← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.151

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.151 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071212.1 Arrest- Rolnummer: 151/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 263 - laatst gezien 2026-07-01 03:58 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - KIESWETGEVING - Algemeen (kieswetgeving) Vrije woorden: De beroepen tot vernietiging van artikel 49 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005 houdende wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, ingesteld door Marc Levaux en anderen; - het beroep tot vernietiging van artikel L4142-1, § 2, 5° en 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, vervat in boek I van deel IV van dat Wetboek, zoals dat boek I is vervangen door artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 1 juni 2006, ingesteld door Marc Levaux. Grondwettelijk recht -

  1. Verkiezingen - Onverkiesbaarheid na veroordeling wegens racisme -
  2. Bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten - Vestiging van een straf. # Rechten en vrijheden - Burgerlijke dood. # Strafrecht - Legaliteitsbeginsel in strafzaken. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 08-12-2005 - 49 - 42 ELI link Pub nr 2005203371 Waalse Wetboek van de Plaatselijke Democratie en Decentralisatie - 22-04-2004 - L4142-1,§2,5° - 42 ELI link Pub nr 2004A27184 Waalse Wetboek van de Plaatselijke Democratie en Decentralisatie - 22-04-2004 - L4142-1,§2,6° - 42 ELI link Pub nr 2004A27184 Tekst van de beslissing Rolnummers 3981, 4011 en 4080 Arrest nr. 151/2007 van 12 december 2007 ___________ In zake : - de beroepen tot vernietiging van artikel 49 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005 houdende wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, ingesteld door Marc Levaux en anderen; - het beroep tot vernietiging van artikel L4142-1, § 2, 5° en 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, vervat in boek I van deel IV van dat Wetboek, zoals dat boek I is vervangen door artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 1 juni 2006, ingesteld door Marc Levaux. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 mei 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 mei 2006, heeft Marc Levaux, wonende te 4000 Luik, avenue de l’Observatoire 90, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 49 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005 houdende wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 januari 2006). De vordering tot schorsing van dezelfde decretale bepaling, ingediend door verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 132/2006 van 28 juli 2006, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober
  3. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 juni 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde decretale bepaling, door Jean-Pierre Walenne, wonende te 7170 Manage, rue Dedobbeleer 84, en Grégory Bourgignon, wonende te 7700 Moeskroen, Eendrachtstraat
  4. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 november 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 december 2006, heeft Marc Levaux, wonende te 4000 Luik, avenue de l'Observatoire 90, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel L4142-1, § 2, 5° en 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, vervat in boek I van deel IV van dat Wetboek, zoals dat boek I is vervangen bij artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 1 juni 2006 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juni 2006). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3981, 4011 en 4080 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Waalse Regering heeft een memorie ingediend in elk van de zaken, de verzoekende partij in de zaken nrs. 3981 en 4080, heeft memories van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend in de zaak nr.
  5. Bij beschikking van 7 juni 2007 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 27 juni 2007 na : - de verzoeker in de zaken nrs. 3981 en 4080 te hebben verzocht het Hof ter terechtzitting te laten weten of het arrest van 22 december 2006 van de zesde correctionele kamer van het Hof van Beroep te Luik het voorwerp van een cassatievoorziening had uitgemaakt; - de eerste verzoeker in de zaak nr. 4011 te hebben verzocht het Hof ter terechtzitting te laten weten of het arrest van 26 april 2006 van de vierde kamer van het Hof van Beroep te Bergen, zitting houdend in correctionele zaken, het voorwerp van een cassatievoorziening had uitgemaakt; - de tweede verzoeker in de zaak nr. 4011 te hebben verzocht het Hof ter terechtzitting te laten weten of het Hof van Beroep te Brussel reeds uitspraak had gedaan over het beroep 3 tegen het vonnis van 7 juni 2006 van de vijfenvijftigste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zitting houdend in correctionele zaken; - de drie voormelde partijen te hebben verzocht aan het Hof, alsmede aan de Waalse Regering, tijdens de terechtzitting de eventuele bewijsstukken betreffende de antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen te bezorgen; - de Waalse Regering te hebben verzocht aan het Hof uiterlijk op de dag van de terechtzitting een exemplaar van het integraal verslag van de voltallige zitting van het Waals Parlement van 24 mei 2006 te bezorgen. Op de openbare terechtzitting van 27 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. G. Dubois, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partij in de zaken nrs. 3981 en 4080; . Mr. D. Landelle, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4011; . Mr. A. Feyt loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 3981 Wat de ontvankelijkheid betreft A.1.
  6. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 49 van het decreet van 8 december 2005 « houdende wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie », in zoverre het een 4° en een 5° invoegt in artikel L4155-1, tweede lid, van dat Wetboek. Marc Levaux voert aan dat hij kandidaat zal zijn « op de lijsten van nationaal rechts » voor de volgende gemeenteraadsverkiezingen van
  7. Hij leidt hieruit af dat hij rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door de bestreden bepaling. Hij voegt eraan toe dat de Correctionele Rechtbank te Verviers bij vonnis van 24 maart 2006 heeft beslist dat hij inbreuken had gepleegd op de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden ». In dat verband merkt hij op dat, hoewel de Rechtbank 4 de opschorting van de uitspraak van de veroordeling heeft uitgesproken, het openbaar ministerie tegen het voormelde vonnis nog hoger beroep kan instellen, zodat de bestreden bepaling - die door zijn politieke tegenstanders zou zijn aangenomen teneinde de verzoeker zijn politieke rechten gedurende achttien jaar te ontnemen - op hem zou kunnen worden toegepast. A.1.
  8. De Waalse Regering voert aan dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat de verzoeker niet aantoont dat hij belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepaling. Zij stelt vast dat de verzoeker niet doet blijken van een actueel en rechtstreeks belang. Zij merkt enerzijds op dat hij zijn hoedanigheid van « toekomstige kandidaat op de lijsten van nationaal rechts », noch het verband tussen die vermeende hoedanigheid en de bestreden norm aantoont. Daarnaast wijst zij erop dat de verzoeker het Hof niet heeft ingelicht over een eventueel beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis van 24 maart 2006 en dat, hoewel dat vonnis definitief is geworden, de verzoeker niet langer het voorwerp uitmaakt van vervolgingen op grond van de wet van 30 juli 1981, zodat hij geen belang meer kan aanvoeren om in rechte te treden. In dat opzicht verwijst zij naar het arrest nr. 84.493 van 4 januari 2000 van de Raad van State en voert zij aan dat het belang dat wordt gemotiveerd door het feit dat de verzoeker een strafbaar feit kan plegen, niet gewettigd is. A.1.
  9. Marc Levaux erkent dat hij geen kandidaat is voor de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006, maar verklaart dat hij overweegt zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen die in de eerstkomende achttien jaar zullen worden georganiseerd. Hij onderstreept dat iedere burger het recht heeft zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen en derhalve persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door de bestreden bepaling. Hij voegt eraan toe dat, sinds de indiening van het beroep tot vernietiging, het parket hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 24 maart 2006 van de Correctionele Rechtbank te Verviers en dat de verzoeker is gedagvaard om te verschijnen voor het Hof van Beroep te Luik op de terechtzitting van 24 november
  10. Ten gronde A.
  11. In het eerste middel wordt aangeklaagd dat een straf wordt ingevoerd waarin het Strafwetboek niet voorziet, alsook dat de algemene rechtsbeginselen zijn geschonden. De verzoeker verwijst naar de artikelen 31 en 33 van het Strafwetboek, naar artikel 5bis van de wet van 30 juli 1981 en naar artikel 1, derde lid, van de wet van 23 maart 1995 « tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd » en voert aan dat de bestreden bepaling de door de federale wetgeving bepaalde straf van onverkiesbaarheid verlengt door die van hoogstens tien jaar op achttien jaar te brengen. De verzoeker voegt daaraan toe dat die bepaling, door de duur van die straf vast te stellen op « achttien jaar en niet minder », geen enkele beoordelingsruimte aan de rechter overlaat. Daarnaast voert hij aan dat die bepaling, in zoverre zij van toepassing is op vóór de inwerkingtreding ervan gepleegde feiten, in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel betreffende de niet-retroactiviteit van de strafwet, vermits voor de dader van die feiten, op het ogenblik dat zij werden gepleegd, een minder zware straf van toepassing was. A.
  12. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 14, 18 en 134 van de Grondwet. In verband met de schending van artikel 10 van de Grondwet merkt de verzoeker op dat de straf van onverkiesbaarheid verbonden aan een veroordeling op grond van de wet van 30 juli 1981 voor dezelfde feiten een verschillende duur zal hebben naar gelang van de (Waalse, Vlaamse of Brusselse) afkomst van de veroordeelde. Volgens hem is het criterium waarop dat door de bestreden bepaling ingevoerde verschil in behandeling berust, het feit dat de beklaagde tot het Waalse Gewest behoort, wat tot « onaanvaardbaar anti- Waals racisme » zou leiden. Doordat dat verschil in behandeling niet objectief en redelijk verantwoord is, zou het afbreuk doen aan de gelijkheid van de Belgen voor de wet en discriminerend zijn. 5 Bovendien zou de bestreden bepaling zijn aangenomen door de politieke tegenstanders van de verzoeker teneinde de ideologische en filosofische minderheid te beperken die hij vertegenwoordigt in de verschillende assemblees van verkozenen waartoe hij behoort. Zij is beweerdelijk aangenomen om racisme te bestrijden en zou tot doel hebben het ideologisch en filosofisch verzet tegen de verkozenen die ze hebben goedgekeurd, monddood te maken; zij zou derhalve artikel 11 van de Grondwet schenden. Door van racisme het meest strafbare misdrijf in het Waalse Gewest te maken, zou de bestreden bepaling overigens de burgerlijke dood opnieuw instellen, met schending van artikel 18 van de Grondwet. Zij zou eveneens het bij artikel 14 van de Grondwet erkende beginsel van de wettigheid van de straffen schenden door verwarring te scheppen in verband met de ter zake toepasselijke straf. Zij zou immers twee straffen van onverkiesbaarheid voor eenzelfde feit samen laten bestaan, met schending van het Strafwetboek en de voormelde federale wetten. Ten slotte voert de verzoeker aan dat de bestreden bepaling, door ernstig inbreuk te plegen op de bevoegdheid van de federale overheid, in strijd is met « artikel 134 van de Grondwet en alle regels die de bevoegdheden van de gewesten vaststellen ». Ten aanzien van de zaak nr. 4011 Wat de ontvankelijkheid betreft A.4.
  13. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 49 van het decreet van 8 december 2005, in zoverre het een 4° invoegt in artikel L4155-1, tweede lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie. Jean-Pierre Walenne verantwoordt zijn belang om in rechte te treden door het gegeven dat hij, gelet op zijn definitieve veroordeling op grond van artikel 1, derde lid, 2°, van de wet van 30 juli 1981 - uitgesproken bij een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi op 4 januari 2006, beslissing die is bevestigd bij een arrest van het Hof van Beroep te Bergen op 26 april 2006 -, op grond van de bestreden bepaling onverkiesbaar is. Hij voegt eraan toe dat hij reeds is verkozen als gemeenteraadslid op de lijst van de politieke partij « Front National » en dat hij zich op grond van artikel 49 van het decreet van 8 december 2005 voortaan op geen enkele lijst meer kandidaat kan stellen voor de verkiezingen. Grégory Bourgignon verantwoordt zijn belang om in rechte treden door het gegeven dat hij, gelet op zijn veroordeling op grond van de wet van 30 juli 1981 - uitgesproken bij een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 juni 2006, waartegen hoger beroep is ingesteld -, onverkiesbaar is. Hij voegt eraan toe dat hij reeds kandidaat is geweest op de lijsten van de politieke partij « Front National » en dat hij zich voortaan op geen enkele lijst meer kandidaat kan stellen voor de verkiezingen. A.4.
  14. De Waalse Regering is van mening dat het beroep niet ontvankelijk is, daar het zonder voorwerp is. Zij onderstreept dat artikel 49 van het decreet van 8 december 2005, in zoverre het artikel L4155-1, tweede lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie wijzigt, impliciet maar zeker is opgeheven bij artikel 2 van het decreet van 1 juni 2006 « tot wijziging van Boek I van Deel IV van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie ». Daarnaast merkt zij op dat het beroep tot vernietiging na die opheffing is ingesteld. Ten gronde A.
  15. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 10 van de Grondwet. De verzoekers merken op dat de duur van de straf van onverkiesbaarheid verbonden aan een veroordeling op grond van de wet van 30 juli 1981 voor dezelfde feiten verschillend zal zijn naar gelang van de (Waalse, Vlaamse of Brusselse) afkomst van de kandidaat voor de provincieraadsverkiezingen. Zij voegen eraan toe dat de aan de Waalse kandidaat opgelegde straf retroactief, dwingend en van langere duur is dan die welke aan de Vlaamse of Brusselse kandidaat wordt opgelegd, die eveneens « aanvullend is volgens de beoordeling van de rechterlijke macht ». Volgens hen is het criterium waarop dat bij de bestreden bepaling ingevoerde verschil in behandeling berust, het feit dat de beklaagde tot het Waalse Gewest behoort. Doordat dat verschil in behandeling 6 niet objectief en redelijk verantwoord is, zou het afbreuk doen aan de gelijkheid van de Belgen voor de wet en discriminerend zijn. A.
  16. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 35, 127 en 134 van de Grondwet, in zoverre de Waalse wetgever, door een « aanvullende straf van onverkiesbaarheid » in te voeren, inbreuk pleegt op de bevoegdheid van de federale wetgever. A.
  17. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 40, eerste lid, van de Grondwet. De verzoekers voeren aan dat de bestreden bepaling inbreuk pleegt op de rechterlijke macht door de op grond van de wet van 30 juli 1981 veroordeelde persoon een « straf van onverkiesbaarheid de facto op te leggen, zonder optreden van de rechter ». Ten aanzien van de zaak nr. 4080 Wat de ontvankelijkheid betreft A.8.
  18. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 2 van het decreet van 1 juni 2006, in zoverre het artikel L4142-1, § 2, 5° en 6°, invoegt in het Wetboek van plaatselijke democratie en de decentralisatie. Marc Levaux voert aan dat hij « een toekomstige kandidaat is op de lijsten van nationaal rechts voor de volgende parlementsverkiezingen van 2007 en/of gewestverkiezingen van 2009, of gemeenteraadsverkiezingen, in het Waalse Gewest ». Hij erkent dat hij op het ogenblik van de indiening van het beroep geen kandidaat is voor een verkiezing, maar overweegt zich kandidaat te stellen « naar aanleiding van de verschillende electorale raadplegingen die in de komende maanden zullen plaatshebben, en in elk geval in de eerstkomende achttien jaar ». Hij onderstreept dat iedere burger het recht heeft zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen en derhalve persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door de bestreden bepaling. Hij voegt eraan toe dat de Correctionele Rechtbank te Verviers bij een vonnis van 24 maart 2006 heeft beslist dat hij inbreuken had gepleegd op de wet van 30 juli
  19. Hij merkt in dat opzicht op dat, hoewel de Rechtbank de opschorting van de uitspraak van de veroordeling heeft uitgesproken, het openbaar ministerie tegen het voormelde vonnis hoger beroep heeft ingesteld, zodat de bestreden bepaling - die zou zijn aangenomen door zijn politieke tegenstanders teneinde hem zijn politieke rechten te ontnemen voor een duur van achttien jaar - op hem zou kunnen worden toegepast. A.8.2.
  20. De Waalse Regering antwoordt in hoofdorde dat de verzoeker niet doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen. Zij merkt op dat de bestreden bepaling alleen betrekking heeft op de lokale verkiezingen en dat geen enkele dergelijke verkiezing « in de komende maanden » moet worden georganiseerd. Zij heeft vervolgens vragen bij de geloofwaardigheid van de verzoeker die het Hof bewust op een dwaalspoor heeft trachten te brengen met de indiening van een beroep tot vernietiging in de zaak nr. 3981, door te verklaren dat hij kandidaat zou zijn voor de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006, terwijl hij zich geen kandidaat heeft gesteld voor de gemeenteraadsverkiezingen, noch voor de provincieraadsverkiezingen op die dag. De Waalse Regering heeft bijgevolg twijfels bij de kandidaatstelling van de verzoeker voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 en is van mening dat de leugen van de verzoeker volstaat om « het door hem aangevoerde belang uit te sluiten ». Zij klaagt ook aan dat de verzoeker een actio popularis heeft ingediend, die steunt op het loutere gegeven dat hij kan worden veroordeeld op grond van de wet van 30 juli
  21. De Waalse Regering betwist daarnaast het actuele karakter van het belang van de verzoeker, omdat hij, wegens het devolutieve effect van het beroep, onschuldig wordt geacht, zodat het beroep tot vernietiging op twee vlakken voorbarig zou zijn. De Waalse Regering merkt in de eerste plaats op dat de bestreden bepaling, gelet op de afwezigheid van een veroordeling door een strafgerecht, zijn situatie niet ongunstig zou aantasten. In de tweede plaats merkt zij op dat de bestreden bepaling, gelet op de opschorting van de uitspraak, zonder gevolgen blijft ten aanzien van de verzoeker. Zij voegt eraan toe dat, indien die bepaling ooit op de verzoeker zou worden toegepast, hij de « in het onderhavige beroep opgeworpen problematiek » via het mechanisme van de prejudiciële vraag voor het Hof zou kunnen brengen. 7 Ten slotte voert zij aan dat het belang gemotiveerd door het gegeven dat de verzoeker een strafbaar feit kan plegen, niet gewettigd is, waarbij zij verwijst naar het arrest nr. 84.493 van 4 januari 2000 van de Raad van State. A.8.2.
  22. In ondergeschikte orde antwoordt de Waalse Regering dat de verzoeker niet doet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van artikel L4142-1, § 2, 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie en dat artikel L4142-2, § 2, 5°, alleen aan de toetsing van het Hof kan worden onderworpen in zoverre het betrekking heeft op de gemeenteraadsverkiezingen, vermits de verzoeker niet overweegt zich kandidaat te stellen voor de provincieraadverkiezingen. A.8.
  23. Marc Levaux repliceert dat de bestreden bepaling hem het recht riskeert te ontnemen om zich kandidaat te stellen voor de komende gemeente- en provincieraadsverkiezingen. Hij voegt eraan toe dat het Hof van Beroep te Luik met een arrest van 22 december 2006 het voormelde vonnis van 24 maart 2006 heeft herzien en de verzoeker heeft veroordeeld tot een « gevangenisstraf van één maand met uitstel gedurende drie jaar ». Ten gronde A.9.
  24. De twee middelen zijn identiek aan die welke in de zaak nr. 3981 worden aangevoerd. A.9.2.
  25. Ten aanzien van het eerste middel leidt de Waalse Regering vooraf uit het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in verband met het voorontwerp van decreet dat het decreet 8 december 2005 is geworden, af dat de Raad van State impliciet maar zeker heeft verklaard dat de bestreden bepaling geen betrekking heeft op een materie die, met toepassing van artikel 8 van de Grondwet en artikel 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zou ressorteren onder de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid en dat de gewestwetgever bijgevolg bevoegd is om die materie te regelen. Vervolgens leidt de Waalse Regering met name uit de arresten nrs. 74/92 en 130/2006 af dat de gewestwetgever « soeverein » de voorwaarden kan vaststellen inzake de verkiesbaarheid voor de gemeenteraad en de provincieraad, en dat een beperking betreffende de verkiesbaarheid niet noodzakelijk een straf is, ook al kan zij in een andere wetgeving als dusdanig worden gekwalificeerd. Zij voert aan dat de bestreden bepaling geen enkele straf invoert. De Waalse Regering maakt ook een vergelijking met de materie van onverenigbaarheden die steunt op het beginsel van de « dubbele deur » op grond waarvan de wetgever onverenigbaarheden kan vaststellen die gelden voor de organen die onder zijn bevoegdheid ressorteren, zelfs indien die maatregel gevolgen heeft voor organen die niet onder zijn bevoegdheid vallen. Zij verwijst in dat opzicht naar het arrest nr. 74/
  26. Zij merkt op dat, te dezen, een persoon zich alleen voor de gemeente- of provincieraadsverkiezingen kandidaat kan stellen indien een strafrechter hem niet heeft veroordeeld tot een aanvullende straf waardoor hem dat recht wordt ontnomen en indien hij voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden waarin het regionaal recht voorziet. A.9.2.
  27. Ten aanzien van het tweede middel herinnert de Waalse Regering in de eerste plaats eraan dat de bestreden bepaling geen straf invoert en de bevoegdheidsverdeling tussen het gewest en de federale overheid in acht neemt, zodat zij noch artikel 14 noch artikel 134 van de Grondwet schendt. Zij betwist vervolgens de schending van artikel 10 van de Grondwet, waarbij zij onderstreept dat de burgers geen verschil in behandeling kunnen aanklagen dat voorvloeit uit het gegeven dat de deelentiteiten in eenzelfde materie verschillende regels aannemen. De Waalse Regering verwijst in dat opzicht naar de arresten nrs. 83/98, 3/99 en 85/
  28. Ten aanzien van de schending van artikel 11 van de Grondwet is de Waalse Regering van mening dat de beperkingen van het recht om te worden verkozen die in de bestreden bepaling zijn vervat, in verhouding staan met het nagestreefde gewettigde doel. Zij voert aan dat de beginselen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geformuleerd in verband met de rechten van een politieke partij in een democratisch stelsel (Refah Partisi t. Turkije, 13 februari 2003, §§ 87, 96 en 98) ook gelden voor de afzonderlijk beschouwde kandidaten. Uit de punten 1, a) tot c), 18 en 23 van de aanbeveling van algemeen beleid nr. 7 betreffende « de nationale wetgeving in de strijd tegen racisme en rassendiscriminatie » die de Europese Commissie tegen racisme en onverdraagzaamheid van de Raad van Europa op 13 december 2002 heeft aangenomen, alsook uit een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2005 (Timichev t. Rusland, § 56) leidt zij 8 vervolgens af dat elke - al dan niet strafrechtelijke - maatregel die ertoe strekt racisme te bestrijden, een gewettigd karakter heeft. Zij merkt ten slotte op dat de wetgever, om het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen, rekening heeft gehouden met de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State door de verkiesbaarheid in de tijd te beperken. A.9.
  29. Marc Levaux repliceert dat de onverkiesbaarheid die voortvloeit uit de bestreden bepaling een straf is, dat zij het onmiddellijke gevolg is van een strafrechtelijke veroordeling en dat het een dubbele straf betreft voor diegene die ze ondergaat, alsook een straf die niet kan worden ingekort en automatisch is, vermits de beklaagde geen verzachtende omstandigheden kan aanvoeren of zijn rechten van verdediging niet kan uitoefenen. Hij voegt eraan toe dat zijn geval het « volkomen onrechtmatige, overdreven en onevenredige karakter » van de bestreden bepaling aantoont. -B- Ten aanzien van de zaken nrs. 3981 en 4011 B.
  30. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift tot vernietiging ingeschreven onder het rolnummer 3981 blijkt dat de verzoeker in die zaak de vernietiging vordert van artikel 42 van het decreet van 8 december 2005 « houdende wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie », in zoverre het een 4° en een 5° invoegt in artikel L4125-1, tweede lid, van dat Wetboek. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift tot vernietiging ingeschreven onder het rolnummer 4011 blijkt dat de twee verzoekers in die zaak de vernietiging vorderen van artikel 49 van het decreet van 8 december 2005, in zoverre het een 4° invoegt in artikel L4155-1, tweede lid, van dat Wetboek. B.
  31. Artikel 2 van het decreet van 1 juni 2006 « tot wijziging van Boek I van Deel IV van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie » vervangt boek I (« Verkiezingen van de organen ») van deel IV (« Verkiezingen ») van dat Wetboek, dat met name de artikelen L4125-1, tweede lid, 4° en 5°, en L4155-1, tweede lid, 4°, van dat Wetboek omvatte, artikelen die respectievelijk zijn ingevoegd bij de artikelen 42 en 49 van het decreet van 8 december
  32. Behalve in zoverre het in dat Wetboek een nieuw artikel L4142-1, § 2, 7°, invoegt, is artikel 2 van het decreet van 1 juni 2006, luidens artikel 6 van datzelfde decreet, in werking getreden op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, namelijk 9 juni
  33. 9 B.
  34. De in B.1 omschreven beroepen zijn derhalve zonder voorwerp geworden. Ten aanzien van de zaak nr. 4080 B.
  35. Het beroep tot vernietiging ingeschreven onder het rolnummer 4080 heeft betrekking op artikel 2 van het decreet van 1 juni 2006, in zoverre het in dat Wetboek een artikel L4142-1, § 2, 5° en 6°, invoegt. Artikel L4142-1, § 2, 5° en 6°, van dat Wetboek, zoals het bij die bepaling is vervangen, luidt : « Niet verkiesbaar zijn : […] 5° zij die veroordeeld zijn voor overtredingen zoals bedoeld bij de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden of op grond van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal- socialistische regime is gepleegd, waarbij die onverkiesbaarheid verstrijkt achttien jaar na de veroordeling; 6° zij die onverminderd de toepassing van de bepalingen van 1° en 2° bestuurders van een vereniging waren op het ogenblik van de feiten ten gevolge waarvan ze veroordeeld is, zelfs onder opschortende voorwaarden, voor één van de overtredingen bepaald bij de wet van 30 juli 1981 of de wet van 23 maart 1995, waarbij die onverkiesbaarheid verstrijkt achttien jaar na de veroordeling. Vorig lid wordt niet toegepast op de bestuurders die bewijzen dat ze de feiten niet kenden op grond waarvan de veroordeling waarvan sprake is uitgesproken of dat ze, wanneer ze er kennis van hebben gekregen, onmiddellijk hun ontslag uit elk ambt in die rechtspersoon aangeboden hebben; ». Ten aanzien van het belang om in rechte te treden B.
  36. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. 10 Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.6.
  37. Het kiesrecht is het fundamentele politieke recht in de representatieve democratie. Elke kandidaat doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die zijn kandidatuur ongunstig kunnen beïnvloeden. B.6.
  38. De bestreden bepaling beperkt het recht om voor de gemeenteraad, de provincieraad of de districtsraad te worden verkozen. B.6.
  39. De verzoeker die verklaart zich kandidaat te willen stellen bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen doet blijken van het vereiste belang bij de vernietiging van die bepaling in zoverre zij betrekking heeft op het recht om voor de gemeenteraad te worden verkozen. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.
  40. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten », en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.8.
  41. Uit de formulering en de uiteenzetting van het eerste middel blijkt dat het in de eerste plaats is afgeleid uit de schending van algemene rechtsbeginselen in zoverre de bestreden bepaling « geen enkele beoordelingsruimte aan de rechter overlaat » en in zoverre zij afbreuk doet aan het « algemeen rechtsbeginsel betreffende de niet-retroactiviteit van de strafwet ». B.8.
  42. Het Hof is niet bevoegd om rechtstreeks uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetskrachtige norm met een algemeen rechtsbeginsel. 11 B.9.
  43. Het tweede middel is onder meer afgeleid uit de schending van artikel 134 van de Grondwet, dat bepaalt : « De wetten ter uitvoering van artikel 39 bepalen de rechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, uitvaardigen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden. Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decreten met kracht van wet uit te vaardigen op het gebied en op de wijze die zij bepalen ». B.9.
  44. Daar artikel 134 van de Grondwet niet een van de regels is die worden beoogd in artikel 1, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, noch een van de artikelen die worden beoogd in artikel 142, tweede lid, 3°, van de Grondwet, is het Hof niet bevoegd om uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met die grondwetsbepaling. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het tweede middel B.10.
  45. Het tweede middel is ook afgeleid uit de schending van « alle regels die de bevoegdheden van de gewesten definiëren », evenals uit de schending van artikel 11, tweede zin, van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling de rechten van de ideologische en filosofische minderheid waartoe de verzoeker zou behoren, niet zou waarborgen. B.10.
  46. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de middelen van het verzoekschrift aangeven welke regels waarvan de naleving door het Hof wordt gewaarborgd, zouden zijn geschonden, alsook welke bepalingen die regels zouden schenden, en uiteenzetten hoe die regels door die bepalingen zouden zijn geschonden. B.10.
  47. De verzoeker geeft in zijn verzoekschrift onvoldoende aan welke bevoegdheidverdelende regels waarvan de naleving door het Hof wordt gewaarborgd, te dezen zouden zijn geschonden. Hij preciseert evenmin hoe de bestreden bepaling afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheid waartoe hij zou behoren. 12 B.10.
  48. In zoverre het is afgeleid uit de schending van « alle regels die de bevoegdheden van de gewesten definiëren », en uit de schending van artikel 11, tweede zin, van de Grondwet, is het tweede middel niet ontvankelijk. Ten gronde B.
  49. Het onderzoek van de overeenstemming van een bestreden bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in beginsel voorafgaan aan dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.12.
  50. In het eerste middel wordt eveneens aangeklaagd dat een straf wordt ingevoerd waarin het Strafwetboek niet voorziet. In de veronderstelling dat uit de formulering van dat middel zou kunnen worden afgeleid dat het betrekking heeft op de schending van artikel 11, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre het in beginsel verbiedt dat de decreten een straf invoeren waarin het eerste boek van het Strafwetboek niet voorziet, is het middel niet gegrond. B.12.
  51. Artikel 11, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals vervangen bij artikel 5 van de bijzondere wet van 16 juli 1993 « tot vervollediging van de federale staatsstructuur », bepaalt immers : « Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen; de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zijn hierop van toepassing, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet ». B.12.
  52. Het Hof dient niet na te gaan of het ontnemen van het recht om zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen een straf is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De begrippen « straf » en « strafbaarstelling » in artikel 11, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 hebben overigens een eigen betekenis. 13 B.12.
  53. Vermits de bestreden maatregel een preventief karakter heeft en deel uitmaakt van de kieswetgeving, is hij geen straf in de zin van artikel 11, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus
  54. Bijgevolg is die bepaling te dezen niet van toepassing. B.13.
  55. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat het eerste onderdeel ervan is afgeleid uit de schending van artikel 10 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen of de provincieraadsverkiezingen : enerzijds, diegenen die zich kandidaat stellen voor de verkiezingen die door het Waalse Gewest zijn geregeld en georganiseerd en, anderzijds, diegenen die zich kandidaat stellen voor de verkiezingen die door het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn geregeld en georganiseerd. De bestreden bepaling is alleen op de eerstgenoemden van toepassing. B.13.
  56. Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 - ingevoegd bij artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 « houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen » - kent aan het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest de bevoegdheid toe om de voorwaarden inzake de verkiesbaarheid van de leden van de gemeente- en provincieraden vast te stellen. Artikel 4, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 « met betrekking tot de Brusselse instellingen » - gewijzigd bij artikel 66 van de bijzondere wet van 16 juli 1993 en bij artikel 5, A), van de bijzondere wet van 27 maart 2006 « tot aanpassing van diverse bepalingen aan de nieuwe benaming van het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap » - kent aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de bevoegdheid toe om de voorwaarden inzake de verkiesbaarheid van de leden van de gemeenteraden vast te stellen. B.13.
  57. Een verschillende behandeling in aangelegenheden waar de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, is het mogelijke gevolg van een onderscheiden beleid, wat is toegestaan door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend. 14 Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te zijn met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. Die autonomie zou geen betekenis hebben, indien een verschil in behandeling tussen adressaten van regels die in eenzelfde aangelegenheid in de drie gewesten toepasselijk zijn, als zodanig met dat beginsel strijdig zou worden geacht. B.13.
  58. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. B.14.
  59. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat het derde onderdeel ervan is afgeleid uit de schending van artikel 18 van de Grondwet. B.14.
  60. Dat artikel bepaalt : « De burgerlijke dood is afgeschaft; hij kan niet opnieuw worden ingevoerd ». De burgerlijke dood bestaat in de ontzegging van alle burgerlijke en politieke rechten. De bestreden bepaling betreft dat onderwerp niet, zodat zij niet onbestaanbaar is met artikel 18 van de Grondwet. B.14.
  61. Het derde onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. B.15.
  62. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat het vierde onderdeel ervan is afgeleid uit de schending van artikel 14 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling het niet iedereen mogelijk zou maken om vooraf op bevredigende wijze de strafrechtelijke gevolgen van zijn gedrag in te schatten. B.15.
  63. Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.15.
  64. Zonder dat dient te worden nagegaan of het ontnemen van het recht om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen een straf is in de zin van die grondwetsbepaling, dient te worden vastgesteld dat alleszins aan de vereisten van die bepaling is voldaan in zoverre 15 eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, de op te lopen sanctie kan kennen wanneer dat gedrag strafbaar is. B.15.
  65. Het vierde onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. 16 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 december
  66. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.