← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.003

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.003 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080117.4 Arrest- Rolnummer: 3/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-07-01 21:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENTE - Waals Gemeentedecreet - Binnengemeentelijke territoriale organen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Handelsrecht - Faillissement - Verschoonbaarheid -

  1. Echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde -
  2. Ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - 80 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Wet - 08-08-1997 - 82 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Wet - 08-08-1997 - 82,lid2 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Wet - 02-02-2005 - 34 ELI link Pub nr 2005009112 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4146 Arrest nr. 3/2008 van 17 januari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 8 februari 2007 in zake L.S. tegen de nv « Fortis Bank » en de nv « Centea », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2007, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 80 en 82 Faill.W., zoals gewijzigd bij wet van 2 februari 2005, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien deze bepalingen zo moeten gelezen worden dat om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld ? ». Memories zijn ingediend door L.S. en de Ministerraad. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 20 november 2007 : - zijn verschenen : . Mr. H. Van Dooren, advocaat bij de balie te Dendermonde, voor L.S.; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De appellante was gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten met een handelaar die op 6 augustus 2003 in staat van faillissement werd verklaard. Hangende het faillissement werd op een niet nader bekende datum de echtscheiding uitgesproken. Het faillissement werd bij vonnis van 27 februari 2006 gesloten wegens ontoereikend actief en de gefailleerde werd verschoonbaar verklaard. De appellante was op 5 november 2001, samen met haar gewezen echtgenoot, een investeringskrediet aangegaan bij de nv « Fortis Bank » en had zich tevens borg gesteld voor de betaling van de schulden van de gefailleerde. Zij vraagt te worden bevrijd van haar verbintenissen van voormelde schulden zowel op grond van artikel 80, derde lid, als op grond van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus
  3. 3 De verwijzende rechter bevestigt de beslissing van de eerste rechter dat een borgtochtovereenkomst geen kosteloos karakter heeft in de zin van artikel 80, derde lid, van de faillissementswet en voegt eraan toe dat « de kosteloze aard der borgstelling bepaald wordt door het ontbreken van enig rechtstreeks of onrechtstreeks economisch voordeel in hoofde van de borgsteller en niet op het ontbreken van een tegenprestatie (vergoeding) vanwege de hoofdschuldenaar ». Inzake artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet stelt de verwijzende rechter vast dat de appellante ten tijde van de verschoonbaarheid wettelijk gescheiden was van de gefailleerde. Hij verwerpt haar interpretatie dat de verschoonbaarheid moet terugwerken tot op de dag van de faillietverklaring en stelt dat die interpretatie geen steun vindt in de wet, die aangeeft dat er een huwelijk moet bestaan op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring om de bevrijding van de medegebonden echtgenoot tot gevolg te hebben. Hij vraagt zich evenwel af of artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet, aldus geïnterpreteerd, geen discriminerende gevolgen heeft en hij stelt hierop de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  4. De Ministerraad wijst erop dat de verwijzende rechter in essentie vraagt of artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat de huidige en de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde niet op dezelfde wijze worden behandeld nu enkel de eerstgenoemde mee het voordeel van de verschoonbaarverklaring geniet. Volgens de Ministerraad heeft het Hof die vraag reeds beantwoord in de arresten nrs. 67/2006 van 3 mei 2006 en 37/2007 van 7 maart
  5. Nu in het verwijzingsarrest niets kan worden gevonden dat tot een ander besluit zou kunnen leiden, moet de prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. A.
  6. De appellante in het bodemgeschil is van mening dat de letterlijke lezing van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet, die zou inhouden dat enkel de persoon die gehuwd is met de gefailleerde op het ogenblik van de uitspraak van verschoonbaarheid op zijn beurt bevrijd is, strijdig is met het kristallisatiebeginsel inzake faillissementen, volgens hetwelk het faillissement de vaststelling van schulden op het ogenblik van de faillietverklaring inhoudt. Zij wijst erop dat de regelgeving rond de verschoonbaarheid en de gevolgen daarvan voor de positie van de borgen en echtgenoten steeds ertoe moeten strekken dat personen die door dezelfde schulden gehouden zijn, op gelijke wijze worden behandeld. Zij wijst erop dat de faillissementswet van 8 augustus 1997 hoofdzakelijk erop gericht was een evenwicht te bereiken tussen de schuldenaar en schuldeisers. Met de wijzigingen aangebracht door de wetten van 4 september 2004 en 2 februari 2005, beoogde de wetgever met nog meer doeltreffendheid de oorspronkelijke doelstellingen te bereiken. Aldus worden niet alleen de gefailleerde maar ook de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde en de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde, van hun verplichtingen bevrijd. Zij verwijst vervolgens naar het arrest nr. 78/2004 van 12 mei 2004 en meent dat op basis van de lering van dat arrest niet kan worden ingezien op grond van welk objectief en redelijk criterium men een onderscheid zou kunnen laten bestaan tussen de echtgenoot van een gefailleerde die op het ogenblik van de verschoonbaarverklaring nog met de gefailleerde gehuwd is en diegene die op dat moment van hem gescheiden is. A.
  7. De Ministerraad antwoordt dat de stelling van de appellante dat artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet strijdig is met het zogenaamde kristallisatiebeginsel niet het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt. Daarenboven werd die stelling door de verwijzende rechter afgewezen. Volgens de Ministerraad gaat de appellante voorbij aan de arresten nr. 67/2006 en 37/2007 en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 4 -B- B.
  8. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus
  9. B.
  10. Uit de formulering van de prejudiciële vraag zelf en uit het verwijzingsarrest blijkt dat de vraag beperkt is tot artikel 82, tweede lid, van de faillissementwet. B.
  11. Sinds de wijziging ervan bij de wet van 2 februari 2005 die in werking is getreden op 21 februari van datzelfde jaar, bepaalt artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet : « De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting ». B.
  12. Aan het Hof wordt gevraagd of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, aldus geïnterpreteerd dat « om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld ». B.
  13. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de faillissementswetgeving die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers. De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36). 5 De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel […] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het […] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29). B.
  14. Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting. Het Hof dient te onderzoeken of die maatregel een discriminatie inhoudt ten aanzien van de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde die op de datum van het faillissement met de gefailleerde was gehuwd doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt is gescheiden. Daarbij dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke « alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan […] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken] » (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en « ieder die persoonlijk verbonden is, […] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige » (artikel 7 van de hypotheekwet van 16 december 1851). 6 B.
  15. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel. Het kan derhalve objectief en redelijk worden verantwoord dat de gevolgen van de verschoonbaarheid niet werden uitgebreid tot de ex-echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. In dat geval kan immers de doelstelling van de verschoonbaarheid niet worden ondergraven. B.
  16. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 januari
  17. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.