← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.154

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 december 2007 ECLI n

§ 3, 8°, 24, tweede lid, 29, § 1, tweede lid, 1°, en 45, § 3, van dezelfde wet.

De vordering tot schorsing van dezelfde wetsbepalingen, ingediend door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 170/2006 van 8 november 2006, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 januari 2007. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 oktober 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 oktober 2006, hebben Willy Furnémont, wonende te 1200 Brussel, Sterrebeeldenlaan 51, en de vzw « Ligue des Amateurs d'Armes » met zetel te 1200 Brussel, Sterrebeeldenlaan 51, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging (artikelen 5, 6, 11, 14, 15, 16, 21, 30, 32, 35, 2°, 44 en 45) ingesteld van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 december 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 december 2006, heeft de vzw « Union Nationale de l'Armurerie, de la Chasse et du Tir », met zetel te 2650 Edegem, Baeckelandstraat 3, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 11, §

§ 3, 9°, 17, 18, 23, 45 en 48, tweede lid, van dezelfde wet.

e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 december 2006, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging (artikelen 2, 9°, 9, 27, § 3, tweede lid, 37 en 44, § 2, tweede lid) ingesteld van dezelfde wet, door Willy Furnémont, wonende te 1200 Brussel, Sterrebeeldenlaan 51, en de vzw « Ligue des Amateurs d’Armes », met zetel te 1200 Brussel, Sterrebeeldenlaan

  1. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 december 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 december 2006, heeft Serge Moureaux, wonende te 1050 Brussel, Lesbroussartstraat 89, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, § 3, 1°, 10, 11, 44, § 2, en 49, tweede lid, van dezelfde wet. 3 g. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 december 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 december 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, door Jean-Marie Happart, wonende te 3792 Sint- Pieters-Voeren, Top Loe 72, en Emile Trefois, wonende te 5020 Namen, rue Carrière Garot
  2. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4032, 4040, 4052, 4087, 4088, 4089 en 4091 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de voormelde vzw « Union Nationale de l'Armurerie, de la Chasse et du Tir » heeft een memorie van tussenkomst ingediend in de zaak nr. 4032, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend in de zaken nrs. 4032, 4040 en
  3. Op de openbare terechtzitting van 27 juni 2007 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen en de tussenkomende partij in de zaak nr. 4032; . Mr. E. Balate, advocaat bij de balie te Bergen, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4040; . Mr. Y. Tournay, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4052 en 4088; . Mr. F. Judo, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4087; . Mr. M. Pilcer loco Mr. S. Remouchamps, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4089; . Mr. R. Joly, advocaat bij de balie te Namen, en Mr. P. Baudinet, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4091; . Mr. A. Feyt, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A– Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  4. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4032 beweert te doen blijken van een belang om in rechte te treden doordat haar maatschappelijk doel onder meer bestaat in de aankoop, verkoop, invoer en uitvoer van alle voorwerpen of delen van voorwerpen die bestemd zijn voor het burgerlijk of militair gebruik en betrekking hebben op de handel in wapens, munitie, schiet- en observatietoebehoren, al dan niet strategisch. Zij zou dus op ontvankelijke wijze de vernietiging van de bestreden bepalingen vorderen doordat die bepalingen op een algemene manier tot doel zouden hebben economische en individuele activiteiten met wapens te regelen. Nog meer fundamenteel zou artikel 48 van de bestreden wet de eerste verzoekende partij het recht ontnemen om zich te beroepen op de erkenning die haar onder de gelding van de vroegere wetgeving zou zijn toegekend. Voorts onderstreept de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 4032 dat haar enige zaakvoerder krachtens haar statuten de bevoegdheid heeft om te beslissen om namens de vennootschap in rechte te treden. A.1.
  5. De tweede verzoeker in de zaak nr. 4032 voert zijn intensieve en erkende activiteiten van sportschutter op Belgisch en internationaal niveau aan. Hij zou derhalve belang hebben om in rechte te treden doordat de bestreden wet het voorhanden hebben of het dragen van wapens en munitie die in die sportdiscipline worden gebruikt, afhankelijk zou maken van een vergunning en doordat zij die vergunning zou koppelen aan het bezit van een sportschutterslicentie, die in de Vlaamse Gemeenschap nog steeds niet zou bestaan. Nog meer fundamenteel zou artikel 48 van de bestreden wet tot gevolg hebben dat elke geldigheid wordt ontnomen aan de vergunning die de tweede verzoeker had voor het voorhanden hebben van een wapen, zodat hij de schietsport niet meer zou kunnen beoefenen. A.1.
  6. De tussenkomende partij in de zaak nr. 4032, die eveneens de verzoekende partij is in de zaak nr. 4087, heeft onder meer als maatschappelijk doel de verdediging en de behartiging van het voorhanden hebben van wapens door particulieren in het algemeen, alsmede de verdediging van de belangen van de economische sectoren die verband houden met de vervaardiging, invoer en uitvoer van de handel in wapens en munitie. Zij beweert te doen blijken van het belang om in rechte te treden doordat de bestreden bepalingen het gebruik van, het voorhanden hebben van en de handel in wapens in het algemeen afhankelijk maken van voorwaarden en drastische beperkingen die haar maatschappelijk doel kunnen raken. A.
  7. De verzoeker in de zaak nr. 4040 beweert te doen blijken van een belang om in rechte te treden door in de eerste plaats zijn hoedanigheid aan te voeren van verzamelaar van wapens en munitie, die hij allemaal op wettige wijze heeft verworven. Die wapens hebben, volgens de verzoeker, een patrimoniale en historische waarde. Vermits de bestreden wetsbepalingen, enerzijds, de mogelijkheid om zijn collectie te bewaren en, anderzijds, zijn eigendomsrecht op die wapens aantasten, is de verzoeker van mening dat hij een duidelijk belang heeft bij het beroep. De verzoeker voert vervolgens een tweede hoedanigheid aan : die van schuttersleermeester. Hij beweert in die hoedanigheid belang te hebben bij alle wetsbepalingen die op de ene of de andere manier de types van wapens zouden kunnen raken die zouden kunnen worden gebruikt bij de sportinitiatie, en zulks louter met sportieve bedoelingen. A.
  8. De verzoekers in de zaken nrs. 4052 en 4088 verantwoorden hun belang om in rechte te treden door hun hoedanigheid van, enerzijds, houder van vergunningen tot het voorhanden hebben van verschillende vuurwapens en, anderzijds, vereniging zonder winstoogmerk waarvan het maatschappelijk doel betrekking heeft op de bevordering van de rechten van de burgers die liefhebber van vuurwapens zijn en dergelijke wapens voorhanden hebben. Door de rechten van de wapenliefhebbers aanzienlijk te beperken, zou de bestreden wet ernstig afbreuk doen aan de belangen van de verzoekende partijen. A.
  9. De verzoeker in de zaak nr. 4089 verantwoordt zijn belang om in rechte te treden door het feit dat hij twee jachtgeweren van grote waarde en groot historisch belang op regelmatige en ononderbroken wijze voorhanden heeft. Hoewel hij ten bewarende titel en zonder nadelige erkentenis de bij artikel 44, § 2, voorgeschreven aangifte heeft 5 gedaan, betwist de verzoeker de toepassing van de bestreden wet op zijn geval doordat die wet zijn fundamentele rechten en vrijheden schendt. A.
  10. De verzoekers in de zaak nr. 4091 verantwoorden hun belang om in rechte te treden door hun hoedanigheid van jager, eigenaar van wapens, waarvan sommige kunstvoorwerpen zijn. Zij betwisten de wet, die voor hen rechtstreekse gevolgen heeft door het voorhanden hebben en het dragen van wapens aan een vergunning te onderwerpen. Ten gronde In de zaak nr. 4032 A.6.
  11. Een eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 48, § 2, van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de algemene beginselen van evenredigheid en niet-retroactiviteit van de wetten, en van het recht op rechtszekerheid, alsmede van de vrijheid van handel en nijverheid. A.6.
  12. Dat artikel zou niet voorzien in een overgangsperiode tijdens welke de wapenhandelaars, houders van een erkenning sedert meer dan vijf jaar, hun beroep zouden kunnen blijven uitoefenen in afwachting van de beslissing van de gouverneur over de vereiste vernieuwing van hun erkenning. Op die manier zou de wetgever, zonder een redelijke verantwoording, de wapenhandelaars aan een verschillende behandeling onderwerpen naargelang hun erkenning of de laatste wijziging ervan sedert meer of minder dan vijf jaar dateert. Het Hof zou reeds de gelegenheid hebben gehad erop te wijzen dat de wetgever de vereisten van rechtszekerheid bij een wetswijziging niet mag veronachtzamen en dat hij, zonder objectieve en redelijke verantwoording, evenmin afbreuk mag doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. In dat opzicht zou geen rekening moeten worden gehouden met de opmerking van de Minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding volgens welke de wet de erkenningen die de wapenhandelaars reeds hebben gekregen, zou bevestigen, vermits de toepassingssfeer van de bestreden bepaling niet alle in het verleden toegekende erkenningen zou dekken, maar enkel die welke ten hoogste sedert vijf jaar zijn toegekend. Om het beginsel van rechtszekerheid in acht te nemen, had de wetgever, integendeel, die termijn van vijf jaar moeten doen ingaan op de dag van de bekendmaking van de nieuwe wet, zodat iedereen een gelijke en redelijke overgangsperiode zou hebben kunnen genieten. De bestreden bepaling zou overigens in strijd zijn met het beginsel van niet-retroactiviteit, in zoverre de meeste erkenningen in werkelijkheid zouden dateren van de jaren 1991 tot
  13. Daardoor zouden de meeste wapenhandelaars hun activiteiten moeten opschorten vanaf de inwerkingtreding van de wet, in afwachting van een nieuwe erkenning, wat inbreuk zou maken op hun vrijheid van handel en nijverheid. Die situatie zou bovendien eigen zijn aan de wapenhandelaars. De wetgever zou in de artikelen 44 en 45 van de bestreden wet immers in een overgangsregeling hebben voorzien ten voordele van verschillende andere adressaten van de bestreden wet. Het belang van het doel dat de wetgever te dezen heeft nagestreefd, zou geenszins kunnen verantwoorden dat de wetgever plotseling een einde zou maken aan de professionele erkenningen. A.6.
  14. Dezelfde opmerkingen zouden mutatis mutandis kunnen worden gemaakt ten aanzien van de situatie van de beroepssportschutter. Er zou immers in geen enkele overgangsbepaling zijn voorzien voor de sportschutters, die zich in de juridische onmogelijkheid zouden bevinden om een sportschutterslicentie te krijgen en die voortaan, overeenkomstig artikel 11 van de bestreden wet, over een vergunning voor het voorhanden hebben van een wapen zouden moeten beschikken. A.6.
  15. De tussenkomende partij onderstreept dat zij alle door de verzoekende partijen aangevoerde feitelijke elementen en argumenten in rechte overneemt. Zij is overigens van mening dat de wet ertoe zal leiden dat zeer weinig vergunningen zullen worden uitgereikt, vermits geen enkele wetsbepaling het bedrag van de retributies voor de afgifte van de nieuwe vergunningen vaststelt, wat in strijd is met de voorzienbaarheid van de kosten. 6 A.7.
  16. De Ministerraad is van mening dat artikel 48, tweede lid, zich ertoe beperkt de « geldigheidsduur » van de erkenningen en de vergunningen te bepalen, en niet ertoe leidt dat, zoals de verzoekers beweren, hun respectieve erkenningen en vergunningen van meer dan vijf jaar hun van de ene dag op de andere worden ontnomen. Het feit dat artikel 48, tweede lid, van toepassing is op huidige situaties betekent niet dat het een terugwerkende kracht zou hebben. Alleen artikel 49 van de bestreden wet betreft de inwerkingtreding van die wet, maar maakt niet het voorwerp uit van het beroep tot vernietiging. A.7.
  17. Artikel 48, tweede lid, kan overigens niet afzonderlijk worden gelezen. Artikel 47 van de bestreden wet bepaalt aldus dat de artikelen

2 van de wet van 3 januari 1933 betreffende de erkenningen alleen bij na overleg in de Ministerraad vastgestelde koninklijke besluiten zullen worden opgeheven. Artikel 49 bepaalt eveneens dat artikel 5 betreffende de voorafgaande erkenning van de wapenhandelaars alleen op grond van een na overleg in de Ministerraad vastgesteld koninklijk besluit in werking zal treden. Ten slotte bepaalt artikel 48, eerste lid, dat sommige maatregelen ter uitvoering van de wet van 3 januari 1933 van kracht blijven mits ze niet in tegenstrijd zijn met de wet van 8 juni 2006. Hieruit vloeit dus voort dat zolang de artikelen 4 tot 7 van de wet van 8 juni 2006 niet van kracht worden en zolang de artikelen

2 van de wet van 3 januari 1933 niet zijn opgeheven, de uitvoeringsbesluiten ervan van toepassing zullen blijven en de vergunningen en erkenningen die op grond daarvan worden afgegeven, niet in strijd zullen zijn met de wet van 8 juni 2006, zodat de regeling inzake de vergunning « voor onbeperkte duur » zal blijven bestaan. Er bestaat dus een overgangsregeling die het de wapenhandelaars mogelijk maakt een « nieuwe » vergunning aan te vragen op basis van de nog steeds geldige wet van 3 januari 1933 teneinde te beschikken over een vergunning van minder dan vijf jaar wanneer de door hen bekritiseerde situatie zich zal voordoen. A.7.

  1. Ten slotte is er geen discriminatie tussen houders van vergunningen of erkenningen van meer of minder dan vijf jaar. De hernieuwing van de vergunningen en erkenningen van meer dan vijf jaar beantwoordt aan het gewettigd doel van de wetgever om de overeenkomstigheid na te gaan van de erkenningen en vergunningen die op basis van vroegere gegevens en adviezen zijn afgegeven en die dus een bijwerking vereisen volgens de nieuwe bij de wet van 8 juni 2006 bepaalde criteria. Die regeling is bovendien verbonden aan de keuze van een maximale geldigheidsduur van vijf jaar voor de erkenningen en vergunningen die op basis van de bestreden wet zijn afgegeven. A.
  2. De verzoekende partijen antwoorden dat het Hof, in het arrest nr. 169/2006, waarmee uitspraak is gedaan over hun vordering tot schorsing, heeft beslist dat het eerste middel ernstig was op grond van overwegingen die als dusdanig dienen te worden overgenomen, zodat in het kader van het beroep tot vernietiging moet worden geoordeeld dat het middel gegrond is. A.9.
  3. De Ministerraad repliceert dat een in de beide kamers aangenomen wetsontwerp het bestreden artikel 48, tweede lid, wijzigt, met inwerkingtreding op 9 juni 2006, teneinde rekening te houden met het arrest nr. 169/2006 van het Hof. Die retroactieve wijziging van artikel 48, tweede lid, maakt het aldus mogelijk te besluiten dat het eerste middel niet gegrond is, vermits de houders van de vergunningen en erkenningen die op grond van de wet van 3 januari 1933 zijn afgegeven, sinds 9 juni 2006 zullen worden geacht nooit te hebben verkeerd in de onwettigheid die in de overwegingen van het arrest nr. 169/2006 wordt omschreven. Alleen de vergunningen en erkenningen die meer dan drie of vijf jaar vóór 9 juni 2006 zijn afgegeven of hernieuwd en waarvoor geen enkele aanvraag tot hernieuwing is ingediend binnen de bij het nieuwe artikel 48, tweede lid, bepaalde termijn, zullen vervallen. A.9.
  4. Daarnaast voegen de artikelen 352 en volgende van de programmawet (I) van 27 december 2006 in de wet van 8 juni 2006 een hoofdstuk XX in dat tot doel heeft de rechten en retributies vast te stellen die in geval van afgifte en hernieuwing van de vergunningen en erkenningen dienen te worden betaald. Dat wetgevend optreden maakt de kritiek van de tussenkomende partij, volgens welke de ontstentenis van wetsbepalingen die voorzien in het bedrag van de retributies ertoe zou leiden dat zeer weinig nieuwe vergunningen voor de aankoop van wapens zullen worden afgegeven, zonder voorwerp. A.
  5. Een tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 44, § 2, van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die bepaling zou een discriminatie teweegbrengen onder de personen die een vuurwapen voorhanden hebben, naargelang zij dat wapen vóór of na 1 januari 2006 hebben aangeschaft, vermits enkel voor de laatstgenoemde categorie de vergunning werd beperkt tot een voorlopige periode van een jaar. 7 De wetgever zou een dergelijk verschil in behandeling verantwoorden op grond van de idee dat de aanschaf van wapens gedurende een zogenaamde « verdachte » periode, namelijk tijdens de totstandkoming van de bestreden wet, moet worden « bestraft ». Nu zou een dergelijke datum tijdens de parlementaire voorbereiding als willekeurig zijn bestempeld. De motieven van de wetgever om die scharnierdatum vast te stellen, zouden dus niet redelijk verantwoord zijn. A.
  6. De Ministerraad is van mening dat de keuze van 1 januari 2006, de eerste dag van het kalenderjaar 2006, als « scharnierdatum » niet discriminerend is, tenzij wordt geoordeeld dat dit geldt voor elke datum die in een wetgeving wordt opgenomen. Die keuze houdt rechtstreeks verband met het nagestreefde doel dat erin bestaat de verkoop van wapens te beperken, gelet op de ruchtbaarheid die nog vóór de indiening van het ontwerp in de Kamer aan het wetsontwerp is gegeven. A.
  7. De verzoekende partijen antwoorden dat de rechtstreekse impact van de bestreden bepaling erin bestaat de duur van de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen te beperken tot één jaar wanneer het wapen is verworven na 1 januari 2006, waardoor diegene wordt « bestraft » die in alle wettigheid een wapen heeft verworven wanneer het wetsontwerp tot stand kwam in het Parlement. De redenen voor dat wantrouwen zijn tijdens de parlementaire voorbereiding niet op objectieve wijze aangetoond en zijn niet gegrond. Overigens, die discriminerende maatregel was zinloos, vermits de gouverneur, wanneer hij de vergunning afgeeft, de zedelijkheid van de aanvrager nagaat en dus een toereikende filter verzekert. A.
  8. Een derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 32 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het beginsel van de uitoefening van de bevoegdheden door de wetgever, onder voorbehoud van een precieze machtiging aan de uitvoerende macht. Die bepaling zou de provinciegouverneur immers ertoe machtigen de duur van de vergunningen voor het voorhanden hebben van een wapen en van de erkenningen vrij te bepalen, voor zover die duur, naar gelang van het geval, vijf of zeven jaar niet overschrijdt. Een dergelijke machtiging zou evenwel betrekking hebben op essentiële elementen van de wapenwetgeving, waarvoor een optreden van de wetgever vereist zou zijn. Die bepaling zou overigens de weg naar discriminerende behandelingen openen. Identieke situaties zouden door iedere gouverneur verschillend kunnen worden behandeld. Bovendien zou eenzelfde gouverneur de duur van de vergunning of de erkenning die hij uitreikt, volgens louter discretionaire criteria kunnen aanpassen. Volgens de parlementaire voorbereiding zou de bestreden bepaling tot doel hebben een werkelijke controle van de vergunningen en erkenningen mogelijk te maken door de duur ervan te beperken. Nu zou de wet zelf, krachtens de artikelen 28 en 29 ervan, reeds een dergelijke controle mogelijk maken. Bovendien zou de wetgever ook toestaan de uitgereikte vergunningen of erkenningen te schorsen, te beperken of in te trekken. A.
  9. De Ministerraad is van mening dat artikel 32 niet afzonderlijk kan worden gelezen. De artikelen 5 en 11 voorzien immers respectievelijk in een procedure voor een voorafgaande erkenning en vergunning door de provinciegouverneur voor een respectieve duur van in principe zeven of vijf jaar, waarbij een kortere duur uitzonderlijk is en bijgevolg dient te worden verantwoord door motieven die rechtstreeks verband houden met de artikelen 5 en 11, met de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de minister van Justitie. De gouverneurs beschikken dus niet over een discretionaire bevoegdheid en de gecentraliseerde beroepsprocedure waarborgt een voldoende omlijnde delegatie. A.
  10. De verzoekende partijen antwoorden dat de verklaring van de Ministerraad volgens welke de maximumduur van de erkenningen of vergunningen « de regel » zou zijn, nergens in de wet vermeld staat. De gouverneur zou de geldigheidsduur van die erkenningen dus kunnen aanpassen, zonder juridische criteria die zijn beslissing kunnen objectiveren en zonder dat de wet een bijzondere motivering oplegt ten aanzien van de duur van de vergunning of de erkenning. A.16.
  11. Een vierde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 3, § 1, 16° en 17°, § 3, 2°, 34 en 35 van de bestreden wet, van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsmede van het beginsel van de uitoefening van de bevoegdheden door de wetgever, onder voorbehoud van een precieze machtiging aan de uitvoerende macht. De bestreden bepalingen zouden precisie missen of de uitvoerende macht ertoe machtigen zich uit te spreken over essentiële elementen van een reglementering die in direct verband staat met het strafrecht. 8 A.16.
  12. Zulks zou meer bepaald het geval zijn voor de bepalingen die betrekking hebben op het begrip « verboden wapens », waaraan bijzonder zware strafrechtelijke gevolgen verbonden zijn. De definitie van verboden wapens, vervat in artikel 3, § 3, 17°, van de bestreden wet, zou de adressaten van de norm niet in staat stellen te weten welk wapen juist verboden is, vermits, volgens die definitie, elk voorwerp of elke stof een verboden wapen kan zijn, zelfs al is het op zich niet als wapen ontworpen. Dat voorwerp of die stof zou in werkelijkheid slechts a posteriori een verboden wapen worden, op het ogenblik zelf waarop het strafbare feit wordt gepleegd en uitsluitend op grond van een subjectieve beoordeling. Niets zou het verschil in behandeling verantwoorden tussen, enerzijds, de verboden wapens die duidelijk door de wetgever zelf zijn gedefinieerd, krachtens artikel 3, § 1, 1° tot 15°, en, anderzijds, de wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 17°, die een « restcategorie » zouden vormen. A.16.
  13. Bovendien zou de machtiging die bij artikel 3, § 1, 16°, aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie wordt toegekend, op grond van een zo vaag criterium als « ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid », hun toelaten gelijk welk wapen in de categorie van verboden wapens onder te brengen, zonder ook maar enig objectief beoordelingscriterium daartoe. A.16.
  14. Ten slotte zouden de aangevochten bepalingen, op een algemene manier, vage en overdreven bevoegdheidsdelegaties aan de Koning bevatten, die kunnen leiden tot een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtsonderhorigen, zonder hun de vereiste voorzienbaarheid te bieden. A.
  15. De Ministerraad stelt vast dat het voor de wetgever onmogelijk is een definitieve en exhaustieve lijst vast te stellen van de wapens die een ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid vormen. De technologische ontwikkeling moet het mogelijk maken de lijst van verboden wapens snel aan te passen op basis van het voldoende nauwkeurige en voorzienbare criterium van de « ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid ». In de wet van 3 januari 1933 was overigens reeds een bepaling opgenomen die soortgelijk was aan artikel 3, § 1, 17°, waarbij het optreden van de wetgever alleen tot doel heeft gehad het begrip « verboden wapens » te preciseren ten behoeve van de openbare veiligheid. Ten slotte was in de wet van 3 januari 1933 reeds een bepaling opgenomen die identiek is aan artikel 34, zodat het geen « nieuwe » bepaling betreft waarvan de vernietiging voor het Hof kan worden gevorderd. Voor het overige bestaat er geen gevaar voor rechtsonzekerheid, vermits de rechter, alvorens een strafrechtelijke sanctie op te leggen aan de persoon die een verboden wapen voorhanden heeft, zal nagaan of het morele element aanwezig is dat vereist is voor het plegen van een misdrijf verbonden aan het dragen van een dergelijk wapen. Ten slotte vallen de afgiftevoorwaarden, de vorm van de documenten waarin is voorzien en de voorwaarden inzake de vernietiging van de wapens niet onder de essentie zelf van de bevoegdheid van de wetgever en kunnen zij dus aan de Koning worden gedelegeerd. A.
  16. De verzoekers antwoorden dat artikel 34, ook al neemt het de inhoud van een vroegere bepaling over, aan de toetsing van het Hof kan worden voorgelegd. Voor het overige zijn de verzoekende partijen van mening dat de bestreden bepalingen overdreven bevoegdheidsdelegaties bevatten die een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtzoekenden kunnen inhouden, zonder de in een democratische maatschappij vereiste voorzienbaarheid te bieden. In de zaak nr. 4040 A.
  17. Het eerste en het tweede middel zijn afgeleid uit de schending, door artikel 3, § 1, 16°, van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 12, tweede lid, van de Grondwet. Die bepaling zou precisie missen en zou de uitvoerende macht ertoe machtigen zich uit te spreken over essentiële elementen van een reglementering in rechtstreeks verband met het strafrecht. De bestreden bepaling heeft betrekking op het begrip « verboden wapens » waaraan zij, volgens de verzoeker, bijzonder zware strafrechtelijke gevolgen verbindt. Bij gebrek aan precisie zou de in het geding zijnde bepaling voorzienbaarheid missen en zouden degenen op wie ze van toepassing is niet kunnen weten welk 9 wapen juist verboden is, vermits het bestreden artikel aan de uitvoerende macht de bevoegdheid overlaat om te bepalen welke tuigen, wapens of munitie verboden wapens zullen worden. A.20.
  18. In zijn memorie herinnert de Ministerraad in de eerste plaats eraan dat de wetgever rekening heeft gehouden met de specifieke situatie van de verzamelaars van vuurwapens en het hun mogelijk heeft gemaakt een verzameling in stand te houden of aan te leggen onder gunstige voorwaarden die op heel wat punten afwijken van de wetgeving die van toepassing is op de andere personen die vergunningsplichtige wapens voorhanden hebben. A.20.
  19. De Ministerraad voert aan dat de verzoeker geen belang heeft bij het eerste en het tweede middel, vermits hij op grond van artikel 27, § 3, in zijn hoedanigheid van verzamelaar, steeds geneutraliseerde verboden wapens voorhanden zal mogen hebben, ongeacht de wettelijke of reglementaire aard van de regels die deze in die categorie klasseren. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het middel, in zoverre het een discriminatie onder wapens aanvoert, niet ernstig is, vermits de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet de gelijkheid tussen zaken betreffen. Er is evenmin sprake van discriminatie onder de personen die wapens voorhanden hebben, aangezien de bestreden bepaling alleen ertoe strekt de Koning in staat te stellen om de lijst van verboden wapens aan te vullen wanneer op de markt nieuwe modellen verschijnen en niet tot doel heeft wapens te beogen die reeds bestaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet, en indien dat het geval zou zijn, dan zou de aangevoerde discriminatie niet voortvloeien uit de bestreden bepaling, maar uit de slechte uitvoering ervan door de bevoegde ministers en zou tegen het onwettige besluit een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kunnen worden ingesteld. Ten slotte leidt de loutere mogelijkheid om de lijst van verboden wapens aan te vullen wanneer nieuwe modellen verschijnen, niet ertoe dat het voorhanden hebben van die wapens als een strafbaar feit wordt beschouwd en kan zij artikel 12, tweede lid, van de Grondwet dus niet schenden. A.21.
  20. De verzoeker antwoordt belang te hebben bij het eerste en het tweede middel, vermits de hoedanigheid van erkende verzamelaar alleen geldt voor de vergunningsplichtige vuurwapens en niet voor de in het bekritiseerde artikel 3, § 1, 16°, verboden wapens, en ook al was zulks het geval, dan nog blijft de neutralisatieprocedure een bron van onzekerheid en verantwoordt zij het belang bij het middel. A.21.
  21. Ten gronde dient de discriminatie te worden beoordeeld ten aanzien van de hoedanigheid van persoon die een wapen voorhanden heeft. Niets maakt het echter mogelijk ervan uit te gaan, zoals de Ministerraad dat doet, dat de uitbreiding van de lijst van verboden wapens alleen van toepassing kan zijn op wapens die niet bestaan op 9 juni
  22. Ook al is het mogelijk, zoals de Ministerraad beweert, de verboden geworden wapens te behouden door ze te neutraliseren, toch is die mogelijkheid van dien aard dat zij afbreuk doet aan de gewettigde rechten van de eigenaars van wapens, vermits de vroeger betaalde rechten niet ertoe strekten geneutraliseerde wapens voorhanden te kunnen hebben, maar wel wapens die kunnen worden afgevuurd. Ten slotte is het de wetskrachtige norm zelf en niet een mogelijke overschrijding van de bevoegdheid van de uitvoerende macht die een discriminatie invoert tussen de personen die bij de wet verboden wapens voorhanden hebben en de personen die wapens voorhanden hebben die op grond van een besluit van de uitvoerende macht kunnen worden verboden. Er is geen enkele wettige reden die verantwoordt dat voor die wapens geen wetgevend debat zou kunnen plaatshebben, waardoor het voorhanden hebben van door de uitvoerende macht gedefinieerde wapens met schending van artikel 12 van de Grondwet als een strafrechtelijk misdrijf kan worden beschouwd. A.
  23. De Ministerraad repliceert dat de ontstentenis van een procedure inzake de neutralisatie van de verboden wapens losstaat van de in het verzoekschrift geformuleerde grief. Voor het overige is de aangevoerde discriminatie feitelijk onmogelijk, daar uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken slechts zullen kunnen optreden om het verschijnen van nieuwe modellen op de markt op te vangen. Alleen de wetgever en niet de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie zal sommige vrij verkrijgbare of vergunningsplichtige wapens in de categorie van verboden wapens kunnen onderbrengen, zodat alle personen die verboden wapens voorhanden hebben, identiek zullen worden behandeld door de wetgever, die onbetwistbaar beschikt over de bevoegdheid om de lijst van de verboden wapens vast te stellen. A.
  24. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 11, § 1, van de bestreden wet, van de artikelen 16 en 17 van de Grondwet, in samenhang gelezen. Die bepaling zou een bijzonder onzekere regeling organiseren voor de houder van een vergunning voor het voorhanden hebben van vuurwapens die krachtens artikel 3, § 3, van dezelfde wet vergunningsplichtig zijn, die die vergunning slechts zou kunnen krijgen om één 10 van de redenen die volgens artikel 11, § 3, 9°, wettig worden geacht. Die verkregen vergunning zal kunnen worden geschorst of ingetrokken. De verzoeker is van mening dat geen enkele maatregel is genomen om een persoon die een wettige reden had om een vergunning te krijgen voor het voorhanden hebben van vuurwapens, in staat te stellen de wapens te behouden zelfs wanneer de uitoefening van de activiteit niet meer verantwoord is. Volgens de verzoeker kan de verbeurdverklaring van wapens (in de zin van artikel 17 van de Grondwet) die daaruit zou kunnen voortvloeien en die gelijk te stellen is met een onteigening (in de zin van artikel 16 van de Grondwet), louter in het feit dat de reden voor de vergunning verdwenen is, geen wettige verantwoording vinden voor die verdoken onteigening. A.
  25. De Ministerraad is van mening dat de intrekking van een vergunning niet gelijkstaat aan een onteigening of een vermomde verbeurdverklaring, vermits de betrokkene vrij blijft om te beslissen het wapen op te slaan bij of over te dragen aan een persoon die beschikt over een erkenning of een vergunning om het voorhanden te hebben. A.
  26. De verzoekende partij antwoordt dat, wanneer een vergunning wordt ingetrokken, het betrokken wapen moet worden opgeslagen bij of overgedragen aan een persoon met een erkenning of een vergunning, zonder dat die persoon een prijs moet betalen, vermits de verplichting die rust op de persoon die het wapen voorhanden heeft en zijn vergunning wordt ontnomen, inhoudt dat hij het wapen binnen de termijn zal moeten overdragen, zo niet stelt hij zich bloot aan een strafrechtelijke sanctie. Die verplichting tot afstand of overdracht die strafrechtelijk wordt bestraft, kan met een verbeurdverklaring worden gelijkgesteld. A.
  27. De Ministerraad repliceert dat, vermits de persoon wiens vergunning is ingetrokken, ervoor kan kiezen het wapen op te slaan bij of over te dragen aan een erkende persoon, hij niet ertoe verplicht is de eigendom van zijn wapen over te dragen. Het is overigens onjuist te verklaren dat de persoon aan wie het wapen is overgedragen, in de mogelijkheid zou verkeren de prijs van het wapen niet te betalen. A.
  28. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 11, § 3, 8°, van de bestreden wet, van artikel 22 van de Grondwet. Te dezen zou die bepaling inbreuk maken op het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven vermits zij, volgens de verzoeker, het voorhanden hebben van een vuurwapen slechts vergunt indien geen meerderjarige persoon samenwonend met de aanvrager zich tegen die aanvraag verzet. De verzoeker beweert dat de parlementaire voorbereiding op het vlak van die vereiste bijzonder grote leemten vertoont. A.
  29. De Ministerraad stelt vast dat het recht op het privé- en gezinsleven niet absoluut is en geen betrekking heeft op het feit voor een individu om een recreatieve activiteit met wapens uit te oefenen. Er is in elk geval geen onevenredige inmenging in dat recht, vermits het recht van verzet dat wordt toegekend aan de leden die deel uitmaken van het gezin van de aanvrager van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen precies is ingevoerd wegens het bestaan van dat gemeenschappelijke privé- en gezinsleven. A.
  30. De verzoekende partij antwoordt dat het privéleven klaarblijkelijk raakpunten heeft met het relationele leven, dat kan aansluiten bij de beoefening van een sportactiviteit. In die context is het absolute recht van verzet van de samenwonende echtgenoot, zonder enig rechtsmiddel tegen die weigering, niet evenredig met het nagestreefde doel. A.
  31. De Ministerraad repliceert dat het recht om een wapen voorhanden te hebben, geen deel uitmaakt van het recht op het privéleven. In ondergeschikte orde zou het middel alleen gegrond kunnen worden verklaard in zoverre het een automatisch verband invoert tussen het niet-gemotiveerde verzet van een meerderjarige die met de verzoeker samenwoont en de weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen. A.
  32. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 24, tweede lid, van de bestreden wet, van artikel 16 van de Grondwet. Volgens het eerste lid van de aangevochten bepaling worden de met toepassing van artikel 42 van het Strafwetboek verbeurdverklaarde wapens ter hand gesteld aan de directeur van de proefbank om te worden vernietigd. De mildering vervat in het tweede lid volgens hetwelk de voornoemde directeur kan beslissen niet over te gaan tot vernietiging wegens historische of wetenschappelijke redenen zou, enerzijds, geen enkele garantie bieden voor de toepassingsvoorwaarden ervan en voorziet, anderzijds, in geen enkele schadevergoeding voor de eigenaar van de verbeurdverklaarde wapens, wat zou neerkomen op een schending van artikel 16 van de Grondwet. A.
  33. De Ministerraad is van mening dat de persoon wiens wapen is verbeurdverklaard, geen vermomde onteigening kan aanvoeren, vermits hij door de verbeurdverklaring zijn eigendomsrecht heeft verloren; hij kan 11 de wettigheid van de beslissing van de directeur van de proefbank dus niet bekritiseren en evenmin aanspraak maken op een schadevergoeding. Bovendien is het niet omdat een wapen wordt toegevoegd aan de verzameling van een openbaar museum, van een wetenschappelijke instelling of van een politiedienst, dat het opnieuw een handelswaarde krijgt. A.
  34. De verzoeker antwoordt dat, wanneer de directeur van de proefbank beslist het verbeurdverklaarde wapen niet te vernietigen, hij dat doet omdat hij het waardevol acht. Door te worden toegevoegd aan de verzameling van een openbaar museum, van een wetenschappelijke instelling of van een politiedienst zal het wapen dus een waarde krijgen in een ander vermogen dan dat van de persoon wiens wapen is verbeurdverklaard, zonder aanleiding te geven tot enige vorm van schadeloosstelling en zonder de mogelijkheid om de beslissing van de directeur van de proefbank te bekritiseren. A.
  35. De Ministerraad repliceert dat de beslissing van de directeur van de proefbank om het wapen niet te vernietigen, maar het toe te voegen aan een verzameling, niet leidt tot de verrijking van een derde, maar tot de terbeschikkingstelling, ten behoeve van een bepaald orgaan van de Staat, van een element dat sinds de beslissing tot verbeurdverklaring deel uitmaakt van het vermogen van de Staat. A.
  36. Het zesde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 29, § 1, 1°, (lees : artikel 29, § 1, tweede lid, 1°,) van de bestreden wet, van artikel 15 van de Grondwet. De in het middel beoogde bepaling zou immers het grondwettelijke beginsel van de onschendbaarheid van de woning schenden vermits zij de federale politie, de directeur van de proefbank en de personen aangewezen door de Minister bevoegd voor economie toestaat zich te allen tijde toegang te verschaffen tot alle plaatsen waar erkende personen hun activiteiten uitoefenen. A.
  37. De Ministerraad is van mening dat de verzoeker zich vergist in de draagwijdte van de bestreden bepaling, die, zoals in de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd, niet tot doel heeft de bij artikel 15 van de Grondwet gewaarborgde onschendbaarheid van de woning te wijzigen. A.
  38. De verzoeker antwoordt dat de parlementaire voorbereiding niet volstaat om te verklaren dat de onschendbaarheid van de privéwoning is gewaarborgd, vermits de tekst zelf van de wet die waarborg niet bevat en integendeel duidelijk bepaalt dat het mogelijk is zich te allen tijde toegang te verschaffen tot alle plaatsen waar erkende personen hun activiteiten uitoefenen. A.
  39. De Ministerraad repliceert dat de bestreden bepaling op een grondwetsconforme wijze dient te worden geïnterpreteerd en dus niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat zij het bij artikel 15 van de Grondwet bepaalde grondrecht beperkt. A.
  40. Het laatste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 45, § 3, van de bestreden wet, van artikel 16 van de Grondwet. Door te bepalen dat de personen die, op de datum van inwerkingtreding van de wet, houder zijn van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen dat verboden is geworden, ertoe zijn gehouden in het daaropvolgende jaar hetzij het wapen te laten omvormen tot een niet verboden wapen of het te laten neutraliseren, hetzij ervan afstand te doen bij de lokale politie tegen een billijke vergoeding, zou artikel 45, § 3, artikel 16 van de Grondwet schenden omdat het niet voorziet in een billijke en « voorafgaande » schadeloosstelling. A.
  41. De Ministerraad herinnert eraan dat de personen die verboden wapens voorhanden hebben, teneinde zich in overeenstemming te brengen met de wet, over drie opties beschikken : ofwel het wapen neutraliseren, ofwel het overdragen aan een persoon die over een vergunning beschikt, ofwel ervan afstand doen tegen een billijke vergoeding. Door die keuze worden de personen die een verboden geworden wapen voorhanden hebben hun eigendomsrecht niet ontnomen, zodat er geen sprake is van een onteigening. A.
  42. De verzoekende partij antwoordt dat de mogelijkheden die worden geboden bij ontstentenis van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, op de eigenaar van het wapen klaarblijkelijk druk uitoefenen waardoor diens keuzevrijheid verdwijnt. Immers, het neutraliseren van het wapen beïnvloedt in grote mate de mechanische en financiële waarde van het wapen door aanpassingen van een materieel roerend goed op te leggen teneinde aan een strafrechtelijke inbreuk te kunnen ontsnappen. Die vorm van verplichting kan de eigenaar ertoe brengen ofwel afstand te doen van het wapen en in dat geval zal de vergoeding niet voorafgaandelijk zijn, ofwel het over te dragen en in dat geval zal de verkoop alleen kunnen plaatshebben onder voorwaarden die voor de eigenaar van het wapen nadelig zijn. 12 A.
  43. De Ministerraad repliceert dat de bekritiseerde bepaling in het rechtstreekse verlengde ligt van de door de wetgever vastgestelde classificatie en van de regels inzake het specifieke stelsel van het voorhanden hebben voor elke categorie van wapens. Die bepaling voorziet niet in een gedwongen eigendomsoverdracht en dus niet in een « onteigening » of een « verbeurdverklaring ». De beperkingen die de wetgever in het algemeen belang aan het eigendomsrecht heeft aangebracht, hebben overigens niet tot gevolg dat hij tot een schadeloosstelling is gehouden. Ten slotte voldoet de ingevoerde regeling aan het eigendomsrecht van de personen die wapens voorhanden hebben, vermits de personen die onder het toepassingsgebied van de bestreden bepaling vallen, beschikken over een termijn van één jaar om hun keuze in alle vrijheid te maken en, indien die keuze ertoe leidt dat afstand wordt gedaan van het wapen, zal die afstand gebeuren tegen een billijke vergoeding. In de zaak nr. 4052 A.43.
  44. Het eerste middel is gericht tegen de artikelen 5, 11 en 30, alsook tegen de woorden « behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen » van artikel 30, eerste lid. A.43.
  45. Het eerste onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de rechtszekerheid en met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de voorwaarden voor de erkenning als wapenhandelaar of tussenpersoon met elkaar in tegenspraak zouden zijn, terwijl een wetskrachtige norm, in het bijzonder wanneer die strafrechtelijk wordt bestraft, geen interne tegenstrijdigheid mag bevatten en voldoende nauwkeurig moet zijn opdat de adressaten ervan hun rechten en verplichtingen met zekerheid kunnen kennen. Die tegenstrijdigheid zou in de eerste plaats voortvloeien uit artikel 5, §§ 2 en 3, dat, enerzijds, voor het verkrijgen van de erkenning vereist dat de beroepsbekwaamheid en de financiële middelen worden aangetoond en, anderzijds, bepaalt dat de erkenning alleen kan worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. De kennis van de techniek inzake het gebruik van de wapens is overigens niet relevant voor de tussenpersoon, vermits hij niet in aanraking komt met de wapens. Bovendien, terwijl de definitie van wapenhandelaar niet uitsluit dat dit een rechtspersoon is, vloeit uit de cumulatieve voorwaarden van artikel 11 voort dat een rechtspersoon die de wapens voor beroepsdoeleinden wil verwerven, geen wapenhandelaar mag zijn. Ten slotte, aangezien de wettige redenen om het voorhanden hebben van een vuurwapen of van munitie toe te staan, de handel in wapens niet beogen, kan een wapenhandelaar niet worden toegestaan de wapens en de munitie voorhanden te hebben die hij, op grond van zijn erkenning, kan verhandelen. A.43.
  46. Het tweede onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 14, 23 en 191 van de Grondwet, in zoverre artikel 5, § 4, 6°, verbiedt om een onderdaan van een Staat die geen lid is van de Europese Unie te erkennen als wapenhandelaar of als tussenpersoon, waardoor een discriminatie in het arbeidsrecht wordt ingevoerd op grond van de nationaliteit van de aanvrager van de erkenning. Die discriminatie wordt overigens versterkt doordat artikel 30, eerste lid, de mogelijkheid van beroep tegen beslissingen betreffende onontvankelijke aanvragen opheft. A.44.
  47. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het eerste middel is de Ministerraad van mening dat artikel 5, §§ 2 en 3, geen enkele interne tegenstrijdigheid bevat, maar gewoon voorziet in een dubbele voorwaarde om de erkenning te verkrijgen. Artikel 11 regelt overigens de vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens door particulieren en kan niet in die zin worden gelezen dat het wapenhandelaars ertoe verplicht over een wettige reden te beschikken om vuurwapens en munitie voorhanden te hebben, aangezien hun erkenningen volstaan om, in het kader van hun beroep, het voorhanden hebben van wapens die zij verhandelen, te dekken. A.44.
  48. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel zet de Ministerraad uiteen dat de bekritiseerde bepaling ertoe strekt te voorkomen dat de wet wordt omzeild door de onderdanen van een Staat die geen lid is van de Europese Unie en die geneigd zouden zijn om in België te verblijven teneinde hun erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon te verkrijgen. De maatregel is evenredig, vermits er geen doeltreffend controlemiddel bestaat om te voorkomen dat de wet van haar doel zou worden afgewend. A.45.
  49. De verzoekende partijen antwoorden in verband met het eerste onderdeel van het eerste middel dat de stelling van de Ministerraad volgens welke artikel 5, §§ 2 en 3, cumulatieve voorwaarden zou invoeren, wordt tegengesproken door de tekst zelf van de bekritiseerde bepalingen. Indien een letterlijke lezing van die bepalingen ertoe leidt dat zij geen nuttige werking hebben, dan vloeit zulks voort uit de slechte opstelling ervan en dienen zij derhalve te worden vernietigd, vermits het niet-naleven ervan strafrechtelijk wordt bestraft. De 13 stelling van de Ministerraad volgens welke de voorwaarden van artikel 11 niet van toepassing zouden zijn op de wapenhandelaars of de tussenpersonen, kan evenmin worden gevolgd, vermits artikel 11, § 4, verwijst naar de rechtspersoon die wapens voor beroepsdoeleinden wenst te verwerven, wat het geval is voor een wapenhandelaar die een rechtspersoon is. A.45.
  50. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel zien de verzoekers niet in hoe de weigering van de hoedanigheid van wapenhandelaar aan de onderdanen van Staten die geen lid zijn van de Europese Unie zou toelaten te voorkomen dat de wet van haar doel wordt afgewend. A.
  51. De Ministerraad repliceert dat artikel 5, §§ 2 en 3, tegemoetkomt aan de wil van de wetgever om de aanvragers van een erkenning te onderwerpen aan voorwaarden op het vlak van « bekwaamheid » (artikel 5, § 2), in een context van het « veilig stellen » van de markt (artikel 5, § 3) : een aanvrager die voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 2 kan de toekenning van de erkenning dus worden geweigerd wanneer daartoe redenen in verband met de openbare orde bestaan. De wapenhandelaars en de tussenpersonen worden overigens erkend en onderscheiden zich fundamenteel van de « rechtspersonen die wapens om beroepsdoeleinden wensen te verwerven » bedoeld in artikel 11 en die niet als wapenhandelaar of tussenpersoon zijn erkend en dat evenmin beogen. A.47.
  52. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 14, 16, 17, 26 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33 en 105 van de Grondwet, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. A.47.
  53. Dat middel bekritiseert in de eerste plaats artikel 6, in zoverre het de verzamelaar en de conservator van musea met minder dan tien wapens ertoe verplicht voor elk wapen een vergunning te verkrijgen onder voorwaarden die niet relevant zijn en die onevenredige gevolgen hebben, vermits die personen geen gebruik willen maken van die wapens. Het verbod voor de verzamelaar om de wapens die hij voorhanden heeft, zelfs die zonder munitie, te verplaatsen (artikel 21), beperkt de rechten van de verzamelaar op onnodige wijze, gelet op de veiligheidsmaatregelen die voor het verplaatsen van de wapens bestaan. A.47.
  54. Door de Koning ertoe te machtigen de grondvoorwaarden te bepalen waaraan de verzameling is onderworpen, alsook de voorwaarden inzake de toekenning van de documenten bepaald in de wet, die onder het strafrecht valt, discrimineren de artikelen 6 en 35 de verzamelaars, met schending van het wettigheidsbeginsel en het beginsel van de rechtszekerheid. Overigens schendt artikel 6, door te voorzien in een afwijkende regeling voor de « bijzondere erkenningen » die in de wet nergens worden gedefinieerd, en door de Koning ertoe te machtigen de voorwaarden te bepalen voor het toekennen van die « bijzondere erkenningen », tevens het beginsel van de strafrechtelijke wettigheid. De begrippen « historische wapens » (artikel 11, § 3, 9°, e)), « recreatief schieten » (artikel 11, § 3, 9°, b)), « wettige reden » voor de wapendracht (artikelen 14 en 15) en « opslaan » van vuurwapens of munitie (artikel 16) worden evenmin gedefinieerd in de wet, die onder het strafrecht valt, waardoor het beginsel van de wettigheid van het strafrecht wordt geschonden. A.47.
  55. Door de erfenis niet op te nemen als een wettige reden voor het voorhanden hebben van een wapen, zorgt artikel 11 ervoor dat de vergunningsplichtige wapens niet via de nalatenschap kunnen worden overgedragen, wat een wezenlijke aantasting van het eigendomsrecht vormt, vermits de erfgenamen van een vergunningsplichtig wapen die het niet actief gebruiken en die het niet onbruikbaar willen maken, het niet willen verkopen of geen afstand ervan willen doen, een wettige reden voor het verkrijgen van de vergunning moeten aanvoeren, zoals het beoefenen van de schietsport, zodat zij in hun rechten inzake het voorhanden hebben en het genot van het wapen worden gediscrimineerd. Hun recht om zich niet te verenigen is eveneens geschonden, vermits het enige alternatief voor de schending van hun eigendomsrecht erin bestaat zich aan te sluiten bij een vereniging van sportschutters om een activiteit te beoefenen die zij niet wensen te beoefenen. A.47.
  56. Ten slotte maakt de regularisatieregeling waarin de artikelen 44 en 45 voorzien, het de eigenaar van een wapen die het onder de gelding van de vroegere wet op wettige wijze voorhanden had, niet mogelijk het verder voorhanden te hebben zonder het te laten ombouwen, het over te dragen of afstand ervan te doen. 14 Bovendien wordt de evaluatie van de schadevergoeding volledig overgelaten aan het oordeel van de minister van Justitie, terwijl de criteria voor de billijke en voorafgaande schadevergoeding bij de wet moeten worden bepaald. A.48.
  57. De Ministerraad stelt vast dat de vuurwapens die onbruikbaar zijn gemaakt, niet vergunningsplichtig zijn, zodat de verzamelaars en musea, indien zij de wapens die zij tentoonstellen onbruikbaar maken, een verzameling kunnen aanleggen van « vrij verkrijgbare » wapens zonder te moeten voldoen aan enige voorwaarde om een vergunning te verkrijgen tot het voorhanden hebben van de wapens. Voor het overige is het niet discriminerend dat verzamelaars en musea voldoen aan dezelfde voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning tot het voorhanden hebben van wapens als de andere personen die wapens voorhanden hebben : het gevaar dat bestaat wanneer vuurwapens aanwezig zijn, is immers hetzelfde, zodat het verantwoord is de geschiktheid te vereisen om wapens te hanteren; van de verzamelaar, die in contact staat met het « milieu » van de wapens, kan overigens worden verlangd dat hij de wapenreglementering kent; ten slotte volstaat het feit dat hij geen gebruik wil maken van de wapens die hij bewaart, niet om de verzamelaar vrij te stellen van het bewijs dat hij voldoet aan de voorwaarden om een vergunning te verkrijgen. Ten aanzien van het verbod voor een verzamelaar om de wapens te verplaatsen die hij op onwettige wijze voorhanden heeft, is de Ministerraad van mening dat het feit dat een maatregel niet noodzakelijk is, op zich geen vernietigingsgrond vormt. A.48.
  58. De door de verzoekers bekritiseerde begrippen zijn niet onvoorzienbaar. Het begrip « historische wapens », dat op uniforme wijze zal worden gedefinieerd door de Koning wanneer Hij artikel 6, § 1, zal uitvoeren, is immers niet onnauwkeurig, vermits de wetgever heeft gewild dat de verzameling steunt op een project van historisch belang in de ruime zin. Overigens, gelet op de regeling inzake de voorafgaande vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, zal de verzamelaar pas strafrechtelijk strafbaar zijn wanneer hij geen stappen onderneemt om zijn situatie te regulariseren en niet louter wegens de onnauwkeurigheid van het begrip « historische wapens ». De verkrijgers van « bijzondere erkenningen » zijn personen die geen wapenhandelaar of tussenpersoon zijn en geen wettige reden voorleggen om een vergunning te verkrijgen, maar door hun beroep ertoe gebracht zijn wapens voorhanden te hebben. Het betreft bijvoorbeeld de regisseurs van films of stuntmannen. De wetgever heeft het de Koning aldus mogelijk gemaakt de voorwaarden voor die bijzondere erkenningen vast te stellen volgens de bijzondere kenmerken van de activiteit van die personen. De « wettige reden » voor het dragen van wapens dient te worden beoordeeld rekening houdend met de wettige reden van de erkenning tot het voorhanden hebben van vuurwapens (artikel 15) of met de voorwaarden die zijn vastgesteld in de wapendrachtvergunning zelf (artikel 14). Het is in elk geval de strafrechter die als enige over het bestaan van die reden zal oordelen. Ten slotte is het opslaan van wapens « impliciet gedefinieerd in artikel 16 zelf, waarbij wordt verwezen naar het ‘ opslaan ’ van één of meerdere wapens ». De wetgever heeft niet gewild dat de personen die wapens opslaan, een voorafgaande vergunning moeten verkrijgen. A.48.
  59. De Ministerraad ziet niet in hoe de nalatenschap een wettige reden had moeten vormen, gelet op het door de wetgever nagestreefde doel van openbare veiligheid. De persoon die een wapen voorhanden heeft, moet overigens een bestaande wettige reden aantonen om zijn wapen voorhanden te hebben, wat niet het geval is voor de persoon die een wapen erft. Ook al zou afbreuk zijn gedaan aan het eigendomsrecht, quod non, dan nog is die aantasting verantwoord door een reden van openbare veiligheid en beschikt de erfgenaam over alternatieven (het wapen onbruikbaar maken, ervan afstand doen, het verkopen of het overdragen), die dus een werkelijke bevoegdheid aantonen om een beslissing te nemen en zijn eigendomsrecht uit te oefenen. A.48.
  60. Ten slotte is er geen aantasting van het eigendomsrecht van de personen die wapens voorhanden hebben en die een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen vrij kunnen aanvragen overeenkomstig de nieuwe wetgeving en intussen aanspraak kunnen maken op de gedoogperiode van zes maanden die bij ministeriële omzendbrief is ingevoerd of het wapen kunnen toevertrouwen aan een persoon met een vergunning in afwachting dat zij de vergunning verkrijgen. Ten slotte is het niet omdat zij niet beschikken over een « nieuwe » vergunning tot het voorhanden hebben van wapens dat de personen die wapens voorhanden hebben, ertoe verplicht zullen zijn afstand ervan te doen tegen een billijke vergoeding. A.49.
  61. De verzoekende partijen antwoorden dat hun kritiek betrekking heeft op de vergunningsplichtige wapens en niet op de vrij verkrijgbare wapens waarnaar de Ministerraad verwijst. De wet had een onderscheid 15 moeten maken naargelang de vergunning tot het voorhanden hebben van wapens al dan niet de munitie omvat. Sommige verzamelaars riskeren aldus vroeg of laat de vergunning tot het voorhanden hebben van wapens te worden geweigerd en hun goederen te worden ontnomen, om reden dat zij niet meer geschikt zijn om wapens af te vuren, terwijl zij niet of niet meer met wapens schieten en zij dus geen enkel gevaar vormen. Het eigendomsrecht wordt aldus voor de personen op wie artikel 11 betrekking heeft, een in de tijd beperkt recht. Ten slotte is er geen enkele verantwoording voor het beperken van het grondrecht van de verzamelaars om zich vrij te verplaatsen met een wapen dat zij op wettige wijze voorhanden hebben, ook al is het niet geladen. A.49.
  62. Overwegende dat het begrip « historische wapens » door de Koning zal worden gepreciseerd, erkent de Ministerraad dat de wet op zich onvoldoende nauwkeurig is. Het is overigens niet altijd duidelijk in welke situatie de voorafgaande vergunning vereist is. De Ministerraad kan alleen maar speculeren over het toepassingsgebied van de « bijzondere erkenningen », waarvan de invoering niet kan worden verantwoord, zoals de Ministerraad beweert, door de wil om een « vergunning » van minder dan vijf jaar in te voeren, vermits de geldigheidsduur van een vergunning hoogstens vijf jaar is. De wettige reden voor de wapendracht, die losstaat van de vergunning tot het voorhanden hebben van wapens, kan niet worden geacht identiek te zijn met de wettige reden die wordt bedoeld in artikel 11, § 3, en dient bijgevolg te worden gedefinieerd door de wet, wat niet het geval is, wat dus tot willekeur kan leiden. Vermits in geen enkele voorafgaande opslagvergunning is voorzien, is het ten slotte de bezitter van meerdere wapens of munitie die zelf zal moeten bepalen of hij « opslaat » en bijgevolg zelf de voor hem geldende verplichtingen zal moeten bepalen, zo niet wordt hij strafrechtelijk bestraft. A.49.
  63. Het eigendomsrecht en de band tussen de overledene en de erfgenaam van een wapen zouden moeten volstaan opdat de nalatenschap een wettige reden voor het voorhanden hebben van een wapen vormt, aangezien andere voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen volstaan om vast te stellen dat er geen onveiligheidsgevaar bestaat. De wet strekt ertoe de erfgenamen het geërfde wapen te ontnemen, door uit te gaan van een vermoeden van misdadigheid ten aanzien van iedere persoon die een wapen voorhanden heeft. Ten slotte wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet zelf toegegeven dat na het neutraliseren van een wapen, alleen nog « een stuk ijzer » overblijft. A.49.
  64. In tegenstelling tot wat de Ministerraad verklaart, zal de persoon die voorheen een wapen op wettige wijze voorhanden had en niet in staat is een vergunning te verkrijgen, ten slotte zonder enige overgangsmaatregel ertoe worden verplicht het om te bouwen of ervan afstand te doen. A.
  65. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33 en 105 van de Grondwet. Het is gericht tegen de artikelen 14 en 32, in zoverre die artikelen zonder objectieve en redelijke verantwoording voorzien in verschillende geldigheidstermijnen voor de bij de wet bepaalde vergunningen en erkenningen. Daar de wet maximumtermijnen vermeldt, beschikken de gouverneurs overigens over een beoordelingsbevoegdheid die discriminerende behandelingen mogelijk maakt. A.
  66. De Ministerraad is van mening dat er geen enkele reden is om

(1)de wapenhandelaars en tussenpersonen,
(2)de verzamelaars, musea, personen die vergunningsplichtige wapens voorhanden hebben, uitbaters van schietstanden en vervoerders van wapens en
(3)de houders van wapendrachtvergunningen identiek te behandelen wat de geldigheidsduur van de vergunningen betreft. Die personen bevinden zich immers niet in identieke situaties en de voorwaarden voor het verkrijgen van hun titel zijn verschillend. Ten slotte beschikt de gouverneur niet over een discretionaire bevoegdheid om de duur van de erkenningen en vergunningen vast te stellen, vermits hij, wanneer is voldaan aan de voorwaarden waarin de artikelen 5 en 11 respectievelijk voorzien, de erkenning of de vergunning voor de maximale geldigheidsduur toekent en de duur ervan alleen zal kunnen beperken om redenen die rechtstreeks verband houden met de in de voormelde artikelen bepaalde voorwaarden. A.
  1. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad geen enkele verantwoording geeft in verband met het verschil in behandeling ten aanzien van de geldigheid van de termijnen en dat het niet aan hen staat de vergelijkbaarheid van de situaties aan te tonen. Noch de tekst van de wet, noch de parlementaire voorbereiding maken het overigens mogelijk te verklaren dat de vergunningen voor een maximale geldigheidsduur zouden moeten worden uitgereikt. Ten slotte verantwoordt niets de tot vijf jaar beperkte 16 geldigheidsduur van de vergunningen tot het voorhanden hebben van een wapen en staat het geenszins vast dat het wapenbezit werkelijk een sociaal gevaar vormt. In de zaak nr. 4087 A.
  2. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 12, eerste lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Door het « voorhanden hebben » van een vergunningsplichtig wapen te verbieden, zonder te preciseren of het « voorhanden hebben » een toestand van eigendom, bezit of een eenvoudige feitelijke situatie beoogt, schenden de artikelen 11, § 1, en 23 het beginsel van de materiële wettigheid inzake strafzaken, dat vereist dat strafrechtelijke vervolgingen steunen op een voldoende duidelijke strafbaarstelling, die het de rechtzoekende mogelijk maakt zijn gedrag vooraf aan te passen aan de wetskrachtige norm. A.
  3. De Ministerraad herinnert eraan dat de term « voorhanden hebben » reeds is gebruikt in de wet van 3 januari 1933, zodat de draagwijdte van de term « voorhanden hebben » in de context van de wapenwet bekend is. Voor het overige is de term « voorhanden hebben » niet onduidelijk, vermits hij moet worden geïnterpreteerd in het licht van het doel van het algemeen belang van de openbare veiligheid, waarnaar de wetgever streeft : het verboden « voorhanden hebben » houdt dus niet noodzakelijk en rechtstreeks verband met de eigendom van het wapen, maar beoogt de werkelijke beheersing van een wapen. A.
  4. De verzoekende partij herinnert eraan dat de wetgever geen gebruik maakt van het juridisch begrip « bezit », maar van het begrip « voorhanden hebben », waaraan hij strafrechtelijke sancties koppelt, zodat de verwijzing naar het begrip « bezit » om het middel te weerleggen niet relevant is, maar integendeel de verwarring rond de begrippen illustreert. A.
  5. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de artikelen 11, § 3, 9°, en 11, § 4, voor het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie een wettige reden vereisen, op dezelfde wijze als dat wordt verlangd van de personen die eveneens munitie voorhanden wensen te hebben, terwijl de opgesomde wettige redenen niet zijn aangepast aan de wapens zonder munitie, die nochtans minder gevaarlijk zijn dan de wapens met munitie. Immers, de enige wettige reden voor het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie is het voornemen een verzameling van historische wapens te vormen of aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten deel te nemen. De lijst van wettige redenen had moeten worden aangepast voor de aanvragers van een vergunning voor wapens zonder munitie. A.
  6. De Ministerraad stelt vast dat de verzoeker personen met elkaar vergelijkt die a priori worden geacht onder een en dezelfde categorie te vallen, namelijk die van de aanvragers van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, en die bijgevolg a priori op dezelfde wijze moeten worden behandeld. In tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, worden de aanvragers van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen zonder munitie echter niet op dezelfde wijze behandeld als de aanvragers van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen met munitie, vermits de eerstgenoemden op grond van artikel 11, § 3, 7°, niet zijn onderworpen aan de praktische proef : de wetgever heeft dus rekening ermee gehouden dat sommige aanvragers geen geladen wapens zullen hanteren. A.
  7. De verzoeker antwoordt dat de wetgever zelf zich ervan bewust was dat er verschillen bestaan tussen de in het middel beoogde categorieën van personen, vermits artikel 11, § 4, rekening heeft gehouden met een aantal « subcategorieën ». Hoewel de aanvragers van een vergunning tot het voorhanden hebben van wapens zonder munitie zijn vrijgesteld van het praktische gedeelte van de proef, moeten zij echter aantonen dat zij geschikt zijn om het wapen te hanteren zonder gevaar voor henzelf of voor anderen, en een wettige reden aantonen, terwijl die voorwaarden voor hen absoluut niet relevant en onevenredig zijn. Dezelfde redenering geldt mutatis mutandis voor de identieke behandeling van de aanvragers van een vergunning voor niet-vuurwapens, die onmiddellijk bruikbaar zijn, en de aanvragers van een vergunning voor vuurwapens zonder munitie, die per hypothese onbruikbaar zijn en geen gevaar inhouden. A.
  8. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de artikelen 17 en 18 een onverantwoord verschil zouden invoeren tussen, enerzijds, de overgangsregeling voor de 17 personen die wapens voorhanden hebben die vergunningsplichtig zijn geworden op grond van een koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 3, § 3, 2°, en, anderzijds, de aanzienlijk verschillende reglementering voor de personen die, op basis van een andere oorzaak buiten hun wil, zoals een erfenis, onverwachts in een situatie komen waarin zij een vergunningsplichtig wapen voorhanden hebben. Personen die « onverhoeds » aan een vergunningsplicht worden onderworpen, vallen aldus zonder enige verantwoording onder reglementeringen met zeer verschillende gevolgen. A.
  9. De Ministerraad stelt vast dat de verzoeker zich vergist in de draagwijdte van artikel 17, dat zich ertoe beperkt te voorzien in de kosteloosheid van de vergunning voor de persoon wiens wapen bij koninklijk besluit vergunningsplichtig wordt, zonder te voorzien in een automatisme wat de toekenning van de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen betreft. Die personen worden op dezelfde wijze behandeld als diegenen die na een erfenis een vergunningsplichtig wapen voorhanden hebben. A.
  10. De verzoeker antwoordt dat, indien artikel 17 van de wet van 8 juni 2006 zich ertoe zou beperken te voorzien in de kosteloosheid van de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, zonder de verplichting om die vergunning toe te kennen, zoals de Ministerraad dat artikel interpreteert, die bepaling dan overbodig zou zijn ten opzichte van artikel 11, dat eveneens van toepassing zou moeten worden op de in het middel beoogde personen. A.
  11. Het vierde middel, gericht tegen de artikelen 11, 45 en 48, tweede lid, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoeker zou de persoon, indien hij bijvoorbeeld na een erfenis een vergunningsplichtig wapen voorhanden heeft zonder te voldoen aan de voorwaarden van die vergunning, in de praktijk kunnen kiezen tussen strafrechtelijke vervolgingen of een onteigening zonder schadeloosstelling : hij zal immers, teneinde strafrechtelijke sancties te ontlopen, het wapen ofwel zo snel mogelijk verkopen, waardoor hij verkeert in een nadelige positie om de prijs te bepalen, ofwel het neutraliseren, wat een vrijwel totaal verlies van de economische waarde ervan met zich meebrengt, ofwel de eigendom ervan overdragen aan de overheid, zonder de minste compensatie. Die aantasting van het eigendomsrecht is niet evenredig. Ten aanzien van de Britse wetgeving inzake vuurwapens heeft precies het bestaan van een billijke compensatie het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ertoe gebracht te besluiten dat artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag niet was geschonden. A.
  12. De Ministerraad is van mening dat de verzoeker zich vergist in de draagwijdte van artikel 45, dat geen betrekking heeft op het voorhanden hebben van vergunningsplichtige wapens onder de bij artikel 11 bepaalde voorwaarden, maar op het voorhanden hebben van verboden wapens, waarvoor vooraf geen enkele vergunning kan worden toegekend aan een particulier. Diegene die een verboden wapen erft, wordt dus niet in grotere mate gediscrimineerd dan iedere persoon die een verboden wapen voorhanden heeft en die beschikt over een redelijke termijn om zich in overeenstemming te brengen met de wet, door te kiezen voor een van de door de wetgever bepaalde alternatieven. Die alternatieven zijn evenredig met het door de wetgever nagestreefde doel : enerzijds, zou het onevenredig zijn een schadevergoeding toe te kennen voor het afstand doen van een wapen dat voordien reeds verboden was; anderzijds, is het niet onevenredig om diegene die een automatisch vuurwapen of een verboden wapen voorhanden heeft, een termijn van één jaar toe te kennen om zijn alternatief te kiezen, waarvan slechts één een « eigendomsberoving » zonder billijke en voorafgaande vergoeding vormt, en indien hij ervoor kiest afstand te doen van het wapen bij zijn lokale politie, kan worden verondersteld dat hij dat met kennis van zaken doet en dat het dus geen onteigening is. A.
  13. De verzoekende partij antwoordt dat er geen verschil is tussen de eigenaar van een verboden wapen en de eigenaar van een vergunningsplichtig wapen die niet kan voldoen aan de strikte voorwaarden betreffende de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen : zij zullen ofwel afstand ervan moeten doen, ofwel het moeten laten neutraliseren, waardoor het zijn waarde verliest. Met dat probleem is overigens reeds rekening gehouden in de parlementaire voorbereiding van de wet van 9 januari 2007, waar men heeft gepleit voor de mogelijkheid om de vuurwapens onbruikbaar te maken door een omkeerbare procedure, zodat zij hun waarde niet integraal verliezen. De Ministerraad geeft overigens toe dat de afstand (maar ook de neutralisatie) kan leiden tot een vorm van vrijheidsberoving, waarbij toch sprake is van een « billijke vergoeding », waarvan de wettelijke grondslag echter zeer vaag is. 18 In de zaak nr. 4088 A.
  14. De verzoekende partijen preciseren dat zij in hoofdorde de vernietiging van de wet in haar geheel vorderen, daar de vernietiging van de bestreden bijzondere bepalingen de algemene economie van de wet in het gedrang zou kunnen brengen; in ondergeschikte orde vorderen zij de vernietiging van enkel die bijzondere bepalingen. A.
  15. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 44, § 2, tweede lid, in zoverre het een overgangsperiode zou invoeren die verschilt naargelang het betrokken vuurwapen al dan niet vóór 1 januari 2006 werd verworven : indien het na die datum werd verworven, zal de vergunning slechts voor een duur van één jaar worden toegekend, terwijl zij in het andere geval voor een duur van vijf jaar zou kunnen worden toegekend. Die « verdachte » periode steunt aldus op een dubbel vermoeden volgens hetwelk alle burgers op de hoogte waren van de indiening van een wapenwet en alle personen die dat wapen na 1 januari 2006 hebben verworven, dat hebben gedaan teneinde aan de toekomstige toepassing van de wet te ontsnappen. Dat vermoeden is echter niet gegrond en heeft onevenredige gevolgen. Bovendien is de datum van 1 januari 2006 niet pertinent, vermits het oorspronkelijke wetsontwerp is ingediend op 7 februari
  16. A.
  17. De Ministerraad voert aan dat de invoering van de « verdachte » periode tot doel had rekening te houden met een objectief vastgestelde werkelijkheid, namelijk de stijging van de verkoop van wapens begin 2006, teneinde de soepelere vroegere reglementering te genieten. Dat doel van openbare veiligheid heeft ertoe geleid rekening te houden met de datum van 1 januari 2006 als criterium van onderscheid, namelijk de eerste dag van een kalenderjaar, keuze die niet onredelijk, noch willekeurig is, tenzij wordt beschouwd dat zulks het geval is voor elke datum die in een wetgeving wordt opgenomen. A.
  18. De verzoekers antwoorden dat het niet volstaat te verwijzen naar de dag van het jaar om de relevantie van de gemaakte keuze aan te tonen. Vermoeden dat de aankopen tussen de indiening van het wetsontwerp en de bekendmaking ervan uitgaan van de wil om aan de toekomstige wetgeving te ontsnappen, geeft blijk van een uit de lucht gegrepen veronderstelling en heeft onevenredige gevolgen voor de persoon die op 1 januari 2006 een niet- vergunningsplichtig wapen verwerft dat hem reeds na één jaar kan worden ontnomen. A.
  19. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet door de artikelen 2, 9°, en 9, in zoverre zij het alleen mogelijk maken een vrij verkrijgbaar wapen te dragen, waaronder de namaakwapens, wanneer een « wettige reden » wordt aangevoerd. Die « wettige reden » voor het dragen van vrij verkrijgbare wapens bedoeld in artikel 9 komt echter bovenop de « wettige reden » voor het voorhanden hebben van een vuurwapen waarin artikel 11, § 3, voorziet en is niet gedefinieerd, terwijl de schending van die bepaling strafrechtelijk wordt bestraft. Bovendien wordt het bewijs van die wettige reden vereist voor een namaakwapen, dat dus niet kan worden afgevuurd, wat volkomen onbegrijpelijk is. A.
  20. De Ministerraad stelt vast dat de verzoekers geen enkele grief formuleren tegen artikel 2, 9°, van de wet, dat zich ertoe beperkt de namaakwapens te definiëren, die vrij verkrijgbaar zijn en dus niet onder het toepassingsgebied van artikel 11, § 3, vallen, artikel dat de vergunningsplichtige wapens beoogt. Het bekritiseerde artikel 9 beperkt zich ertoe een wettige reden te vereisen voor het dragen van een namaakwapen, zonder dat enige voorafgaande vergunning wordt vereist; de voorwaarden voor het dragen van wapens zijn dus niet vergelijkbaar met de voorwaarden voor het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen, waarin artikel 11, § 3, voorziet. A.
  21. De verzoekers antwoorden dat de Ministerraad niet uitlegt waarom het dragen van een voorwerp waarmee geen enkel projectiel kan worden afgevuurd, is onderworpen aan een wettige reden. Om aan artikel 9 een betekenis te geven, dient dus te worden besloten dat de wettige reden voor het dragen van een wapen, verschilt van die om het voorhanden te hebben; die wettige reden wordt echter nergens gepreciseerd, terwijl de niet-naleving van artikel 9 strafrechtelijk wordt bestraft. A.
  22. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 27, § 3, in zoverre die bepaling het de erkende verzamelaars en musea mogelijk maakt automatische vuurwapens te kopen, in te voeren en voorhanden te hebben, op voorwaarde dat zij de slagpin eruit halen en ze bewaren op de wijze bepaald door de Koning, zonder dat die mogelijkheid wordt geboden aan de houders van een vergunning tot het voorhanden hebben van wapens of tot het opslaan van wapens zonder munitie. Dat verschil in behandeling berust 19 op een criterium dat niet objectief is (vermits het verwijderen van de slagpin niet tot gevolg heeft dat het wapen definitief geneutraliseerd is) en heeft onevenredige gevolgen. A.
  23. De Ministerraad is van mening dat de houders van een vergunning tot het voorhanden hebben of opslaan van wapens zonder munitie niet vergelijkbaar zijn met de erkende verzamelaars en musea, wat de aankoop, de invoer en het voorhanden hebben van automatische vuurwapens betreft waarvan de slagpin is verwijderd. A.
  24. De verzoekers antwoorden dat de Ministerraad niet uitlegt waarom de in het middel beoogde categorieën van personen niet met elkaar vergelijkbaar zijn, vermits het gaat om houders van vergunningen voor dezelfde wapens in dezelfde omstandigheden, namelijk zonder munitie. A.
  25. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 37, in zoverre die bepaling voorziet in de samenstelling van de Adviesraad voor wapens, zonder een vertegenwoordiger op te nemen van, enerzijds, de burgers die liefhebber van wapens maar geen verzamelaar, sportschutter of jager zijn en, anderzijds, van de Duitstalige burgers van België, terwijl die personen kunnen vallen onder het toepassingsgebied van de wapenwet, zonder hun belangen te kunnen doen gelden binnen de Adviesraad voor wapens. A.
  26. De Ministerraad herinnert eraan dat de wetgever niet ertoe gehouden is een adviesraad in te voeren zoals de Adviesraad voor wapens en wanneer hij dat doet, benadert hij de werkelijkheid door middel van vereenvoudigde categorieën : de belangen van de « gewone burgers die liefhebber van wapens zijn » zullen zeker samenvallen met die van de verzamelaars, de sportschutters of de jagers. Overigens, de samenstelling van de Adviesraad sluit geen Duitstalige vertegenwoordiger uit, vermits het vaststaat dat, aangezien de jacht onder de gewestbevoegdheden valt, de verwijzing naar de « Franstalige vertegenwoordiger van de jacht » in werkelijkheid verwijst naar de « vertegenwoordiger van de jacht in het Waalse Gewest ». A.
  27. De verzoekers antwoorden dat de belangen van de gewone burgers die liefhebber zijn, niet samenvallen met die van de verzamelaars, sportschutters of jagers, vermits sommige rechten zijn voorbehouden aan de personen die beantwoorden aan de wettelijke definities van verzamelaar, sportschutter of jager. Het zou overigens niet moeilijk zijn geweest een Duitstalige toe te voegen aan de 21 leden van de Adviesraad en er kan niet worden beschouwd dat geen rekening moet worden gehouden met de belangen van de Duitstaligen om de enige reden dat zij niet talrijk zijn. De verwijzing naar de regionalisering van de jacht door de Ministerraad is evenmin pertinent : niet alleen zijn de jagers niet de enigen op wie de bestreden wet betrekking heeft, maar bovendien is het perfect mogelijk dat de Franstalige vertegenwoordiger van de jacht een Franstalige Brusselaar is, die niet op de hoogte is van de specifieke problemen van de Duitstaligen van België. In de zaak nr. 4089 A.
  28. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre artikel 3, § 3, 1°, « alle overige vuurwapens » als vergunningsplichtige wapens beschouwt, waardoor ook, zoals wordt bevestigd in de omzendbrief van 8 juni 2006, de jacht- en sportwapens worden beoogd, terwijl sport en het openluchtleven vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschappen. A.
  29. De Ministerraad verwijst naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en herinnert eraan dat de restbevoegdheid van de federale overheid inzake veiligheid inhoudt dat zij bevoegd is om een reglementering betreffende wapens uit te werken, met inbegrip van de voorwaarden voor het voorhanden hebben en het gebruik ervan, waarbij de gemeenschappen en de gewesten vrij blijven om de specifieke aspecten te regelen van de aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen. Door de voor de schietsport aangewende wapens onder de vergunningsplichtige wapens te rekenen, schendt de federale wetgever de bevoegdheid van de gemeenschappen niet, die de sportieve activiteit met die wapens kunnen reglementeren en niet de classificatie of de wijze waarop die voorhanden zijn. Bovendien heeft de wetgever zijn bevoegdheid niet overschreden, vermits hij uitdrukkelijk heeft bepaald dat de hoedanigheid van sportschutter een wettige reden is voor het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen. A.
  30. De verzoeker stelt vast dat geen enkele tekst die bevoegdheid aan de federale wetgever toekent, terwijl de bevoegdheid inzake sport in openlucht een exclusieve bevoegdheid van de gemeenschappen is, die de organisatie 20 en de reglementering met betrekking tot alle aspecten ervan omvat, met inbegrip van de desbetreffende restbevoegdheden. In het tegenovergestelde geval zou de bijzondere wetgever dat hebben gepreciseerd, zoals hij dat heeft gedaan in verband met de bevoegdheid van de gewesten inzake de jacht. De bestreden bepaling zou bijgevolg moeten worden aangevuld door een zinsdeel waarin wordt gepreciseerd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten inzake lichamelijke opvoeding, sport en het openluchtleven, enerzijds, en de jacht, anderzijds. Bij ontstentenis van een dergelijke precisering zou de bestreden bepaling moeten worden vernietigd en vervangen door een exhaustieve nomenclatuur van de wapens waarvan de reglementering onder de bevoegdheid van de wetgever ressorteert. A.
  31. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 17 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van vrijheid van handel en nijverheid, evenredigheid en rechtszekerheid. Door te verbieden een vergunningsplichtig vuurwapen te verkopen of over te dragen aan een persoon zonder erkenning of vergunning, zouden de artikelen 10 en 49, tweede lid, de vrijheid van de verzoeker beperken om zijn jachtgeweren te verkopen of over te dragen aan de persoon van zijn keuze, waardoor hij zou worden gediscrimineerd, temeer omdat de wapens met een folkloristische, historische of decoratieve waarde zoals gedefinieerd door de Koning, als vrij verkrijgbare wapens worden beschouwd, tenzij zij buiten het kader van folkloristische of historische manifestaties voor het schieten zijn bestemd (artikel 3, § 2, 2°). A.
  32. De Ministerraad stelt in de eerste plaats vast dat het niet discriminerend is de personen die vrij verkrijgbare wapens voorhanden hebben anders te behandelen dan de personen die vergunningsplichtige wapens voorhanden hebben, daar die categorieën van personen niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Voor het overige is het coherent dat diegene die een vergunningsplichtig wapen voorhanden heeft, het alleen kan overdragen aan een persoon die over die vergunning beschikt. Indien de wetgever niet had voorzien in voorwaarden voor de overdracht van de vergunningsplichtige wapens, zou hij op onvolmaakte wijze wetgevend zijn opgetreden. A.
  33. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 17 van de Grondwet, alsook van de algemene beginselen van de evenredigheid, van de niet-retroactiviteit van de wetten en van het recht op rechtszekerheid, indien wordt geïnterpreteerd dat de in artikel 44, § 2, bedoelde vergunning beperkt is tot vijf jaar. De artikelen 11, 32, tweede lid, en 44, § 2, zouden aldus een bijzonder onzekere regeling invoeren door het voorhanden hebben van wapens onmiddellijk te onderwerpen aan een in de tijd beperkte vergunning tot het voorhanden hebben van wapens, waardoor een wettige reden dient te worden aangetoond, zonder het geval van de sportschutters en de jagers te beogen die hun activiteiten hebben stopgezet. De verbeurdverklaring die daaruit zou kunnen voortvloeien, zou aldus in strijd zijn met de rechten die definitief zijn verworven onder de gelding van de vroegere wetgeving (regelmatig voorhanden hebben gedurende dertig jaar) en zou kunnen worden gelijkgesteld met een onverantwoorde onteigening zonder een billijke en voorafgaande schadevergoeding die door een expertise op tegenspraak wordt vastgesteld. A.
  34. De Ministerraad herinnert eraan dat de jager of de sportschutter doet blijken van een wettige reden zolang hun activiteit of hun erkenning in een van die hoedanigheden voortduurt. Vermits is bepaald dat de vergunningen worden toegekend voor een beperkte duur, zijn de houders van de vergunningen perfect op de hoogte van het feit dat hun vergunning kan worden geschorst, ingetrokken of mogelijk niet wordt verlengd indien zij niet langer voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, zodat de rechtszekerheid niet is aangetast. De wetgever kan overigens niet het loutere feit worden verweten dat hij een vroegere wettige situatie wijzigt. Door de vergunningen van onbeperkte duur op te heffen, streefde de wetgever het gewettigd doel van openbare veiligheid na door het mogelijk te maken de wapens beter te kunnen opsporen en de personen die wapens voorhanden hebben en derden een grotere veiligheid te bieden : er is bijgevolg geen enkele aantasting van de beginselen van gelijkheid en evenredigheid. A.85.
  35. De verzoeker antwoordt dat hij de nieuwe wetgeving alleen bekritiseert in de interpretatie die de regering eraan geeft in de omzendbrieven die het toepassingsgebied van de wet op onrechtmatige wijze uitbreiden door een vorm van verbeurdverklaring of onteigening te trachten te regelen van de wapens die de eigenaars ervan zonder vergunning op regelmatige wijze voorhanden hadden. A.85.
  36. Daarnaast schenden de overgangsbepalingen eveneens het niet-discriminatiebeginsel door geen duidelijk onderscheid te maken tussen de misdadige situaties en de volkomen wettige situaties. Vermits de tekst van artikel 44, § 2, tweede lid, voor de eigenaar van een wapen dat hij tot nu toe zonder vergunning op regelmatige wijze voorhanden heeft gehad, slechts de verplichting oplegt om het wapen aan te geven, waarna de vergunning 21 automatisch op onherroepelijke wijze en zonder beperking in de tijd wordt toegekend, is de ministeriële omzendbrief die de vergunning tot vijf jaar beperkt dus onrechtmatig en schendt hij zowel de wet als de Grondwet. Indien de betekenis van artikel 44 dezelfde moest zijn als die van de omzendbrief, zou de wetgever ertoe gehouden zijn een procedure te regelen voor de schadeloosstelling van de onteigende eigenaars. Ten slotte zou het wenselijk zijn te preciseren dat de overgangsbepalingen uitdrukkelijk afwijken van de artikelen 10 en 11 van de wapenwet, vermits zij het begrip van de aangifte met de automatische toekenning van een in de tijd onbeperkte vergunning vervangen door het begrip « voorafgaande vergunning ». In de zaak nr. 4091 A.
  37. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in zoverre de artikelen 11, §

§ 3

, 9 en 18 het voorhanden hebben van vergunningsplichtige wapens aan zeer strikte voorwaarden onderwerpen en in zoverre het, bij ontstentenis van die vergunning, mogelijk is dat een wapen dat van generatie tot generatie in een familie wordt bewaard, niet langer kan worden bewaard, tenzij het onbruikbaar wordt gemaakt - waardoor het als kunstvoorwerp wordt aangetast - of het wordt opgeslagen bij of overgedragen aan een persoon met een erkenning of een vergunning. De wetgever bestraft aldus de ontstentenis van een vergunning op een volkomen onevenredige wijze door een werkelijke onteigening, zonder billijke en voorafgaande schadevergoeding, terwijl er andere technische oplossingen bestonden om de wapens onbruikbaar te maken zonder de waarde ervan aan te tasten en zonder dat de eigenaars hun eigendom wordt ontnomen. A.

  1. De Ministerraad stelt vast dat de verzoekers geen enkel middel formuleren tegen de artikelen 11 en 9 van de wet, vermits zij alleen de gevolgen bekritiseren van het verdwijnen van de voorwaarden om een vergunning tot het voorhanden hebben van wapens te verkrijgen, waarin artikel 18 voorziet. Die bepaling laat echter, naast het opslaan bij of het overdragen aan een persoon met een erkenning of een vergunning, twee andere alternatieven bestaan wanneer de voorwaarden inzake het voorhanden hebben niet langer vervuld zijn : ofwel ervoor zorgen dat het wapen definitief onklaar wordt gemaakt, ofwel het overdragen, in de door de verzoekende partijen genoemde hypothese, aan een afstammeling die jager is, zodat het wapen binnen de familie blijft voor wie het een sentimentele waarde heeft. Die alternatieven houden dus zeker geen automatische eigendomsberoving in die als een onteigening zou kunnen worden gekwalificeerd. A.
  2. De verzoekende partijen antwoorden dat, indien de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen niet vervuld zijn, de eigenaar van een vergunningsplichtig wapen slechts ervoor kan kiezen het wapen te verkopen, het af te geven of het onbruikbaar te maken, wat klaarblijkelijk een onevenredige aantasting van zijn eigendomsrecht inhoudt, ten aanzien van de kenmerken van usus, abusus en fructus ervan, zonder enige schadevergoeding. Terwijl de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen afhankelijk had kunnen worden gemaakt van een eenvoudige registratieaangifte, heeft de Staat gekozen voor de meest beperkende optie. Bovendien zal de waarde van een wapen, door de toepassing van de wet, aanzienlijk verminderen, vermits het aantal te koop aangeboden wapens onvermijdelijk groter zal zijn dan de vraag ernaar, temeer daar de programmawet van 27 december 2006 bepaalt dat niet alleen de vergunningsaanvraag maar eveneens de aanvraag tot hernieuwing van die vergunning, zijn onderworpen aan een belasting, die varieert volgens het aantal betrokken wapens, waardoor de personen, ook zij die er een kunnen verkrijgen, kunnen worden afgeschrikt om er één aan te vragen. A.
  3. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden wet het voorhanden hebben van traditionele jachtgeweren onderwerpt aan een vergunning, terwijl de vuurwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde die in de wet worden gedefinieerd, worden geacht vrij verkrijgbaar te zijn en dus niet aan de vergunning zijn onderworpen, terwijl de geweren en donderbussen die in de optochten van de Entre-Sambre-Meuse en de haakbussen van de haakschutters van Wezet wapens zijn die even gevaarlijk zijn als vuurwapens met gladde loop. Dat verschil in behandeling blijkt onverantwoord ten aanzien van het doel van de wetgever om het aantal wapens te verminderen. A.
  4. De Ministerraad stelt vast dat de grieven dus niet zijn gericht tegen het bestreden artikel 3, § 3, maar tegen artikel 2, § 2, 2°, waarvan de vernietiging niet wordt gevorderd, zodat het middel niet gegrond is. In ondergeschikte orde, indien de grieven zouden zijn gericht tegen artikel 3, § 3, zou die bepaling alleen kunnen worden vernietigd in zoverre zij sommige wapens niet omvat, en niet in zoverre zij « alle overige vuurwapens » beoogt. 22 Voor het overige mist het middel feitelijke grondslag, vermits de lijst van de wapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde thans nog niet is gedefinieerd door de Koning, zodat het onmogelijk is de gevaarlijkheid ervan te beoordelen. Het middel faalt tevens in rechte, vermits, indien sommige wapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde in de categorie van vergunningsplichtige wapens zouden moeten worden opgenomen, zulks het geval zou zijn op grond van de uitvoering door de Koning van artikel 3, § 2, hetgeen het Hof niet vermag te toetsen. Ten slotte bepaalt artikel 3, § 2, 2°, in fine, dat die wapens vergunningsplichtig zijn wanneer zij bestemd zijn voor het schieten buiten het strikte kader van historische of folkloristische manifestaties. Het feit dat die wapens uitsluitend dienen voor historische of folkloristische manifestaties, vormt dus een pertinent criterium van onderscheid waardoor sommige wapens waarvan de gevaarlijkheid a priori even groot is als die van de vergunningsplichtige wapens, verschillend kunnen worden behandeld. A.
  5. De verzoekende partijen antwoorden dat de wetgever, door het bepalen van de wapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde aan de Koning over te dragen, de discriminatie tussen de eigenaars van dergelijke wapens en de eigenaars van andere wapens gewoon tracht te « verbergen ». De door de Ministerraad gegeven verantwoording is overigens verwonderlijk, daar daarmee wordt gesuggereerd dat de reden voor het voorhanden hebben van het wapen in aanmerking zou worden genomen en dus het voornemen om die wapens te gebruiken voor historische of folkloristische manifestaties, terwijl die wapens nog voor andere doeleinden zouden kunnen worden gebruikt. Ten slotte zou de wetgever de vergunning tot het voorhanden hebben van wapens hebben kunnen koppelen aan veiligheidsvoorwaarden op de plaatsen waar ze worden opgeslagen. A.
  6. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden wet geen rekening ermee houdt dat talrijke wapens kunstvoorwerpen zijn. De bestreden wet zou aldus een discriminatie invoeren tussen alle particulieren die wapens voorhanden hebben of verzamelen, kunstvoorwerpen of verzamelobjecten, die zijn onderworpen aan een vergunningsregeling en, bij ontstentenis daarvan, aan een aantasting van hun eigendomsrecht, en de musea, die niet aan die reglementering zijn onderworpen en dus niet ertoe gehouden zijn de tentoongestelde wapens onklaar te maken. A.
  7. De Ministerraad stelt vast dat alleen de openbare musea aan de reglementering ontsnappen : de natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen die een museum of een verzameling van meer dan tien wapens willen houden, vormen eenzelfde categorie die, met toepassing van artikel 6, het voorwerp uitmaakt van afwijkende regels voor het voorhanden hebben van meer dan tien vergunningsplichtige vuurwapens. De privépersonen die wapens voorhanden hebben of verzamelen en de musea worden dus op dezelfde wijze behandeld, zodat het middel niet gegrond is. A.
  8. De verzoekende partijen antwoorden ten slotte dat de Koning aan de privaatrechtelijke verzamelaars en musea een hele reeks voorwaarden zal kunnen opleggen, zoals het onklaar maken van het wapen, terwijl de mooiste verzamelingen van kunstvoorwerpen privécollecties zijn en terwijl de openbare musea hun wapens niet onklaar zullen moeten maken. De wetgever tracht opnieuw door middel van een delegatie aan de Koning de discriminatie tussen de privéverzamelaars en -musea en de openbare musea te « verbergen ». -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
  9. De onderhavige beroepen strekken tot de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (hierna : wapenwet). De aangevochten bepalingen hebben betrekking op : 23 - de definitie van namaakwapen (artikel 2, 9°), verboden wapens, vrij verkrijgbare wapens en vergunningsplichtige wapens (artikel 3, § 1, 16° en 17°, § 2, 2°, en § 3); - de erkenning van de wapenhandelaars en tussenpersonen (artikel 5) en van de verzamelaars en musea (artikel 6); - het dragen van een vrij verkrijgbaar wapen (artikel 9) en van een vergunningsplichtig wapen (artikelen 14 en 15); - de overdracht van vergunningsplichtige wapens (artikel 10); - de voorwaarden om een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen te verkrijgen (artikel 11); - het opslaan van vuurwapens (artikel 16); - de gevolgen van de classificatie bij koninklijk besluit als vergunningsplichtige wapens (artikel 17, eerste lid) en van het verkrijgen van een vergunningsplichtig wapen onder bepaalde voorwaarden (artikel 17, tweede lid); - de gevolgen van de weigering, de schorsing of de intrekking van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen (artikel 18); - het vervoeren van vuurwapens (artikel 21); - de strafrechtelijke gevolgen van de inbreuken op de wet (artikel 23), de vaststelling van de inbreuken (artikel 29, § 1) en de mogelijkheid om de verbeurdverklaarde wapens niet te vernietigen (artikel 24, tweede lid); - de afwijkingen voor bepaalde categorieën van wapens (artikel 27, § 3); - de mogelijkheden van beroep (artikel 30); 24 - de duur van de erkenningen en de vergunningen (artikel 32); - de delegaties aan de Koning (artikelen 34 en 35); - de samenstelling van de Adviesraad voor wapens (artikel 37); - de overgangsbepalingen en de inwerkingtreding van de wapenwet (artikelen 44, 45, 48, tweede lid, en 49). B.2.
  10. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 4052 en 4088 preciseren dat zij, met hun vordering tot vernietiging van bijzondere bepalingen, in hoofdorde beogen de vernietiging van de wet in haar geheel te verkrijgen. B.2.
  11. Wanneer bij het Hof een beroep tot vernietiging wordt ingesteld, dient het na te gaan of de tegen de bestreden bepalingen aangevoerde middelen al dan niet gegrond zijn. Het Hof legt de omvang van het beroep vast op basis van de inhoud van het verzoekschrift. Wanneer het beslist dat de middelen gegrond zijn, kan het Hof alleen de bepalingen vernietigen waartegen de gegrond verklaarde middelen zijn gericht, alsook de bepalingen die onlosmakelijk met de vernietigde bepalingen zijn verbonden. B.2.
  12. Het Hof zou de vernietiging van de wet in haar geheel bijgevolg alleen kunnen uitspreken wanneer een onlosmakelijk verband bestaat tussen de bepalingen die het beslist te vernietigen en alle andere bepalingen van de bestreden wet. B.3.
  13. Artikel 39 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen

(1)heeft in artikel 27, § 3, eerste lid, van de wapenwet de woorden « en 16° » vervangen door de woorden « en 15° ». Tegen die wijziging, die in werking is getreden op de datum van inwerkingtreding van artikel 27 van de wapenwet, is geen enkel beroep tot vernietiging ingesteld, maar zij heeft geen gevolgen voor het onderzoek van de onderhavige beroepen. 25 B.3.2.
  1. De artikelen 351 tot 360 van de programmawet (I) van 27 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006) hebben in de wapenwet een hoofdstuk XX « Rechten en retributies » ingevoegd, dat de artikelen 50 tot 58 omvat. B.3.2.
  2. Tegen de bepalingen van dat hoofdstuk XX hebben de verzoekende partijen in de zaak nr. 4040 een beroep tot vernietiging ingesteld. Dat beroep heeft evenwel geen gevolgen voor het onderzoek van de onderhavige beroepen. B.3.3.
  3. De wet van 9 januari 2007 « tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens » (Belgisch Staatsblad van 1 februari 2007) heeft de tekst van de bestreden bepalingen aangevuld en gewijzigd. B.3.3.
  4. Tegen de wet van 9 januari 2007 is geen enkel beroep tot vernietiging ingesteld. B.4.
  5. In het arrest nr. 169/2006 van 8 november 2006 betreffende de vordering tot schorsing in de zaak nr. 4032 heeft het Hof gesteld dat het tegen artikel 48, tweede lid, van de wapenwet aangevoerde middel als ernstig diende te worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, maar heeft het de vordering tot schorsing evenwel verworpen bij ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. B.4.
  6. De tekst van artikel 48, tweede lid, van de wapenwet is vervangen door artikel 5 van de voormelde wet van 9 januari 2007, waarbij die wijziging in werking is getreden op de datum van inwerkingtreding van de wapenwet, namelijk 9 juni
  7. De wettelijke termijn om tegen de wet van 9 januari 2007, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 februari 2007, een beroep tot vernietiging in te stellen, is verstreken op 31 juli
  8. Die retroactieve wijziging van artikel 48, tweede lid, van de bestreden wet heeft dus tot gevolg dat de beroepen in de zaken nrs. 4032 en 4087, in zoverre zij zijn gericht tegen artikel 48, tweede lid, van de wapenwet, definitief zonder voorwerp zijn geworden. 26 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  9. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4032 beweren dat hun belang bij het vorderen van de vernietiging van sommige van de bestreden bepalingen is verantwoord door hun hoedanigheid van vennootschap die de activiteit van wapenhandelaar uitoefent, enerzijds, en van sportschutter, anderzijds. De verzoeker in de zaak nr. 4040 voert ter ondersteuning van zijn belang om in rechte te treden, zijn hoedanigheden van verzamelaar van wapens en munitie en van initiator schieten aan. De verzoekers in de zaken nrs. 4052 en 4088 verantwoorden hun belang om in rechte te treden door hun hoedanigheden van, enerzijds, houder van vergunningen tot het voorhanden hebben van verschillende vuurwapens en, anderzijds, vereniging zonder winstoogmerk waarvan het maatschappelijk doel betrekking heeft op het bevorderen van de rechten van de burgers die liefhebber van vuurwapens zijn en dergelijke wapens voorhanden hebben. De verzoekende partij in de zaak nr. 4087, tevens tussenkomende partij in de zaak nr. 4032, verantwoordt haar belang bij het vorderen van de vernietiging door haar hoedanigheid van vereniging zonder winstoogmerk waarvan het maatschappelijk doel bestaat in de verdediging en het beheer van het voorhanden hebben van wapens door particulieren in het algemeen, alsmede de verdediging van de belangen van de economische sectoren verbonden aan het vervaardigen, invoeren, uitvoeren en verhandelen van wapens en munitie. De verzoeker in de zaak nr. 4089 verantwoordt zijn belang om in rechte te treden door het feit dat hij twee jachtgeweren van grote waarde en groot historisch belang op regelmatige en ononderbroken wijze voorhanden heeft. De verzoekers in de zaak nr. 4091 verantwoorden hun belang om in rechte te treden door hun hoedanigheden van jager en eigenaar van wapens, waarvan sommige kunstvoorwerpen zijn. B.
  10. De bestreden wet regelt onder meer de verkoop, de opslag, het vervoer, het voorhanden hebben en het dragen van wapens. Zij voert ook een procedure in voor de identificatie van de 27 wapens en stelt de uitoefening van het beroep van wapenhandelaar afhankelijk van het verkrijgen van een erkenning, en het voorhanden hebben van sommige wapens afhankelijk van het verkrijgen van een vergunning. De overtreding van die bepalingen wordt bovendien strafrechtelijk vervolgd. B.
  11. In hun hoedanigheden van vennootschap die de activiteit van wapenhandelaar uitoefent, van vereniging waarvan het maatschappelijk doel bestaat in de verdediging van de belangen van de personen die wapens voorhanden hebben of van particulieren die wapens voor privédoeleinden voorhanden hebben, kunnen de verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden wet en doen zij derhalve blijken van een belang om de vernietiging te vorderen. B.8.
  12. De Ministerraad betwist echter het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 4040 bij het vorderen van de vernietiging van artikel 3, 16°, van de bestreden wet. In tegenstelling tot wat die partij laat verstaan, zou die bepaling, in samenhang gelezen met artikel 27, § 3, van dezelfde wet, haar immers niet verbieden verboden wapens voorhanden te hebben. De verzoeker in die zaak beweert te doen blijken van een belang om in rechte te treden wegens zijn hoedanigheden van wapenverzamelaar en initiator sportschieten. B.8.
  13. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Zelfs in de veronderstelling dat artikel 27, § 3, van de bestreden wet iedere verzamelaar toestaat verboden wapens te bezitten, dan nog is zulks evenwel alleen het geval wanneer dat type wapen wordt geneutraliseerd. Daarnaast merkt het Hof op dat de verzoeker in de zaak nr. 4040, in zijn activiteit van initiator sportschieten, ertoe kan worden gebracht om, buiten de voorwaarden waaronder een wapenverzameling is toegestaan, wapens te hanteren die, op grond van artikel 3, 16°, van de bestreden wet, verboden wapens zouden kunnen worden. 28 Hieruit volgt dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, de verzoeker in die zaak doet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van een bepaling die, zoals artikel 3, 16°, van de bestreden wet, ertoe kan leiden dat zijn activiteiten worden beperkt of zelfs dat hij wordt blootgesteld aan strafrechtelijke vervolgingen overeenkomstig artikel 23 van dezelfde wet. B.8.
  14. De exceptie wordt verworpen. B.9.
  15. De Ministerraad is voorts van mening dat het beroep, in de zaak nr. 4032, tot vernietiging van artikel 34 van de bestreden wet niet ontvankelijk is ratione temporis. Die bepaling zou zich immers ertoe beperken een regeling te handhaven die bij artikel 20 van de wet van 30 januari 1991 is ingevoegd in de wet van 3 januari 1933 « op de vervaardiging van den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie ». Hoewel uit een vergelijking van artikel 34 van de bestreden wet met artikel 26 van de wet van 3 januari 1933 blijkt dat de wetgever een deel van die bepaling heeft overgenomen, heeft hij zich dat deel niettemin toegeëigend en kan het derhalve voor het Hof worden bestreden binnen de wettelijke termijn. B.9.
  16. De exceptie wordt verworpen. B.10.
  17. De Ministerraad betwist ten slotte het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 4052 en 4088 bij het vorderen van de vernietiging van de artikelen 9 en 16 van de bestreden wet. De verzoekers zouden die bepalingen immers ten onrechte in die zin interpreteren dat zij voor het dragen van een vrij verkrijgbaar wapen, alsook voor het opslaan van vuurwapens of munitie een vergunning opleggen. B.10.
  18. Wanneer een exceptie van niet-ontvankelijkheid die is afgeleid uit de ontstentenis van een belang, ook betrekking heeft op de draagwijdte die aan de bestreden bepalingen dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met het onderzoek van de grond van de zaak. 29 Ten gronde Wat de context van de bestreden wet betreft B.
  19. De bestreden wet heeft onder meer tot doel de richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 « inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens » gedeeltelijk om te zetten en België in staat te stellen deel te nemen aan de strijd tegen de wapenhandel door de opspoorbaarheid van alle wapens te verzekeren en de wapenmarkt te beveiligen (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/001, p. 9). Daartoe wil de wetgever « de volledige wapenproblematiek [in België] met uitzondering van het probleem van de licenties voor in- en uitvoer […] centraliseren bij de Minister van Justitie » en « een coherent beleid […] voeren dat ertoe strekt de risico’s in ons land te beperken », wat onder meer inhoudt dat de incoherentie dient te worden verholpen die is ontstaan uit de verschillende initiatieven die door lokale overheden zijn genomen, dat het voorhanden hebben van een vuurwapen vergunningsplichtig moet zijn en dat de verkoop van wapens in sommige omstandigheden moet worden verboden (ibid., pp. 7 tot 10 en 15 tot 16). Ten slotte wil de wetgever het beroep van wapenhandelaar beter regelen en controleren en de makelaarsactiviteiten met betrekking tot wapens regelen die soms buiten elke specifieke verplichting en buiten elke controle plaatsvinden, inzonderheid wat betreft de circulatie van wapens « afkomstig uit de ex-Oostbloklanden » (ibid., p. 9). B.
  20. Het Hof zal de middelen in de onderstaande volgorde onderzoeken :
  21. de naleving van de bevoegdheidverdelende regels (B.13 tot B.19);
  22. het wettigheidsbeginsel in strafzaken (B.20 tot B.33);
  23. het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (B.34 tot B.74);
  24. de onschendbaarheid van de woning (B.75 tot B.77); 30
  25. de eerbiediging van het privé- en gezinsleven (B.78 en B.79);
  26. de eerbiediging van het eigendomsrecht (B.80 tot B.105);
  27. de samenstelling van de Adviesraad voor wapens (B.106 en B.107). Ten aanzien van de bevoegdheidverdelende regels B.
  28. De verzoeker in de zaak nr. 4089 zet een eerste middel uiteen dat is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Volgens de verzoeker schendt artikel 3, § 3, 1°, van de bestreden wet, door de jacht- en sportwapens als vergunningsplichtige wapens te beschouwen, de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake de sport en het openluchtleven. B.14.
  29. Artikel 128, § 1, van de Grondwet bepaalt : « De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen ». B.14.
  30. Artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt : « De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel [127, § 1, eerste lid, 1°,] van de Grondwet zijn : […] 9° De lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven; […] ». 31 B.14.
  31. De bevoegdheid van de gemeenschappen inzake de sport en het openluchtleven bedoeld in artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ressorteert onder de culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, van de Grondwet, en niet onder de persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet, zodat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het die laatste bepaling aanvoert. B.
  32. Op grond van artikel 127, § 1, van de Grondwet en artikel 4, 9°, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen komt het de decreetgever toe de beoefening van de sport of van een bepaalde sporttak te reglementeren, door met name de sportbeoefening in het algemeen of de beoefening van sommige sporten in het bijzonder aan voorwaarden en beperkingen te onderwerpen. B.
  33. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen. B.
  34. Artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat de aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet, onder meer zijn : « III. Wat de landinrichting en het natuurbehoud betreft : […] 5° De jacht, met uitzondering van de vervaardiging van, de handel in en het bezit van jachtwapens, en de vogelvangst; ». Ofschoon de voormelde bepaling voorziet in een uitzondering op de bevoegdheid van de gewesten door de bevoegdheid inzake « de vervaardiging van, de handel in, en het bezit van jachtwapens » voor te behouden aan de federale wetgever, blijkt uit de parlementaire voorbereiding ervan dat deze uitzondering geldt voor alle wapens, met inbegrip van de sportwapens, waaromtrent de gemeenschappen, zoals het Hof in het arrest nr. 42/2005 heeft 32 geoordeeld, in het kader van hun bevoegdheid op grond van artikel 127, § 1, van de Grondwet en van artikel 4, 9°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, bijkomende voorwaarden kunnen opleggen inzake het bewaren van wapens en munitie voor het sportschieten. Tijdens de bespreking van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, wierp een lid van de vergadering immers op dat de uitzondering enkel geldt ten aanzien van de gewestbevoegdheid inzake de jacht, maar niet ten aanzien van de gemeenschapsbevoegdheid inzake de sport, ofschoon één en dezelfde wet het bezit van jacht- en sportwapens regelt (bedoeld was de wet van 3 januari 1933). De minister van Binnenlandse Zaken en van Institutionele Hervormingen antwoordde hierop evenwel het volgende : « Overigens wens ik eraan te herinneren dat de regering overweegt te voorzien in een uitzondering die aantoont dat de impliciete bevoegdheden niet spelen, omdat zij ervan uitgaat dat het gaat om een probleem van openbare veiligheid dat tot de nationale bevoegdheid moet blijven behoren. Voor de regering moet het voorhanden hebben van jachtwapens, dat is geregeld bij artikel 13 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, den handel in en het dragen van wapenen, nationaal blijven. Dat geldt zowel ten aanzien van de gewestoverheden als ten aanzien van de gemeenschapsoverheden » (Hand., Senaat, 22 juli 1980, p. 2386) (eigen vertaling). Daaruit vloeit voort dat de federale wetgever bevoegd is om het houden van wapens, ongeacht de aard ervan, te regelen, op voorwaarde dat de door hem ter zake uitgevaardigde bepalingen de uitoefening van de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten inzake het sportschieten en de jacht niet verhinderen. B.18.
  35. Ten aanzien van de bekritiseerde bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding uiteengezet : « In dit artikel verdwijnen de oude noties van […] jacht- en sportwapens […], waardoor de wetgeving op technisch vlak aanzienlijk wordt vereenvoudigd. Voortaan geldt als regel dat alle vuurwapens, behalve de vrij verkrijgbare wapens, in beginsel verboden zijn, tenzij een vergunning werd bekomen. Op die manier worden ze ook allemaal aan hetzelfde vergunningsstelsel onderworpen, zoals reeds het geval is in de meeste lidstaten van de EU. De afwijkingen op dit principe zijn niet meer in functie van het type wapen, maar van de bezitter, die als houder van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie gedeeltelijk aan de vergunningsplicht zal kunnen ontsnappen (artikel 11) » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/001, pp. 20-21). 33 B.18.
  36. Door een principiële voorafgaande vergunning op te leggen voor het voorhanden hebben van vuurwapens, met inbegrip van jacht- en sportwapens, heeft de federale wetgever zijn bevoegdheid inzake de regeling van het bezit van wapens uitgeoefend. In de parlementaire voorbereiding betreffende de artikelen 16 en 36 van de bestreden

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.