id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.002 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080117.2 Arrest- Rolnummer: 2/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-07-02 20:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Tucht balie PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 18, 23 en 27 van de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden, ingesteld door Jean-Pierre Devlamynck. Gerechtelijk recht - Balie - Tuchtprocedure - Tuchtraden van beroep. # Rechtspleging - Beroep tot vernietiging - Niet-ontvankelijkheid - Onvoldoende uiteenzetting van de feiten en middelen. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-06-2006 - 2 - 36 ELI link Pub nr 2006009537 Wet - 21-06-2006 - 18 - 36 ELI link Pub nr 2006009537 Wet - 21-06-2006 - 23 - 36 ELI link Pub nr 2006009537 Wet - 21-06-2006 - 27 - 36 ELI link Pub nr 2006009537 Tekst van de beslissing Rolnummer 4126 Arrest nr. 2/2008 van 17 januari 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 18, 23 en 27 van de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden, ingesteld door Jean-Pierre Devlamynck. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 januari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2007, heeft Jean-Pierre Devlamynck, wonende te 1860 Meise, August Van Doorslaerlaan 1 A 1, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 18, 23 en 27 van de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 juli 2006, tweede editie). Memories zijn ingediend door : - de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148; - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden-Vlieslaan 65; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 7 november 2007 : - zijn verschenen : . Jean-Pierre Devlamynck, verzoekende partij, in eigen persoon; . Mr. K. Thibaut, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. S. Lust, advocaat bij de balie te Brugge, voor de Orde van Vlaamse balies; . Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone »; . Mr. P. De Maeyer, tevens loco Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- A.1.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 2, 18, 23 en 27 van de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden (hierna : wet van 21 juni 2006), die in het Belgisch Staatsblad van 20 juli 2006 is verschenen. Ter staving van zijn belang beroept de verzoeker zich op zijn hoedanigheid van « advocatus pristinus ». A.1.
- De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat uit het verzoekschrift niet kan worden afgeleid welk rechtstreeks concreet voordeel een « oud-advocaat » uit een vernietigingsarrest van het Hof zou mogen verwachten. Onder het voorbehoud dat de verzoekende partij haar belang op precieze en zeer concrete wijze zou kunnen aantonen, is het beroep tot vernietiging volgens de Ministerraad onontvankelijk. A.1.3.
- De Orde van Vlaamse Balies (hierna : OVB) stelt dat haar tussenkomst ontvankelijk is gelet op haar wettelijke opdrachtsomschrijving (artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek) en de geldige beslissing van haar raad van bestuur om in de procedure tussen te komen. A.1.3.
- De OVB betwist het belang van de verzoeker, die op eigen verzoek reeds enige tijd geleden werd weggelaten van het tableau en het beroep van advocaat niet meer uitoefent. Nu niet kan worden ingezien waarin het belang van een voormalig advocaat bij het voorliggend beroep, dat betrekking heeft op het tuchtrecht van advocaten, nog zou kunnen bestaan, moet zijn beroep als onontvankelijk worden afgewezen. A.1.4.
- De tussenkomende partij « Ordre des barreaux francophones et germanonphone » (hierna : OBFG) stelt dat haar tussenkomst ontvankelijk is gelet op haar wettelijke opdrachtsomschrijving (artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek) en de geldige beslissing van haar raad van bestuur om in de procedure tussen te komen. A.1.4.
- De tussenkomende partij OBFG is van mening dat de verzoeker zijn belang niet aantoont. Weliswaar wordt in bepaalde persartikelen van 11 februari 2005 gewag gemaakt van betichtingen van oplichting en misbruik van vertrouwen ten gevolge waarvan de verzoeker de weglating van het tableau zou hebben aangevraagd, maar het staat aan de verzoeker aan te tonen op welke wijze hij nadelig kan worden geraakt door de bestreden bepalingen. A.2.
- Het eerste middel van de verzoekende partij betreft artikel 2 van de wet van 21 juni 2006 en voert de schending aan van « het beginsel van het recht op rechtszekerheid en het beginsel van behoorlijk bestuur ». De verzoeker is van mening dat de beslissing van de raad van de Orde omtrent de inschrijving of de weglating op het tableau of op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, een administratieve aangelegenheid is, waartegen hoger beroep mogelijk zou moeten zijn bij een administratief orgaan in plaats van bij een tuchtrechtelijk orgaan. De wetgever heeft aldus de administratieve functie van de balie verward met haar disciplinaire functie en aldus de door die partij aangevoerde beginselen geschonden. A.2.
- De Ministerraad meent dat het eerste middel onontvankelijk is nu het niet steunt op één van de bepalingen bedoeld in artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 waaraan het Hof vermag te toetsen. Verder merkt de Ministerraad op dat het niet ongewoon is om beslissingen tot inschrijving of weglating toe te vertrouwen aan de professionele orde op dezelfde wijze als beslissingen in tuchtzaken. De Ministerraad ziet ten slotte niet in op welke wijze de bestreden bepaling het rechtszekerheidsbeginsel zou schenden zodat het middel minstens als ongegrond moet worden beschouwd. A.2.
- De tussenkomende partij OVB is allereerst van mening dat het eerste middel onontvankelijk is ratio temporis, nu de bestreden bepaling in werkelijkheid een overname is van wat vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 juni 2006 reeds was bepaald in artikel 469bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 19 november
- De wetgever heeft die bepaling enkel willen verplaatsen zonder dat hij de bedoeling had opnieuw te legifereren. 4 Ten gronde is de OVB van oordeel dat het middel onontvankelijk is vermits de beginselen waarvan de verzoeker de schending aanvoert, niet behoren tot de rechtsregels waaraan het Hof vermag te toetsen en hij al evenmin verduidelijkt hoe beide beginselen zouden zijn geschonden. De OVB is vervolgens van mening dat het middel ongegrond is nu geen enkele rechtsregel de wetgever verplicht om in casu een administratief beroep in te stellen. Evenmin kan het feit dat de tuchtraad niet enkel bevoegdheden heeft verkregen in tuchtrechtelijke materies maar ook in administratieve materies, een schending inhouden van de Grondwet. De OVB citeert uit de rechtspraak van de Raad van State en van het Hof (arrest nr. 23/97 van 30 april 1997) en concludeert hieruit dat noch de Grondwet noch het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden geschonden doordat beroepen tegen handelingen van organen van de balie aan eigen rechtscolleges en aan het Hof van Cassatie worden toevertrouwd. A.2.
- Volgens de tussenkomende partij OBFG is het eerste middel onontvankelijk nu de beginselen waarvan de verzoeker de schending aanvoert, niet behoren tot de rechtsregels waaraan het Hof vermag te toetsen. Zij ziet evenmin het belang van de verzoeker bij het middel in. Ten gronde kan niet worden ingezien hoe de cumulering van administratieve en tuchtrechtelijke functies in één enkel orgaan ongrondwettig zou zijn. A.3.
- In haar tweede middel stelt de verzoekende partij dat artikel 18 van de wet van 21 juni 2006, dat artikel 465 van het Gerechtelijk Wetboek vervangt en dat de samenstelling van de tuchtraden van beroep bepaalt, artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Uit de door hem geciteerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, leidt de verzoeker af dat de samenstelling van de tuchtraad van beroep niet beantwoordt aan de vereisten van een onafhankelijke en onpartijdige instantie om reden dat de « assessoren als gewezen leden van de Raad van de Orde immers ‘ amices ’ of ‘ lakeien ’ van de Raad van de Orde van Advocaten [zijn] en als dusdanig onderhevig aan drukking en beïnvloeding van de balie zodat zij niet een voldoende waarborg zijn om ter zake elke gewettigde twijfel of achterdocht uit te sluiten ». Hij meent dat het beroep moet worden voorgelegd aan een rechtbank met volle rechtsmacht, in casu het hof van beroep. A.3.
- De Ministerraad is van mening dat ook het tweede middel onontvankelijk is nu het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van een middel dat rechtstreeks en uitsluitend steunt op de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit de rechtspraak van het Hof (arresten nrs. 15/2004, 74/2001 en 144/2006) en uit de rechtsleer betreffende artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens meent de Ministerraad te mogen afleiden dat de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van een tuchtorgaan. Hij wijst erop dat ook het Hof van Cassatie van oordeel is dat stafhouders en gewezen leden van de raad van de Orde van Advocaten in de tuchtraad van beroep niet als vertegenwoordigers van de Orde zitting nemen maar wel voor zich persoonlijk (Cass., 15 december 1994, R.W., 1994-1995, p. 1414; Cass., 30 november 2000, Arr. Cass., afl. 9, 1879). Het middel is volgens de Ministerraad dus ook ongegrond. A.3.
- Het tweede middel is volgens de OVB onontvankelijk nu artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet behoort tot de bepalingen waaraan het Hof vermag te toetsen. Het middel is ook ongegrond nu zowel uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 23 juni 1981, Le Compte, Van Leuven en De Meyere t. België; EHRM, 10 februari 1983, Albert en Le Compte t. België; EHRM, 30 november 1987, H. t. België), als van het Hof van Cassatie (Cass., 8 december 2006, D.05.0020.N) en van het Hof (arrest nr. 144/2006) kan worden afgeleid dat uit de wijze van samenstelling van de tuchtraad van beroep niet blijkt dat die raad niet zou voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De advocaten-assessoren die zitting nemen in de tuchtraden van beroep vertegenwoordigen niet de raad van de Orde waarvan zij afhangen maar nemen zitting uit eigen naam. A.3.
- De tussenkomende partij OBFG is van mening dat het middel niet gegrond is. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 27 juli 2006, Gübler t. Frankrijk; EHRM, 30 november 1987, H. t. België, § 51), van het Hof van Cassatie (Cass., 30 november 2000; Cass., 15 december 1994) en uit het arrest nr. 144/2006 van 20 september 2006 blijkt duidelijk dat de tuchtraad van beroep een onafhankelijk en onpartijdig orgaan is en dat de samenstelling ervan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens respecteert. A.4.
- Het derde middel van de verzoeker heeft betrekking op artikel 23 van de wet van 21 juni 2006, dat volgens hem afbreuk doet aan het voorbehoudloos karakter van de weglating van het tableau en strijdig is met het gezag van gewijsde van de beslissing van weglating als wettelijk vermoeden. Hij is van mening dat de raad van de Orde zich op tuchtrechtelijk vlak niet vermag uit te spreken ten aanzien van een advocaat die van het 5 tableau werd weggelaten en vergelijkt de bestreden bepaling met het huishoudelijk reglement van de Orde van Architecten dienaangaande. Tevens zouden de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet zijn geschonden vermits een dergelijke bepaling bij andere beroepsgroepen niet bestaat. A.4.
- De Ministerraad stelt dat het derde middel ongegrond is nu de bestreden bepaling geen onderscheid maakt tussen twee categorieën van personen. De tuchtregeling bij de vrije beroepen in ons land is dermate divers dat advocaten en architecten niet zonder meer vergelijkbaar zijn. De Ministerraad citeert hierbij uit het arrest nr. 144/2006 van 20 september
- De Ministerraad wijst tevens erop dat de beslissing over de weglating geen rechterlijke beslissing in betwiste zaken uitmaakt. De Ministerraad ziet niet in op welke wijze de bestreden bepaling, die enkel ertoe strekt te vermijden dat een advocaat zich aan een tuchtprocedure zou kunnen onttrekken door zijn weglating van het tableau te vragen kort voordat de bevoegde organen kennis zouden kunnen nemen van laakbare feiten, de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet zou kunnen schenden. A.4.
- De tussenkomende partij OVB meent uit het verzoekschrift te moeten afleiden dat het beroep beperkt is tot het eerste lid van artikel 469 van het Gerechtelijk Wetboek. De grieven zijn volgens haar kennelijk onontvankelijk nu noch « het voorbehoudloos karakter van de weglating » noch het beginsel van het gezag van gewijsde rechtsregels zijn waaraan het Hof vermag te toetsen. Zij zijn ook ongegrond. De weglating van het tableau is een zuiver administratieve aangelegenheid en kan bijgevolg niet bekleed zijn met enig gezag van gewijsde. De OVB is verder ook van mening dat de regeling volstrekt gerechtvaardigd is en ertoe strekt te vermijden dat men zich aan een tuchtprocedure zou kunnen onttrekken door tijdig de weglating aan te vragen. Evenmin kan de vergelijking met het huishoudelijk reglement van de Orde van Architecten in aanmerking worden genomen, nu het beroep van advocaat niet vergelijkbaar is met dat van architect en artikel 13 van voormeld reglement een andere hypothese betreft waarin met name reeds een tuchtprocedure aanhangig is op het ogenblik dat de weglating wordt gevraagd. Wat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, werpt de OVB op dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van verzoekers dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures in verschillende omstandigheden op zich geen discriminatie inhoudt en dat in casu niet staande kan worden gehouden dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. Wat de schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, stelt de OVB dat niet blijkt dat de bestreden norm aan de vrijheid van arbeid en van beroepskeuze onverantwoorde of onevenredige beperkingen zou opleggen en dat de verzoeker dit evenmin aanvoert, zodat het middel in die mate kennelijk onontvankelijk is. A.4.
- Ook de tussenkomende partij OBFG stelt dat het beroep beperkt is tot het eerste lid van artikel 469 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten gronde is de OBFG van mening dat de vergelijking met het huishoudelijk reglement van de Orde van Architecten niet in aanmerking kan worden genomen, nu het beroep van advocaat niet voldoende vergelijkbaar is met dat van architect en evenmin blijkt dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van de onderscheiden procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. De OBFG meent dat het Hof niet vermag over te gaan tot een vergelijking tussen een wettelijke bepaling en een bepaling uit het huishoudelijk reglement van de Orde van Architecten. Overigens regelen beide bepalingen totaal verschillende situaties. De bestreden bepaling is volgens de OBFG gerechtvaardigd en strekt ertoe te vermijden dat men zich aan een tuchtprocedure zou kunnen onttrekken door tijdig de weglating aan te vragen. Er kan dienaangaande geen sprake zijn van enige schending van het gezag van gewijsde nu de weglating van het tableau een zuiver administratieve aangelegenheid is. Evenmin is artikel 23 van de Grondwet geschonden nu beperkingen van het recht op arbeid mogelijk zijn op voorwaarde dat ze evenredig zijn. A.5.
- Het vierde middel betreft artikel 27 van de wet van 21 juni 2006, dat artikel 472 van het Gerechtelijk Wetboek vervangt. Vermits artikel 472, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek volgens de verzoeker niet bestaat bij andere beroepen, worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden. Hij is verder van mening dat artikel 23 van de Grondwet zich verzet « tegen de goedkeuring van normen die als gevolg hebben dat het in de rechtsorde verworven niveau van de bescherming van de gewaarborgde rechten wordt verlaagd ». 6 A.5.
- Om dezelfde redenen als uiteengezet onder het derde middel, is de Ministerraad van mening dat de vergelijking met de andere vrije beroepen niet kan worden aangenomen. Verder moet, bij gebrek aan enige toelichting of verduidelijking, de vermeende schending van artikel 23 van de Grondwet volgens de Ministerraad als onontvankelijk, minstens ongegrond, worden beschouwd. A.5.
- De tussenkomende partij OVB is van oordeel dat het middel zich beperkt tot artikel 472, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en beperkt haar onderzoek daartoe. Zij meent dat de bestreden bepaling niets meer is dan een overname van het voormalige artikel 471 van het Gerechtelijk Wetboek, zonder dat de wetgever de bedoeling heeft gehad op dit stuk te legifereren. Het beroep is volgens haar bijgevolg onontvankelijk ratione temporis. De grieven zijn volgens de OVB ongegrond wat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft : het middel verduidelijkt niet met welke andere beroepen er wordt vergeleken. Evenmin wordt aangetoond dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van onderscheiden procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich mee zou brengen. Wat de aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, stelt de tussenkomende partij vast dat de bestreden regeling op geen enkele wijze verschilt van de vroegere regeling zodat er van enige verlaging van de bescherming van gewaarborgde rechten geen sprake kan zijn. A.5.
- De tussenkomende partij OBFG betoogt in hoofdorde dat het middel onontvankelijk is : het middel preciseert niet welke de andere beroepsgroepen zijn waarmee moet worden vergeleken en verduidelijkt al evenmin waarin de vermeende schending van artikel 23 van de Grondwet bestaat. In ondergeschikte orde is de OBFG van mening dat het middel ongegrond is : het feit dat de bestreden bepaling zich beperkt tot advocaten en niet bestaat voor andere - niet gedefinieerde - beroepen houdt op zich geen schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat de aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, mist het middel in feite en in rechte grondslag nu de bestreden regeling op geen enkele wijze verschilt van de vroegere regeling bepaald in artikel 471, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en ze voor het overige gebaseerd is op wat zich in de huishoudelijke reglementen van de Orde bevond. -B- B.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 2, 18, 23 en 27 van de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden (hierna : wet van 21 juni 2006), die in het Belgisch Staatsblad van 20 juli 2006 is verschenen. B.
- De wet van 21 juni 2006 stelt een nieuwe tuchtprocedure voor de advocatuur in, waarbij het principe dat de tuchtrechtelijke bevoegdheid en beoordeling over advocaten door advocaten zelf moet worden uitgeoefend, door de wetgever is behouden (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1724/001, p. 5). Uitgaande van de overtuiging dat het tuchtrecht hoort bij het kwaliteitsbeleid van een vertrouwensberoep, is de wetgever van mening dat het tuchtrecht ten dienste moet staan van het algemeen belang in die zin dat het een behoorlijke uitoefening van het advocatenberoep moet waarborgen (ibid., pp. 6-14). Met die wet wilde de wetgever de tuchtprocedure vereenvoudigen en professionaliseren, door het aantal tuchtraden 7 te verminderen, namelijk één per rechtsgebied van hof van beroep (artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 juni 2006) en in één tuchtraad van beroep voor de Vlaamse, respectievelijk Frans- en Duitstalige advocatuur, met zetel te Brussel (artikel 464 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 17 van de wet van 21 juni 2006). B.
- In haar eerste middel vordert de verzoekende partij de vernietiging van artikel 2 van de wet van 21 juni 2006, dat een nieuw artikel 432bis in het Gerechtelijk Wetboek invoegt en bepaalt dat de persoon die om inschrijving verzoekt op het tableau van de Orde van Advocaten of op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van advocaat uit een andere lidstaat van de Europese Unie, of die het voorwerp is van een weglating, tegen de beslissing genomen door de raad van de Orde hoger beroep kan instellen bij de tuchtraad van hoger beroep. Zij stelt dat die bepaling onverenigbaar is met het essentieel administratief karakter van het verzoek tot inschrijving en tot weglating en strijdig is met het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van behoorlijk bestuur. In haar tweede middel vraagt de verzoekende partij de vernietiging van artikel 18 van de bestreden wet, dat artikel 465 van het Gerechtelijk Wetboek vervangt en dat de samenstelling van de tuchtraden van beroep bepaalt. Elke tuchtraad van beroep, die wordt voorgezeten door een eerste voorzitter van het hof van beroep, is samengesteld uit één of meer kamers (artikel 465, § 1). Iedere kamer is samengesteld uit een voorzitter, vier assessoren-advocaten en een secretaris-advocaat (artikel 465, § 2). Iedere Orde die deel uitmaakt van de Orde van Vlaamse Balies of van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » wijst onder de gewezen leden van de raad van de Orde minimum twee assessoren en twee plaatsvervangende assessoren aan (artikel 465, § 4). De verzoekende partij citeert de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en leidt daaruit af dat de samenstelling van de tuchtraad van beroep niet beantwoordt aan de vereiste van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Zij is van mening dat het beroep moet worden voorgelegd aan een rechtscollege met volle rechtsmacht, in casu het hof van beroep. In haar derde middel vecht de verzoekende partij artikel 23 van de wet van 21 juni 2006 aan, dat artikel 469 van het Gerechtelijk Wetboek vervangt en dat onder meer bepaalt dat de tuchtraad bevoegd is om uitspraak te doen over tuchtrechtelijke vervolgingen die zijn 8 ingesteld wegens feiten gepleegd vóór de beslissing waarbij de advocaat van het tableau van de Orde is weggelaten, indien het onderzoek uiterlijk één jaar na die beslissing is ingesteld. Die bepaling zou volgens de verzoekende partij afbreuk doen aan « het voorbehoudloos karakter van de weglating » en strijdig zijn « met het gezag van gewijsde van de beslissing van weglating als wettelijk vermoeden ». Tevens zouden de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet zijn geschonden vermits een dergelijke bepaling bij andere beroepsgroepen niet bestaat. Het vierde middel betreft artikel 27 van de wet van 21 juni 2006, dat artikel 472 van het Gerechtelijk Wetboek vervangt. Die bepaling regelt de mogelijkheid om opnieuw te worden toegelaten tot het tableau van de Orde na een schrapping (§ 1), voert een regeling in voor eerherstel in geval van schorsing in (§ 2) en voor de uitwissing van straffen (§ 3). Dat artikel houdt volgens de verzoekende partij een schending in van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet omdat een soortgelijke regeling niet bestaat bij andere beroepen en het in de rechtsorde het niveau van bescherming van de gewaarborgde rechten verlaagt. B.4.
- Op grond van artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om uitspraak te doen over de beroepen tot vernietiging van een wetskrachtige norm wegens schending van : « 1° de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten; of 2° de artikelen van titel II ‘ De Belgen en hun rechten ’, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet ». B.4.
- Het Hof is niet bevoegd om wettelijke normen rechtstreeks te toetsen aan algemene beginselen, noch aan verdragsbepalingen. Het kan ermee rekening houden bij de grondwettigheidstoets die het binnen de hiervoor gepreciseerde perken uitvoert, doch enkel wanneer tevens bepalingen worden aangevoerd waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, hetzij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, hetzij - wanneer het een verdragsbepaling is die wordt aangevoerd - een grondwetsbepaling die analoge rechten of vrijheden waarborgt. 9 B.4.
- Het eerste en het tweede middel, die enkel zijn afgeleid uit een schending van de beginselen van rechtszekerheid, van behoorlijk bestuur en van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instantie en uit een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zijn niet ontvankelijk. B.5.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.5.
- Het derde en het vierde middel, die uit een schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet zijn afgeleid, zetten niet uiteen in welk opzicht die bepalingen zouden zijn geschonden. De loutere vermelding dat dezelfde bepalingen niet bestaan voor de andere vrije beroepen, volstaat niet opdat het Hof een discriminatie of een schending van een van de bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde rechten kan vaststellen. B.5.
- Het derde en het vierde middel zijn niet ontvankelijk. B.
- Zonder dat het Hof dient na te gaan of de verzoekende partij van het vereiste belang doet blijken bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, en zonder dat dient te worden ingegaan op haar verzoek tot heropening van de debatten, is het beroep niet ontvankelijk. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 januari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.002 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div