← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.008 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080117.8 Arrest- Rolnummer: 08/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-01-18 Raadplegingen: 258 - laatst gezien 2026-07-02 01:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Terechtzitting PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 759 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. Gerechtelijk recht - Rechtspleging - Terechtzitting - Weigering een hoofddeksel af te zetten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 759 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Rolnummer 4200 Arrest nr. 8/2008 van 17 januari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 759 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 april 2007 in zake het openbaar ministerie tegen Mhamed Taheri, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 mei 2007, heeft de Correctionele Rechtbank te Antwerpen een prejudiciële vraag gesteld die bij beschikking van het Hof van 8 mei 2007 als volgt is geherformuleerd : « Schendt artikel 759 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het aldus wordt geïnterpreteerd dat het de toehoorders en beklaagden verboden is de zittingen bij te wonen wanneer zij een hoofddeksel dragen, ook wanneer dit hoofddeksel een uiting is van hun religieuze overtuiging ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 20 november 2007 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Mhamed Taheri wordt voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen vervolgd voor het verzaken aan de opdracht om als bijzitter in een kiesbureau zitting te nemen, wat strafbaar is gesteld door artikel 15 van de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 en artikel 3sexies, § 10, van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen. Op 22 maart 2007 verscheen hij voor de Rechtbank met een muts op het hoofd. Met toepassing van artikel 759 van het Gerechtelijk Wetboek werd Mhamed Taheri verzocht de muts af te zetten. Toen de beklaagde dat weigerde, achtte de Rechtbank het nodig hem in verdenking te stellen van smaad aan de rechtbank zoals daarin is voorzien in artikel 275 van het Strafwetboek. Het is bij de behandeling van die tweede procedure dat de verwijzende rechter de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag heeft gesteld, nadat hij heeft vastgesteld dat Mhamed Taheri weliswaar medische redenen aanvoert om zijn hoofddeksel niet af te nemen maar dat het dragen van een hoofddeksel in andere gevallen wordt verantwoord door een beroep te doen op de godsdienstvrijheid. 3 III. In rechte -A- A.

  1. De Ministerraad stelt zich ernstige vragen omtrent de pertinentie van de prejudiciële vraag. Hij meent dat de vraag inzake het al dan niet aanvaardbaar karakter van de weigering een hoofddeksel af te zetten om religieuze redenen niet aan de orde is in het bodemgeschil. Hij herinnert eraan dat het Hof in een dergelijk geval vermag te oordelen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. A.
  2. De Ministerraad is tevens van oordeel dat de verwijzende rechter niet bevoegd is om zich over de tenlastelegging van smaad uit te spreken. Het zou immers gaan om een handeling van de beklaagde in de zin van artikel 762 van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk een handeling die onder de toepassing van de strafwet valt én de zitting verstoort. In dat geval mag de verwijzende rechter niet zelf oordelen over de tenlastelegging, maar dient de vervolging te gebeuren op vordering van de procureur des Konings. De Ministerraad is dan ook van oordeel dat de zaak naar de verwijzende rechter moet worden teruggestuurd zodat die zijn eigen bevoegdheid zou kunnen onderzoeken. A.
  3. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de personen die in een rechtszaal weigeren hun hoofddeksel af te zetten om religieuze redenen, enerzijds, en de personen die dat weigeren om niet-religieuze redenen, anderzijds, zich niet in een wezenlijk verschillende situatie bevinden. In het kader van de organisatie van de terechtzitting en het gerechtelijk debat zouden de religieuze overtuigingen van de rechtsonderhorigen niet meer pertinentie hebben dan hun geslacht, hun huidskleur, hun politieke of filosofische meningen of hun culturele gebruiken of gewoonten. A.
  4. In de veronderstelling dat wel een pertinent onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen categorieën van rechtsonderhorigen op grond van hun overtuigingen of gedragingen, meent de Ministerraad dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft. Hij is van mening dat de terechtzitting niet de plaats en het tijdstip is voor het beleven van een godsdienst en dat de correcte organisatie van een goede rechtsbedeling voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter ten koste kan gaan van andere rechten en vrijheden, te dezen de godsdienstvrijheid, zowel voor de magistraten, als voor de rechtsonderhorigen. De Ministerraad is dan ook van oordeel dat een persoon niet het recht heeft om, op basis van zijn godsdienstige overtuigingen, zich niet te schikken naar wetten die voor iedereen van toepassing zijn en die werden uitgevaardigd zonder enige godsdienstige overweging. A.
  5. De Ministerraad meent vervolgens dat, zelfs in de veronderstelling dat de toehoorders of partijen in een zittingszaal zich op het beginsel van vrijheid van eredienst zouden mogen beroepen, dan nog het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden door de verplichting ieder hoofddeksel af te zetten. Luidens artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan de vrijheid van eredienst worden beperkt door een bij wet voorgeschreven maatregel die een rechtmatig doel dient en nodig is in een democratische samenleving. De Ministerraad meent dat de in het geding zijnde bepaling een neutrale maatregel ter bevordering van het goede verloop van de zitting uitmaakt, die niemand verbiedt een zitting bij te wonen of als partij te verschijnen. Hij ziet niet in welke onevenredige gevolgen de bepaling zou kunnen hebben en wijst erop dat er geen absoluut recht bestaat in eigen persoon te verschijnen en zijn zaak zelf te behartigen, aangezien de rechter een partij de uitoefening van dat recht kan ontzeggen (artikel 758 van het Gerechtelijk Wetboek), en dat in beginsel eenieder het recht heeft niet te verschijnen en zich te laten vertegenwoordigen, zelfs in strafrechtelijke aangelegenheden. A.
  6. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat het religieuze motief geen objectief en pertinent onderscheidingscriterium kan uitmaken. De loutere vaststelling dat iemand beweert een religieus motief aan te halen, zonder te kunnen controleren of dat motief ook effectief religieus van aard is, zou niet volstaan. Bovendien zouden de religieuze overtuigingen van personen niets uit te staan hebben met de regels met betrekking tot de politie van de terechtzittingen. De Ministerraad besluit dat een onderscheiden behandeling op grond van religieuze motieven dan ook niet op een objectieve en pertinente wijze kan worden verantwoord. 4 -B- B.
  7. Artikel 759 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De toehoorders wonen de zittingen bij met ongedekten hoofde, eerbiedig en stilzwijgend; alles wat de rechter tot handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd ». B.
  8. De Ministerraad doet in hoofdorde gelden dat de prejudiciële vraag niet pertinent is voor de oplossing van de zaak voor de verwijzende rechter, nu de beklaagde zich bij de weigering om zijn hoofddeksel af te zetten in de rechtszaal, niet beroept op zijn religieuze overtuiging. B.
  9. Het staat in beginsel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, na te gaan of het antwoord op de vraag dienend is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.4.
  10. In de zaak voor de verwijzende rechter werd de beklaagde in verdenking gesteld van smaad aan de rechter omdat hij weigerde in te gaan op het verzoek van de rechter om zijn muts af te zetten in de rechtszaal. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de beklaagde de weigering om zijn hoofddeksel af te zetten heeft gestaafd met een medisch attest. Hij zou vrij kaalhoofdig zijn en vreesde kou te vatten zonder muts (verwijzingsbeslissing, p. 2). B.4.
  11. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de weigering een hoofddeksel af te zetten, om religieuze redenen. Nu de beklaagde voor de verwijzende rechter zich geenszins heeft beroepen op religieuze redenen bij de weigering om zijn hoofddeksel af te zetten, moet worden aangenomen dat het antwoord op de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet dienstig kan zijn voor de oplossing van het geschil dat voor de verwijzende rechter aanhangig is. 5 B.4.
  12. Weliswaar merkt de verwijzende rechter in zijn vonnis ook op dat bij de behandeling van verkiezingsdossiers recent is gebleken dat meerdere Belgische onderdanen zich in verband met de toepassing van artikel 759 van het Gerechtelijk Wetboek beroepen op het grondwettelijk beginsel van de vrijheid van eredienst. Uit geen enkel element van de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat dit argument in de zaak voor de verwijzende rechter werd aangevoerd. B.
  13. In die omstandigheden behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 januari
  14. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.