← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.007 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080117.7 Arrest- Rolnummer: 7/2008 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-01-18 Raadplegingen: 259 - laatst gezien 2026-06-29 10:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 46, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Burgerlijke aansprakelijkheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen -

  1. Vaste vergoedingen -
  2. Rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid - a. Derde aansprakelijke - b. Werkgever - Immuniteit -
  3. Afwezigheid van regresvordering van de derde aansprakelijke tegen de medeaansprakelijke werkgever. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 46 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Wet - 10-04-1971 - 46,§1 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Tekst van de beslissing Rolnummer 4157 Arrest nr. 7/2008 van 17 januari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 februari 2007 in zake de nv « OROTEX BELGIUM » tegen « Mensura, Gemeenschappelijke Verzekeringskas » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 maart 2007, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Creëert artikel 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 in combinatie met de regels inzake het regres van de in solidum veroordeelde schuldenaren een ongrondwettelijke ongelijkheid nu de combinatie van deze regels ertoe leidt dat in een geval waar een arbeidsongeval wordt veroorzaakt door de samenlopende fouten van de werkgever en van derden, deze derden niet beschikken over een regres tegen de werkgever (ten belope van zijn aandeel in de aansprakelijkheid) ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « OROTEX BELGIUM », met zetel te 8780 Oostrozebeke, Ingelmunstersesteenweg 162; - de nv « SPIE Belgium », met zetel te 1070 Brussel, Vaartdijk 112-113; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « OROTEX BELGIUM »; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 7 november 2007 : - zijn verschenen : . Mr. C. Van Haesebrouck, advocaat bij de balie te Kortrijk, voor de nv « OROTEX BELGIUM »; . Mr. M. Simon, tevens loco Mr. G. Van Hamme en Mr. B. Vanschoebeke, advocaten bij de balie te Gent, voor de nv « SPIE Belgium »; . Mr. B. Van Hyfte, tevens loco Mr. J. Vanden Eynde, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de procedure in het bodemgeschil In januari 1998 doet zich een dodelijk arbeidsongeval voor in de fabriek van de nv « OROTEX BELGIUM », waarbij een werknemer van de nv « VLAM » om het leven komt. Bij vonnis van 17 september 2001 verklaart de Correctionele Rechtbank te Kortrijk inter alia de burgerlijke partijstelling van de Gemeenschappelijke Verzekeringskas van Bouwwerk, Handel en Nijverheid APRA (hierna APRA), de arbeidsongevallenverzekeraar van de nv « VLAM », ontvankelijk en gegrond, in zoverre ze tegen de nv « OROTEX BELGIUM », tegen de nv « B.T.S. » en tegen de gedelegeerd bestuurder van laatstgenoemde is gericht. De Correctionele Rechtbank veroordeelt die partijen in solidum tot betaling van een provisie van één Belgische frank. De burgerlijke partijstelling wordt, daarentegen, onontvankelijk verklaard in zoverre ze tegen de nv « VLAM » en tegen haar directeur is gericht. Op 31 oktober 2002 dagvaardt APRA de nv « OROTEX BELGIUM », de nv « B.T.S. » en de gedelegeerd bestuurder van laatstgenoemde voor de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, teneinde die partijen in solidum te horen veroordelen tot betaling van een som die overeenstemt met de door APRA betaalde begrafenis- en overbrengingskosten en de aan de weduwe van de overledene betaalde rente. De nv « OROTEX BELGIUM » dagvaardt daarop de nv « VLAM » tot gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring. De Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk veroordeelt de nv « OROTEX BELGIUM », de nv « B.T.S. » en de gedelegeerd bestuurder van laatstgenoemde in solidum tot betaling van de door APRA gevorderde som. De vordering tot gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring tegen de nv « VLAM » wordt onontvankelijk verklaard. De nv « OROTEX BELGIUM » gaat tegen dat vonnis in beroep. In het kader van die procedure stelt de verwijzende rechter de hierboven geformuleerde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de nv « OROTEX BELGIUM » A.1.
  4. De nv « OROTEX BELGIUM » herinnert eraan dat de aansprakelijke die samen met anderen in solidum is gehouden tot schadevergoeding van een slachtoffer en die dat slachtoffer volledig vergoedt, regres kan uitoefenen tegen de in solidum gehouden aansprakelijken ten belope van hun aandeel in de aansprakelijkheid. In geval van een arbeidsongeval verhindert artikel 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 evenwel dat de aansprakelijke die het slachtoffer vergoedt, een regresvergoeding instelt tegen de medeaansprakelijke werkgever. Dit leidt ertoe dat de aansprakelijke die het slachtoffer vergoedt, niet de mogelijkheid wordt geboden om het deel van de schadevergoeding dat zijn aandeel in de schade te boven gaat, te verhalen op medeaansprakelijken. A.1.
  5. Volgens die partij is het behoud van de sociale vrede de enige rechtvaardiging voor die immuniteit van de werkgever. Te dezen zou de regresvordering tegen de medeaansprakelijke werkgever van het slachtoffer geenszins de sociale vrede binnen het bedrijf aantasten. Bijgevolg zou het verschil in behandeling dat aldus wordt gecreëerd niet redelijk zijn verantwoord. A.1.
  6. Die partij wijst erop dat de civielrechtelijke immuniteit reeds werd opgeheven bij verkeersongevallen. De motorrijtuigenverzekeraar van de werkgever verleent immers dekking aan slachtoffers van verkeersongevallen die als arbeidsongevallen moeten worden beschouwd. 4 A.1.
  7. De nv « OROTEX BELGIUM » besluit dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Standpunt van de nv « SPIE Belgium » A.2.1.
  8. De nv « SPIE Belgium », rechtsopvolger van de nv « VLAM », voert aan dat de gedeeltelijke immuniteit van de werkgever wordt ingegeven door verschillende motieven. A.2.1.
  9. Allereerst vindt, volgens die partij, die immuniteit haar oorsprong in een historisch compromis tussen, enerzijds, de vraag van de werknemers naar een betere bescherming en, anderzijds, de vraag van de werkgevers naar een duidelijke regeling omtrent de vaststelling en de beperking van de te vergoeden schade. De wetgever voerde een schuldloze aansprakelijkheid in : de werknemer heeft recht op een vergoeding, zelfs als de werkgever geen fout kan worden verweten of als de werknemer een fout heeft begaan. Daartegenover staat dat het slachtoffer van een arbeidsongeval slechts recht heeft op de forfaitaire, door de arbeidsongevallenwet bepaalde vergoeding. A.2.1.
  10. Ten tweede is, volgens die partij, de arbeidsongevallenverzekering, door haar verplicht karakter, een mechanisme van sociale verzekering geworden. Door de betaling van de verzekeringspremies bevrijdt de werkgever zich dan ook van verdere aansprakelijkheid. De immuniteit zou dus verantwoord zijn door het verplichte verzekeringsmechanisme. A.2.1.
  11. Ten slotte wenst de wetgever, volgens de nv « SPIE Belgium », door het definitief karakter van de door de arbeidsongevallenverzekeraar toegekende vergoedingen, de sociale rust in de ondernemingen te vrijwaren. A.2.
  12. Die partij verwijst vervolgens naar de rechtspraak van het Hof (nr. 31/2001 van 1 maart 2001, nr. 47/2002 van 26 juni 2002 en nr. 115/2002 van 26 juni 2002), waaruit zou voortvloeien dat de immuniteit van de werkgever bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het zou daarbij niet van belang zijn of de werkgever al dan niet strafrechtelijk wordt vervolgd. A.2.
  13. In het arrest nr. 52/2001 van 18 april 2001 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 46 van de arbeidsongevallenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de immuniteit van de werkgever ook zou gelden ten aanzien van derden. De nv « SPIE Belgium » wijst evenwel erop dat « derden » personen zijn die eigen schade hebben geleden. Te dezen gaat het echter om personen die in de rechten van de werknemer zijn gesubrogeerd, zodat hun rechten per definitie niet uitgebreider kunnen zijn dan die van het slachtoffer. A.2.
  14. Volgens de nv « SPIE Belgium » is de veroordeling in solidum in geval van buitencontractuele aansprakelijkheid een praktijk contra legem, vermits artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek de hoofdelijke veroordeling uitdrukkelijk beperkt tot die gevallen waarin de wet of de partijen voorzien. Vermits de aansprakelijkheid in solidum geen wettelijke basis heeft, dient het onderzoek van het Hof zich te beperken tot artikel 46 van de arbeidsongevallenwet. Vermits die bepaling niet handelt over de regresvordering van derden, dient de prejudiciële vraag, volgens die partij, ontkennend te worden beantwoord. A.2.
  15. De nv « SPIE Belgium » voert nog aan dat het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd, niet uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, maar uit het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Kortrijk van 17 september
  16. Dat vonnis heeft drie van de zeven strafrechtelijk aansprakelijke partijen (de nv « OROTEX BELGIUM », de nv « B.T.S. » en de gedelegeerd bestuurder van laatstgenoemde) in solidum veroordeeld tot terugbetaling van de totaliteit van de schade aan de arbeidsongevallenverzekeraar. De Correctionele Rechtbank was wettelijk evenwel niet verplicht een dergelijke beslissing te nemen. Artikel 50 van het Strafwetboek laat de rechter toe om af te wijken van de hoofdelijkheid. Bovendien verhindert artikel 46 van de arbeidsongevallenwet niet dat het aan de werkgever toe te rekenen aandeel van de schade wordt bepaald en in mindering wordt gebracht van de schade die de andere aansprakelijke partijen dienen te vergoeden. De beslissing van de Correctionele Rechtbank is dus, volgens die partij, geenszins het gevolg van artikel 46 van de arbeidsongevallenwet. Bijgevolg zou het aangeklaagde verschil in behandeling niet uit die bepaling voortvloeien. 5 A.2.
  17. De nv « SPIE Belgium » voert ten slotte aan dat het verschil in behandeling redelijk is verantwoord. Allereerst heeft de verplichte arbeidsongevallenverzekering het karakter van een sociale verzekering gekregen, waarbij de werkgever zich door de betaling van de verzekeringspremies ontslaat van verdere verplichtingen, niet alleen ten aanzien van het slachtoffer van het arbeidsongeval, maar ook ten aanzien van derden die in de plaats zijn gesteld van het slachtoffer. De immuniteit van de werkgever zou ook zijn verantwoord door de sociale vrede, die in het gedrang zou komen wanneer derden, die in de rechten van de werknemer zijn gesubrogeerd, de werkgever of andere werknemers inzake burgerlijke aansprakelijkheid zouden kunnen dagvaarden. Bovendien zou de immuniteit van de werkgever een essentieel element zijn van het compromis dat de arbeidsongevallenwet vormt tussen, enerzijds, de automatische, forfaitaire vergoeding van het slachtoffer en, anderzijds, de immuniteit van de werkgever. A.2.
  18. Die partij is van mening dat een bevestigend antwoord aanleiding zou geven tot een onverantwoord verschil in behandeling tussen de werkgever die exclusief aansprakelijk is voor een arbeidsongeval en de werkgever die samen met derden aansprakelijk is. Terwijl die eerste categorie de toepassing zou kunnen genieten van artikel 46 van de arbeidsongevallenwet, zou dat niet het geval zijn wanneer het ongeval mede wordt veroorzaakt door een derde. Standpunt van de Ministerraad A.3.
  19. Na de wetsgeschiedenis in herinnering te hebben gebracht, voert de Ministerraad aan dat het systeem van de vaste vergoeding waarin de arbeidsongevallenwet voorziet, beoogt het inkomen van de werknemers te beschermen tegen een mogelijk professioneel risico, zelfs indien een arbeidsongeval wordt veroorzaakt door het slachtoffer of een collega-werknemer. Daarnaast beoogt het systeem de sociale vrede en de goede arbeidsverhoudingen binnen de bedrijven te handhaven. De bekommernis om de financiële last van dat systeem niet te verzwaren heeft de wetgever ertoe gebracht de gevallen te beperken waarin de werkgever burgerlijk aansprakelijk kan worden gesteld. A.3.
  20. Volgens de Ministerraad gaat het verwijzingsarrest ervan uit dat in de onderlinge verhouding tussen de in solidum veroordeelde aansprakelijken van een arbeidsongeval, het regresrecht van de betalende aansprakelijke en de overige aansprakelijken berust op artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek. De grondslag van dat regresrecht zou evenwel niet vaststaan. Naast het voormelde artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek beroept bepaalde rechtspraak zich op de leer van de verrijking zonder oorzaak, of op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. A.3.
  21. In de veronderstelling dat de regresvordering tegen de medeaansprakelijke werkgever voor diens aandeel in de aansprakelijkheid op artikel 46 van de arbeidsongevallenwet stuit, is het verschil in behandeling dat eruit voortvloeit, verantwoord. De civielrechtelijke immuniteit van de werkgever, en overigens het gehele stelsel van de arbeidsongevallenregeling, is onder meer ingegeven door de bezorgdheid om de sociale vrede binnen de bedrijven te handhaven. Daarnaast zijn er ook economische motieven. De financiering van het systeem wordt gewaarborgd door de werkgevers die, sinds de arbeidsongevallenwet, verplicht zijn een verzekering inzake arbeidsongevallen te sluiten en die de kosten van de premies hiervoor dragen. De wetgever heeft de gevallen beperkt waarin de werkgever burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld teneinde de financiële last die de werkgevers dragen door het betalen van verzekeringspremies niet te verzwaren. Indien de immuniteit van de werkgever niet zou gelden in het kader van een regresvordering, zou het door de arbeidsongevallenwet gecreëerde evenwicht in het gedrang komen. Bovendien zou, in het kader van de regresvordering, de fout van de werkgever, en in voorkomend geval van het slachtoffer, ter sprake komen. Dergelijke betwistingen kunnen aanleiding geven tot interne discussie, wat de sociale vrede binnen de onderneming op ernstige wijze kan aantasten. A.3.
  22. Volgens de Ministerraad dient de voorliggende prejudiciële vraag te worden onderscheiden van de vraag die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 3/
  23. Te dezen gaat het immers niet om een verkeersongeval, maar om een arbeidsongeval op de arbeidsplaats zelf. Bovendien is er ten aanzien van verkeersongevallen steeds een verzekeringsplicht, en wordt de discussie steeds gevoerd tussen verzekeringsinstellingen. Dit is te dezen niet het geval, vermits er geen verplichting is voor de werkgever om zich te verzekeren tegen mogelijke regresvorderingen van eventuele medeaansprakelijken. 6 -B– B.1.
  24. De verwijzende rechter vraagt : « Creëert artikel 46 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 in combinatie met de regels inzake het regres van de in solidum veroordeelde schuldenaren een ongrondwettelijke ongelijkheid nu de combinatie van deze regels ertoe leidt dat in een geval waar een arbeidsongeval wordt veroorzaakt door de samenlopende fouten van de werkgever en van derden, deze derden niet beschikken over een regres tegen de werkgever (ten belope van zijn aandeel in de aansprakelijkheid) ? ». B.1.
  25. Artikel 46, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 luidde, ten tijde van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, als volgt : « Ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten blijft de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid mogelijk voor de getroffene of zijn rechthebbenden : 1° tegen de werkgever die het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt of die opzettelijk een ongeval heeft veroorzaakt dat een arbeidsongeval tot gevolg heeft; 2° tegen de werkgever wanneer het arbeidsongeval schade aan goederen van de werknemer heeft veroorzaakt; 3° tegen de lasthebber of aangestelde van de werkgever die het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt; 4° tegen de personen, andere dan de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, die voor het ongeval aansprakelijk zijn; 5° tegen de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, wanneer het ongeval zich voordoet op de weg naar en van het werk ». B.
  26. In de prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd de situatie te vergelijken van, enerzijds, de derden die samen met een werkgever aansprakelijk zijn voor een arbeidsongeval en, anderzijds, de personen door wier samenlopende fout schade wordt veroorzaakt, in zoverre de eerste categorie van personen die in solidum worden veroordeeld tot vergoeding van het geheel van de schade, het aandeel van de schade zou moeten dragen waarvoor de werkgever aansprakelijk is, terwijl de tweede categorie van personen die in solidum worden veroordeeld tot vergoeding van het geheel van de schade, het aandeel van de schade waarvoor een ander aansprakelijk is, op die persoon kan verhalen. 7 B.3.
  27. De wet van 24 december 1903 betreffende de vergoeding van schade voortspruitende uit ongevallen voorzag in een forfaitaire vergoeding voor schade ten gevolge van een arbeidsongeval, waarbij de forfaitaire aard van de vergoeding meer bepaald was ingegeven door een van het gemeen recht afwijkende aansprakelijkheidsregeling die niet meer uitgaat van het begrip « fout », maar van het begrip « professioneel risico », en van het verdelen van dat risico over de werkgever en het slachtoffer van het arbeidsongeval. Enerzijds, werd de werkgever, zelfs zonder dat hem enige schuld trof, steeds aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van het arbeidsongeval opgelopen door het slachtoffer. Niet alleen werd het slachtoffer op die manier vrijgesteld van het vaak zeer moeilijk te leveren bewijs van de schuld van de werkgever of zijn aangestelde en van het oorzakelijk verband tussen die schuld en de geleden schade. Bovendien zou zijn eventuele eigen (onopzettelijke) fout de vergoeding niet in de weg staan, noch tot zijn aansprakelijkheid leiden, indien door die fout een derde een arbeidsongeval zou overkomen. Anderzijds, ontving het slachtoffer van het arbeidsongeval een forfaitaire schadevergoeding, waardoor het slechts gedeeltelijk werd vergoed voor de geleden schade. Door verschillende wetswijzigingen werd het vergoedingsniveau van oorspronkelijk 50 pct. van het « basisloon » uitgebreid naar 66 pct. en 100 pct. Ook de oorspronkelijk voorgeschreven immuniteit van de werkgever werd aangepast na de uitbreiding van de arbeidsongevallenregeling tot de ongevallen op de weg naar en van het werk. Bij de totstandkoming van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 werd het systeem gewijzigd door het invoeren van de verplichte verzekering, krachtens welke de werknemer zich niet meer richt tot de werkgever maar tot de « wetsverzekeraar ». De schade opgelopen door de werknemer en niet langer de aansprakelijkheid van de werkgever werd vanaf dan verzekerd, waardoor het systeem gelijkenis vertoont met een mechanisme van sociale verzekering. B.3.
  28. Artikel 7 van de arbeidsongevallenwet definieert het arbeidsongeval als « elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt ». Het doel van het systeem van de vaste vergoeding bestaat erin het inkomen van de werknemer te beschermen tegen een mogelijk professioneel risico, zelfs indien het ongeval gebeurt door de schuld van die 8 werknemer of van een collega, alsook de sociale vrede en de arbeidsverhoudingen binnen de bedrijven te handhaven door een toename van het aantal processen inzake aansprakelijkheid uit te sluiten. De bescherming van de werknemer houdt in dat deze van zijn eigen aansprakelijkheid wordt ontheven in geval van een arbeidsongeval dat door zijn fout is veroorzaakt. De vaste vergoeding dekt bovendien de schade van diegenen van wie de wetgever veronderstelt dat zij normaal gesproken afhangen van het inkomen van het slachtoffer van een dodelijk ongeval. De vaste vergoeding zal in bepaalde gevallen groter zijn dan wat het slachtoffer had kunnen verkrijgen door een gemeenrechtelijke vordering in te stellen tegen de dader van de fout die het ongeval heeft veroorzaakt en, in andere gevallen, minder groot. De financiering van het systeem van de vaste vergoeding wordt gewaarborgd door de werkgevers, die sinds 1971 verplicht zijn een verzekering inzake arbeidsongevallen te sluiten en de kosten van de premies te dragen. De bekommernis om de financiële last die hiervan het gevolg is niet te verzwaren door een eventuele gemeenrechtelijke vergoedingsverplichting, heeft de wetgever ertoe gebracht de gevallen te beperken waarin de werkgever burgerlijk aansprakelijk kan worden gesteld. B.
  29. Rekening houdend met het feit dat, om de redenen uiteengezet in B.3, de regels inzake vergoeding van arbeidsongevallen een geheel vormen, is de maatregel, die erin bestaat slachtoffers en hun rechthebbenden die aanspraak kunnen maken op vaste vergoedingen, zoals beoogd in de artikelen 12 tot 17 van die wet, de mogelijkheid te ontnemen een gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de persoon die aansprakelijk is voor het arbeidsongeval, behoudens tegen de in artikel 46, § 1, van de wet van 10 april 1971 vermelde personen, niet onevenredig. B.
  30. Om dezelfde reden is het niet kennelijk onredelijk dat een derde die samen met een werkgever aansprakelijk wordt gesteld voor een arbeidsongeval, en tegen wie de arbeidsongevallenverzekeraar een rechtsvordering instelt tot beloop van de krachtens artikel 46, § 2, eerste lid, gedane vergoedingen, behoudens de in de in het geding zijnde bepaling vermelde gevallen, geen rechtsvordering kan instellen tegen de werkgever tot betaling van het deel van de schade waarvoor die aansprakelijk is. 9 B.
  31. Bij het regelen van de gevolgen van arbeidsongevallen had de wetgever niet als enige bekommernis de arbeidsverhoudingen niet te verstoren. De in het geding zijnde bepaling beoogt tevens de financiële last die werkgevers dragen door het betalen van de premies voor de verplichte arbeidsongevallenverzekering, niet te verzwaren door een eventuele gemeenrechtelijke vergoedingsverplichting. Indien de derde aansprakelijke een rechtsvordering zou kunnen instellen tegen de werkgever ten belope van het deel van de schade waarvoor die werkgever aansprakelijk zou zijn, komt de doelstelling van de wetgever in het gedrang. B.
  32. In het opzet van de wet dekt de arbeidsongevallenverzekering overigens niet het risico van de werkgever, maar het risico dat de werknemer loopt ten gevolge van een arbeidsongeval. De arbeidsongevallenverzekering wordt dus een verzekering die de werkgever moet aangaan ten behoeve van zijn werknemers. De aansprakelijkheid van de werkgever komt daarbij niet meer aan de orde. B.
  33. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 46, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 januari
  34. De griffier, De voorzitter, P. Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.