← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.148

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.148 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071128.3 Arrest- Rolnummer: 148/2007 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-06-29 11:17 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet zou toestaan dat de vrijstelling van de verkeersbelasting wordt toegekend aan een gebrekkige of een grootoorlogsinvalide die niet in staat is zelf het voertuig te besturen dat op zijn naam is ingeschreven en bestemd is voor zijn persoonlijke verplaatsingen, en die dat voertuig toevertrouwt aan een derde die daarvan gebruik maakt buiten zijn aanwezigheid, maar in de mate waarin dat gebruik wordt verantwoord door de onmogelijkheid van de betrokkene om zelf persoonlijk gebruik te maken van het voertuig ten bate van zichzelf. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Verkeersbelasting PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Fiscaal recht - Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - Verkeersbelasting - Voertuig ingeschreven op naam van een gehandicapte persoon -

  1. Gehandicapte personen die in staat zijn hun voertuig te besturen - Vrijstelling -
  2. Gehandicapte personen die niet in staat zijn hun voertuig te besturen - Ontstentenis van het voordeel van de vrijstelling. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek diverse rechten en taksen - 23-11-1965 - 5,§1,3° - 31 Link Justel databank 19651123-31 Tekst van de beslissing Rolnummer 4184 Arrest nr. 148/2007 van 28 november 2007 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 23 maart 2007 in zake Brigitte Moucheron tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 april 2007, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet toestaat dat de vrijstelling van de verkeersbelasting wordt toegekend aan een gebrekkige of een grootoorlogsinvalide die niet in staat is zelf het voertuig te besturen dat op zijn naam is ingeschreven en bestemd is voor zijn persoonlijke verplaatsingen, en die dat voertuig toevertrouwt aan een derde die daarvan gebruik maakt buiten zijn aanwezigheid maar enkel in de mate en uitsluitend voor de doeleinden die worden verantwoord door de onmogelijkheid van betrokkene om zelf persoonlijk gebruik te maken van het voertuig ten bate van zichzelf ? ». Memories zijn ingediend door : - Brigitte Moucheron, wonende te 4500 Hoei, rue Campagne 82; - de Ministerraad; - de Waalse Regering. Brigitte Moucheron heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 7 november 2007 : - zijn verschenen : . Mr. M.-A. Poncelet loco Mr. V. Tordeur, advocaten bij de balie te Hoei, voor Brigitte Moucheron; . Mr. I. Tasset, advocaat bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Brigitte Moucheron is meer dan 80 pct. gehandicapt ten gevolge van een hersenbloeding. Zij vordert, met toepassing van artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, 3 het voordeel van de vrijstelling van de verkeersbelasting voor haar auto, die werd ingeschreven op 26 januari
  3. Bij beslissing van 14 juni 2001 verwerpt de gewestelijke directeur van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Administratie der directe belastingen haar verzoek. De Rechtbank van eerste aanleg te Luik, waarbij een beroep tegen die beslissing aanhangig is gemaakt, verwerpt dat beroep bij vonnis van 28 oktober 2002 om reden dat de vrijstelling niet kan worden toegekend omdat het voertuig zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die welke verband houden met het persoonlijk vervoer van Brigitte Moucheron. Het Hof van Beroep te Luik, waartoe laatstgenoemde zich heeft gewend, citeert verscheidene arresten die door het Hof van Cassatie werden gewezen in verband met de in het geding zijnde bepaling en stelt zich vragen bij de grondwettigheid van de strikt geïnterpreteerde wettelijke vereiste volgens welke het voertuig enkel mag dienen voor het persoonlijk vervoer van de invalide teneinde de vrijstelling te genieten wanneer ze betrekking heeft op een invalide die, vanwege zijn lichamelijke of mentale toestand, niet in staat is zijn voertuig persoonlijk te besturen. Bijgevolg stelt het aan het Hof de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  4. De appellante voor het Hof van Beroep te Luik is van mening dat de in het geding zijnde bepaling, zoals ze wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, tot gevolg heeft dat een discriminatie in het leven wordt geroepen tussen de gebrekkige of oorlogsinvalide die in staat is zijn voertuig te besturen en de gebrekkige of oorlogsinvalide die dat niet is. Zij zet uiteen dat in die interpretatie de vrijstelling van de verkeersbelasting wordt geweigerd aan de gebrekkige of oorlogsinvalide die de hulp nodig heeft van een derde voor het besturen van zijn voertuig, terwijl de verplaatsingen worden gedaan voor persoonlijke noodwendigheden, zelfs indien sommige van die verplaatsingen af en toe worden uitgevoerd buiten zijn aanwezigheid. Zij is van oordeel dat het onevenredig is om de vrijstelling van de belasting te weigeren aan de gebrekkige of oorlogsinvalide die niet in staat is zelf te sturen, omdat juist zijn handicap de onmogelijkheid verantwoordt waarin hij zich bevindt om systematisch een derde persoon te vergezellen aan wie hij zijn voertuig toevertrouwt voor alle verplaatsingen welke te zijnen bate door die derde worden verricht. Zij merkt overigens op dat haar echtgenoot eveneens over een ander voertuig beschikt, dat door zijn werkgever ter beschikking werd gesteld voor zijn professionele verplaatsingen. A.2.
  5. De Ministerraad brengt in herinnering dat artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen een uitzondering invoert op de regel volgens welke de voertuigen worden onderworpen aan de verkeersbelasting en dat artikel in dat opzicht strikt moet worden geïnterpreteerd. Hij zet uiteen dat, ofschoon die bepaling niet noodzakelijk de fysieke aanwezigheid van de gebrekkige aan boord van het voertuig vereist voor alle verplaatsingen, het echter onontbeerlijk is dat elk gebruik van het voertuig verbonden blijft aan een behoefte van verplaatsing van de gebrekkige zelf, omdat het genot van de fiscale voordelen wordt toegekend om reden van de verplaatsingsmoeilijkheden van laatstgenoemde. Hij voegt daaraan toe dat wordt aangenomen dat in het geval waarin de invalide of de gehandicapte niet in staat is het voertuig zelf te besturen, sommige buitengewone trajecten waaraan hij niet deelneemt, maar die rechtstreeks verbonden zijn met de noodwendigheden van zijn persoonlijk vervoer, het genot van de fiscale voordelen niet in het geding brengen. A.2.
  6. De Ministerraad is van mening dat artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen niet het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling in het leven roept tussen de gebrekkigen die in staat zijn hun voertuig te besturen en diegenen die dat niet zijn. Hij doet gelden dat, integendeel, die bepaling zonder onderscheid de toekenning mogelijk maakt van de vrijstelling van de belasting voor de beide categorieën van gebrekkigen, op voorwaarde dat het gebruik 4 van het voertuig waarvoor de vrijstelling wordt geëist, aan de noodwendigheden van persoonlijk vervoer van de gebrekkige beantwoordt. Hij beklemtoont het feit dat het door de wetgever in aanmerking genomen criterium van onderscheid om een vrijstelling van verkeersbelasting toe te kennen, bestaat in een gebruik van het voertuig dat beperkt is tot het persoonlijk vervoer van de gebrekkige, en oordeelt dat dit criterium objectief en redelijk is ten aanzien van het doel en de aard van de in het geding zijnde maatregel, namelijk het feit compenseren dat de middelen van persoonlijk vervoer van de gebrekkige niet volstaan. A.3.
  7. De Waalse Regering preciseert dat haar tussenkomst wordt verantwoord door het feit dat de verkeersbelasting wordt vermeld onder de gewestelijke belastingen opgesomd in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, waarvan de ontvangsten worden toegekend aan de gewesten naar gelang van hun lokalisatie. A.3.
  8. In hoofdorde doet de Waalse Regering opmerken dat het verschil in behandeling tussen de twee groepen van personen die door het verwijzende rechtscollege worden onderscheiden, niet bestaat. Zij zet uiteen dat, zowel in de huidige administratieve interpretatie als in de interpretatie van het Hof van Cassatie, het niet vereist is dat het voertuig voor het exclusieve gebruik van de gebrekkige wordt aangewend, maar wel dat dat voertuig enkel wordt gebruikt voor doeleinden in verband met de persoonlijke verplaatsingen van laatstgenoemde. Zij leidt daaruit af dat het in de in het geding zijnde bepaling aangewende criterium niet is gebaseerd op een onderscheid onder de gebrekkigen naargelang zij al dan niet in staat zijn een voertuig te besturen, maar wel op de aard van de behoefte van vervoer waaraan wordt voldaan door het gebruik van het voertuig. Zij is bijgevolg van mening dat de door het verwijzende rechtscollege aangevoerde elementen op een rechtsdwaling berusten : in het geval waarin de gebrekkige in staat is zijn voertuig te besturen, heeft hij niet langer de toelating om het te laten gebruiken door een derde voor de persoonlijke verplaatsingsbehoeften van die derde, zelfs wanneer die verplaatsing uiteindelijk wordt ingegeven door dringende zorg of hulp die wordt verstrekt aan de gebrekkige. Zij voegt daaraan toe dat het doorslaggevende criterium, in tegenstelling tot wat het verwijzende rechtscollege beweert, niet het feit is of de invalide al dan niet in staat zou zijn het voertuig te besturen, maar wel het feit of het voertuig al dan niet wordt gebruikt ten behoeve van het persoonlijk vervoer van de invalide, en zulks ongeacht de persoon van de bestuurder. A.3.
  9. In ondergeschikte orde is de Waalse Regering van oordeel dat zelfs indien wordt beslist dat er daadwerkelijk een verschil in behandeling bestaat tussen vergelijkbare personen, dat verschil niet strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vermits het op een objectief en relevant criterium zou berusten en geen onevenredig gevolg zou hebben. A.
  10. De appellante voor het Hof van Beroep te Luik antwoordt dat indien de redenering van de Ministerraad en de Waalse Regering zou worden gevolgd, het echtpaar dat zij samen met haar echtgenoot vormt, de aankoop van een tweede wagen zou moeten overwegen, die dan uitsluitend zou worden gebruikt wanneer het niet om haar persoonlijk vervoer gaat. Zij doet gelden dat indien zij, ondanks haar gezondheidstoestand, in staat zou zijn zelf het voertuig te gebruiken, de vrijstelling van de belasting haar niet zou worden geweigerd, ook al zou zij het gebruiken om haar echtgenoot naar zijn werk te voeren of om boodschappen voor het gezin te doen, omdat het voertuig in dat geval nog steeds zou worden gebruikt voor doeleinden die verbonden zijn met haar eigen verplaatsingen. -B- B.
  11. Artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen stelt van de verkeersbelasting op de autovoertuigen vrij : « de ziekenauto’s en de motorvoertuigen als persoonlijk vervoermiddel gebruikt door grootoorlogsinvaliden of door gebrekkigen ». 5 B.
  12. Uit het arrest van het Hof van Beroep te Luik, dat aan het Hof een vraag stelt, blijkt dat het aan het Hof van Beroep voorgelegde geschil betrekking heeft op een verkeersbelasting betreffende een voertuig dat is ingeschreven op naam van een gehandicapte persoon, dat de gezondheidstoestand van die persoon het bezit van dat voertuig absoluut noodzakelijk maakt, dat die persoon niet in staat is zelf te sturen en dat het gezin dat zij samen met haar echtgenoot vormt geen ander voertuig bezit. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.3.
  13. Het Hof van Beroep te Luik ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van de voormelde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die de vrijstelling van de belasting niet mogelijk maakt wanneer het voertuig wordt bestuurd door een derde, buiten de aanwezigheid van de gehandicapte persoon, maar enkel in de mate en met het doel verantwoord door de onmogelijkheid waarin de gehandicapte persoon zich bevindt om zelf persoonlijk gebruik te maken van het voertuig in zijn eigen voordeel. B.3.
  14. De in het geding zijnde bepaling roept een verschil in behandeling in het leven onder de gehandicapte personen naargelang zij in staat zijn persoonlijk hun voertuig te besturen of niet in staat zijn persoonlijk gebruik te maken van het voertuig en de bijstand van een derde nodig hebben om dat voertuig te besturen. Eerstgenoemden genieten immers de vrijstelling van de belasting betreffende hun voertuig, zelfs indien een deel van hun persoonlijke verplaatsingen wordt uitgevoerd ten bate van derden, terwijl laatstgenoemden de vrijstelling van de belasting betreffende hun voertuig niet kunnen genieten wanneer dat voertuig buiten hun aanwezigheid wordt gebruikt door een derde, zelfs ten behoeve van hen, aangezien het niet erom gaat tegemoet te komen aan een behoefte van persoonlijk vervoer van de gehandicapte persoon. B.4.
  15. Wanneer het voertuig waarvoor de vrijstelling van de belasting wordt gevraagd het enige voertuig is van het gezin dat wordt gevormd door een gehandicapte persoon en zijn echtgenoot, wanneer het bezit van dat voertuig onontbeerlijk wordt gemaakt door de gezondheidstoestand van de gehandicapte persoon en wanneer dat voertuig wordt gebruikt ten behoeve van die persoon, is het niet verantwoord, wat de vrijstelling van de belasting betreft, een verschil in te voeren, naargelang de gehandicapte persoon in staat is om zelf het voertuig te besturen, en hij dus zelf de verplaatsingen kan maken die zowel noodzakelijk zijn door zijn 6 gezondheidstoestand als door de behoeften van het gezin waarvan hij deel uitmaakt, of hij daartoe niet in staat is en hij zijn voertuig moet toevertrouwen aan zijn echtgenoot, zowel voor zijn persoonlijke verplaatsingen als voor die welke noodzakelijk zijn om te voorzien in de behoeften van het gezin waarvan hij deel uitmaakt. B.4.
  16. In die situatie doet het betrokken voertuig immers soortgelijke verplaatsingen en wordt het op soortgelijke wijze gedeeltelijk gebruikt voor de behoeften van het gezin, ongeacht of het wordt bestuurd door de gehandicapte persoon zelf of door zijn echtgenoot. Aangezien de vrijstelling wordt toegekend wanneer de gehandicapte persoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven, in staat is het voertuig zelf te besturen en het gebruikt voor al zijn verplaatsingen, ongeacht het doel ervan, is de weigering om dezelfde vrijstelling toe te kennen wanneer de gehandicapte persoon niet in staat is het voertuig zelf te besturen, niet bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
  17. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet zou toestaan dat de vrijstelling van de verkeersbelasting wordt toegekend aan een gebrekkige of een grootoorlogsinvalide die niet in staat is zelf het voertuig te besturen dat op zijn naam is ingeschreven en bestemd is voor zijn persoonlijke verplaatsingen, en die dat voertuig toevertrouwt aan een derde die daarvan gebruik maakt buiten zijn aanwezigheid, maar in de mate waarin dat gebruik wordt verantwoord door de onmogelijkheid van de betrokkene om zelf persoonlijk gebruik te maken van het voertuig ten bate van zichzelf. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 28 november
  18. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.