen worden verantwoord dat die integratietegemoetkoming gedeeltelijk wordt opgeschort bij opname in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling, wanneer er in die instelling een dienstverlening is die het gebrek aan zelfredzaamheid van de gehandicapten compenseert en die de integratie bevordert. Overigens is uitdrukkelijk bepaald dat een persoonlijk assistentiebudget slechts te combineren is met een verblijf in een dagcentrum of een semi-internaat voor niet- schoolgaanden. B.7.
- De wetgever heeft ook in redelijkheid kunnen oordelen dat, gelet op de budgettaire beperkingen waarmee hij werd geconfronteerd, het aangewezen was veeleer de integratietegemoetkomingen te beperken voor de personen die in vermelde instellingen verblijven, dan die tegemoetkomingen - weliswaar in voorkomend geval in mindere mate - zonder onderscheid in te korten ten aanzien van alle gerechtigden. 10 In dit verband dient erop te worden gewezen dat blijkens artikel 5 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming met zes factoren rekening dient te worden gehouden om het gebrek aan zelfredzaamheid, en bijgevolg de hoogte van de integratietegemoetkoming, te bepalen. Er kan inderdaad worden aangenomen dat voormelde instellingen, ook al beschikken zij niet over een bijzondere dienstverlening die het gebrek aan zelfredzaamheid compenseert en de integratie bevordert, in ieder geval instaan voor een vorm van opvang die tegemoetkomt aan minstens drie van die factoren : het bereiden van voedsel en het voeden van de persoon met een handicap, het wassen en kleden van de persoon met een handicap en het onderhoud van zijn leefruimte alsmede het verrichten van huishoudelijk werk. B.7.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft B.8.
- Het criterium van onderscheid kan worden teruggebracht tot een leeftijdscriterium, namelijk de vaststelling of een persoon met een handicap zijn aanvraag tot tegemoetkoming, in navolging van de wet van 27 februari 1987, heeft ingediend vóór of na de leeftijd van 65 jaar. Derhalve zal een persoon met een handicap die zijn aanvraag heeft ingediend vóór de leeftijd van 65 jaar, een integratietegemoetkoming ontvangen, die evenwel bij een opname in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling, gedeeltelijk wordt opgeschort, terwijl een persoon met een handicap die zijn aanvraag heeft ingediend na de leeftijd van 65 jaar, een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden ontvangt, die bij een opname in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling, niet zal worden opgeschort. 11 B.8.
- Het kan worden verantwoord dat de gedeeltelijke opschorting van een tegemoetkoming enkel wordt toegepast op een persoon met een handicap die in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een socialezekerheidsinstelling verblijft, wanneer die persoon beschikt over een integratietegemoetkoming en niet over een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Ingevolge artikel 5 van de wet van 27 februari 1987 blijft het recht op een integratietegemoetkoming bestaan na de leeftijd van 65 jaar. B.8.
- Daardoor is het weliswaar denkbaar dat in eenzelfde bejaardentehuis personen met een handicap verblijven van wie sommigen hun integratietegemoetkoming gedeeltelijk opgeschort zien, en anderen hun integrale tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden ontvangen, terwijl beide tegemoetkomingen worden toegekend aan personen met een handicap bij wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld. Evenwel dient te worden vastgesteld dat, ingevolge artikel 6, §§ 2 en 3, van de wet van 27 februari 1987, de bedragen van de integratietegemoetkoming merkelijk hoger liggen dan de bedragen voor de hulp aan bejaarden. Mede rekening houdend met het gestelde in B.7.2 is het bijgevolg niet onredelijk dat enkel de integratietegemoetkoming gedeeltelijk wordt opgeschort bij verblijf in een dergelijke instelling. B.8.
- De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 22 november 2007, door voorzitter M. Bossuyt ter vervanging van emeritus voorzitter A. Arts, wettig verhinderd. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div