id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.146 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071128.1 Arrest- Rolnummer: 146/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 196 - laatst gezien 2026-06-29 13:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - POLITIE - Geïntegreerde politiediensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - TAAL IN BESTUURSZAKEN - Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 73 en 74 (« Wijziging aan de samengeordende wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken ») van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie » en Sarah Rampelberg, door Joris Claessens en door de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel ». Bestuursrecht - Gebruik van de talen in bestuurszaken - Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad - Geïntegreerde politiediensten - Benoemingsvoorwaarden - Kennis van de tweede taal - Vrijstelling - Overgangsregeling - Verlenging. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-2006 - 73 - 39 ELI link Pub nr 2006202314 Wet - 20-07-2006 - 74 - 39 ELI link Pub nr 2006202314 Tekst van de beslissing Rolnummers 4061, 4105 en 4115 Arrest nr. 146/2007 van 28 november 2007 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 73 en 74 (« Wijziging aan de samengeordende wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken ») van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie » en Sarah Rampelberg, door Joris Claessens en door de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 oktober 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 oktober 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 73 en 74 (« Wijziging aan de samengeordende wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken ») van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juli 2006, tweede editie) door de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie », met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Liefdadigheidsstraat 39, en Sarah Rampelberg, wonende te 1090 Brussel, de Smet de Naeyerlaan
- De vordering tot schorsing van dezelfde bepalingen, ingesteld door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 17/2007 van 17 januari 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 maart
- b. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 22 en 28 december 2006 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 26 en 29 december 2006, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van dezelfde bepalingen door Joris Claessens, wonende te 1080 Brussel, Mirtenlaan 17, en door de vzw « Vlaams Komitee voor Brussel », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat
- Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4061, 4105 en 4115 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Vlaamse Regering en de Ministerraad hebben memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering en de Ministerraad hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. K. Vanlouwe, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4061; . Mr. P. De Roo, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4105; . Mr. J. Huygh, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4115; . Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; . Mr. J. Fransen loco Mr. M. Stommels, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Verzoekschrift in de zaak nr. 4061 A.
- Allereerst tonen de verzoekende partijen hun belang aan. De eerste verzoekende partij, de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie » (hierna : « N-VA ») beroept zich op artikel 3 van haar statuten om haar belang aan te tonen. Het doel van de N-VA is « de verdediging en bevordering van politieke, culturele, sociale en economische belangen der Vlamingen ». Het verzoekschrift tot schorsing en vernietiging van de bepalingen die alle personeelsleden van de federale en de lokale politie vrijstelt van het bewijs van de kennis van de Nederlandse taal past binnen het statutaire doel van de N-VA. De bestreden bepalingen werken direct, specifiek en negatief in op de belangen van de Vlamingen, omdat zij een rechtstreekse invloed hebben op de dienstverlening in en door politiediensten van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en van de taalgrensgemeenten. De tweetaligheid van de betrokken politieagenten wordt er rechtstreeks door beïnvloed. Daarnaast stelt de N-VA zich niet in de plaats van één van haar leden, want door het beroep wordt beoogd de collectieve belangen van de leden en van de Vlamingen als sociale groep te behartigen. Tot slot blijkt uit de jarenlange werking van de N-VA duidelijk haar stabiele en representatieve karakter. De tweede verzoekende partij beroept zich op haar hoedanigheid van Nederlandstalige inwoonster van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad om haar belang aan te tonen. Als Nederlandstalige inwoonster van Brussel zal zij een beroep moeten doen op politieagenten die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Zij heeft nog steeds niet de garantie een beroep te kunnen doen op politieagenten die het Nederlands beheersen. Hierdoor zal zij, minstens tot 31 december 2007, de zekerheid ontberen om in haar omgang met de operationele politiediensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad het Nederlands te kunnen gebruiken. Wat het laatste lid van het gewijzigde artikel 69 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken betreft, meent zij dat daaraan in de praktijk slechts kan worden voldaan door van de betrokken agenten een kennis van elk van de betrokken talen te vereisen. Politieagenten moeten voor de burgers immers rechtstreeks en individueel aanspreekbaar zijn. A.2.
- Als eerste middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook van de waarborgen die de Nederlandstaligen genieten in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten, zoals bedoeld in de artikelen 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Ingevolge de artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen kunnen personeelsleden van de federale en lokale politie die een ambt bekleden in een dienst waar een zekere kennis van een andere taal is vereist door de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken (hierna : Taalwet Bestuurszaken) hun betrekking tot 31 december 2007 behouden, zelfs als ze de vereiste taalkennis niet kunnen aantonen. Die vrijstelling voert, volgens de verzoekende partijen, een ongelijkheid in tussen personen die op grond van de artikelen 15, § 2, en 21, § 5, van de Taalwet Bestuurszaken pas kunnen worden benoemd of bevorderd in een ambt of een betrekking waarvan de titularis omgang heeft met het publiek, wanneer de betrokkene vooraf laat blijken, via een examen, over de vereiste kennis van de andere landstaal te beschikken. 4 Door de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de nieuwe rechtspositieregeling van de personeelsleden van de politiediensten, ingevoerd bij de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, werden alle personeelsleden van de lokale politie aan eenzelfde taalstatuut onderworpen. Om overgangsredenen voerde de wet van 12 juni 2002, met ingang van 1 april 2001, het voormalige artikel 69 van de Taalwet Bestuurszaken in, zodat de personeelsleden van de federale politie en de in artikel 235 van de wet van 7 december 1998 opgesomde personeelsleden die een ambt bekleden in een dienst van de geïntegreerde politiediensten waar een zekere kennis van de andere taal is vereist, hun betrekking gedurende ten hoogste vijf jaar konden behouden zelfs als ze niet in staat waren die taalkennis aan te tonen. De verzoekende partijen wijzen erop dat naar aanleiding van een beroep tot vernietiging van het voormalige artikel 69, tweede en derde lid, van de Taalwet Bestuurszaken, het Hof oordeelde dat de overgangsmaatregel niet disproportioneel was, maar dat die maatregel wel disproportioneel zou zijn indien hij niet zou komen te vervallen op 1 april 2006 (overweging B.6.3.2, arrest nr. 42/2004). Ondanks dat arrest en de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij de bestreden bepalingen, heeft de wetgever, met het nieuwe artikel 69, de overgangsmaatregel verlengd tot 31 december
- In de parlementaire voorbereiding wordt voor die verlenging en de miskenning van het arrest nr. 42/2004, volgens de verzoekende partijen, geen enkele verantwoording gegeven. Er wordt slechts verwezen naar de voorrang die de jongste vijf jaar aan de aanwerving van het Brusselse politiepersoneel werd gegeven. Een dergelijke verantwoording kan, volgens de verzoekende partijen, niet worden aanvaard. De overgangsmaatregel van het « oude » artikel 69 van de Taalwet Bestuurszaken had uitsluitend betrekking op de personeelsleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan reeds een ambt bekleedden bij de politie. Door de thans bestreden bepalingen wordt die overgangsmaatregel echter uitgebreid tot alle personeelsleden die sinds 2002 in strijd met de Taalwet Bestuurszaken zijn aangeworven. De minister van Binnenlandse Zaken erkent die verruiming, maar geeft er geen enkele verantwoording voor. Door het gebrek aan verantwoording, alsook het ontbreken van een proportionele verhouding tussen de aard van de maatregel en de verantwoording die ervoor wordt gegeven, zijn de bestreden bepalingen, volgens de verzoekende partijen, strijdig met het gelijkheidsbeginsel en tasten ze de waarborgen aan voor de Nederlandstaligen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten. A.2.
- Als tweede middel doen de verzoekende partijen opmerken dat de bestreden bepalingen artikel 129, § 2, eerste streepje, van de Grondwet schenden. Doordat artikel 73 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt dat de diensten zouden moeten worden georganiseerd zodat overeenkomstig de Taalwet Bestuurszaken voor de omgang met het publiek het Nederlands, het Frans of het Duits kan worden gebruikt en doordat de bestreden bepalingen aldus het taalgebruik in bestuurszaken regelen in de taalgrensgemeenten zonder dat daarvoor de wetgevende procedure van de bijzonderemeerderheidswet werd gevolgd, kunnen de bestreden bepalingen niet worden geacht uitwerking te hebben in de taalgrensgemeenten. Verzoekschrift in de zaak nr. 4105 A.
- Allereerst toont de verzoekende partij haar belang aan, dat tweeledig is. Enerzijds, heeft zij de ambitie om toe te treden tot het politiekorps in het tweetalige landsgedeelte. Als aspirant-politieagent ondervindt zij een rechtstreeks en persoonlijk nadeel van de bestreden norm. In haar toekomstige hoedanigheid zal de verzoekende partij in haar betrekkingen met het publiek blijk moeten geven van een gedegen kennis van de beide landstalen. Van personeelsleden en politiemensen, zoals omschreven in de bestreden norm, wordt een dergelijke taalkennis niet vereist. Aan de verzoekende partij wordt dan ook een taalvereiste opgelegd waaraan andere politiemensen niet moeten voldoen. Anderzijds, als Vlaming in Brussel ondervindt de verzoeker een rechtstreeks en persoonlijk nadeel ten gevolge van de bestreden norm. Door de in de bestreden norm ingeschreven vrijstelling van taalkennis zal bij verscheidene politiediensten een bediening in zijn moedertaal niet meer gegarandeerd zijn. A.
- Als enig middel werpt de verzoekende partij een schending op van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Buiten de gewone voorwaarden van taalkennis schrijft artikel 21, § 5, van de Taalwet Bestuurszaken over het gebruik van de talen in de plaatselijke diensten van Brussel-Hoofdstad een bijkomende voorwaarde in. De mondelinge kennis is een aanvullende vereiste voor personen die in contact komen met het publiek en moet voorafgaandelijk worden aangetoond. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht oordeelde dat politieagenten een bewijs van mondelinge kennis van de tweede taal moeten overleggen. De verzoeker moet in de dagelijkse uitoefening van de functie waarvoor hij wenst te kandideren en in zijn betrekkingen met het publiek een goede kennis hebben van zowel het Nederlands als het Frans. Die kennis zal ook een belangrijke, doorslaggevende rol spelen bij zijn benoeming en eventuele bevordering. Andere personeelsleden bedoeld in de bestreden norm behouden hun betrekking zonder dat ze de kennis van de andere taal moeten aantonen. 5 Ook als burger zal het voor de verzoeker niet meer mogelijk zijn bij alle politiediensten in zijn eigen taal bediend te worden, terwijl de facto de Franstaligen overal in Brussel in hun eigen taal kunnen worden bediend. Bovendien vormt de bestreden norm slechts een loutere verlenging van een uitzonderingssituatie die in het leven is geroepen door artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet van 12 juni 2002 tot wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- Voormeld artikel 7 maakte het voorwerp uit van een arrest (nr. 42/2004) waarin het Hof had geoordeeld dat enkel mits de wet van 12 juni 2002 een uitdrukkelijk tot vijf jaar beperkte overgangsmaatregel betrof, de uitzondering op de taalwetgeving als niet- onevenredig kon worden beschouwd. Uit voormeld arrest kan uitdrukkelijk worden afgeleid dat de tijdelijke maatregel niet voor bestendiging of zelfs maar voor verlenging in aanmerking kwam. Door de bestreden maatregel wordt de overgangsregeling toch verlengd, waardoor de maatregel onevenredig wordt ten opzichte van de geschonden rechten. Een telkens vernieuwen/verlengen van een tijdelijke maatregel geeft die maatregel vanzelfsprekend een permanent karakter, waardoor de argumentatie van de Ministerraad niet meer houdbaar is en een schending van het gelijkheidsbeginsel voorhanden is. Verzoekschrift in de zaak nr. 4115 A.
- De vzw « Vlaams Komitee voor Brussel », de verzoekende partij in de zaak nr. 4115, toont haar belang aan. Een vereniging kan een verzoek tot vernietiging bij het Hof indienen, voor zover dit steunt op het reële en collectieve belang dat zij nastreeft. Het maatschappelijk doel van de vzw is « te Brussel het Vlaamsch leven te bevorderen en te vrijwaren ». De statuten en de activiteiten van de verzoekende partij hebben betrekking op het behartigen en stimuleren van het belang van een bepaalde groep van personen die een gemeenschappelijk kenmerk vertonen, namelijk van de Vlamingen. De bestreden bepalingen werken direct, specifiek en negatief in op de belangen van de Vlamingen. De onmiddellijke uitvoering van het nieuwe artikel 69 heeft een rechtstreekse invloed op de dienstverlening in en door de politiediensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten. Met het vernietigingsberoep stelt de verzoekende partij zich evenmin in de plaats van één van haar leden. Er wordt immers beoogd de collectieve belangen van de leden en van de Vlamingen als sociale groep te behartigen. Tot slot blijkt het stabiele en representatieve karakter uit haar jarenlange werking. Zij is reeds actief sinds 1933 en bundelt tal van Brusselse verenigingen en Nederlandstalige Brusselaars. De verzoekende partij wijst erop dat het Hof haar belang reeds in een soortgelijke zaak heeft erkend, te weten het arrest nr. 35/2003 van 25 maart
- Ook in tal van annulatieberoepen voor de Raad van State is haar belang reeds erkend (bijvoorbeeld de arresten nrs. 118.134, 131.811, 156.436 enz.). A.6.
- Als eerste middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook van de waarborgen die de Nederlandstaligen genieten in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten (artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen) doordat, ingevolge de artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006, de personeelsleden van de federale politie en van de lokale politie die een ambt bekleden in een dienst waar een zekere kennis van een andere taal is vereist hun betrekking kunnen behouden tot 31 december 2007, zelfs als ze de vereiste kennis niet kunnen aantonen, terwijl voor andere personeelsleden die vrijstelling van de taalkennis niet geldt. Bovendien is de in de artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006 vervatte vrijstelling niet evenredig ten aanzien van het nagestreefde doel. Die vrijstelling roept een discriminatie in het leven ten aanzien van de personen die op grond van artikel 21, § 5, van de Taalwet Bestuurszaken in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en artikel 15, § 2, van de Taalwet Bestuurszaken in de taalgrensgemeenten pas kunnen worden benoemd of bevorderd in een ambt of een betrekking waarbij de titularis omgang heeft met het publiek, wanneer de betrokkene vooraf ervan laat blijken via een examen over de vereiste kennis van de andere landstaal te beschikken. 6 De artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006 zijn strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien die artikelen de personeelsleden van de federale politie en van de lokale politie en die een ambt bekleden in een dienst waar een zekere kennis van een andere taal is vereist door de Taalwet Bestuurszaken, ervan vrijstellen die kennis aan te tonen, terwijl andere personen in vergelijkbare diensten niet eenzelfde vrijstelling kunnen genieten, waarbij die bepalingen de waarborgen voor de Nederlandstaligen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten aantasten. Door de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de nieuwe rechtspositieregeling van de personeelsleden van de politiediensten, ingevoerd bij de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, werden alle personeelsleden van de lokale politie aan eenzelfde taalstatuut onderworpen. Om overgangsredenen voerde de wet van 12 juni 2002, met ingang van 1 april 2001, het voormalige artikel 69 van de Taalwet Bestuurszaken in, zodat de personeelsleden van de federale politie en de in artikel 235 van de wet van 7 december 1998 opgesomde personeelsleden die een ambt bekleden in een dienst van de geïntegreerde politiediensten waar een zekere kennis van de andere taal is vereist, hun betrekking gedurende ten hoogste vijf jaar konden behouden zelfs als ze niet in staat waren die taalkennis aan te tonen. De verzoekende partij wijst erop dat naar aanleiding van een beroep tot vernietiging van het voormalige artikel 69, tweede en derde lid, van de Taalwet Bestuurszaken, het Hof oordeelde dat de overgangsmaatregel niet disproportioneel was, maar dat die maatregel wel disproportioneel zou zijn indien hij niet zou komen te vervallen op 1 april 2006 (overweging B.6.3.2, arrest nr. 42/2004). Ondanks dat arrest en de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij de bestreden bepalingen, heeft de wetgever, met het nieuwe artikel 69, de overgangsmaatregel verlengd tot 31 december
- In de parlementaire voorbereiding wordt voor die verlenging en de miskenning van het arrest nr. 42/2004, volgens de verzoekende partij, geen enkele verantwoording gegeven. Er wordt slechts verwezen naar de voorrang die de jongste vijf jaar aan de aanwerving van het Brusselse politiepersoneel werd gegeven. Een dergelijke verantwoording kan, volgens de verzoekende partij, niet worden aanvaard. De overgangsmaatregel van het « oude » artikel 69 van de Taalwet Bestuurszaken had uitsluitend betrekking op de personeelsleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan reeds een ambt bekleedden bij de politie. Door de thans bestreden bepalingen wordt die overgangsmaatregel echter uitgebreid tot alle personeelsleden die sinds 2002 in strijd met de Taalwet Bestuurszaken zijn aangeworven. Door het gebrek aan verantwoording door de minister van Binnenlandse Zaken, alsook het ontbreken van een proportionele verhouding tussen de aard van de maatregel en de verantwoording die ervoor wordt gegeven, zijn de bestreden bepalingen, volgens de verzoekende partij, strijdig met het gelijkheidsbeginsel en tasten ze de waarborgen aan voor de Nederlandstaligen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten. A.6.
- In een tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan, door de bestreden bepalingen, van artikel 129, § 2, eerste streepje, van de Grondwet. Doordat artikel 73 van de wet van 20 juli 2006 bepaalt dat de diensten zouden moeten worden georganiseerd zodat overeenkomstig de Taalwet Bestuurszaken voor de omgang met het publiek het Nederlands, het Frans of het Duits kan worden gebruikt en doordat de bestreden bepalingen aldus het taalgebruik in bestuurszaken regelen in de taalgrensgemeenten zonder dat daarvoor de wetgevende procedure van de bijzonderemeerderheidswet werd gevolgd, kunnen de bestreden bepalingen niet worden geacht uitwerking te hebben in de taalgrensgemeenten. Memories van de Ministerraad in de zaken nrs. 4061, 4105 en 4115 A.7.
- In de zaak nr. 4061 betwist de Ministerraad allereerst de procesbevoegdheid van de N-VA, omdat ze haar ledenlijst en het bewijs van neerlegging ervan op de griffie niet voorlegt. Zij toont bijgevolg niet aan dat zij voldaan heeft aan de formaliteiten die zijn vereist om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen en zich ten aanzien van derden daarop te kunnen beroepen. A.7.
- Vervolgens betwist de Ministerraad het belang van beide verzoekers in de zaak nr.
- Wat de N- VA betreft, meent de Ministerraad dat zij dient aan te tonen dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm rechtstreeks wordt geraakt, hetgeen zij nalaat te doen. Wat de tweede verzoekende partij betreft, werpt de Ministerraad op dat het aangevoerde belang persoonlijk dient te zijn. De hoedanigheid van inwoonster van Brussel-Hoofdstad is, volgens de rechtspraak van de Raad van State, niet voldoende, waardoor haar belang aanleunt bij een actio popularis. Bovendien moet het belang zeker zijn, wat betekent dat een zuiver eventueel of een louter potentieel belang niet volstaat. 7 De verzoekende partijen dragen geen enkele feitelijke of verifieerbare argumentatie aan die zou onderbouwen dat de door de wetgever beoogde doelstelling door de toegekende overgangsmaatregelen in het gedrang komt. Bovendien is de regeling van artikel 69 van de Taalwet Bestuurszaken slechts een doorslag van artikel 38, § 3, van diezelfde wet. Die bepaling houdt in dat de gewestelijke diensten, waarvan de werkkring gemeenten bevat van verschillende taalgebieden, of gemeenten met een speciale taalregeling, zo worden georganiseerd dat het publiek zonder enige moeite te woord kan worden gestaan in de talen die de Taalwet Bestuurszaken voor de gemeenten uit het ambtsgebied erkent. De dienst moet dus over ambtenaren beschikken die ook de andere taal dan de taal van de dienst voldoende beheersen, zonder dat evenwel alle ambtenaren het bewijs van een dergelijke taalkennis moeten leveren. In de praktijk wordt die doelstelling effectief gehaald. A.8.1.
- Wat het eerste middel in de zaak nr. 4061 en de zaak nr. 4115 betreft, doet de Ministerraad opmerken dat het eerste onderdeel, waarbij een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt aangevoerd, omdat er een discriminerend onderscheid zou zijn tussen personen die op grond van artikel 21, § 5, en artikel 15, § 2, van de Taalwet Bestuurszaken een bewijs moeten leveren van een voldoende of elementaire kennis van de tweede taal en personen die, ingevolge de bestreden artikelen, van de vereiste van een dergelijke kennis zijn vrijgesteld, wordt beantwoord in B.6.1 van het arrest nr. 42/2004 van 17 maart
- A.8.1.
- Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft in de zaken nrs. 4061 en 4115, voert de Ministerraad aan dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de ratio legis van de bestreden bepalingen meervoudig is. De verlenging heeft tot doel de veiligheid te waarborgen en de openbare dienstverlening te verzekeren. Een verwijdering van de personeelsleden die niet aan de tweetaligheid voldoen, zou een dramatische weerslag op de veiligheid hebben. De bewust beperkt gehouden verlenging van de overgangsmaatregel met achttien maanden heeft eveneens tot doel op het einde van die periode de personeelsleden effectief naar het niveau van beheersing van de andere taal te brengen, zoals vereist voor het ambt dat zij uitoefenen. De realisatie van dit laatste doel heeft een vertraging opgelopen om een aantal redenen. Een eerste reden is dat voorrang werd gegeven aan de aanwerving van politiemensen, zodat de personeelsformatie bij de zes Brusselse korpsen nu volledig is ingevuld. Een tweede motief is de goedkeuring van een reeks maatregelen die echter nog niet tot het beoogde effect hebben geleid omdat de financiering van die maatregelen uit het Fonds « Europese Toppen » diende te komen en dat Fonds pas beschikbaar was vanaf
- Ten slotte moeten meer ondersteunende maatregelen bijdragen tot een versnelde tweetaligheid. De feitelijke omstandigheden ten tijde van het arrest van 17 maart 2004 zijn fundamenteel verschillend. Terwijl het voormeld arrest stelt dat er een continuïteit in de openbare dienst moet zijn, geldt die redenering nog steeds op heden. De continuïteit van de politiedienst moet verzekerd blijven en door het succes van de aanwervingspolitiek is het passend dat een overgangsmaatregel genomen wordt tot 31 december
- De maatregel die erop gericht is het aldus uitgebreide personeelsbestand de gelegenheid te bieden het bewijs te leveren van de kennis van de andere taal, is bijgevolg niet onevenredig. A.8.
- De Ministerraad meent tevens dat het tweede middel in de zaken nrs. 4061 en 4115 ongegrond is. De bestreden bepalingen brengen geen verandering aan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen. Het is bijgevolg niet nodig dat de bestreden bepalingen worden aangenomen bij een wet met een bijzondere meerderheid. A.
- In de zaak nr. 4105 betwist de Ministerraad opnieuw het belang van de verzoeker. Om van zijn belang als kandidaat-politieagent te doen blijken, dient hij aan te tonen dat hij in de voorwaarde is om te kunnen deelnemen aan de selectieproeven, zoals bijvoorbeeld het voorleggen van een bewijs van goed zedelijk gedrag. De verzoeker probeert zich op het arrest nr. 42/2004 te beroepen om zijn belang aan te tonen, maar aangezien de bestreden bepaling beperkt is tot 31 december 2007 en de basisopleiding voor politieagent ten minste een jaar duurt, kan de verzoeker zijn opleiding niet afwerken vóór die datum en zal hij dus nooit in de situatie terechtkomen waarbij een ambt bezet wordt gehouden waarvoor hijzelf in aanmerking zou kunnen komen, gesteld dat hij aan de vereiste taalkennis voldoet. De verzoekende partij zal dus geen rechtstreeks en persoonlijk nadeel ondervinden van de bestreden bepalingen. 8 Als Vlaming in Brussel heeft de verzoeker ook geen voldoende belang. Zijn belang leunt aan bij de actio popularis. De hoedanigheid van inwoner van Brussel-Hoofdstad is, volgens de rechtspraak van de Raad van State, niet voldoende. Bovendien moet het belang zeker zijn, wat betekent dat een zuiver eventueel of een louter potentieel belang niet volstaat. Vervolgens herhaalt de Ministerraad wat hij heeft opgeworpen ten aanzien van de tweede verzoekende partij in de zaak nr.
- A.
- Ten gronde meent de Ministerraad dat het enige middel ongegrond is. Bij de weerlegging van het belang van de verzoeker in de zaak nr. 4105 heeft de Ministerraad reeds gesteld dat de verzoeker eerst dient te slagen voor de selectieproeven, waarna hij wordt toegelaten tot de basisopleiding. Die basisopleiding duurt ten minste een jaar. Aangezien de bestreden bepaling is beperkt tot 31 december 2007, kan de verzoeker zijn opleiding niet hebben afgewerkt vóór die datum, en zal hij dus nooit in een situatie terechtkomen waarbij een ambt bezet wordt gehouden waarvoor de verzoeker zelf in aanmerking zou kunnen komen, gesteld dat hij aan de taalkennisvereiste voldoet. De taalkennisvereiste zal op het ogenblik dat de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen, voor iedere aspirant-politieman of reeds in dienst zijnd personeelslid gelijk zijn. Daarnaast merkt de Ministerraad op dat er in geen enkel opzicht sprake is van een telkens verlengen van een tijdelijke maatregel. De feitelijke omstandigheden ten tijde van het arrest van 17 maart 2004 en tijdens de huidige periode zijn fundamenteel verschillend. Er is voorrang gegeven aan het opvullen van de personeelsformaties van de politie met het oog op het verzekeren van de veiligheid. Die initiatieven hebben geleid tot een volledige opvulling van de formaties en het tekort aan personeel in de Brusselse regio is weggewerkt. Vervolgens herhaalt de Ministerraad hetgeen hij heeft opgeworpen ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr.
- Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak nr. 4061 A.
- Allereerst meent de N-VA dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, de N-VA, overeenkomstig de nieuwe vzw-wet, niet meer gehouden is haar ledenlijst en het bewijs van neerlegging van die lijst ter griffie van de rechtbank voor te leggen. Bijgevolg heeft de N-VA de vereiste procesbevoegdheid. A.12.
- Aangaande haar belang, meent de N-VA dat zij wel een voldoende rechtstreeks belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, die betrekking hebben op de garanties die aan de Vlamingen in de tweetalige politiezones worden geboden en die voor de Vlamingen impliceren dat ze door het politiepersoneel van die zones in hun eigen taal worden bediend. Het onderwerp van haar verzoekschrift is niet vreemd aan haar maatschappelijk doel. Bovendien heeft het Hof in zijn schorsingsarrest van 17 januari 2007 (nr. 17/2007) geoordeeld dat uit de door de N-VA voorgelegde stukken blijkt dat de doelstelling van de N-VA kan worden geraakt door een bepaling die de personeelsleden van de politie ervan vrijstelt te doen blijken van de kennis van het Nederlands terwijl zij een functie uitoefenen in een dienst waar een zekere kennis van die taal wordt vereist. A.12.
- Wat de tweede verzoekster betreft, meent zij dat zij als Nederlandstalige inwoonster van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest eveneens over het rechtens vereiste belang beschikt. Haar belang onderscheidt zich van het belang dat elke burger heeft bij een grondwetsconforme interpretatie van de wetgeving. Als inwoonster van een tweetalige politiezone loopt de tweede verzoekster, meer dan een inwoner van een eentalige politiezone, kans in contact te komen met politiepersoneel dat de politionele dienstverlening niet in de Nederlandse taal kan verstrekken. De tweede verzoekster beschikt over een voldoende persoonlijk belang om een ontvankelijk vernietigingsberoep in te stellen, maar eveneens over een voldoende zeker belang. De toepassing van artikel 69 van de Taalwet Bestuurszaken blijft immers dode letter indien in de tweetalige politiezones van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest onvoldoende politiepersoneel het Frans en het Nederlands beheersen. Overigens is het niet vereist dat het nadeel zich reeds daadwerkelijk heeft voorgedaan. Het is voldoende dat de bestreden normen op de tweede verzoekster toepasbaar zijn. A.13.
- Ten gronde voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 4061 aan dat de argumenten van de Ministerraad aangaande de verlenging van de overgangsperiode niet kunnen worden aanvaard. Allereerst toont de Ministerraad niet aan waarom de gevoerde aanwervingspolitiek vanaf de aanvang van de overgangsregeling 9 van vijf jaar onverenigbaar was met het nemen van maatregelen ter bevordering van de naleving van de taalwetgeving. Bovendien is de vertraging in het nemen van de vereiste maatregelen om de taalkennis van het Brusselse politiepersoneel te bevorderen, aan de Ministerraad zelf toe te schrijven. Pas met ingang van het jaar 2003 werden bepaalde budgetten vrijgemaakt om de tweetaligheid van het Brusselse politiepersoneel te bevorderen. Indien de Ministerraad tijdig de vereiste maatregelen had genomen, was de verlenging van de overgangsregeling niet nodig geweest, te meer omdat de Ministerraad de vertraging van achttien maanden aangrijpt om de verlenging van de overgangsmaatregelen te motiveren. Onterecht verschuilt de Ministerraad zich bovendien achter redenen van pragmatisme, veiligheid en voortzetting van de openbare dienstverlening om de verlenging van de overgangsmaatregel te rechtvaardigen. De vernietiging van de bestreden bepalingen heeft niet de iure en rechtstreeks tot gevolg dat het personeel dat niet aan de gestelde taalkennisvereisten voldoet, onmiddellijk zou worden ontslagen. De verlenging van de overgangsmaatregel creëert bovendien, volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 4061, onevenredige gevolgen. Het Hof heeft dit in zijn arrest nr. 42/2004 bevestigd en ondubbelzinnig in het arrest nr. 17/2007 herhaald. A.13.
- Wat het tweede middel in de zaak nr. 4061 betreft, herhalen de verzoekende partijen dat er wel degelijk een verandering van het taalgebruik in bestuurszaken van de taalgrensgemeenten tot stand wordt gebracht, zodat een goedkeuring bij bijzonderemeerderheidswet noodzakelijk is. Ook de afdeling wetgeving van de Raad van State was die mening toegedaan, maar de wetgever heeft met die opmerking geen rekening gehouden. Memorie van de Vlaamse Regering in de zaken nrs. 4105 en 4115 A.14.
- De Vlaamse Regering citeert uit het arrest nr. 42/2004 en meent dat dit arrest volstrekte duidelijkheid schiep omtrent de toelaatbaarheid van de overgangsmaatregel. Aldus was de Taalwet Bestuurszaken voor de specifiek omschreven diensten en personeelsleden gedurende vijf jaar niet onverkort van toepassing, maar vanaf 1 april 2006 moest de Taalwet Bestuurszaken volkomen worden gerespecteerd. Ondanks die volstrekte duidelijkheid meende de federale wetgever te kunnen handelen tegen de redengeving van het arrest nr. 42/2004 in, en meende hij die overgangsmaatregelen nog eens te kunnen verlengen. A.14.
- De Vlaamse Regering toont aan dat het Belgische constitutionele systeem berust op een aantal evenwichten en dat de Taalwet Bestuurszaken daarbij van fundamenteel belang is. Door de overgangsregeling miskent de federale wetgever het arrest nr. 42/
- A.15.
- Het gelijkheidsbeginsel wordt door de bestreden bepalingen vanuit verschillende oogpunten op manifeste wijze geschonden. Zo zijn overgangsbepalingen onevenredig wanneer ze te lang duren. Evenmin valt in te zien hoe nog zou kunnen worden verantwoord dat ambtenaren in plaatselijke diensten gevestigd in Brussel- Hoofdstad, maar dan de relevante politionele diensten, onderworpen zijn aan artikel 21, § 5, van de Taalwet Bestuurszaken, en de ambtenaren in de politionele diensten niet. De Vlaamse Regering benadrukt dat niet uit het oog mag worden verloren dat politieambtenaren de meest zichtbare vertegenwoordigers van het gezag zijn. A.15.
- Volgens de Vlaamse Regering impliceert het voorzien in overgangsbepalingen betreffende het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat de taalwet wordt gewijzigd zonder dat de grondwettelijk daartoe vereiste garantie van de bijzondere meerderheid is gerespecteerd. Memorie van antwoord van de verzoekende partij in de zaak nr. 4105 A.
- Volgens de verzoeker in de zaak nr. 4105 kan de stelling van de Ministerraad als zou hij geen belang hebben bij zijn ingediende beroep tot vernietiging niet worden gevolgd. Door de opeenvolgende uitzonderingsmaatregelen demotiveert de wetgever personen om zich kandidaat te stellen. Het feit dat de verzoeker nog geen kandidatuur heeft ingediend, is te wijten aan de bestaande uitzonderingsbepalingen die door 10 de bestreden wetsbepalingen worden verlengd. De verzoeker meent dat hij slechts zinvol zijn kandidatuur kan indienen op het ogenblik dat de uitzonderingsmaatregelen zullen ophouden uitwerking te hebben. De bestreden bepaling heeft niet enkel impact op mensen die zich reeds kandidaat hebben gesteld, doch ook op het als zinvol ervaren van een kandidaatstelling door mensen die wel de ambitie hebben zich kandidaat te stellen doch die door de uitzonderingsbepaling worden afgeschrikt nu ze zien dat hierdoor hun kansen op een zinvolle carrière-uitbouw reeds bij voorbaat worden gefnuikt. A.
- Aangaande zijn enig middel, meent de verzoeker in de zaak nr. 4105 dat de bestreden bepalingen een loutere verlenging van de uitzonderingstermijn betreffen zodat hij uit de argumentatie van het Hof in het arrest nr. 42/2004 meent te mogen afleiden dat de huidige maatregel wel degelijk onevenredig is. De Ministerraad kan ook niet blijven argumenteren dat de politiehervorming een recent gegeven is dat een acuut probleem veroorzaakt. Het is wel degelijk een chronisch probleem. Daarnaast meent de verzoekende partij in de zaak nr. 4105 dat een telkens vernieuwen/verlengen van een tijdelijke maatregel die maatregel vanzelfsprekend een permanent karakter geeft. Memorie van antwoord van de verzoekende partij in de zaak nr. 4115 A.18.
- Aangaande het eerste middel beperkt, volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 4115, de Ministerraad zich in zijn memorie tot het bladzijdenlang in extenso citeren van passages uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen, antwoorden op de parlementaire vragen en beslissingen met betrekking tot het personeelsstatuut van de politiediensten. Er wordt echter geen melding gemaakt van het arrest nr. 17/2007, waar het Hof uitspraak heeft gedaan over de ingediende vordering tot schorsing. Zelfs indien rekening wordt gehouden met het feit dat een ernstig middel niet noodzakelijk een gegrond middel hoeft te zijn, moet, volgens de verzoekende partij, worden opgemerkt dat de Ministerraad wezenlijk nalaat een sluitend antwoord te geven op de vraag naar de relevantie van de gehanteerde argumenten in het kader van de parlementaire voorbereiding. A.18.
- Daarnaast ontgaat het de verzoekende partij volledig hoe de wetgever in de mogelijkheid zou zijn geweest om na te gaan of de gevolgen van de bestreden maatregel al dan niet evenredig waren ten aanzien van het nagestreefde doel, nu de minister van Binnenlandse Zaken zelf heeft toegegeven dat er geen telling is uitgevoerd van het aantal personeelsleden als bedoeld in de bestreden bepaling, noch van degenen onder hen die reeds het vereiste taalbrevet hebben behaald. A.18.
- Wat de relevantie van artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen betreft, herhaalt de verzoekende partij dat beide normen onderworpen zijn aan de toetsing van het Hof. Een lezing van die bepalingen die federale wetskrachtige normen niet onderwerpt aan de standstill- verplichtingen die voortvloeien uit voornoemde wetsartikelen kan niet redelijk worden verantwoord in het licht van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. Er is immers geen reden om aan te nemen waarom genoemde verplichtingen enkel relevant zouden zijn in het kader van de bevoegdheden van gemeenschappen en gewesten en niet in het licht van de bevoegdheid van de federale overheid. A.19.
- Ten aanzien van het tweede middel meent de verzoekende partij dat de Ministerraad zich ertoe beperkt te beweren dat de bestreden bepalingen geen verandering zouden aanbrengen in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen. Nu de bestreden bepalingen precies een overgangsmaatregel invoeren met betrekking tot de regeling inzake het gebruik van het talen, valt niet te begrijpen wat de Ministerraad met zijn verweer bedoelt. Memorie van wederantwoord van de Vlaamse Regering in de zaken nrs. 4105-4115 A.20.
- De Vlaamse Regering meent dat ten aanzien van het eerste middel reeds een onderzoek is gevoerd in het arrest nr. 42/
- De oorspronkelijke maximale overgangsregeling voor 60 maanden werd echter verlengd met 21 maanden, en in het arrest nr. 17/2007 werd door het Hof duidelijk gemaakt dat zodra de vijf jaren overschreden werden, geen beroep meer kon worden gedaan op een uitzonderingsbepaling zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden. 11 Uit de memorie van de Ministerraad blijkt dat de Regering niet eens over duidelijke cijfers beschikt; dit toont aan dat de uitvoerende macht gedurende vijf jaar niet naar behoren heeft gewerkt. De omstandigheid dat er enkele jaren verstreken vooraleer de Regering maatregelen begon te nemen, werkt contraproductief. Het toont aan dat een fout van de uitvoerende macht de federale wetgever klaarblijkelijk ertoe heeft gebracht met schending van het arrest nr. 42/2004 de maatregel toch te verlengen. A.20.
- De Vlaamse Regering beweert tevens dat de overgangsmaatregelen op een ergerlijke en onvoorstelbare wijze zijn misbruikt om tal van nieuwe mensen aan te werven die niet aan de Taalwet Bestuurszaken voldoen. Bovendien is het argument van de Ministerraad als zou ook voor politionele eenmaking de situatie niet perfect zijn vanuit taalstandpunt, niet steekhoudend. Dit is geen argument om te verantwoorden waarom nieuwe personeelsleden, in strijd met de taalwetgeving, in de overgangsperiode van 5 jaar, dienden te worden aangeworven. De Vlaamse Regering wijst ten slotte erop dat de Taalwet Bestuurszaken zich niet beperkt tot het waarborgen van een ruime talenkennis, maar eveneens fundamenteel is voor het samenleven van de Nederlandstaligen en Franstaligen in het Belgische staatsbestel. A.
- Wat het tweede middel betreft, herhaalt de Vlaamse Regering dat de bestreden bepaling wel een wijziging inhoudt. Die wijziging strekt precies ertoe de Taalwet Bestuurszaken niet toe te passen gedurende een bijkomende periode van 21 maanden. Memories van wederantwoord van de Ministerraad in de zaken nrs. 4061, 4105 en 4115 A.22.
- De Ministerraad herhaalt dat, volgens hem, de tweede verzoekende partij in de zaak nr. 4061 geen belang heeft om in rechte te treden omdat zij niet aantoont welk het onderscheid is tussen haar persoonlijk belang en het belang dat alle inwoners hebben. De verwijzing naar het arrest nr. 67/2006 is niet relevant omdat dat arrest een andere situatie betreft. A.22.
- Volgens de Ministerraad kan het belang van de verzoekende partij niet worden afgeleid uit de loutere fictie dat de verzoekende partij zich mogelijk kandidaat zou stellen voor een opleiding tot inspecteur van de politie, te meer daar de verzoekende partij weigert de elementen voor te leggen die haar verhaal enige geloofwaardigheid kunnen geven. A.23.
- In zijn memorie van antwoord voert de Ministerraad aan dat de bekommernis om de veiligheid en de continuïteit van de openbare dienstverlening niet mag worden veronachtzaamd. Meer ondersteunende maatregelen zijn genomen om tot een versnelde tweetaligheid te komen, te weten het koninklijk besluit van 2 maart 2007 tot wijziging van verschillende teksten betreffende rechtspositie van het personeel van de politiediensten. Daarin wordt een aanwezigheidstermijn van vijf jaar bepaald voor de leden van het operationeel kader van de politiediensten. Naast de financiële aantrekkelijkheid moet dat besluit ervoor zorgen dat de politieambtenaren in onder meer Brussel langer hetzelfde tweetalige werkterrein hebben en niet op korte termijn een overplaatsing naar hun veelal eentalige woonplaats vragen. A.23.
- Ook de technologische vernieuwing draagt bij tot de functionele tweetaligheid. Zo is het onder meer in de politiezone Brussel-West mogelijk voor minder zware misdrijven elektronisch aangifte te doen. Om die redenen kan de verlenging van de overgangsmaatregel tot 31 december 2007 niet als disproportioneel worden aangezien. A.23.
- Ten aanzien van de memorie van de Vlaamse Regering in de zaken nrs. 4105 en 4115, werpt de Ministerraad op dat naast het doel van de tweetaligheid in Brussel-Hoofdstad tevens een tweede doel voorhanden is, te weten een volledig opgevuld operationeel politiekader dat ter beschikking moet worden gesteld van de burger en de overheid. Geen van beide doelen is ondergeschikt aan het andere aangezien zij beide bijdragen tot een politionele dienstverlening die is aangepast aan het gebied Brussel-Hoofdstad. 12 Ook zijn de overgangsmaatregelen aangewend met het oog op een wettig doel : de veiligheid binnen Brussel verbeteren. A.
- Wat het tweede middel in de zaken nrs. 4061 en 4115 betreft, meent de Ministerraad nog steeds dat de bestreden bepaling geen verandering teweeg brengt tegenover een eerdere toestand. De opeenvolgende wetswijzigingen gaan steeds om dezelfde tekst. De bestreden bepaling heeft bovendien net de bedoeling de bestaande taalwetten na te leven en het publiek overeenkomstig die wetten te bedienen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, waarbij respectievelijk artikel 69 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna : Taalwet Bestuurszaken) wordt vervangen en de datum van inwerkingtreding van die wetswijziging wordt vastgesteld. Die bepalingen luiden : « Art.
- Artikel 69 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, ingevoegd bij de wet van 12 juni 2002, wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
- De personeelsleden van de federale politie en van de lokale politie die een ambt bekleden in een dienst waar een zekere kennis van een andere taal is vereist door deze gecoördineerde wetten, behouden hun betrekking tot 31 december 2007, zelfs als ze deze kennis niet kunnen aantonen. Ze dienen aan de vereisten van taalkennis voor de voormelde datum te voldoen. De diensten in dewelke de in het eerste lid bedoelde personeelsleden een ambt bekleden, worden derwijze georganiseerd dat overeenkomstig deze gecoördineerde wetten voor de omgang met het publiek het Nederlands, het Frans of het Duits kan worden gebruikt ’. Art.
- Artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2006 ». B.1.
- Vóór de vervanging ervan bij het bestreden artikel 73, bepaalde artikel 69 : « De personeelsleden van de federale politie en de in artikel 235 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, opgesomde personeelsleden, die een ambt bekleden in een dienst van de geïntegreerde politiediensten, gestructureerd op twee niveaus, waar een zekere kennis van een andere taal is vereist door deze gecoördineerde wetten, behouden gedurende de termijn 13 bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad hun betrekking, zelfs als zij deze kennis niet kunnen aantonen. Binnen deze termijn dienen ze te voldoen aan de vereisten van taalkennis. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste vijf jaar en kan verschillen al naargelang het een personeelslid betreft van het operationeel kader dan wel van het administratief en logistiek kader van de politiediensten. De diensten in dewelke de in het eerste lid bedoelde personeelsleden van de politiediensten een ambt bekleden worden derwijze georganiseerd dat overeenkomstig deze gecoördineerde wetten voor de omgang met het publiek het Nederlands, Frans of Duits kan worden gebruikt ». Artikel 235 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt : « De leden van de gemeentelijke politiekorpsen, met inbegrip van de hulpagenten van politie alsook de leden van het operationeel kader van de federale politie in dienst bij de territoriale brigades en die worden aangewezen door de Koning overeenkomstig de bepalingen en nadere regels, vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit, gaan over naar het operationeel kader van de lokale politie. De leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen gaan over naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. Het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen [kan] overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. De militairen, overgeplaatste militairen en burgers die deel uitmaken van het administratief en logistiek kader van de federale politie, en het burgerlijk hulppersoneel van de federale politie die in dienst zijn bij de territoriale brigades en die worden aangewezen door de minister van Binnenlandse Zaken gaan over naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
- De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 4061 en de verzoekende partij in de zaak nr. 4105 niet doen blijken van het rechtens vereiste belang. Volgens de Ministerraad heeft de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4061 bovendien geen procesbevoegdheid bij ontstentenis van neerlegging van haar ledenlijst ter griffie van de rechtbank. 14 B.
- Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 bepaalt dat elke vordering ingesteld door een vereniging die de formaliteiten omschreven in de artikelen 10, 23 en 26novies, § 1, tweede lid, 5°, niet in acht heeft genomen, wordt opgeschort. De vordering is slechts onontvankelijk indien de vereniging niet binnen de door de rechter bepaalde termijn aan haar verplichtingen voldoet. De verplichting om een kopie van het register van de leden en de wijzigingen in de lijst van de bestuurders neer te leggen in het verenigingsdossier op de griffie van de rechtbank van koophandel (artikel 26novies, § 1, tweede lid, 3° en 6°) behoort niet tot de in artikel 26 bedoelde formaliteiten, zodat de exceptie wordt verworpen. B.4.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4061 is de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie ». B.4.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.4.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4061 is een vereniging zonder winstoogmerk die onder meer tot doel heeft de politieke, culturele, sociale en economische belangen van de Vlamingen te verdedigen en te bevorderen (artikel 3 van de statuten). Uit de door haar voorgelegde stukken blijkt dat de vzw dat maatschappelijk doel nastreeft sedert haar oprichting. De doelstelling van de verzoekende vzw kan worden geraakt door een bepaling die de personeelsleden van de politie ervan vrijstelt te doen blijken van de kennis van het Nederlands terwijl zij een functie uitoefenen in een dienst waar een zekere kennis van die taal wordt vereist. Zij doet derhalve blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep tot vernietiging. B.4.
- Nu het belang van de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4061 vaststaat en de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4105 en 4115 geen middelen aanvoeren die ruimer zijn dan de in de zaak nr. 4061 aangevoerde middelen, is het beroep tot vernietiging ontvankelijk 15 en dient niet te worden onderzocht of ook de overige verzoekende partijen doen blijken van het rechtens vereiste belang. Ten gronde B.
- De verzoekende partijen voeren middelen aan die zijn afgeleid uit de schending van, enerzijds, het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (eerste middel in de zaken nrs. 4061 en 4115 en het enige middel in de zaak nr. 4105) en, anderzijds, de bevoegdheidverdelende regels (tweede middel in de zaken nrs. 4061 en 4115). Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel B.
- In het eerste middel in de zaken nrs. 4061 en 4115 en in het enige middel in de zaak nr. 4105, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wordt aangevoerd dat door de artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006 een discriminerend onderscheid zou worden gemaakt tussen, enerzijds, de personen die op grond van artikel 21, § 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, dan wel op grond van artikel 15, § 2, van de Taalwet Bestuurszaken in de taalgrensgemeenten, pas kunnen worden benoemd of bevorderd in een ambt of betrekking waarvan de titularis omgang heeft met het publiek, wanneer de betrokkene het bewijs heeft geleverd van een voldoende of elementaire kennis van de tweede taal, en, anderzijds, de begunstigden van de betwiste overgangsregeling die van het bewijs van de vereiste taalkennis zijn vrijgesteld tot 31 december
- B.
- De bestreden bepalingen handhaven allereerst een verschil in behandeling tussen personeelsleden dat, als overgangsmaatregel in het kader van de organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, was ingesteld door de invoeging, bij artikel 7 van de wet van 12 juni 2002, van een nieuw artikel 69 in de Taalwet Bestuurszaken. Dat artikel werd door het Hof grondwettig beoordeeld in het arrest nr. 42/2004 van 17 maart 2004 op grond van de volgende overweging : 16 « B.6.3.
- Gelet op de in het bijzonder operationele moeilijkheden die zouden kunnen voortvloeien uit de onmiddellijke en onverkorte toepassing van de algemene regeling van de taalwetgeving op de geïntegreerde politiediensten, gestructureerd op twee niveaus, en op het algemeen maatschappelijk belang dat met de operationele beschikbaarheid en werking van de bedoelde diensten wordt nagestreefd, vermocht de wetgever in het door het bestreden artikel ingevoegde artikel 69 van de Taalwet Bestuurszaken te voorzien in een overgangsregeling die aan de in die bepaling bedoelde categorie van personeelsleden de mogelijkheid biedt voor een beperkte termijn hun ambt te behouden als zij de vereiste taalkennis niet kunnen aantonen ». De bestaanbaarheid van die overgangsmaatregel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet werd door het Hof evenwel slechts aanvaard onder het in B.6.3.2 van het voormelde arrest gemaakte voorbehoud : « De maatregel heeft evenmin onevenredige gevolgen. Het betreft immers een tijdelijke maatregel waarvan de duur, die niet meer dan vijf jaar mag bedragen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit wordt vastgesteld. Een overgangsregeling is om dwingende redenen van continuïteit van de openbare dienst des te meer verantwoord aangezien de wetgever bij de oprichting van de nieuwe politie geconfronteerd werd met de harmonisatie van verschillende wetgevingen en met de ontstentenis van taalkaders voor de rijkswacht. Nochtans zou de maatregel onevenredig zijn wanneer hij niet zou komen te vervallen op 1 april 2006, zijnde vijf jaar na zijn inwerkingtreding (artikel 9 van de wet van 12 juni 2002), datum die overigens ook uitdrukkelijk in de parlementaire voorbereiding is vermeld (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1458/001, p. 26) ». B.
- Met de bestreden bepalingen heeft de wetgever evenwel niet alleen het toepassingsgebied van de oorspronkelijke overgangsmaatregel gehandhaafd, maar het bovendien uitgebreid tot de personeelsleden van de federale politie en van de lokale politie die in dienst zijn getreden na 1 april 2001, dat is de datum van inwerkingtreding van de wet van 12 juni
- B.
- De bestreden bepalingen werden tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Artikel 69 SWT voorziet een overgangsperiode van vijf jaar om de personeelsleden van de politiediensten toe te laten aan de taaleisen te voldoen. Deze termijn is vervallen op 1 april
- De overgangsregeling was verantwoord door de noodzaak de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren, ongeacht de harmonisering van de verschillende structuren en taalwetgeving bestaande bij het opstarten van de nieuwe politie en dit in het bijzonder in het tweetalige Gewest Brussel-Hoofdstad. 17 In dit verband werd, in eerste instantie, absolute voorrang gegeven aan het wegwerken van het historisch vastgestelde tekort aan personeel in de Brusselse regio, wat een onvermijdbare voorwaarde was voor de effectieve beschikbaarheid van de noodzakelijke politiecapaciteit. Daar waar de voorrang aan de aanwervingen het verhoopte resultaat heeft opgeleverd, had het ook een zekere vertraging in de in plaatsstelling van de maatregelen ter bevordering van het volle naleven van de taalwetgeving voor gevolg. Zo werden belangrijke budgetten, bestemd om de tweetaligheid van de politiemensen te bevorderen, vrijgemaakt in het kader van het onthaal van de eurotoppen, voor de financiering van taalleergangen voor het personeel van de zes Brusselse politiezones (de zone Brussel- Noord – Evere/Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node – heeft voor dit doel een taalleraar aangeworven). Deze maatregelen hebben echter pas ingang kunnen vinden vanaf het jaar
- Aldus werd de dynamiek van het bevorderen van het aanleren van een andere taal, in zijn uitvoering, vertraagd met 18 maanden. Zij heeft echter reële effecten en bevordert het uiteindelijke doel : de personeelsleden naar het niveau van beheersing van de andere taal brengen zoals vereist voor het ambt dat zij uitoefenen. Een opvolging werd in plaatsgesteld teneinde, in reële tijd, de effecten van deze maatregelen te meten. Teneinde deze dynamiek die ten volle effecten begint te hebben niet te verstoren, wordt voorgesteld om de periode van 18 maanden, die noodzakelijk waren voor de politiestructuren om het effectief op een aanvaardbaar niveau te brengen en een aanvaardbare oplossing te bieden aan de reeds lang openstaande bedieningen in de Brusselse regio, terug te geven door de verlenging van de overgangsperiode tot 31 december 2007 die de personeelsleden moet toelaten zich in regel te stellen conform de taalwetgeving. In antwoord op de opmerking van de Raad van State, is de regering van oordeel dat deze verlenging, die dus qua duur overeenstemt met de opgelopen vertraging in het bevorderen van het aanleren van de andere taal, niet als disproportioneel kan bestempeld worden. Zij schrijft zich immers in in de destijds vooropgestelde overgangsperiode van vijf jaar » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2518/001, pp. 59-60). B.
- Zoals in herinnering is gebracht in B.7, heeft het Hof in zijn arrest nr. 42/2004 aangenomen dat de overgangsregeling, opgenomen in de wet van 12 juni 2002, was verantwoord, zij het dat daarbij ook werd geoordeeld dat de maatregel « nochtans […] onevenredig [zou] zijn wanneer hij niet zou komen te vervallen op 1 april 2006, zijnde vijf jaar na zijn inwerkingtreding (artikel 9 van de wet van 12 juni 2002) ». In het beschikkend gedeelte van het arrest werd gepreciseerd dat het Hof « het beroep [verwerpt] onder voorbehoud van het bepaalde in B.6.3.2 ». B.
- In dergelijke omstandigheden zijn het eerste middel in de zaken nrs. 4061 en 4115 en het enige middel in de zaak nr. 4105, die zijn afgeleid uit de ongrondwettigheid van bepalingen die gedurende achttien bijkomende maanden de overgangsregeling handhaven 18 waarvan het Hof de grondwettigheid slechts had aanvaard op voorwaarde dat zij niet meer dan vijf jaar bedraagt, gegrond. Ten aanzien van de bevoegdheidverdelende regels B.
- Volgens de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4061 en 4115 schendt artikel 73 van de wet van 20 juli 2006 artikel 129, § 2, eerste streepje, van de Grondwet, door te bepalen dat de politiediensten zodanig moeten worden georganiseerd dat voor de omgang met het publiek het Nederlands, het Frans of het Duits kan worden gebruikt, zodat, bij wet aangenomen met een gewone meerderheid, het taalgebruik in bestuurszaken in de taalgrensgemeenten wordt geregeld, terwijl hiervoor een bijzondere meerderheid is vereist. B.
- Aangezien de uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie afgeleide middelen gegrond zijn en het onderzoek van de uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels afgeleide middelen niet kan leiden tot een ruimere vernietiging, dienen die middelen niet te worden onderzocht. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.
- In het arrest nr. 17/2007 heeft het Hof de vordering tot schorsing van de bestreden bepalingen verworpen op grond van de overweging dat zulks de operationele capaciteit van de betrokken korpsen in belangrijke mate zou aantasten en de openbare veiligheid en de politionele dienstverlening in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ernstig in het gedrang zou kunnen brengen, terwijl de betrokken diensten zodanig dienden te worden georganiseerd dat zij de burgers in dat tweetalige gebied in de taal van hun keuze konden bedienen. Teneinde de rechtsgeldigheid te verzekeren van alle handelingen die met het oog op de openbare veiligheid en de politionele dienstverlening werden gesteld, en de mogelijk nadelige effecten te vermijden voor het statuut van de personeelsleden, die met toepassing van de vernietigde bepalingen hiervoor hebben ingestaan, dienen de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd tot de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad. 19 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 73 en 74 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 28 november 2007, door voorzitter M. Bossuyt ter vervanging van emeritus voorzitter A. Arts, wettig verhinderd. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div