← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.161

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.161 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20071219.9 Arrest- Rolnummer: 161/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-01-08 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-07-03 09:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 172, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Politierechtbank - Hoger beroep PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 172, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Burgerlijke rechtspleging - Bevoegdheid van de politierechtbanken - Vordering tot vergoeding van schade uit verkeersongeval - Vordering die 1.240 euro niet overschrijdt - Geen recht van hoger beroep. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 172,L1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4193 Arrest nr. 161/2007 van 19 december 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 172, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 29 maart 2007 in zake het openbaar ministerie en Tristan Weterings tegen Mario Meeus, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 april 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Bestaat er een ongeoorloofde discriminatie tussen de toestand van de pleger van een misdrijf die wordt veroordeeld door de strafrechtbank die tevens uitspraak doet over de vordering van de benadeelde, vonnis dat steeds vatbaar is voor hoger beroep en dus niet in laatste aanleg wordt gewezen, ongeacht de omvang van de vordering van de benadeelde enerzijds, en de toestand van de pleger van hetzelfde misdrijf, die wordt veroordeeld tot vergoeding van de benadeelde door een vonnis van de burgerlijke rechtbank, vonnis dat slechts vatbaar is voor hoger beroep in de mate dat de vordering van de benadeelde het bedrag van 1.240,00 euro overschrijdt en dat in de mate dat de vordering van de benadeelde lager is dan 1.240,00 euro in laatste aanleg wordt gewezen, anderzijds ? ». Memories zijn ingediend door : - Tristan Weterings, wonende te 2300 Turnhout, Dageraadstraat 23; - Mario Meeus, wonende te 2300 Turnhout, Baron Frans Du Fourstraat 60; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 20 november 2007 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Politierechtbank te Turnhout heeft op 14 september 2006 Mario Meeus veroordeeld op grond van artikel 559 van het Strafwetboek tot een geldboete van 10 euro, verhoogd met 45 opdeciemen en gebracht op 55 euro, of een vervangende gevangenisstraf van twee dagen, alsook tot betaling van de kosten van het geding. In datzelfde vonnis verklaart de Politierechtbank de eis van de burgerlijke partij, Tristan Weterings, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, en veroordeelt Mario Meeus tot een schadevergoeding van 250 euro. Tristan Weterings heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. In het kader van die procedure stelt het verwijzende rechtscollege voormelde vraag. 3 III. In rechte -A- A.

  1. Mario Meeus wijst erop dat de zaak enkel nog de afhandeling van de burgerlijke belangen betreft en dat de Rechtbank van eerste aanleg niet bevoegd is wat het strafrechtelijk luik van de zaak betreft, vermits noch hijzelf, noch het openbaar ministerie, beroep hebben aangetekend tegen het vonnis van de Politierechtbank. De situatie voor de Rechtbank van eerste aanleg is dan ook dezelfde als die waarbij een burgerlijke vordering in beroep wordt behandeld. In het tweede geval is geen beroep mogelijk indien de vordering het bedrag van 1 240 euro niet overschrijdt, terwijl in het eerste geval wel beroep mogelijk zou zijn. Voor het verschil in behandeling dat hieruit voortvloeit, zou, volgens die partij, geen redelijke verantwoording bestaan. A.
  2. Volgens Tristan Weterings zijn de burgerlijke en de strafrechtelijke procedure twee verschillende procedures. De ene wordt geregeld door het Gerechtelijk Wetboek, de andere door het Wetboek van strafvordering. Er zou dan ook geen sprake kunnen zijn van een ongeoorloofd verschil in behandeling. A.
  3. Volgens de Ministerraad zijn de categorieën van rechtsonderhorigen die in de prejudiciële vraag met elkaar worden vergeleken, namelijk een persoon die door de strafrechtbank wordt veroordeeld en een persoon die door de burgerlijke rechtbank wordt veroordeeld, niet vergelijkbaar. Het Hof heeft dat reeds gesteld in de arresten nrs. 69/93, 82/93 en 148/
  4. -B- B.
  5. De prejudiciële vraag betreft artikel 172, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 1, 89°, van de wet van 10 juli
  6. Die bepaling luidt : « Tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken staat in alle gevallen hoger beroep open ». Artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen door artikel 37 van de wet van 11 juli 1994 « betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging » en gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 « houdende uitvoering betreffende gerechtszaken van de wet van 30 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op de aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet », luidt : « De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 1.860 EUR niet overschrijdt, worden gewezen in laatste aanleg. Hetzelfde geldt voor de vonnissen waarbij de vrederechter en, inzake de geschillen bedoeld in artikel 601bis, de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1.240 EUR niet overschrijdt ». 4 B.
  7. De prejudiciële vraag noopt tot een vergelijking van de mogelijkheden van hoger beroep waarover een partij beschikt tegen een vonnis van de politierechtbank, naargelang die uitspraak doet in burgerlijke zaken dan wel in strafzaken. Wanneer de politierechtbank uitspraak doet over een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, op basis van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat uitspraak wordt gedaan in laatste aanleg wanneer het bedrag van de vordering 1 240 euro niet overschrijdt. Tegen vonnissen gewezen door de politierechtbank, uitspraak doende in strafzaken, kan de burgerlijke partij overeenkomstig artikel 172 van het Wetboek van strafvordering steeds hoger beroep instellen, ongeacht het bedrag van de vordering. B.
  8. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 1994 « betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging », werd dienaangaande een amendement ingediend teneinde artikel 172 van het Wetboek van strafvordering aan te vullen met een bepaling waarbij het hoger beroep op burgerlijk gebied zou worden uitgesloten wanneer de politierechter uitspraak doet over een vordering onder de 50 000 frank (Parl. St., Kamer, 1993-1994, nr. 1480/2, p. 1). Dit amendement werd verworpen op grond van de overweging dat « het slachtoffer […] het beroep van de beklaagde [moet] kunnen volgen. Het heeft geen zin het slachtoffer in staat te stellen zijn proces aan dat van de beklaagde te koppelen als deze laatste wel over een recht van beroep beschikt en het slachtoffer niet » (ibid., nr. 1480/3, p. 25). B.
  9. De modaliteiten bepaald voor de aanwending van rechtsmiddelen die openstaan tegen vonnissen van de politierechtbank, zitting houdend in burgerlijke zaken, en oordelend over de schade ontstaan uit een verkeersongeval, waarbij louter privé-belangen worden beslecht, kunnen niet pertinent worden vergeleken met die welke zijn bepaald voor de aanwending van rechtsmiddelen die openstaan tegen vonnissen van de politierechtbank, zitting houdend in strafzaken, waarbij de strafvordering, waaraan de burgerlijke vordering is verbonden, in essentie het belang van de maatschappij betreft. B.
  10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 5 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 172, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 december
  11. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.