voerdatum: 2008-01-23 Raadplegingen: 1019 - laatst gezien 2026-07-03 12:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt de woorden « en 2ter »
artikel 18, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, gewijzigd bij artikel 30, 2°, van de wet van 12 januari 2004; 2. verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud : a) dat artikel 2ter,
gevoegd
de voormelde wet van 11 januari 1993 bij artikel 4 van de wet van 12 januari 2004,
die zin wordt geïnterpreteerd - dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met
begrip van de materies die zijn opgesomd
dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen
rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en dus niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden, en - dat alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent,
één van de materies die zijn opgesomd
het voormelde artikel 2ter, die verder gaat dan zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging
rechte en verlening van juridisch advies, hij kan worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft, aan de overheden mee te delen; b) dat artikel 15, § 1, 1°, van dezelfde wet van 11 januari 1993, vervangen bij artikel 27 van de wet van 12 januari 2004,
die zin wordt geïnterpreteerd dat iedere mededeling van
formatie aan de Cel voor financiële
formatieverwerking via de stafhouder verloopt. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten - Beroepsgeheim HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Broepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995
zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs »,
gesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-2004 - 4 - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 12-01-2004 - 5 - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 12-01-2004 - 7 - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 12-01-2004 - 25 - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 12-01-2004 - 27 - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 12-01-2004 - 30 - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 12-01-2004 - 30,2° - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 12-01-2004 - 31 - 30 ELI link Pub nr 2004003033 Wet - 11-01-1993 - 18,alinéa2 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Wet - 11-01-1993 - 15,§1,1° - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Tekst van de beslissing Rolnummers 3064 en 3065 Arrest nr. 10/2008 van 23 januari 2008
zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995
zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs »,
gesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is
gekomen op 23 juli 2004, is beroep tot vernietiging
gesteld van de artikelen 4, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995
zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs » (bekendgemaakt
het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2004, tweede uitgave), door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 65, en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Gerechtsgebouw, Poelaertplein 1. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is
gekomen op 23 juli 2004, is beroep tot vernietiging
gesteld van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van dezelfde wet door de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Gerechtsgebouw, Poelaertplein 1. Die zaken,
geschreven onder de nummers 3064 en 3065 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn
gediend door : - de Raad van de Balies van de Europese Unie, waarvan de zetel is gevestigd te 1040 Brussel, Blijde-
komstlaan 1-5; - de Orde van advocaten bij de balie te Luik, waarvan de zetel is gevestigd te 4000 Luik, Gerechtsgebouw, place Saint-Lambert; - de Ministerraad. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord
gediend. De Raad van de Balies van de Europese Unie, de Orde van advocaten bij de balie te Luik en de Ministerraad hebben ook memories van wederantwoord
gediend. Op de openbare terechtzitting van 11 mei 2005 : - zijn verschenen : . Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen
de zaak nr. 3064; . Mr. M. E. Storme, advocaat bij de balie Brussel, voor de verzoekende partijen
de zaak nr. 3065; 3 . Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Luik, voor de Orde van advocaten bij de balie te Luik; . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Raad van de Balies van de Europese Unie; . Mr. P. Peeters, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken
beraad genomen. Bij tussenarrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005, bekendgemaakt
het Belgisch Staatsblad van 2 augustus 2005, heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen : « Schendt artikel 1, 2), van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bijgevolg artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
zoverre het nieuwe artikel 2bis, 5), dat het heeft
gevoegd
de richtlijn 91/308/EEG, voorziet
de opname van onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, zonder het beroep van advocaat uit te sluiten,
de werkingssfeer van diezelfde richtlijn, die,
essentie, tot doel heeft dat aan de daarin beoogde personen en
stellingen een verplichting wordt opgelegd de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld op de hoogte te brengen van elk feit dat zou kunnen wijzen op een dergelijk witwassen (artikel 6 van richtlijn 91/308/EEG, vervangen bij artikel 1, 5), van richtlijn 2001/97/EG) ? ». Bij arrest van 26 juni 2007 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de vraag geantwoord. Bij beschikking van 19 juli 2007 heeft het Hof de dag van de terechtzitting bepaald op 4 oktober 2007, na de partijen te hebben uitgenodigd,
een uiterlijk op 17 september 2007
te dienen aanvullende memorie, waarvan ze een kopie laten toekomen aan de andere partijen binnen dezelfde termijn, hun eventuele opmerkingen te formuleren naar aanleiding van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. De verzoekende partijen, de Raad van de Balies van de Europese Unie, de Orde van advocaten bij de balie te Luik en de Ministerraad hebben schriftelijke opmerkingen
gediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 : - zijn verschenen : . Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen
de zaak nr. 3064; 4 . Mr. M. E. Storme, advocaat bij de balie Brussel, voor de verzoekende partijen
de zaak nr. 3065; . Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Luik, voor de Orde van advocaten bij de balie te Luik; . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Raad van de Balies van de Europese Unie; . Mr. L. Swartenbroux, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken
beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II.
rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen en de tussenkomsten A.
vernietigingsberoepen betreffende bepalingen die de situatie van de advocaten rechtstreeks en ongunstig kunnen raken, en heeft het bijgevolg de exceptie van onontvankelijkheid verworpen die de Ministerraad ten aanzien van die tussenkomende partij had aangevoerd. Ten aanzien van de middelen Wat betreft de artikelen 4, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 (eerste middel
beide zaken) A.3.1. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel doen gelden dat artikel 4 van de wet van 12 januari 2004,
zoverre het de wet van 11 januari 1993 van toepassing maakt op de advocaten, wat tot gevolg heeft dat zij voortaan verplicht zijn de stafhouder van de Orde op de hoogte te brengen wanneer zij feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze te maken hebben met het witwassen van geld, strijdig is met de fundamentele beginselen van de onafhankelijkheid van de advocaat en het beroepsgeheim, die precies de harde kern vormen van de rechten van de verdediging verankerd
artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij klagen bijgevolg een schending aan van de artikelen 10 5 en 11 van de Grondwet
samenhang gelezen met de voormelde
ternationale bepalingen. Ze zijn van mening dat de
breuk door de wet van 12 januari 2004 op de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim van de advocaat onevenredig is en onbestaanbaar met de
ternationale verplichtingen van België
zake mensenrechten. A.3.2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn van mening dat de artikelen 4, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, al dan niet
samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de algemene beginselen van het recht van verdediging en met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsmede de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. Zij zetten uiteen dat de wet van 11 januari 1993 toepasbaar maken op de advocaten het wezen van de advocatuur raakt en dat zulks op algemene wijze het beroepsgeheim en de onafhankelijkheid van de advocaat aantast, alsmede het fundamenteel recht van een cliënt op een advocaat die al zijn
itiatieven
een zaak uitsluitend
het belang van zijn cliënt neemt. Zij voegen daaraan toe dat de door hen aangevochten bepalingen tot zelfincriminatie van de cliënt leiden. A.3.
deel II van het ontwerp van Verdrag voor een Europese Grondwet, pas samen met die Grondwet
werking zal treden en
tussentijd slechts een politieke draagwijdte heeft. A.3.4.
de zaak nr. 3065 niet uiteenzetten hoe de artikelen 12 en 14 van de Grondwet door de
het geding zijnde bepalingen zouden kunnen worden geschonden. Hij besluit daaruit dat het middel niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari
gesteld teneinde rekening te houden met het beroepsgeheim en de rechten van de verdediging. Hij besluit daaruit dat,
het licht van het wettige doel van de bestrijding van het witwassen van geld en vanuit de vaststelling dat de criminele organisaties steeds meer een beroep doen op de juridische beroepen om hun witwasoperaties uit te voeren, de wetgever de verplichtingen van de wet van 11 januari 1993 vermocht uit te breiden tot de advocaten. A.3.6.
crimineren van de cliënt, hetgeen de vertrouwensrelatie tussen hem en zijn advocaat op absolute wijze schendt. A.3.6.4. De Raad van de Balies van de Europese Unie is van mening dat de gelijkstelling van de advocaten met de andere personen bedoeld
de wet van 11 januari 1993 ruimer is dan op het eerste gezicht lijkt en dat de opsomming, vervat
het nieuwe artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993, van de enkele activiteiten tijdens 6 welke de advocaat onderworpen is aan de
die wet bedoelde verplichtingen, het niet mogelijk maakt alle traditionele activiteiten van de advocaat te beschermen. Hij voegt daaraan toe dat het optreden van de stafhouder evenmin van dien aard is dat het gevolg van de aangevochten bepalingen voor de uitoefening van het beroep van advocaat wordt beperkt. Hij brengt
herinnering, dat de onafhankelijkheid, het beroepsgeheim en de plicht tot loyauteit, als specifieke kenmerken van de advocatuur, bijdragen tot het vertrouwen van het publiek
die helpers van het gerecht en dat dit vertrouwen niet alleen geldt voor sommige bijzondere opdrachten van de advocaat. Hij oordeelt dat het aangevochten artikel 4 op radicale wijze afbreuk doet aan de waarborgen van een eerlijk proces en dat het onevenredige karakter ervan nog duidelijker blijkt door het bestaan van de alternatieve oplossingen met het oog op de strijd tegen het witwassen van geld, namelijk de bestaande disciplinaire en repressieve maatregelen. A.3.7.
de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de advocaat centraal staat
de problematiek van de zelfincriminatie. A.4.1. De verzoekers, de tussenkomende partijen en de Ministerraad erkennen eensgezind dat de bestreden wet van 12 januari 2004 de bepalingen van de richtlijn 2001/97/EG omzet
de Belgische rechtsorde. A.4.2. Op verzoek van de OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel heeft het Hof, met het arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 234, eerste alinea, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, 2), van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bijgevolg artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
zoverre het nieuwe artikel 2bis, 5), dat het heeft
gevoegd
de richtlijn 91/308/EEG, voorziet
de opname van onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, zonder het beroep van advocaat uit te sluiten,
de werkingssfeer van diezelfde richtlijn, die,
essentie, tot doel heeft dat aan de daarin beoogde personen en
stellingen een verplichting wordt opgelegd de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld op de hoogte te brengen van elk feit dat zou kunnen wijzen op een dergelijk witwassen (artikel 6 van richtlijn 91/308/EEG, vervangen bij artikel 1, 5), van richtlijn 2001/97/EG) ? ». A.4.3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft, met een arrest van 26 juni 2007
de zaak C-305/05, op de door het Hof gestelde vraag geantwoord : « De verplichtingen om de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten te
formeren en met hen samen te werken, die zijn bepaald
artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001, en van toepassing verklaard op advocaten
artikel 2bis, punt 5, van deze richtlijn, maken, gelet op het bepaalde
artikel 6, lid 3, tweede alinea, daarvan, geen
breuk op het recht op een eerlijk proces zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 2, EU ». A.5. De OBFG, de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Raad van de Balies van de Europese Unie en de Orde van advocaten bij de balie te Luik zijn van mening dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op het beroep slechts een beperkte weerslag heeft. Zij onderstrepen dat het antwoord geen verband houdt met het tweede, derde en vierde middel en zijn van mening dat het ontoereikend is
verband met het eerste middel.
dat opzicht voeren zij aan dat het Hof van Justitie,
tegenstelling tot zijn vaste rechtspraak, heeft geweigerd zijn onderzoek uit te breiden tot de naleving van de 7 algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en van het recht op de eerbiediging van het privéleven
de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij zijn bijgevolg van mening dat het Grondwettelijk Hof voor het volgende alternatief wordt geplaatst. Enerzijds zou het Hof, zonder het gezag van het arrest van het Hof van Justitie te schenden, uitspraak kunnen doen over de gegrondheid van het eerste middel
het licht van alle relevante regels van
ternationaal en communautair recht die niet door het Hof van Justitie zijn onderzocht, of een nieuwe prejudiciële vraag
verband met de geldigheid aan het Hof van Justitie kunnen stellen over de verenigbaarheid van de verplichting om te verklikken, met de relevante regels van
ternationaal en communautair recht die niet werden onderzocht. Anderzijds zou het Hof een verzoenende
terpretatie van artikel 6, lid 3, van de richtlijn en van artikel 14bis, § 3, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993 kunnen ontwikkelen volgens welke het begrip « bepalen van de rechtspositie van de cliënt » zich niet beperkt tot het strikte kader van de gerechtelijke procedures, maar
die zin wordt begrepen dat het het verstrekken van juridisch advies omvat, ook tijdens de uitoefening van de activiteiten bedoeld
artikel 2ter, 1°, a) tot e), van de wet, en
voorkomend geval zou het daarover een prejudiciële vraag tot
terpretatie aan het Hof van Justitie kunnen stellen. A.6. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn van mening dat de vraag van de geldigheid van de richtlijn ten opzichte van het gemeenschapsrecht, ook al is zij
teressant, geen gevolgen heeft voor de onderhavige zaak, daar de taak van het Hof uitsluitend erin bestaat de bestaanbaarheid van de wet met de Grondwet te controleren. Zij voegen eraan toe dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geenszins bevoegd is ten aanzien van de Belgische Grondwet en over geen enkel monopolie
zake de
terpretatie van de grondrechten beschikt. Het Grondwettelijk Hof lijkt hun het meest geschikt om de grondwettelijke traditie te
terpreteren en de wet daaraan te toetsen. Bovendien zijn zij van mening dat de bevoegdheidsdelegatie die is toegekend aan de Europese
stellingen, nooit
die zin kan worden geïnterpreteerd dat zij een afwijking van de grondwettelijke waarborgen toestaat. Ten slotte preciseren zij dat de
terpretatie die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geeft, het Grondwettelijk Hof niet bindt. A.7. De Ministerraad is van mening dat het aan het Hof staat de lering uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te volgen. Hij herinnert eraan dat de bindende kracht van de arresten waarmee het op prejudiciële vraag uitspraak doet, niet alleen geldt voor het dictum, maar ook voor de overwegingen en de motieven. Uit het arrest van het Hof van Justitie besluit hij dat, teneinde de beginselen van de eenvormigheid van
terpretatie en van de voorrang van het gemeenschapsrecht na te leven, dient te worden beschouwd dat de richtlijn 2001/97/EG, die de richtlijn 91/308/EEG wijzigt, niet
strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij leidt hieruit af dat de wet die het voorwerp uitmaakt van het beroep tot vernietiging, niet
strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bijgevolg met artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Wat artikel 5 van de wet van 12 januari 2004 betreft (tweede middel
de zaak nr. 3065) A.8.1. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel vorderen de vernietiging van artikel 5 van de aangevochten wet wegens schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet
samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij zetten uiteen dat de door hen aangevochten bepaling, waarbij een lijst van misdrijven wordt toegevoegd aan artikel 3 van de wet van 11 januari 1993, strijdig is met het legaliteitsbeginsel want men weet niet duidelijk op welke misdrijven de meldingsplicht van toepassing is. A.8.2. De Ministerraad brengt
herinnering dat, om de
A.3.4.1 uiteengezette motieven, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie slechts een politieke draagwijdte heeft. Hij voegt daaraan toe dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van een middel afgeleid uit de schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.8.3.1. De Ministerraad is van mening dat de wet van 11 januari 1993
zijn geheel moet worden beschouwd als een administratieve wet en niet als een strafwet. Hij doet opmerken dat die geen misdrijf
leven roept dat verband houdt met het misdrijf van witwassen van geld maar zich ertoe beperkt te voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of het financieren van het terrorisme. Hij besluit daaruit dat het legaliteitsbeginsel te dezen niet van toepassing is. 8 A.8.3.2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat het legaliteitsbeginsel eveneens van toepassing is op de administratieve sancties. Zij voegen daaraan toe dat de bestreden bepaling eveneens een
directe strafbaarstelling bevat die te wijten is aan de onduidelijkheid omtrent de vraag voor welke misdrijven de meldingsplicht geldt. Een advocaat die, te goeder trouw, een melding zou doen aan de Cel voor financiële
formatieverwerking terwijl hij zulks niet had moeten doen, is strafbaar op grond van artikel 458 van het Strafwetboek. A.8.4. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat het middel niet ontvankelijk is
zoverre daarin het misdrijf van ernstige en georganiseerde fiscale fraude wordt beoogd, omdat dit misdrijf is
gevoerd
de wet van 7 april 1995 en niet door het aangevochten artikel is gewijzigd. A.8.5.
de tekst van de wet zelf is opgenomen. A.8.5.3. De Raad van de Balies van de Europese Unie is van mening dat,
zoverre
de nieuwe verplichtingen die de advocaat worden opgelegd bij de wet van 12 januari 2004 is voorzien krachtens het nieuwe artikel 22 van de wet van 11 januari 1993, op straffe van administratieve geldboeten waarvan het bedrag tot 1.250.000,00 euro kan oplopen, die verplichtingen duidelijk moeten worden geformuleerd, wat te dezen niet het geval is. Wat artikel 31 van de wet van 12 januari 2004 betreft (tweede middel
de zaak nr. 3064 en vierde middel
de zaak nr. 3065) A.9.1. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat artikel 31 van de aangevochten wet,
zoverre het de draagwijdte van artikel 19 van de wet van 11 januari 1993 uitbreidt tot de advocaten en de stafhouders, waarbij daardoor op hen het absolute verbod toepasbaar wordt gemaakt om een cliënt ter kennis te brengen dat
formatie is overgemaakt aan de Cel voor financiële
formatieverwerking, de advocaten en de andere
de wet bedoelde beroepen zonder verantwoording gelijkschakelt, wat een schending vormt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene rechtsbeginselen
zake de rechten van de verdediging. A.9.2. Zij brengen
herinnering dat het verbod om de cliënt te verwittigen (« tipping off »)
de Europese richtlijn facultatief is. Zij voegen daaraan toe dat het gebrek aan loyauteit waartoe de advocaat door de door hen aangevochten bepaling is gehouden,
strijd is met het beginsel van onafhankelijkheid. A.9.3. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn van mening dat de
het geding zijnde bepaling een schending vormt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet
samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen van de rechten van de verdediging,
zoverre zij tot gevolg hebben dat het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt beheerst onherstelbaar wordt geschonden. A.9.4.1. De Ministerraad brengt
herinnering dat de verzoekers
de zaak nr. 3064 ten onrechte artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aanvoeren (A.3.4.1). Hij voegt daaraan toe dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over een middel dat rechtstreeks een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de algemene rechtsbeginselen aanvoert zonder zich te baseren op een schending van een ter toetsing aan het Hof voorgelegde grondwetsbepaling. A.9.4.2. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat de verwijzing naar het Handvest niet noodzakelijkerwijze ontoelaatbaar is (A.3.4.2) en dat het middel ontvankelijk is
zoverre het is gebaseerd op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de algemene rechtsbeginselen. 9 A.9.5.1. Ten gronde is de Ministerraad van mening dat de federale wetgever erover heeft gewaakt niet op onevenredige wijze afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging, en dat hij vermocht te oordelen dat het aan de advocaten en aan de stafhouder opgelegde verbod om aan de cliënt of aan derden de omstandigheid ter kennis te brengen dat
formatie is medegedeeld aan de Cel voor financiële
formatieverwerking of dat een opsporingsonderzoek wegens witwassen van geld aan de gang is, noodzakelijk was om de doeltreffendheid van de regeling te waarborgen. Hij preciseert dat de Europese wetgever de bedoeling had om het verbod van « tipping off » uit te breiden tot de onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, wat verantwoordt dat de Belgische federale wetgever om redenen van doeltreffendheid dat verbod ambtshalve heeft uitgebreid tot de advocaten. A.9.5.2. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, alsmede de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat de richtlijn de federale wetgever de keuze liet en dat die bijgevolg een keuze diende te maken
overeenstemming met de Belgische Grondwet, namelijk de advocaat
staat stellen zijn cliënt op de hoogte te brengen. A.9.5.3. De Raad van de Balies van de Europese Unie voegt daaraan toe dat, ofschoon het denkbaar is dat het geheim van het gerechtelijk onderzoek geldt voor de advocaat ten aanzien van zijn cliënt wat betreft de
houd van het gerechtelijk onderzoek, het bestaan van het gerechtelijk onderzoek daarentegen ter kennis moet worden gebracht van zijn cliënt wanneer de advocaat daarvan op de hoogte wordt gebracht. Wat artikel 27 van de wet van 12 januari 2004 betreft (derde middel
de zaak nr. 3064 en derde middel, eerste onderdeel,
de zaak nr. 3065) A.10.1. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat artikel 27 van de aangevochten wet,
zoverre het bepaalt dat de Cel voor financiële
formatieverwerking zich door de advocaat die melding maakt omtrent een vermoeden, rechtstreeks alle bijkomende
formatie kan laten meedelen die zij nuttig acht zonder daarbij te voorzien
het optreden van de stafhouder, het beroepsgeheim van de advocaat schendt en dus de rechten van de verdediging, wat een schending vormt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene rechtsbeginselen
zake de rechten van de verdediging. A.10.2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel klagen een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet
samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de algemene beginselen van het recht van de verdediging. Zij menen dat de aangevochten bepaling een discriminatie vormt
zoverre de Cel voor financiële
formatieverwerking zich rechtstreeks tot de advocaat wendt en
zoverre,
dien de advocaat bijkomende
formatie moet verstrekken, hij zulks rechtstreeks doet aan de voormelde Cel, hetgeen
houdt dat het beroepsgeheim a priori en op absolute wijze wordt opgeheven, zonder de filter van de stafhouder. A.10.3.1. De Ministerraad is
hoofdorde van mening dat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks te oordelen of een wetsnorm bestaanbaar is met de bepalingen die voortvloeien uit
ternationale verdragen. Hij voegt daaraan toe dat artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen bindende waarde heeft (A.3.4.1). A.10.3.2. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel verwijzen naar hun antwoord
verband met de andere excepties van onontvankelijkheid (A.3.4.2 en A.9.4.2). A.10.4.1. De Ministerraad zet ten gronde uiteen dat de
het geding zijnde bepaling geenszins ertoe leidt dat het beroepsgeheim a priori en op absolute wijze wordt opgeheven, vermits overeenkomstig artikel 15 van de wet van 11 januari 1993, dat verwijst naar artikel 11, § 2, van dezelfde wet, de kernactiviteiten van de advocatuur de vrijstelling genieten van de verplichting tot mededeling vervat
artikel 14bis, § 3, tweede lid, van dezelfde wet. Hij voegt daaraan toe dat de filterfunctie van de stafhouder niet kon worden uitgebreid tot het geval van het verzoek om
lichtingen door Cel voor financiële
formatieverwerking,
zoverre de richtlijn niet
die mogelijkheid voorzag voor lidstaten, maar dat niets de voormelde Cel verhindert om zich tot de stafhouder te wenden om de door haar gewenste bijkomende
lichtingen te verkrijgen. A.10.4.2. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn van mening dat de wetgever grondwettelijk niet kon bepalen dat de advocaat niet wordt beschermd wanneer hem om bijkomende 10
lichtingen wordt gevraagd, en dat ofwel de norm dient te worden vernietigd, ofwel de
terpretatie dient te worden verankerd volgens welke het optreden van de stafhouder verplicht is bij elke mededeling van de advocaat aan de Cel voor financiële
formatieverwerking. A.10.4.3. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel betwisten, hunnerzijds, de bewering van de Ministerraad volgens welke de richtlijn het niet mogelijk maakt de filter van de stafhouder
de bouwen wanneer de voormelde Cel om bijkomende
lichtingen verzoekt. Wat artikel 30 van de wet van 12 januari 2004 betreft (vierde middel
de zaak nr. 3064 en derde middel, tweede onderdeel,
de zaak nr. 3065) A.11.1. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat artikel 30 van de aangevochten wet,
zoverre het elke werknemer van een advocaat toestaat om persoonlijk aan de Cel voor financiële
formatieverwerking
formatie mede te delen telkens wanneer de normale procedure niet kan worden gevolgd, een schending vormt van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene rechtsbeginselen
zake de rechten van de verdediging. Zij zijn van oordeel dat
dien het opnemen van de advocaten
de toepassingssfeer van de wet bekritiseerbaar is, zulks a fortiori geldt voor de werknemers, des te meer daar die opname zonder enig vangnet is gebeurd. A.11.
formatie mede te delen aan de Cel voor financiële
formatieverwerking, zodat de
het geding zijnde maatregel niet relevant is. A.11.4.1. De Ministerraad brengt
herinnering dat artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen bindende waarde heeft (A.3.4.1). Hij herhaalt tevens dat het Hof niet bevoegd is om te oordelen of een bepaling van wetgevende aard bestaanbaar is met de
ternationale normen. A.11.4.2. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel verwijzen naar hun antwoord
verband met de andere excepties van onontvankelijkheid (A.3.4.2 en A.9.4.2). A.11.5.1. Ten gronde is de Ministerraad van mening dat het duidelijk is dat de aangevochten bepaling moet worden gelezen
samenhang met de bepalingen die zijn
gevoerd teneinde rekening te houden met het specifieke karakter van de advocatuur. A.11.5.2. De OBFG en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat, bij ontstentenis van vernietiging, bij wege van eensluidende
terpretatie expliciet het beginsel zou moeten worden verankerd volgens hetwelk het voor de werknemers van advocaten strikt verboden is om enige melding van vermoeden rechtstreeks mede te delen aan de Cel voor financiële
formatieverwerking, maar dat die werknemers daarentegen contact dienen op te nemen met de stafhouder van de
gebreke blijvende advocaat. -B- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen en van de tussenkomsten B.
samenhang worden gelezen met bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ondertekend en afgekondigd door de voorzitters van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie tijdens de Europese Raad te Nice op 7 december 2000 en bekendgemaakt
het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op 18 december 2000, nr. C-364. B.2.2.
zoverre het Handvest het bestaan bevestigt van gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie die
hoofdzaak eveneens
de bepalingen van de Grondwet zijn opgenomen, kan het Hof het Handvest
zijn beoordeling betrekken. Daar het Handvest niet is opgenomen
een normatieve tekst met bindende kracht ten aanzien van België, zijn de middelen evenwel niet ontvankelijk
zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van grondwetsbepalingen,
samenhang gelezen met bepalingen van het Handvest. Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.3. De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995
zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs ». De bepalingen van de wet van 12 januari 2004 waartegen de beroepen zijn gericht, luiden : « Art. 4.
[de wet van 11 januari 1993] wordt een artikel 2ter
gevoegd, luidende : ‘ Art. 2ter. - Voor zover zij daarin uitdrukkelijk voorzien, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de advocaten : 1° wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van verrichtingen
verband met : 12
breng die nodig is voor de oprichting, de uitbating of het beheer van vennootschappen; e) de oprichting, uitbating of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren; 2° of wanneer zij optreden
naam en voor rekening van hun cliënt
enigerlei financiële verrichtingen of verrichtingen
onroerend goed ’. Art. 5.
artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° een § 1bis wordt
gevoegd, luidende als volgt : ‘ § 1bis. Voor de toepassing van deze wet wordt financiering van terrorisme verstaan
de zin van artikel 2, § 2, b), van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002
zake terrorismebestrijdingen en van artikel 2 van het
ternationaal verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, goedgekeurd te New York op 9 december 1999. ’; 2°
, 1°, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)
het eerste gedachtestreepje wordt het woord ‘ terrorisme ’ vervangen door de woorden ‘ terrorisme of de financiering van terrorisme ’; b)
het achtste gedachtestreepje worden de woorden ‘ illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, antihormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking of illegale handel
dergelijke stoffen ’ vervangen door de woorden ‘ illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel
dergelijke stoffen ’; c)
het tiende gedachtestreepje worden de woorden ‘ van de Europese Unie ’ vervangen door de woorden van de ‘ Europese Gemeenschappen ’; d)
het twaalfde gedachtestreepje worden de woorden ‘ omkoping van openbare ambtenaren ’ vervangen door de woorden ‘ verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en omkoping ’; e) 1° wordt vervolledigd door de volgende streepjes : ‘ - ernstige milieucriminaliteit; - namaak van muntstukken of bankbiljetten; 13 - namaak van goederen; - zeeroverij ’; 3°
, 2°, worden de woorden ‘ of een onwettig openbaar aantrekken van spaargelden ’ vervangen door de woorden ‘ , het onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning ’; 4°
, 3°, worden de woorden ‘ een financiële oplichting ’ vervangen door de woorden ‘ een oplichting, een misbruik van vertrouwen, een misbruik van vennootschapsgoederen ’ en worden de woorden ‘ een bedrieglijke bankbreuk ’ vervangen door de woorden ‘ een misdrijf dat verband houdt met de staat van faillissement ’; 5°
worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden ‘
artikel 2 ’ worden vervangen door de woorden ‘
de artikelen 2, 2bis en 2ter ’; b) de woorden ‘ van witwassen van geld ’ worden vervangen door de woorden ‘ van witwassen van geld en van financiering van terrorisme ’ ». « Art.
de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter bedoelde ondernemingen en personen dienen hun cliënten en de lasthebbers van hun cliënten te identificeren en hun identiteit te controleren, aan de hand van een bewijsstuk, waarvan een afschrift wordt genomen op papier of op elektronische drager wanneer : 1° ze een zakenrelatie aanknopen waardoor de betrokkenen gewone cliënten worden; 2° de cliënt wenst over te gaan tot het uitvoeren van : a) een verrichting voor een bedrag van 10 000 EUR of meer, ongeacht of zij wordt uitgevoerd
één of
verscheidene verrichtingen waartussen een verband blijkt te bestaan; of
artikel 139bis van de wet van 6 april 1995
zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs; 3° ze twijfelen aan de waarachtigheid of aan de juistheid van de identificatiegegevens over een bestaande cliënt. 14 De identificatie en de controle betreffen de naam, de voornaam en het adres voor natuurlijke personen. Niettegenstaande artikel 5, § 1, betreffen ze voor rechtspersonen en trusts de naam en de zetel van de rechtspersoon, de bestuurders en de kennis van de bepalingen omtrent de bevoegdheid verbintenissen aan te gaan voor de rechtspersoon of de trust. De vereenzelviging slaat ook op het voorwerp en de verwachte aard van de zakenrelatie. § 2. De ondernemingen en personen bedoeld
de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, moeten een bestendige waakzaamheid aan de dag leggen ten opzichte van de zakenrelatie en een aandachtig onderzoek verzekeren van de uitgevoerde verrichtingen om zich ervan te vergewissen dat deze stroken met de kennis die ze hebben van hun cliënt, van zijn commerciële activiteiten, van zijn risicoprofiel en,
dien nodig, van de herkomst van de fondsen. § 3. Wanneer de ondernemingen en personen bedoeld
de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, hun waakzaamheidsplicht bedoeld
de §§ 1 en 2 niet kunnen nakomen, mogen ze geen zakenrelatie aanknopen of
stand houden. Ze beslissen zo een melding aan de Cel voor financiële
formatieverwerking overeenkomstig de artikelen 12 tot 14ter zich opdringt. § 4. De ondernemingen en personen bedoeld
artikel 2, met uitzondering van de 17°, 18° en 21°, mogen de waakzaamheidsplicht bedoeld
de §§ 1 en 2 laten uitvoeren door een derde zaakaanbrenger, voor zover deze eveneens een krediet- of financiële
stelling is
de zin van artikel 1 van richtlijn 91/308/EEG of een krediet- of financiële
stelling uit een land waarvan de wetgeving waakzaamheidsverplichingen oplegt die evenwaardig zijn met deze bepaald
de artikelen 4 en 5. De lidstaten van de Financiële Actiegroep worden vermoed aan deze vereiste te voldoen. Op advies van de Cel voor financiële
formatieverwerking kan de Koning dit vermoeden uitbreiden tot andere Staten. § 5. De ondernemingen bedoeld
artikel 2, waarvan de activiteiten geldoverdrachten behelzen
de zin van artikel 139bis van de wet van 6 april 1995
zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, vermelden bij het overschrijven of overdragen van geld en bij de mededelingen daaromtrent, correcte en dienstige
lichtingen over hun cliënten-opdrachtgevers van de betrokken verrichtingen. Deze ondernemingen bewaren al die
lichtingen en geven ze door
geval zij als tussenpersoon optreden
een betaalketen. § 6. De toepassingsmodaliteiten van de hierboven opgesomde verplichtingen worden verduidelijkt door de overheden bedoeld
artikel 21 en, desgevallend, via reglement overeenkomstig artikel 21bis,
functie van het risico dat de cliënt, de zakenrelatie of de verrichting vertegenwoordigt. Met betrekking tot § 5 wordt daarbij
zonderheid bepaald onder welke omstandigheden gegevens moeten worden bewaard of ter beschikking gesteld van overheden of van andere financiële
stellingen, met dien verstande dat
het reglement
specifieke bepalingen kan worden voorzien voor de grensoverschrijdende overschrijvingen die
batch worden doorgestuurd ’ ». « Art. 25.
artikel 14bis van dezelfde wet,
gevoegd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : 15 ‘ § 1. De
artikel 2bis, 1° tot 4°, bedoelde personen die, bij de uitoefening van hun beroep, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de Cel voor financiële
formatieverwerking daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen ’; 2°
, eerste lid, worden de woorden ‘ het witwassen van geld ’ vervangen door de woorden ‘ het witwassen van geld of de financiering van terrorisme ’; 3° dit artikel wordt aangevuld met de volgende paragraaf : ‘ § 3. De
artikel 2ter bedoelde personen die, bij de uitoefening van de
dat artikel opgesomde activiteiten, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen. De
artikel 2ter bedoelde personen delen die
formatie echter niet mee
het geval zij deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt
of
verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met
begrip van advies over het
stellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke
formatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen. De stafhouder controleert of de voorwaarden waarvan sprake
artikel 2ter en
het vorige lid zijn nageleefd.
dien deze voorwaarden zijn nageleefd, bezorgt hij de
formatie onmiddellijk aan de Cel voor financiële
formatieverwerking ’ ». « Art.
formatieverwerking
formatie ontvangt als bedoeld
artikel 11, § 2, mag de Cel of één van haar leden of één van haar personeelsleden, die daartoe is aangewezen door de magistraat die de Cel leidt of door zijn plaatsvervanger, eisen dat binnen de door hen bepaalde termijn alle bijkomende
formatie wordt meegedeeld die zij nuttig achten voor de vervulling van de opdracht van de Cel : 1° door alle
stellingen en personen bedoeld
de artikelen 2, 2bis en 2ter alsook door de stafhouder bedoeld
artikel 14bis, § 3; 2° door de politiediensten,
afwijking van artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, als gewijzigd bij de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten; 3° door de administratieve diensten van de Staat; 4° door de curatoren
een faillissement; 5° door de voorlopige bewindvoerders bedoeld
artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997; 16 6° door de gerechtelijke overheden. Evenwel kunnen
lichtingen door een onderzoeksrechter niet worden medegedeeld aan de Cel zonder uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal of van de federale procureur en kunnen de
lichtingen verkregen van een gerechtelijke overheid door de Cel niet worden medegedeeld aan een buitenlandse
stelling bij toepassing van artikel 17, § 2, zonder de uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal of van de federale procureur. De
artikel 2ter bedoelde personen en de
artikel 14bis, § 3 bedoelde stafhouder delen die
formatie niet mee als de
artikel 2ter bedoelde personen deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt
of
verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met
begrip van advies over het
stellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke
formatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen. De gerechtelijke overheden, de politiediensten, de administratieve diensten van de Staat, de curatoren
een faillissement en de voorlopige bewindvoerders mogen de Cel voor financiële
formatieverwerking op eigen
itiatief alle
formatie bezorgen die zij nuttig achten voor de vervulling van haar opdracht. Het openbaar ministerie deelt aan de Cel voor financiële
formatieverwerking alle definitieve beslissingen mee die zijn genomen
dossiers
verband waarmee de Cel
formatie heeft meegedeeld met toepassing van de artikelen 12, § 3, en 16 ’ ». « Art. 30.
artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : ‘ De mededeling van de
de artikelen 12 tot 14ter bedoelde
formatie wordt normaliter gedaan door de persoon die binnen de
de artikelen 2 en 2bis, 5°, bedoelde ondernemingen overeenkomstig artikel 10 is aangesteld, of door de personen bedoeld
de artikelen 2bis, 1° tot 4° en 2ter. ’; 2°
het tweede lid worden de woorden ‘
de artikelen 2 en 2bis, 5°, ’ vervangen door de woorden ‘
de artikelen 2, 2bis en 2ter ’. Art. 31.
artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de woorden ‘ de
de artikelen 2 en 2bis bedoelde ondernemingen of personen ’ vervangen door de woorden ‘ de
de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen of personen en de
artikel 14bis, § 3, bedoelde stafhouder ’ ». 17 Ten aanzien van de middelen Wat de artikelen 4, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 betreft (eerste middel
beide zaken) B.4.
hun eerste middel klagen de verzoekende partijen aan dat de door hen bestreden bepalingen het toepassingsgebied van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme uitbreiden tot de advocaten : enerzijds, zijn zij van mening dat de wetgever, door de advocaten te beogen, op onverantwoorde wijze afbreuk heeft gedaan aan de beginselen van het beroepsgeheim en van hun onafhankelijkheid, waardoor de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet,
samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de algemene rechtsbeginselen
zake de rechten van de verdediging en met artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zouden zijn geschonden; anderzijds, zijn zij van mening dat de bepalingen onvoldoende duidelijk zijn, zodat de advocaten niet
staat zouden zijn duidelijk uit te maken
welke omstandigheden de wet op hen van toepassing is, waardoor de artikelen 12 en 14 van de Grondwet,
samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zouden zijn geschonden. B.5.1. Na te hebben vastgesteld dat de uitbreiding van het personele toepassingsgebied van de wet van 11 januari 1993 tot de advocaten, aan de Belgische wetgever is opgelegd bij de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, heeft het Hof met het arrest nr. 126/2005 het verzoek van sommige verzoekende en tussenkomende partijen
gewilligd en, alvorens de middelen te onderzoeken, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de
A.4.2 weergegeven prejudiciële vraag gesteld. B.5.2. Bij het arrest van 26 juni 2007
de zaak C-305/05 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht gezegd dat het recht op een eerlijk proces, zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet is geschonden door de verplichting voor de advocaten om de verantwoordelijke autoriteiten voor de bestrijding van 18 het witwassen van geld te
formeren en met hen samen te werken, rekening houdend met de door de richtlijn 91/308/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijn 2001/97/EG, opgelegde of toegestane beperkingen op die verplichting. B.5.3. Het Hof onderzoekt de middelen rekening houdend met het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. B.6.1.
België hebben de advocaten een aanzienlijk aandeel
de rechtsbedeling, wat verantwoordt dat met betrekking tot de voorwaarden van toegang tot en de uitoefening van dat beroep eigen regels
acht worden genomen die verschillend zijn van diegene die voor andere vrije beroepen gelden. Luidens artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek is het beroep van advocaat gebaseerd op de beginselen van « waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid ». B.6.2. De advocaten zijn onderworpen aan strikte deontologische regels, waarvan de
achtneming
eerste aanleg wordt verzekerd door de tuchtraad van de Orde. Die kan, naar gelang van het geval, « waarschuwen, berispen, schorsen voor een termijn van ten hoogste één jaar, schrappen van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs » (artikel 460, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). B.6.3. Uit het bijzondere statuut van de advocaten, vastgesteld
het Gerechtelijk Wetboek en
de reglementeringen die zijn aangenomen door de bij de wet van 4 juli 2001 opgerichte orden, vloeit voort dat het beroep van advocaat
België zich onderscheidt van andere zelfstandige juridische beroepen. B.7.1. De effectiviteit van de rechten van de verdediging van iedere rechtzoekende veronderstelt noodzakelijkerwijs dat een vertrouwensrelatie tot stand kan komen tussen hem en de advocaat die hem raad geeft en hem verdedigt. Die noodzakelijke vertrouwensrelatie kan alleen tot stand komen en behouden blijven
dien de rechtzoekende de waarborg heeft dat wat hij aan zijn advocaat toevertrouwt, door die laatstgenoemde niet openbaar zal worden gemaakt. Hieruit volgt dat de regel van het beroepsgeheim, waarvan de schending met name bij artikel 458 van het Strafwetboek wordt bestraft, een fundamenteel element van de rechten van de verdediging is. 19 B.7.2. Weliswaar moet de regel van het beroepsgeheim wijken wanneer dat noodzakelijk blijkt of wanneer een hoger geachte waarde ermee
conflict treedt. Het opheffen van het beroepsgeheim van de advocaat moet evenwel, om met de fundamentele beginselen van de Belgische rechtsorde verenigbaar te zijn, door een dringende reden worden verantwoord en strikt evenredig zijn. B.7.3. Wanneer de verplichtingen niet worden nageleefd die de bestreden wet aan de advocaten oplegt, wordt die niet-naleving overigens bestraft met een administratieve geldboete. Die geldboete kan oplopen tot 1 250 000 euro en heeft een overheersend repressief karakter, zodat de omschrijving van die niet-naleving moet voldoen aan het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling, volgens hetwelk deze moet worden geformuleerd
bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat
voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen wordt bepaald welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan
schatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. B.7.4. Hoewel, zoals wordt onderstreept
het arrest waarmee het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de prejudiciële vraag van het Hof heeft beantwoord, artikel 6, lid 3, van de richtlijn zich voor verschillende uitleggingen leent, zodat de precieze omvang van de op advocaten rustende
formatie- en samenwerkingsplicht niet eenduidig kan worden vastgesteld (punt 27), zou de bestreden bepaling een dergelijke onduidelijkheid niet kunnen bevatten zonder het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling te schenden. Het staat dus aan het Hof de draagwijdte te onderzoeken die, op eenduidige wijze, aan de bestreden bepalingen dient te worden gegeven. B.7.5. Het arrest van 26 juni 2007 herinnert
punt 28 eraan dat « de lidstaten […] niet alleen hun nationale recht conform het gemeenschapsrecht [dienen] uit te leggen, maar […] er ook op [dienen] toe te zien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht die
conflict zou komen met de door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten of de andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht ». 20 B.7.6.
hetzelfde arrest wordt herinnerd aan de vereisten van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en aan het beginsel van het beroepsgeheim van de advocaten dat verbonden is aan de vereisten van het recht op een eerlijk proces. Reeds
zijn arrest AM & S van 18 mei 1982 (Jur., 1982, p. 1575) heeft het Hof van Justitie onderstreept dat de vertrouwelijkheid van de mededelingen tussen de advocaten en hun cliënten beantwoordt aan het «
alle lid-staten als belangrijk erkende vereiste, dat elke justitiabele de mogelijkheid moet hebben, en alle vrijheid een advocaat te raadplegen, wiens beroep het is, onafhankelijk juridisch advies te geven aan eenieder die het behoeft » (punt 18). B.7.7.
zijn arrest Wouters en anderen van 19 februari 2002 (Jur., 2002, I, p. 1577) heeft het Hof van Justitie eveneens onderstreept dat elke lidstaat, bij ontstentenis van specifieke gemeenschapsregels,
beginsel vrij blijft om de uitoefening van het beroep van advocaat op zijn grondgebied te regelen, dat de regels hierdoor aanzienlijk kunnen verschillen van lidstaat tot lidstaat en dat,
een land waar de advocaat zich bevindt
een situatie van onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid, andere operatoren en derden, hij « de garantie [moet] bieden dat al zijn
itiatieven
een zaak uitsluitend
het belang van zijn cliënt worden genomen » (punt 102) en dat een lidstaat van oordeel kan zijn dat de advocaat zijn cliënt onafhankelijk en met
achtneming van een strikt beroepsgeheim moet verdedigen (punt 105). B.7.8. Dezelfde beginselen worden bevestigd door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, volgens hetwelk de vertrouwelijkheid van de mededelingen tussen advocaten en cliënten ertoe strekt « zowel de volledige uitoefening van de rechten van verweer van de justitiabelen te garanderen als te verzekeren dat elke justitiabele de mogelijkheid heeft
alle vrijheid een advocaat te raadplegen », waarbij die bescherming van de vertrouwelijkheid
de eerste plaats tot doel heeft « het openbaar belang van een goede rechtsbedeling te waarborgen, dat erin bestaat te verzekeren dat iedere cliënt zich vrij met zijn advocaat kan onderhouden zonder te moeten vrezen dat wat hij
vertrouwen meedeelt, later kan worden bekendgemaakt » (arrest Akzo Nobel Chemicals Ltd van 17 september 2007, punten 86 en 87). B.7.9. Zoals aangegeven
zijn arresten nrs. 50/2004, 100/2006 en 129/2006, is het Hof eveneens van oordeel dat de vertrouwensrelatie die moet bestaan tussen de advocaat en zijn 21 cliënt alleen tot stand kan komen en kan worden behouden
dien de rechtzoekende de zekerheid heeft dat de vertrouwelijke mededelingen aan zijn advocaat door de laatstgenoemde niet openbaar zullen worden gemaakt. B.7.10. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de grondwettigheid van de bestreden bepalingen dient te worden beoordeeld rekening houdend met het feit dat het beroepsgeheim van de advocaat een algemeen beginsel is dat verband houdt met de naleving van de fundamentele rechten, dat de regels die van dat geheim afwijken om die reden en met toepassing van het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling slechts strikt kunnen worden geïnterpreteerd en dat rekening dient te worden gehouden met de wijze waarop het beroep van advocaat
de
terne rechtsorde is geregeld. B.8. De bestrijding van het witwassen van geld en van de financiering van terrorisme, die een onmiskenbare
vloed uitoefenen op de groei van de georganiseerde misdaad, die een bijzondere bedreiging voor de samenleving vormt, is een gewettigde doelstelling van algemeen belang. Die doelstelling zou een onvoorwaardelijke of onbeperkte opheffing van het beroepsgeheim van de advocaat echter niet kunnen verantwoorden, daar de advocaten, om de
B.6.1 tot B.6.3
herinnering gebrachte motieven, moeten worden onderscheiden van de overheden die zijn belast met het opsporen van de misdrijven. B.9.1. Artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme,
gevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, bepaalt dat de verplichtingen van die wet van toepassing zijn op de advocaten wanneer zij handelen
een bepaald aantal materies die op limitatieve wijze zijn opgesomd en « niet tot de kernactiviteit van het beroep van advocaat behoren » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, p. 28). Wat meer bepaald de verplichte samenwerking met de overheden betreft, moet die bepaling
samenhang worden gelezen met artikel 14bis, § 3, van dezelfde wet,
gevoegd bij artikel 25, 3°, van de bestreden wet, dat preciseert dat de advocaten de gegevens betreffende feiten waarvan zij weten of vermoeden dat die verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme niet aan de overheden mogen meedelen
dien zij die gegevens « van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt
of
verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen […] ». 22 B.9.2. Uit die bepaling blijkt duidelijk dat alle gegevens die ter kennis worden gebracht van de advocaat
het kader van een rechtsgeding
de materies die worden opgesomd
artikel 2ter van de voormelde wet van 11 januari 1993, door zijn beroepsgeheim zijn gedekt en dat blijven, « ongeacht of de
formatie vóór, gedurende of na het rechtsgeding is ontvangen of verkregen » (HvJ, voormeld arrest van 26 juni 2007, punt 34). B.9.3. Het beroepsgeheim van de advocaat zou evenwel niet kunnen worden beperkt tot alleen zijn activiteit bestaande
de verdediging en de vertegenwoordiging
rechte. Daarom verbiedt het voormelde artikel 14bis, § 3, eveneens dat de gegevens die ter kennis worden gebracht van de advocaten « wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen », ook
de materies die worden opgesomd
hetzelfde artikel 2ter, aan de overheden worden meegedeeld. Dezelfde bepaling preciseert dat de gegevens die worden ontvangen of verkregen
het kader van « advies over het
stellen of vermijden van een rechtsgeding » evenmin aan de overheden worden meegedeeld. B.9.4. De woorden « wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen »
de wet, zijn
extenso overgenomen uit artikel 6, lid 3, dat
richtlijn 91/308/EEG is
gevoegd door de voormelde richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001, en dienen bijgevolg te worden geïnterpreteerd
het licht van de
terpretatie van de richtlijn.
dat opzicht luidt overweging 17 van de richtlijn : « Er moeten vrijstellingen zijn van elke verplichting om
formatie te melden die is verkregen vóór, tijdens of na een gerechtelijke procedure, of bij het bepalen van de rechtspositie van een cliënt. Bijgevolg blijft juridisch advies onderworpen aan de beroepsgeheimhoudingsplicht, tenzij de juridisch adviseur deelneemt aan witwasactiviteiten, het juridisch advies voor witwasdoeleinden wordt verstrekt, of de advocaat weet of redenen heeft om aan te nemen dat zijn cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden ». Op basis van die overweging heeft de advocaat-generaal
de conclusies die het arrest van 26 juni 2007 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voorafgaan, opgemerkt : « Het komt mij
casu voor dat het begrip ‘ bepaling van de rechtspositie van de cliënt ’ als
de richtlijn gebruikt, gemakkelijk aldus kan worden begrepen dat juridische advisering daaronder valt. Een dergelijke lezing strookt met de eerbiediging van de fundamentele rechten en de beginselen van de rechtsstaat die door de communautaire rechtsorde worden beschermd. 23 Zij strookt bovendien met de tekst van de zeventiende overweging van de considerans van de richtlijn, die bepaalt dat
beginsel ‘ juridisch advies onderworpen [blijft] aan de beroepsgeheimhoudingsplicht ’. Bijgevolg stel ik het Hof voor, artikel 6, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn aldus uit te leggen dat het advocaten die juridisch advies verstrekken, vrijstelt van elke meldplicht » (HvJ, zaak C-305/05, conclusies van de advocaat-generaal uitgebracht op 14 december 2006).
de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de bestreden wet is geworden, wordt bovendien uitdrukkelijk verwezen naar overweging 17 van de richtlijn wanneer het toepassingsgebied van de wet ten aanzien van de advocaten wordt omschreven, en wordt overigens opgemerkt dat voor deze laatstgenoemden « het zeer moeilijk [is] uit te maken wat met een eenvoudige raadgeving te maken heeft en wat met de verdediging
rechte, daar de adviesverlening steeds met dat doel kan worden gebruikt » (Parl. St., Kamer, DOC 51-0383/001, pp. 16 en 17). B.9.5.
de uitoefening van het beroep van advocaat, zoals het wordt georganiseerd
de
B.6.1 tot B.6.3
herinnering gebrachte bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en de deontologische regels van het beroep die eigen zijn aan België, strekt de activiteit bestaande
het verstrekken van juridisch advies betreffende een verrichting
een van de
artikel 2ter, 1°, a) tot e), vermelde materies, zelfs buiten elk rechtsgeding, ertoe de cliënt te
formeren over de staat van de wetgeving die van toepassing is op zijn persoonlijke situatie of op de verrichting die hij overweegt, of hem te adviseren over de wijze waarop die verrichting binnen het wettelijk kader kan worden uitgevoerd. Zij heeft altijd tot doel het de cliënt mogelijk te maken een rechtsgeding met betrekking tot die verrichting te vermijden. Met toepassing van artikel 14bis, § 3, van de wet ontsnappen de gegevens die zijn verkregen of ontvangen wanneer de advocaat advies verstrekt
de materies die zijn opgesomd
artikel 2ter, 1°, a) tot e), dus aan de verplichte mededeling aan de overheden. B.9.6. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, ook
de materies die zijn opgesomd
het voormelde artikel 2ter, namelijk het bijstaan en het verdedigen
rechte van de cliënt, en het juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden. Alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent,
een van de materies die zijn opgesomd
artikel 2ter, buiten zijn specifieke opdracht van verdediging of 24 vertegenwoordiging
rechte en van het verlenen van juridisch advies, kan hij worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft aan de overheden mee te delen. B.10. Onder voorbehoud dat de
het geding zijnde bepalingen worden geïnterpreteerd zoals
B.9.6 wordt aangegeven, doen zij niet op onevenredige wijze afbreuk aan het beginsel van het beroepsgeheim van de advocaat en schenden zij derhalve niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet,
samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het eerste middel
de zaak nr. 3064 en,
zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepalingen, het eerste middel
de zaak nr. 3065 zijn niet gegrond. B.11. Op voorwaarde dat de
het geding zijnde bepaling wordt geïnterpreteerd zoals
B.9.6 is aangegeven, is het eerste middel
de zaak nr. 3065,
zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet,
samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, evenmin gegrond. Wat artikel 5 van de wet van 12 januari 2004 betreft (tweede middel
de zaak nr. 3065) B.12.1. De verzoekers
de zaak nr. 3065 vorderen de vernietiging van artikel 5 van de wet van 12 januari 2004 wegens schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet
samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij zijn van mening dat de omschrijving van de strafbare feiten
de
het geding zijnde bepaling niet duidelijk is, wat
strijd zou zijn met het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstelling en de straf. B.12.2. Artikel 5 van de wet van 12 januari 2004 vult artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 aan. Die bepaling strekt ertoe te preciseren wat, voor de toepassing van de wet, dient te worden verstaan onder « witwassen van geld » (§ 1) en onder « financiering van terrorisme » (§ 1bis), en de onderliggende misdrijven te bepalen die het illegaal geld of de illegale activa voortbrengen die het voorwerp van de witwasactiviteit uitmaken (§ 2). 25 Het bestreden artikel 5 heeft dus, net als artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 dat het wijzigt, niet tot doel, noch tot gevolg, één of meer gedragingen strafbaar te stellen of straffen
te voeren.
die zin zijn de artikelen 12 en 14 van de Grondwet daarop niet van toepassing. B.12.3. De definitie van de onderliggende misdrijven is echter een element dat de advocaat nauwkeurig moet kennen om te bepalen of hij te maken heeft met geld van illegale oorsprong dat wordt witgewassen en of hij bijgevolg ertoe gehouden is de stafhouder te
formeren. Met toepassing van artikel 22 van de wet van 11 januari 1993 kan aan de advocaat die ervan afziet gegevens mee te delen met betrekking tot het witwassen van geld of de financiering van terrorisme waarvan hij kennis zou hebben genomen, waarbij die mededeling niet door zijn beroepsgeheim zou zijn gedekt overeenkomstig artikel 14bis, § 3, tweede lid, van dezelfde wet, een administratieve geldboete worden opgelegd waarvan het bedrag kan oplopen tot 1 250 000 euro. Een dergelijke sanctie heeft een overheersend repressief karakter, zodat het beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling erop van toepassing is. B.12.4. Uit de memorie van toelichting van de bestreden bepaling blijkt dat de wetgever de terminologie
de lijst van de onderliggende criminele activiteiten heeft willen preciseren en aanpassen aan de ontwikkeling van de strafbaarstellingen die zijn vervat
het Strafwetboek en
sommige bijzondere wetten. Hij was daarbij niet ertoe gehouden te verwijzen naar de artikelen van het Strafwetboek, maar kon gebruik maken van de gangbare woorden, omdat die voldoende expliciet zijn om het de professionele rechtsbeoefenaar mogelijk te maken na te gaan of de oorsprong van het geld waarvan wordt vermoed dat het wordt witgewassen, illegaal is
de zin van de wet. De gegevens
de memorie van toelichting geven overigens voldoende aan wat onder de woorden van de wet moet worden begrepen (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, pp. 28 tot 31). B.12.5. Het middel is niet gegrond. 26 Wat artikel 31 van de wet van 12 januari 2004 betreft (tweede middel
de zaak nr. 3064 en vierde middel
de zaak nr. 3065) B.13.1. Artikel 31 van de bestreden wet breidt het verbod, vervat
artikel 19 van de wet van 11 januari 1993, om de betrokken cliënt of derden erover
te lichten dat
formatie werd meegedeeld aan de Cel voor financiële
formatieverwerking of dat een opsporingsonderzoek wegens het witwassen van geld aan de gang is, uit tot de advocaten en de stafhouders. B.13.2. De verzoekers zijn van mening dat dat verbod
strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,
zoverre het afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de advocaat en aan de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt. B.13.3. Terwijl de richtlijn 2001/97/EG de lidstaten niet ertoe verplichtte de advocaten te verbieden hun cliënt erover
te lichten dat gegevens betreffende zijn persoon aan de overheden werden meegedeeld (artikel 1, lid 7, tot wijziging van artikel 8 van de richtlijn 91/308/EEG), verbiedt de richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, die uiterlijk vóór 15 december 2007
het nationaal recht moest worden omgezet, die
formatie aan de cliënt mee te delen (artikel 28, lid 1). Die richtlijn preciseert evenwel
artikel 28, lid 6, ervan dat, wanneer de advocaat een cliënt tracht te doen afzien van een onwettige activiteit, dit geen mededeling is
de zin van artikel 28, lid 1, van die richtlijn. B.13.4. Uit de memorie van toelichting blijkt dat volgens de wetgever het verbod om ter kennis te brengen van de cliënt of van derden dat
formatie werd meegedeeld aan de Cel voor financiële
formatieverwerking, het « sluitstuk is dat de doeltreffendheid van de regeling waarborgt » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, p. 50). B.13.5. De advocaat die heeft getracht een cliënt ervan te doen afzien een witwasoperatie of een operatie van financiering van terrorisme uit te voeren of daaraan deel te nemen, activiteiten waarvan hij het onwettige karakter kent, en vaststelt dat hij daarin niet is geslaagd, is ertoe gehouden, wanneer hij zich bevindt
een situatie waarin de meldingsplicht op hem 27 van toepassing is, de gegevens waarvan hij kennis heeft, mee te delen aan de stafhouder, die ze op zijn beurt zal doorgeven aan de overheden.
dat geval kan de betrokken advocaat niet langer optreden voor de cliënt
kwestie en moet hij de relatie met de laatstgenoemde dus beëindigen.
dat geval is er dus geen sprake meer van een vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt. Daarentegen,
dien de advocaat vaststelt dat hij zijn cliënt ervan heeft overtuigd af te zien van de uitvoering van of van de deelname aan een onwettige verrichting, belet niets dat de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt blijft bestaan, vermits
dat geval geen gegevens met betrekking tot hem moeten worden meegedeeld aan de Cel voor financiële
formatieverwerking. Gelet op het beperkte toepassingsgebied van de verplichting tot het meedelen van de gegevens aan de overheden ten aanzien van de advocaten, geïnterpreteerd zoals
B.9.6 is aangegeven, is de bestreden maatregel niet onevenredig. B.13.6. De middelen zijn niet gegrond. Wat artikel 27 van de wet van 12 januari 2004 betreft (derde middel
de zaak nr. 3064 en derde middel, eerste onderdeel,
de zaak nr. 3065) B.14.1. De verzoekers verwijten artikel 27 van de wet van 12 januari 2004, dat artikel 15 van de wet van 11 januari 1993 wijzigt, dat het de overheden toestaat van de advocaten die gegevens hebben verstrekt betreffende een vermoedelijke witwasoperatie of financiering van terrorisme, alle aanvullende gegevens te vernemen die zij nuttig achten voor het voortzetten van hun opdracht, zonder bemiddeling van de stafhouder, terwijl, wanneer de advocaat met toepassing van artikel 14bis, § 3, van de wet van 11 januari 1993 gegevens aan de overheden meedeelt, hij die eerst moet verstrekken aan de stafhouder van de orde waartoe hij behoort, die ze dan zelf zal bezorgen aan de Cel voor financiële
formatieverwerking na te hebben nagegaan of dat wel degelijk met toepassing van de wet dient te gebeuren. B.14.2. Het optreden van de stafhouder bij het meedelen van gegevens door de advocaten aan de Cel voor financiële
formatieverwerking is een wezenlijke waarborg, zowel voor de advocaten als voor hun cliënten, die de zekerheid biedt dat alleen
de gevallen waarin de wet op strikte wijze voorziet, het beroepsgeheim zal worden geschonden. 28 De rol van de stafhouder bestaat erin na te gaan of wel degelijk is voldaan aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden van de meldingsplicht en
dien hij vaststelt dat zulks niet het geval is, moet hij ervan afzien de aan hem meegedeelde
formatie door te geven. De richtlijn heeft voorzien
het optreden van een zelfregulerend beroepsorgaan « met het oog op de eerbiediging van de geheimhoudingsplicht van [de advocaten] jegens hun cliënten » (richtlijn 2001/97/EG, overweging 20). Het optreden van de stafhouder is opgevat als « een filter » tussen de advocaten en de gerechtelijke overheden « om elke
breuk op de fundamentele rechten van verdediging te vermijden » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, p. 17). B.14.3. Daar het optreden van de stafhouder wordt beschouwd als een wezenlijke waarborg voor de vrijwaring van het beroepsgeheim van de advocaat en van de fundamentele rechten van de personen die zijn betrokken bij de mededeling van gegevens tijdens het eerste contact tussen de advocaat en de overheden, is het niet verantwoord om niet te voorzien
dezelfde « filter » wanneer, na dat eerste contact, nadere gegevens worden gevraagd aan de advocaat die de aangifte doet. Het gevaar voor een onverantwoorde schending van het beroepsgeheim van de laatstgenoemde is immers niet kleiner tijdens latere
formatie- uitwisselingen over feiten of aanwijzingen met betrekking tot het witwassen van geld of de financiering van terrorisme dan tijdens het eerste contact. B.14.4. Artikel 15, § 1, van de wet van 11 januari 1993, gewijzigd bij artikel 27 van de bestreden wet, dient
samenhang te worden gelezen met artikel 14bis, § 3, van dezelfde wet, dat bepaalt dat de advocaten ertoe zijn gehouden de stafhouder op de hoogte te brengen, zo niet wordt de doeltreffendheid aangetast van de waarborg die bestaat
het optreden van de stafhouder.
die lezing, die overigens overeenstemt met artikel 23 van de richtlijn 2005/60/EG, kunnen de advocaten gegevens, zowel tijdens een eerste aangifte
verband met een van hun cliënten als bij het doorgeven van aanvullende
formatie betreffende dezelfde feiten op verzoek van de Cel voor financiële
formatieverwerking, alleen meedelen aan de stafhouder van de orde waartoe zij behoren, die ze dan aan de Cel bezorgt wanneer hij vaststelt dat nog steeds is voldaan aan de voorwaarden
zake de toepassing van de meldingsplicht. B.14.5. Onder voorbehoud dat artikel 27 van de wet van 12 januari 2004 wordt geïnterpreteerd zoals
B.14.4 wordt aangegeven, zijn de middelen niet gegrond. 29 Wat artikel 30 van de wet van 12 januari 2004 betreft (vierde middel
de zaak nr. 3064 en derde middel, tweede onderdeel,
de zaak nr. 3065) B.15.1. De verzoekers verwijten artikel 30, 2°, van de bestreden wet, dat artikel 18, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993 wijzigt, het elke werknemer of vertegenwoordiger van de advocaten mogelijk te maken gegevens persoonlijk mee te delen aan de Cel telkens als de normale procedure niet kon worden gevolgd, met andere woorden telkens als de
formatie niet door de advocaat zelf kon worden meegedeeld, waardoor het beroepsgeheim en derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zouden zijn geschonden. B.15.2.
de memorie van toelichting wordt gepreciseerd dat die bepaling ertoe strekt « het […] mogelijk [te] maken dat de bedienden en vertegenwoordigers van deze beroepspersonen zelf zouden kunnen melden, wanneer de beroepstitularissen niet
staat zijn deze verplichting na te komen of wanneer ze er zich uit kwade trouw zouden willen aan onttrekken » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, p. 50). B.15.3. De Ministerraad preciseert dat het evident is dat die bepaling moet worden gelezen
samenhang met de bepalingen die
die wetgeving zijn
gevoegd om rekening te houden met het specifieke karakter van het beroep van advocaat. Zelfs
die
terpretatie van de bepaling zou niets kunnen verantwoorden dat een persoon die buiten de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt staat, gegevens betreffende die cliënt aan de overheden zou kunnen bezorgen. Dat geldt des te meer daar de werknemers van de advocaat mogelijk over geen enkele juridische kwalificatie of bevoegdheid beschikken en niet wordt
gezien hoe zij zouden kunnen oordelen of is voldaan aan de voorwaarden
zake de toepassing van de wet op de advocaat bij wie zij zijn tewerkgesteld of die zij vertegenwoordigen. B.15.4.
zoverre het toestaat dat iedere werknemer en iedere vertegenwoordiger van de advocaten gegevens persoonlijk aan de Cel bezorgt, zelfs via de stafhouder van de orde, doet artikel 30 van de wet van 12 januari 2004 op onverantwoorde wijze afbreuk aan het 30 beroepsgeheim van de advocaat en schendt het hierdoor de
het middel vermelde bepalingen. B.15.5.
artikel 18, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993, gewijzigd bij artikel 30, 2°, van de wet van 12 januari 2004, dienen de woorden « en 2ter » te worden vernietigd. 31 Om die redenen, het Hof 1. vernietigt de woorden « en 2ter »
artikel 18, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, gewijzigd bij artikel 30, 2°, van de wet van 12 januari 2004; 2. verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud : a) dat artikel 2ter,
gevoegd
de voormelde wet van 11 januari 1993 bij artikel 4 van de wet van 12 januari 2004,
die zin wordt geïnterpreteerd - dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met
begrip van de materies die zijn opgesomd
dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen
rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en dus niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden, en - dat alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent,
één van de materies die zijn opgesomd
het voormelde artikel 2ter, die verder gaat dan zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging
rechte en verlening van juridisch advies, hij kan worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft, aan de overheden mee te delen; b) dat artikel 15, § 1, 1°, van dezelfde wet van 11 januari 1993, vervangen bij artikel 27 van de wet van 12 januari 2004,
die zin wordt geïnterpreteerd dat iedere mededeling van
formatie aan de Cel voor financiële
formatieverwerking via de stafhouder verloopt. Aldus uitgesproken
het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 23 januari 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.010 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.028 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.111 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.115 ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.009 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.