← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.012

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.012 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080214.1 Arrest- Rolnummer: 12/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-15 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-06-29 10:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof stelt alvorens verder uitspraak te doen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vragen : «

  1. Moeten de artikelen 12, eerste alinea, en 18, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in samenhang gelezen met artikel 149, lid 1 en lid 2, tweede streepje, en met artikel 150, lid 2, derde streepje, van hetzelfde Verdrag in die zin worden geïnterpreteerd dat deze bepalingen eraan in de weg staan dat een voor het hoger onderwijs bevoegde autonome gemeenschap van een lidstaat, die geconfronteerd wordt met een toestroom van studenten uit een aangrenzende lidstaat in een aantal opleidingen van medische aard die in hoofdzaak met overheidsmiddelen worden gefinancierd, ten gevolge van een restrictief beleid in die aangrenzende lidstaat, maatregelen neemt zoals die welke vervat zijn in het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs, wanneer die Gemeenschap op goede gronden aanvoert dat die situatie een buitenmatig beslag dreigt te leggen op de overheidsfinanciën en de kwaliteit van het verstrekte onderwijs dreigt te hypothekeren ?
  2. Maakt het bij de beantwoording van de sub 1 vermelde vraag een verschil wanneer die Gemeenschap aantoont dat die situatie ertoe leidt dat er te weinig in die Gemeenschap verblijvende studenten afstuderen om op duurzame wijze te voorzien in voldoende geschoold medisch personeel om de kwaliteit van het stelsel van volksgezondheid binnen die Gemeenschap te verzekeren ?
  3. Maakt het bij de beantwoording van de sub 1 vermelde vraag een verschil wanneer die Gemeenschap, rekening houdende met het bepaalde in artikel 149, eerste lid, in fine, van het Verdrag en met artikel 13.2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, dat een standstill-verplichting inhoudt, opteert voor het in stand houden van een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol hoger onderwijs voor de bevolking van die Gemeenschap ? ». UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsinrichting - Hoger onderwijs Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs, ingesteld door Nicolas Bressol en anderen en door Céline Chaverot en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Beperking van het aantal studenten dat zich voor de eerste keer inschrijft -
  4. Universiteiten - a. Bachelor in de diergeneeskunde - b. Bachelor in de kinesitherapie -
  5. Hogescholen - a. Bachelor-vroedvrouw - b. Bachelor in de ergotherapie - c. Bachelor in logopedie - d. Bachelor in de kinesitherapie - e. Bachelor in de podologie-podotherapie - f. Bachelor in audiologie -
  6. Verblijvende studenten -
  7. Niet-verblijvende studenten. # Europees gemeenschapsrecht - Vrij verkeer van de studenten. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 16-06-2006 - 35 ELI link Pub nr 2006029091 Annotaties Publicaties: Fisc.Act. - Jan ASTAES; Aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting moeten tijdig worden goedgekeurd. - 2008, 4-6 Tekst van de beslissing Rolnummers 4034 en 4093 Arrest nr. 12/2008 van 14 februari 2008 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs, ingesteld door Nicolas Bressol en anderen en door Céline Chaverot en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 augustus 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 augustus 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 juli 2006), door Nicolas Bressol, Anthony Wolf, Cédric Helie en Valérie Jabot, die keuze van woonplaats doen te 1180 Brussel, Brugmannlaan 403, Claude Keusterickx, wonende te 1060 Brussel, Kemmelberglaan 25, Denis Wilmet, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Ahornbomenlaan 6, Charlène Meurou, wonende te 1020 Brussel, Emile Bockstaellaan 288, David Bacquart, wonende te 1421 Ophain, rue des Combattants 11, Ayhar Gabriel Arslan, wonende te 1040 Brussel, Veldlaan 110, Yves Busegnies, wonende te 1200 Brussel, Moonensstraat 15, Serge Clement, wonende te 1480 Tubeke, chaussée de Mons 432, Sabine Gelaes, wonende te 4420 Saint-Nicolas, rue de la Fontaine 84, Etienne Dubuisson, wonende te 1050 Brussel, Elizastraat 36, Caroline Kinet, wonende te 1180 Brussel, Klipveldstraat 20, Dominique Peeters, wonende te 1070 Brussel, Dokter Jacobsstraat 74, Robert Lontie, wonende te 1460 Itter, rue du Croiseau 38, Yannick Homerin, wonende te 1160 Brussel, Meunierstraat 58, Isabelle Pochet, wonende te 1780 Wemmel, De Raedemaekerlaan 1, Walid Salem, wonende te 1090 Brussel, Dikkebeuklaan 22/104, Karin Van Loon, wonende te 1180 Brussel, Horzelstraat 383, Olivier Leduc, wonende te 1200 Brussel, Tiendagwandlaan 26, Annick Van Wallendael, wonende te 1040 Brussel, Antoine Gautierstraat 97, Dorothée Van Eecke, wonende te 1000 Brussel, Franklinstraat 27, Olivier Ducruet, wonende te 1200 Brussel, Brand Whitlocklaan 108, Céline Hinck, wonende te 1401 Baulers, avenue Reine Astrid 4, Nicolas Arpigny, wonende te 1410 Waterloo, avenue du Clair Pré 8, Eric De Gunsch, wonende te 1090 Brussel, Rommelaerelaan 213, Thibaut De Mesmaeker, wonende te 1410 Waterloo, Allée des Grillons 4, Mikel Ezquer, wonende te 7331 Baudour, avenue Goblet 108, Constantino Balestra, wonende te 1420 Eigenbrakel, Chemin des Voiturons 107, Philippe Delince, wonende te 1380 Lasne, Chemin du Bonnier 5, Madeleine Merche, wonende te 1180 Brussel, Reisdorfflaan 32, Jean-Pierre Saliez, wonende te 1420 Eigenbrakel, avenue Wellington 25 A, Véronique de Mahieu, wonende te 1450 Cortil-Noirmont, rue du Tilleul 1, Philippe Meeus, wonende te 1860 Meise, Zerlegem 27, Muriel Alard, wonende te 1150 Brussel, Van Der Meerschenlaan 23/4, Danielle Collard, wonende te 1180 Brussel, Edouard Michielsstraat 54, Pierre Castelein, wonende te 1160 Brussel, Pauwenstraat 14, Dominique De Crits, wonende te 1040 Brussel, Baron Lambertstraat 52, André Antoine, wonende te 1040 Brussel, Camille Josetlaan 21/3, Christine Antierens, wonende te 1030 Brussel, Wijnheuvelenstraat 270, Brigitte Debert, wonende te 1440 Kasteelbrakel, rue Landuyt 147, Véronique Leloux, wonende te 1400 Nijvel, Faubourg de Namur 55, Patrick Parmentier, wonende te 1170 Brussel, Théophile Vander Elststraat 66, en Martine Simon, wonende te 1200 Brussel, Watermanlaan
  8. De vordering tot schorsing van hetzelfde decreet, ingediend door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 134/2006 van 29 augustus 2006, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 oktober
  9. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 december 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 december 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 1 tot 10 en 15 van hetzelfde decreet, door 3 Céline Chaverot, Marine Guiet, Floriane Poirson, Laura Soumagne, Elodie Hamon, Benjamin Lombardet, Julie Mingant, Marthe Simon, Charlyne Ficek, Anaïs Serrate, Sandrine Jadaud, die keuze van woonplaats doen te 1000 Brussel, Regentschapsstraat 43/5, Patricia Barbier, wonende te 1180 Brussel, Rittwegerstraat 30, Laurence Coulon, wonende te 7850 Edingen, Aatsesteenweg 120, Renée Hollestelle, wonende te 5200 Saint-Servais, rue Muzet 9, Jacqueline Ghion, wonende te 1410 Waterloo, rue Emile Dury 92, Pascale Schmitz, wonende te 1341 Céroux-Mousty, rue Franquerlies 107, Sophie Thirion, wonende te 1060 Brussel, Vanderschrickstraat 10, Céline Vandeuren, wonende te 1020 Brussel, Stefaniastraat 20, en Isabelle Compagnion, wonende te 1200 Brussel, Slegerslaan
  10. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4034 en 4093 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend in elke zaak, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend in hun respectieve zaak en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend in elke zaak. Bij beschikking van 17 oktober 2007 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 20 november 2007 na de Franse Gemeenschapsregering te hebben verzocht uiterlijk op de dag van de terechtzitting : 1) het Hof op de hoogte te brengen van de stand van zaken van de procedure die werd opgestart door de beslissing van de Europese Commissie van 24 januari 2007 in verband met het decreet van 16 juni 2006; 2) aan het Hof de volgende stukken toe te sturen : . de ingebrekestelling die in januari 2007 aan de Belgische overheden werd toegestuurd in verband met het voormelde decreet; . een eventueel met redenen omkleed advies dat door de Europese Commissie zou zijn toegestuurd op grond van artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; . elk ander document dat aan de Belgische overheden werd toegestuurd in het raam van de procedure die werd opgestart door de beslissing van de Europese Commissie van 24 januari 2007 in verband met het voormelde decreet. Op de openbare terechtzitting van 20 november 2007 : - zijn verschenen : . Mr. M. Snoeck, Mr. J. Troeder en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4034; . Mr. J. Troeder en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4093; 4 . Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 4034 Onderwerp van het beroep A.1.
  11. De Franse Gemeenschapsregering leidt uit het arrest nr. 134/2006 af dat het Hof het onderwerp van het beroep heeft beperkt tot de artikelen 3, 2°, en 7, 1°, 2°, 4° en 5°, van het decreet van 16 juni 2006 « tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs », aangezien de gedeeltelijke vernietiging van die artikelen zou volstaan om de toepassingssfeer van de andere in het beroep beoogde bepalingen te beperken. Zij merkt voorts op dat de artikelen 11 tot 14 van dat decreet hun bestaansreden enkel vinden in de andere bepalingen van dat decreet, zodat bij een eventuele vernietiging rekening zou moeten worden gehouden met de omstandigheid dat de verzoekers de vernietiging van de artikelen 10 tot 15 van het decreet enkel vorderen, in zoverre zij het « onmiddellijke verlengstuk » van de andere bepalingen van dat decreet vormen. A.1.
  12. De verzoekende partijen halen B.4.1 en B.4.6 van het arrest nr. 134/2006 aan en gedragen zich daarbij naar de wijsheid van het Hof. Het belang A.2.1.
  13. De eerste vier verzoekende partijen in de zaak nr. 4034 verklaren de Franse nationaliteit te hebben en tot geen enkele van de in artikel 1 van het decreet van 16 juni 2006 bedoelde categorieën te behoren. Zij verantwoorden hun belang bij het vorderen van de vernietiging van dat decreet door aan te voeren dat het hun nadeel berokkent in zoverre het hun mogelijkheden beperkt om zich in te schrijven voor de door hen gekozen studierichtingen. Nicolas Bressol, houder van een « maîtrise en chimie » heeft, met het oog op een heroriëntering van zijn loopbaan, de betrekking opgezegd die hij sinds vijf jaar in de chemische industrie in Frankrijk bekleedde, teneinde in België kinesitherapie te studeren. Hij heeft een aanvraag ingediend om te worden ingeschreven in de « Haute Ecole de la Communauté française Paul-Henri Spaak » teneinde er, gedurende het academiejaar 2006- 2007 de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de academische graad van « bachelor kinesitherapie ». De loting die in die instelling moest worden georganiseerd overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 16 juni 2006 was niet gunstig voor hem. Vervolgens kon hij zich niet inschrijven in een andere instelling die dezelfde cursus organiseert, omdat daar het « quotum » van 30 procent eveneens was bereikt. Hij voert aan dat, hoewel hij een nieuwe kans op inschrijving voor die cursus zou hebben voor het academiejaar 2007-2008, hij niettemin een belang heeft bij het vorderen van de vernietiging van het decreet van 16 juni 2006 dat hem een vrije toegang tot die cursus ontzegt en hem aan het toeval van een loting onderwerpt. Anthony Wolf verklaart in het verzoekschrift tot vernietiging zich kandidaat te hebben gesteld om toegelaten te worden tot de « Haute Ecole de la Communauté française Paul-Henri Spaak ». Hij preciseert in de 5 memorie van antwoord dat hij dezelfde aanvraag heeft geformuleerd als Nicolas Bressol en dat, om dezelfde redenen als laatstgenoemde, hij niet kon worden ingeschreven in een hogeschool van de Franse Gemeenschap teneinde er, gedurende het academiejaar 2006-2007 dezelfde cursus te volgen. De tweede verzoeker is van mening dat het Hof bij het arrest nr. 134/2006 geen definitieve uitspraak heeft gedaan over zijn belang om de vernietiging te vorderen van het decreet van 16 juni
  14. Cédric Helie, sinds drie jaar houder van een « baccalauréat en série scientifique », voert aan dat hij, met het oog op het aanvatten van een studie in de podologie, zich kandidaat heeft gesteld om toegelaten te worden tot de « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » (HELB-IP). Hij verklaart zijn keuze door het feit dat het beroep van podoloog in België een grotere erkenning geniet dan in Frankrijk. Hij merkt ook op dat zijn broer in België werkt na er verschillende opleidingen te hebben gevolgd. De derde verzoeker, die in de memorie van antwoord preciseert dat, naar aanleiding van een loting georganiseerd overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 16 juni 2006, hij door de voormelde instelling werd ingeschreven in de cursus die leidt tot de graad van « bachelor podologie-podotherapie », gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. Jehanne Lefevre - minderjarige, die te dezen door haar moeder Valérie Jabot wordt vertegenwoordigd - verklaart dat zij een passie voor paarden heeft en door een Franse dierenarts ertoe is aangemoedigd in België te gaan studeren, gelet op de competentie van het Belgische onderwijs op het vlak van paarden. Zij zou zich aldus kandidaat hebben gesteld om toegelaten te worden tot de cursus diergeneeskunde aan de « Université libre de Bruxelles ». Zij voegt in de memorie van antwoord daaraan toe dat zij « uiteindelijk niet heeft kunnen deelnemen aan de loting » en gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. A.2.1.2.
  15. Claude Keusterickx en Denis Wilmet zijn « gastprofessoren » aan het « Institut d’enseignement supérieur paramédical de la Communauté Française » (ISEK) van de « Haute Ecole Paul-Henri Spaak ». Zij verantwoorden hun belang om het decreet van 16 juni 2006 te bestrijden, door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks en onmiddellijk bedreigt. Zij merken daartoe op dat dit decreet zal leiden tot een daling van het aantal studenten dat aan de voormelde hogeschool is ingeschreven, dat hun betrekking rechtstreeks afhangt van dat aantal studenten en dat zij niet worden beoogd door de artikelen 11 tot 15 van het bestreden decreet. A.2.1.2.
  16. Charlène Meurou is tijdelijk aangesteld aan het ISEK en haar « overeenkomst » vervalt op 14 september
  17. David Bacquart, Ayhar Gabriel Arslan, Yves Busegnies, Serge Clement en Sabine Gelaes waren bij de indiening van het beroep tijdelijk aangeworven voor bepaalde duur door de HELB-IP. Ayhar Gabriel Arslan en Sabine Gelaes hebben sindsdien die instelling verlaten om redenen die niets te maken hebben met de toepassing van het decreet en zij gedragen zich dus naar de wijsheid van het Hof. Zij verantwoorden allen hun belang bij het bestrijden van het decreet van 16 juni 2006 door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks en onmiddellijk bedreigt. Zij merken op dat, indien het aantal studenten als gevolg van het decreet afneemt, hun aanwerving of aanstelling waarschijnlijk niet zal worden hernieuwd en dat zij, wegens hun anciënniteit van minder dan twee jaar, de maatregel niet kunnen genieten waarin artikel 12 van het bestreden decreet voorziet. A.2.1.2.
  18. Etienne Dubuisson, Caroline Kinet en Dominique Peeters zijn tijdelijk voor onbepaalde duur aan het ISEK aangesteld. Zij verantwoorden hun belang bij het vorderen van de vernietiging van het decreet van 16 juni 2006 door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks en onmiddellijk bedreigt. Zij merken op dat, indien het aantal studenten als gevolg van het decreet afneemt, hun betrekking rechtstreeks zal worden bedreigd en dat zij, wegens hun anciënniteit van minder dan twee jaar, niet de maatregel kunnen genieten waarin artikel 12 van dat decreet voorziet. A.2.1.2.
  19. Robert Lontie, Yannick Homerin, Isabelle Pochet, Walid Salem, Karin Van Loon, Olivier Leduc, Annick Van Wallendael, Dorothée Van Eecke en Olivier Ducruet zijn tijdelijk voor onbepaalde duur aan het ISEK aangesteld en genieten een anciënniteit van meer dan twee jaar. Cécile Hinck, Nicole Arpigny, Eric De Gunsch, Thibaut De Mesmaeker bevinden zich, aan de HELB-IP, in een vergelijkbare situatie. 6 Zij verantwoorden hun belang bij het vorderen van de vernietiging van het decreet van 16 juni 2006 door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks bedreigt vanaf het academiejaar 2007-2008, vermits de maatregel waarin artikel 12 van dat decreet voorziet, slechts uitwerking heeft tijdens het academiejaar 2006-
  20. A.2.1.2.
  21. Mikel Ezquer, Constantino Balestra, Philippe Delince, Madeleine Merche, Jean-Pierre Saliez, Véronique De Mahieu en Philippe Meeus zijn vast benoemd aan het ISEK. Muriel Alard, Danielle Collard, Pierre Castelein, Dominique De Crits, André Antoine, Christine Antierens, Brigitte Debert, Véronique Leloux, Patrick Parmentier, Martine Simon bevinden zich, aan de HELB-IP, in een vergelijkbare situatie. Zij erkennen dat hun betrekking niet rechtstreeks en onmiddellijk wordt bedreigd. Zij verantwoorden niettemin hun belang bij het vorderen van de vernietiging van het bestreden decreet door aan te voeren dat de daling van het aantal studenten op termijn ertoe zal leiden dat zij in disponibiliteit zullen worden gesteld, wat hen zal beletten het beroep waarvoor zij worden bezoldigd daadwerkelijk uit te oefenen. Hun indisponibiliteitstelling zou bovendien aanzienlijke financiële gevolgen met zich meebrengen. Zij merken in dat opzicht op dat het statuut van de leraren van de Franse Gemeenschap erin voorziet dat, in geval van indisponibiliteitstelling, hun wedde met twintig procent per jaar vermindert en na vijf jaar volledig wordt afgeschaft. Dezelfde verzoekende partijen voeren aan dat hun opdracht en de aard van de te geven cursussen kunnen veranderen en dat hun cursussen wellicht volledig zullen moeten worden herzien, vermits zij ertoe zullen worden gebracht specifieke vakken te geven die voordien waren toevertrouwd aan leraren die tijdelijk waren aangeworven of aangesteld. Zij voeren aan dat een en ander heel wat extra werk en een vermindering van de kwaliteit van het verstrekte onderwijs zal teweegbrengen. A.2.1.2.
  22. De zeventien verzoekers die nog bij de HELB-IP werken, leggen in de bijlage bij de memorie van antwoord een tabel voor met opgave van hun statuut, hun rang, hun situatie en hun te geven lessen. Zij preciseren welke betrekkingen worden bedreigd en beklemtonen de nadelen van de situatie van diegenen die niet zullen worden ontslagen : herverdeling van de cursussen waarbij voor sommigen een opleiding zal vereist zijn teneinde lessen te geven die zij nooit hebben gegeven en die niet onder hun domein vallen, psychologische moeilijkheden om in een school te werken waarvan een groot deel van het personeel werd ontslagen, ontmoediging. A.2.1.2.
  23. Alle verzoekers, met uitzondering van de eerste vier, onderstrepen, in de memorie van antwoord, dat het bestreden decreet het aantal studenten aanzienlijk dreigt te verminderen en bijgevolg een vermindering van het aantal leerkrachten teweeg dreigt te brengen. Zij verwijzen in dat verband naar het arrest nr. 40/94 (B.1.1) en naar het bestaan, in het bestreden decreet, van overgangsbepalingen die ertoe strekken een deel van de betrekkingen gedeeltelijk en tijdelijk te behouden, in het bijzonder artikel 12 van dat decreet. Zij merken op dat de financiering van het onderwijs door het systeem van « gesloten enveloppe » niet eraan in de weg staat dat de verdeling van de middelen binnen een hogeschool wordt gewijzigd, bijvoorbeeld ten nadele van de financiering van het personeel in geval van een lagere behoefte ter zake - die voortvloeit uit een minder groot aantal studenten. In dat verband merken zij op dat een vermindering van dat aantal studenten kan worden gecompenseerd door conjuncturele gegevens die niets te maken hebben met de toepassing van het decreet van 16 juni 2006, zoals het aantal studenten die zittenblijven of uit andere « onderwijsstructuren » komen. Zij illustreren vervolgens het mechanisme volgens hetwelk het decreet van 16 juni 2006, volgens hen, een vermindering van de tewerkstelling zal teweegbrengen, en zulks aan de hand van cijfergegevens in verband met de voorbije en toekomstige evolutie van het aantal studenten dat is ingeschreven in de door de HELB-IP ingerichte cursussen en die in het bestreden decreet worden beoogd. Zij voorzien dat, gedurende het academiejaar 2012-2013, het aantal studenten dat is ingeschreven in de cursussen bedoeld in artikel 7, 2°, 4° en 5° van dat decreet met minstens de helft zal zijn verminderd, terwijl het aantal studenten ingeschreven in de cursus bedoeld in artikel 7, 1°, van dat decreet een stijging van drie procent zal kennen. In die omstandigheden zou de vermindering van de jaarlijkse globale toelage van de Hogeschool, die zou voortvloeien uit het verlies van studenten, op termijn de afschaffing veroorzaken van ten minste negenentwintig « voltijdse equivalenten ». Wat betreft de wijze van ontslag in de hogescholen in geval van een aanzienlijke vermindering van het aantal studenten, verwijzen die verzoekers ten slotte naar de artikelen 138 tot 141, 185 en 189 van het decreet van 24 juli 1997 « dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap » en het decreet van 7 8 februari 1999 « betreffende de ambten en bekwaamheidsbewijzen van de leden van het onderwijzend personeel in de Hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap ». A.2.1.
  24. Alle verzoekende partijen voeren ten slotte een gemeenschappelijk belang aan : de verdediging van een kwaliteitsvol wetenschappelijk onderwijs dat aan de officiële scholen wordt verstrekt. Zij verzetten zich tegen de wijze waarop de Franse Gemeenschapsregering de huidige situatie van dat onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de kinesitherapie en de ergotherapie, beoordeelt. Zij onderstrepen in dat opzicht dat de toevloed van studenten naar België voor die richtingen voortvloeit uit de buitengewone internationale faam van het onderwijs en dat dit - zeer oude - fenomeen de kwaliteit van het onderwijs nooit heeft aangetast. De verzoekende partijen zijn van mening dat dat aanzienlijke aantal buitenlandse studenten de ontwikkeling van een dergelijk kwaliteitsvol onderwijs en die reputatie mogelijk heeft gemaakt, dankzij de contacten die die studenten met de onderwijsinstellingen houden na het aanvatten van hun professionele, wetenschappelijke en academische loopbaan. A.2.2.
  25. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het onderzoek van het belang om in rechte te treden van de verzoekende partijen dat werd uitgevoerd in het arrest nr. 134/2006 moet worden geactualiseerd. De verzoekende partijen die daadwerkelijk ingeschreven zijn geweest in een instelling van hun keuze teneinde er de cursussen te volgen van het academiejaar 2006-2007, kunnen niet aantonen welk belang zij hebben bij het vorderen van de vernietiging van het decreet van 16 juni
  26. Hetzelfde zou gelden « telkens wanneer het percentage van 30 percent van niet-verblijvende of verblijvende studenten niet werd bereikt […] met inbegrip van de verzoekende leerkrachten ». De Gemeenschapsregering, die het arrest nr. 10/94 aanvoert, merkt hieromtrent op dat een verzoeker zijn belang kan verliezen tussen de indiening van het beroep en het moment waarop het Hof uitspraak doet. Hij betoogt dat de verzoekers die « hun activiteiten hebben geheroriënteerd » - zoals hoogstwaarschijnlijk de eerste twee verzoekers - hun belang hebben verloren. A.2.2.
  27. De Franse Gemeenschapsregering voegt daaraan toe dat de eerste vier verzoekers, enerzijds, niet aantonen dat zij aan de voorwaarden van inschrijving in het hoger onderwijs voldoen, zoals in het bezit zijn van een diploma dat gelijkwaardig is aan diegene die worden uitgereikt in de Franse Gemeenschap en, anderzijds, dat de toepassing van het bestreden decreet hun inschrijving in de cursussen van hun keuze zal verhinderen. A.2.2.
  28. Wat betreft de andere verzoekende partijen, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat, rekening houdend met de geregistreerde inschrijvingen voor het academiejaar 2006-2007, niet wordt aangetoond dat de toepassing van het decreet van 16 juni 2006 een vermindering van het aantal studenten, een vermindering van de personeelsformatie of een wijziging van hun administratieve of geldelijke situatie teweeg zal brengen. In dat verband vermeldt zij het « mechanisme van ‘ afvlakking ’ van het aantal studenten », bedoeld in artikel 14 van het decreet. Zij onderstreept ook dat het hoger onderwijs gefinancierd wordt volgens een « systeem van gesloten enveloppe », zodat de vermindering van het aantal studenten de toename van de subsidies per ingeschreven student teweegbrengt. Ten slotte leidt zij uit de arresten nrs. 38/94 en 167/2005 af dat de decreetsbepalingen waartegen het beroep wordt ingesteld geen afbreuk doen aan de situatie van de betrokken studenten en inrichtingen. A.2.2.
  29. Ook antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat het decreet precies ertoe strekt een systeem van open en vrije toegang tot een kwaliteitsvol wetenschappelijk onderwijs dat in officiële scholen wordt verstrekt te handhaven. A.2.2.
  30. Zij is vervolgens van oordeel dat geen enkele verzoekende partij een belang heeft om de vernietiging te vorderen van het decreet van 16 juni 2006, in zoverre het betrekking heeft op cursussen die leiden tot de in artikel 7, 2°, 4° en 7°, van dat decreet bedoelde academische graden, omdat het aantal plaatsen dat openstaat voor de niet-verblijvende studenten in die cursussen meer bedroeg dan het aantal aanvragen tot inschrijving die door die studenten werden geformuleerd. Zij voegt daaraan toe dat in geen enkel dossierstuk precies wordt aangegeven in welke cursus de verzoekers die hun hoedanigheid van leerkracht aanvoeren, onderwijzen. 8 A.2.2.
  31. De Franse Gemeenschapsregering leidt uit de artikelen 5 en 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 af dat een verzoekende partij vanaf de indiening van het beroep moet doen blijken van haar belang bij het vorderen van de vernietiging van de door haar aangevochten wetsbepalingen. Zij besluit daaruit dat de nieuwe elementen die de tweede verzoekende partij aanvoert teneinde te doen blijken van haar belang, de definitieve beoordeling van het Hof in het arrest nr. 134/2006 (B.4.4) niet opnieuw in het geding kunnen brengen. A.2.2.
  32. De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat de leerkrachten niet aantonen dat het bestreden decreet de door hen aangevoerde gevolgen zal hebben. Na te hebben verwezen naar B.9 van het arrest nr. 134/2006, relativeert de Franse Gemeenschapsregering de draagwijdte van de conjuncturele gegevens die niets te maken hebben met de toepassing van het decreet van 16 juni 2006, vermits ze niet nieuw zijn en ze ook de vermindering van het aantal studenten kunnen accentueren. Zij stelt vervolgens, enerzijds, vast dat het aantal aan de HELB-IP ingeschreven studenten om de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de graad « bachelor in de verloskunde » met zeven en een half procent is toegenomen tijdens het academiejaar 2006-2007 en, anderzijds, dat de vermindering van het aantal studenten dat is ingeschreven aan de « Haute Ecole de la Communauté française Paul-Henri Spaak » en aan de HELB-IP teneinde de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de graad van « bachelor in de kinesitherapie » gepaard gaat met een « meer dan proportionele stijging van het aantal ingeschreven verblijvende studenten ». De Franse Gemeenschapsregering stelt, rekening houdend met alle inrichtingen, een vermindering vast van het aantal studenten dat in die cursussen is ingeschreven voor het academiejaar 2006 en 2007 en een « meer dan proportionele » stijging van het aantal verblijvende studenten. Zij merkt op dat, in verscheidene hogescholen, de « schoolbevolking » van de cursus die leidt tot de uitreiking van de graad van « bachelor in de verloskunde » is toegenomen. De Franse Gemeenschapsregering betwist bovendien de relevantie van de cijfergegevens in verband met de evolutie van het aantal aan de HELB-IP ingeschreven studenten, waarop de bewijsvoering van de verzoekende partijen gebaseerd is. Zij voegt daaraan toe dat daarbij geen rekening wordt gehouden met de begeleidende maatregelen waardoor de hogescholen hun onderwijsbod kunnen heroriënteren teneinde bijkomende inschrijvingen te werven van het aantal « verblijvende studenten » en evenmin met de omstandigheid dat de daling van het aantal studenten een hoger bedrag aan toelage per student teweegbrengt en bijgevolg een stijging van prijs voor begeleiding. Zij onderstreept dat de door de verzoekende partijen gemaakte berekening van het banenverlies op een slecht begrip van het financieringssysteem van de hogescholen berust. De Franse Gemeenschapsregering is voorts van mening dat de gevolgen van het bestreden decreet voor de tewerkstelling van de verzoekende partijen slechts indirect kunnen zijn, vermits de vraag naar onderwijs - die meer nog dan het aanbod, het voorwerp uitmaakt van de decretale regeling - varieert voor elke betrokken hogeschool naargelang van het aantal factoren zoals de « globale populatie », de diversiteit en de attractiviteit van de cursussen of de kwaliteit van de infrastructuur en het onderwijs. A.2.2.
  33. De Franse Gemeenschapsregering betoogt ten slotte dat wanneer de vastbenoemde leerkrachten een vermoedelijke wijziging van hun bevoegdheden, werkoverlast en een vermindering van de kwaliteit van het onderwijs aanvoeren, zij tevergeefs een functioneel belang doen gelden. Eerste middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 5 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 12, eerste alinea, 18, 149 en 150 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap Wat betreft het eerste onderdeel A.3.1.
  34. Het eerste onderdeel van het middel beoogt de eerste zin van artikel 4, derde lid, en die van artikel 8, derde lid, van het decreet van 16 juni 2006, in zoverre zij een discriminerend verschil in behandeling zouden invoeren tussen de verblijvende studenten en de niet-verblijvende studenten in de zin van artikel 1 van dat decreet, bij de uitoefening van hun rechten die met name worden gewaarborgd bij artikel 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. 9 De verzoekende partijen zijn van mening dat uit de memorie van toelichting van het ontwerp van decreet dat het decreet van 16 juni 2006 is geworden - in het bijzonder de overwegingen met betrekking tot de diergeneeskunde - blijkt dat dat verschil in behandeling, zo niet uitsluitend, op zijn minst in hoofdzaak de buitenlandse studenten beoogt. Zij leiden hieruit af dat dat decreet, op zijn minst indirect, een discriminatie op grond van de nationaliteit, in de praktijk hoofdzakelijk de Franse nationaliteit, invoert. Een dergelijke discriminatie zou echter alleen kunnen worden aanvaard indien zij beantwoordt aan een gewettigd doel en ten aanzien van dat doel adequaat en evenredig is. Volgens de verzoekende partijen zijn de bekritiseerde maatregelen niet aangepast aan de te dezen nagestreefde doelstellingen. A.3.1.
  35. De verzoekende partijen geven toe dat de eerste twee doelstellingen die de wetgever nastreeft - de vrijwaring van het systeem van open toegang tot het onderwijs en die van de kwaliteit ervan - niet voor kritiek vatbaar zijn. Zij zijn daarentegen van mening dat de derde nagestreefde doelstelling - de vrije toegang van de studenten van de Franse Gemeenschap tot het door die Gemeenschap ingerichte onderwijs waarborgen - niet gewettigd is en verwijzen hieromtrent naar de uiteenzetting van het tweede middel. A.3.1.
  36. De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat de decreetgever een analysefout begaat wanneer hij beweert dat het grote aantal buitenlandse studenten de toegang tot het onderwijs in het gedrang brengt en de kwaliteit ervan aantast. Zij onderstrepen in de eerste plaats dat de bekritiseerde maatregelen de toegang tot het onderwijs beperken. Zij herinneren vervolgens eraan dat de financiering van de hogescholen steunt op een systeem van « gesloten enveloppe », zodat de toegekende begroting niet varieert volgens het aantal studenten en de stijging van dat aantal leidt tot een daling van de financiering per student. Dat fenomeen zou de hogescholen ertoe brengen het aantal studenten dat zij aanvaarden, zelf te beperken. De verzoekende partijen leiden hieruit af dat de beperking van de toegang tot het onderwijs niet voortvloeit uit het aantal buitenlandse studenten, maar uit de ontoereikende financiering van de hogescholen. Zij zijn bovendien van mening dat de verantwoording voor de beperking van het aantal studenten door de noodzaak om met die ontoereikende financiering rekening te houden, alleen kan worden aanvaard indien die beperking niet discriminerend is en indien wordt aangetoond dat de toestroom van niet-verblijvende studenten de hogescholen ertoe heeft gebracht de inschrijving van verblijvende studenten te weigeren. De verzoekende partijen verklaren dat, met uitzondering van het geval van de diergeneeskunde, die tweede voorwaarde niet is vervuld, dat het aantal Belgische studenten kinesitherapie toeneemt en dat niets aantoont dat een vermeende daling van dat aantal - die zou kunnen leiden tot een tekort aan kinesitherapeuten in de Franse Gemeenschap - te wijten zou zijn aan de toestroom van niet-verblijvende studenten. In verband met de kwaliteit van het onderwijs, merken de verzoekende partijen op dat tussen die kwaliteit en het aantal studenten geen objectief verband bestaat en dat, indien het bestreden decreet die kwaliteit beïnvloedt, het het tegenovergestelde effect zal hebben ten opzichte van datgene dat wordt beoogd. Zij voeren in de eerste plaats aan dat het grote aantal niet-verblijvende studenten voor de cursussen kinesitherapie - hetgeen een oud fenomeen is - de Belgische scholen voor kinesitherapie niet heeft belet een benijdenswaardige internationale faam te verkrijgen. De verzoekende partijen merken vervolgens op dat een daling van het aantal studenten noodzakelijkerwijze zal leiden tot het ontslag of de indisponibiliteitstelling van een groot aantal leraren, wat drie gevolgen zal hebben : de verhouding tussen het aantal leraren en het aantal studenten zal, indien die varieert, dalen, zodat de begeleiding niet groter zal worden; in de eerste plaats zal het gespecialiseerde personeel dat vanwege zijn zeer specifieke competenties werd aangeworven, worden ontslagen; de vermindering van het personeel dreigt de hogescholen te dwingen tot een hergroepering van bepaalde cursussen - zoals de cursus anatomie, die thans in de cursussen podologie, kinesitherapie en ergotherapie wordt gegeven -, die hierdoor algemener zullen worden en hun specifieke kenmerken eigen aan de cursussen in het kader waarvan zij worden gegeven, zullen verliezen. A.3.2.
  37. Volgens de Franse Gemeenschapsregering wordt in de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet dat het decreet van 16 juni 2006 is geworden, omstandig aangetoond dat de massale en geleidelijke toestroom van niet-verblijvende studenten in de cursussen van het hoger onderwijs in de hand moet worden gehouden, teneinde de toegang tot het hoger onderwijs en de kwaliteit ervan te vrijwaren. De Franse Gemeenschapsregering die erkent dat elke contingentering de toegang tot het onderwijs beperkt, onderstreept dat het bestreden decreet de « averechtse effecten van een absolute mobiliteit » beoogt. Zij is van mening dat de grondwettigheid van het bestreden decreet moet worden beoordeeld rekening houdend met alle doelstellingen die het nastreeft en met elkaar tracht te verzoenen - naar het voorbeeld van wat het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap doet, waarbij het vrije verkeer van personen wordt afgekondigd maar tegelijkertijd de noodzaak van een kwaliteitsvol onderwijs en een hoog opleidingsniveau 10 wordt erkend. Het almaar toenemende aantal niet-verblijvende studenten zou een vermindering van de kwaliteit van het onderwijs teweegbrengen ten nadele van alle studenten, door de beperkingen van de opvangcapaciteit van de instellingen, de beschikbaarheid van het personeel, van de budgetten en van de mogelijkheden tot praktische opleiding. De Regering verwijst hieromtrent naar een nota met opschrift « Eléments statistiques et administratifs relatifs aux cursus visés ». A.3.2.
  38. De Regering antwoordt vervolgens dat het bestreden decreet geen budgettaire besparingen tot doel heeft. Zij merkt in dat verband op dat, in een systeem van « gesloten enveloppe » de vermindering van het aantal studenten geen enkele besparing teweegbrengt voor de Franse Gemeenschap. Zij erkent niettemin dat het aandeel in de financiering dat aan elke inrichting toekomt, varieert naargelang van het aantal studenten, wat concurrentie kan veroorzaken tussen de inrichtingen onderling, ten nadele van de kwaliteit van het onderwijs. A.3.2.
  39. De Regering merkt ook op dat artikel 26 van het decreet van 5 augustus 1995 « houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen » en artikel 47, § 3, van het decreet van 31 maart 2004 « betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten » de universiteiten en hogescholen verbieden om de inschrijving van een verblijvend student te weigeren om reden dat de beschikbare plaatsen worden ingenomen door niet-verblijvende studenten. Zij leidt inzonderheid uit een beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 31 juli 2006 af dat de instellingen van hoger onderwijs nochtans, vóór de inwerkingtreding van het decreet van 16 juni 2006, onder de aanvragen tot inschrijving uitgaande van niet in België gediplomeerde personen een selectie doorvoerden - die onwettig was en in tegenspraak met het Europees recht. Zij vraagt zich af of een dergelijke selectie niet in de praktijk zou kunnen worden ingevoerd, indien de verplichte inschrijving in de toekomst zou worden afgeschaft. Bovendien tonen de ervaring met het vergelijkend examen dat gedurende drie jaar werd georganiseerd op het vlak van de veterinaire wetenschappen, de situatie in de andere cursussen bedoeld in het decreet van 16 juni 2006 alsmede de door de Regering voorgelegde statistische gegevens volgens haar aan dat een « blinde contingentering » en een massale toestroom van studenten van Franse oorsprong om in de Franse Gemeenschap te studeren tot gevolg heeft dat de verblijvende student uit die cursussen wordt « verdreven » en een tekort aan diploma’s in de Franse Gemeenschap teweeg wordt gebracht. Zij voegt daaraan toe dat, rekening houdend met het beperkte aantal beschikbare praktijkbeoefenaars, die massale aanwezigheid van Franse studenten de kwaliteit van de praktische opleiding van alle studenten in het gedrang brengt. A.3.2.
  40. De Regering onderstreept ten slotte dat, rekening houdend met het financieringssysteem van de « gesloten enveloppe », met het aantal beschikbare professoren, met de opvangcapaciteit van de infrastructuur en met de vereisten inzake begeleiding bij de praktische opleiding, de kwaliteit van het onderwijs dat in de in het decreet beoogde cursussen wordt verstrekt, verbonden is met het aantal studenten, en niet toeneemt met het aantal studenten. A.3.3.
  41. De verzoekende partijen antwoorden dat het standpunt van de Franse Gemeenschap in verband met de budgettaire gevolgen van het bestreden decreet (A.3.2.2) neerkomt op de erkenning dat die tekst afbreuk doet aan de kwaliteit van het onderwijs. Met verwijzing naar de hiervoor aangehaalde (A.2.1.2.7) cijfergegevens en wijze van ontslag, betogen zij dat de budgettaire gevolgen van de vermindering van het aantal studenten in een onderwijsinrichting niet zullen worden gecompenseerd door een gelijktijdige toename van de financiering per student. De verzoekende partijen verbazen zich bovendien over het feit dat de Franse Gemeenschapsregering, op grond van artikel 88 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, nog niet het advies van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën heeft voorgelegd. Zij vorderen in ondergeschikte orde dat het Hof de overlegging van dat document gelast teneinde de gegrondheid van de budgettaire overwegingen van de partijen te evalueren. A.3.3.
  42. De verzoekende partijen preciseren vervolgens dat de zogenaamde selecties die de hogescholen organiseerden vóór de aanneming van het decreet van 16 juni 2006 werden verantwoord door de beperkte opvangcapaciteit en door overwegingen inzake veiligheid. Zij voegen daaraan toe dat niet wordt aangetoond dat de inschrijving van verblijvende studenten werd geweigerd om reden van een te groot aantal niet-verblijvende studenten. A.3.3.
  43. De verzoekende partijen betwisten eveneens de relevantie van de door de Franse Gemeenschapsregering voorgelegde statistische gegevens, omdat daarbij, onder de studenten van Franse 11 nationaliteit, geen onderscheid zou worden gemaakt tussen diegenen die worden beschouwd als verblijvende studenten en de anderen, terwijl het decreet van 16 juni 2006 een onderscheid maakt op grond van de verblijfplaats. A.3.4.
  44. De Franse Gemeenschapsregering preciseert dat het bestreden decreet het inzonderheid mogelijk maakt om in de toekomst buitensporige concurrentie te vermijden onder instellingen van hoger onderwijs die massaal niet-verblijvende studenten willen aantrekken, zonder rekening te houden met de beperkingen van hun opvangcapaciteit. Zij legt bovendien het advies van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën voor teneinde aan te tonen dat het decreet van 16 juni 2006 geen budgettaire besparingen tot doel heeft. A.3.4.
  45. De Regering merkt op dat het interessant zou zijn om, op grond van bewijsstukken, het profiel te identificeren van de studenten die, vóór de inwerkingtreding van het decreet van 16 juni 2006, van inschrijving in de twee hogescholen waar de meeste verzoekende partijen tewerkgesteld zijn, werden uitgesloten. Zij merkt bovendien op grond van statistische gegevens op dat de eerste toepassing van het decreet van 16 juni 2006 een toename van het aantal inschrijvingen van verblijvende studenten heeft veroorzaakt, en dat laatstgenoemden waarschijnlijk de voorgaande jaren in de praktijk werden afgewezen vanwege de massale aanwezigheid van niet-verblijvende studenten. A.3.4.
  46. De Franse Gemeenschapsregering merkt tenslotte op dat in de door haar voorgelegde statistische gegevens, in zoverre informatie beschikbaar is, rekening wordt gehouden met de nationaliteit van het diploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs. Zij erkent echter dat het gevoerde beleid pas zal kunnen worden geëvalueerd nadat de situatie is bekeken bij het begin van verscheidene academiejaren. Wat betreft het tweede onderdeel A.4.1.
  47. Het tweede onderdeel van het middel beoogt de artikelen 3 en 7 van het decreet van 16 juni 2006 en klaagt een identieke behandeling van alle in die bepalingen beoogde cursussen aan, terwijl in de memorie van toelichting van het voorontwerp van decreet wordt erkend dat de situatie van de studie in de diergeneeskunde fundamenteel verschilt van die van de andere beoogde studierichtingen en terwijl de beperking van de toegang tot die studie, volgens die memorie van toelichting, voornamelijk steunt op het grote aantal buitenlandse studenten dat aan de toegangsexamens voor de studie in de diergeneeskunde deelneemt en op het daaruit voortvloeiende vermeende risico van een tekort aan dierenartsen die in België werkzaam zijn. A.4.1.
  48. De verzoekende partijen beweren dat het gegeven dat de niet-verblijvende studenten - voornamelijk van Franse nationaliteit -, de meeste beschikbare plaatsen bezetten, omdat die beter slagen voor het toegangsexamen dan de verblijvende studenten - voornamelijk van Belgische nationaliteit - specifiek is voor de studie in de diergeneeskunde en voortvloeit uit het toegangsexamen voor die studie. Zij merken op dat de situatie daarvan zeer specifiek is en volkomen verschillend is van die van de andere in het decreet beoogde cursussen, vooral omdat voor die cursussen geen toegangsexamen bestaat. De verzoekers merken voor het overige op dat de bekritiseerde maatregelen, zelfs voor zover zij betrekking hebben op de veterinaire studies, niet adequaat zijn. Zij zijn immers van mening dat het oordeelkundiger zou zijn om de vereisten voor het vergelijkend examen te herbekijken teneinde die meer in overeenstemming te brengen met de in België verstrekte opleiding, of die opleiding te verbeteren teneinde de verblijvende kandidaten - inzonderheid Belgische - even performant te maken als de niet-verblijvende studenten - in het bijzonder Franse studenten. Zij zijn tenslotte van oordeel dat de uitsluiting van de beste studenten om redenen van verblijfplaats - in feite van nationaliteit - ten voordele van minder performante studenten strijdig is met de doelstelling van een kwaliteitsvol onderwijs. A.4.2.
  49. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt met verwijzing naar de memorie van toelichting bij het decreet van 16 juni 2006 en naar de door haar voorgelegde statistische gegevens, dat een massale aanwezigheid van niet-verblijvende studenten wordt vastgesteld in alle in dat decreet bedoelde cursussen, waarbij laatstgenoemde worden gekenmerkt door de onmogelijkheid om een praktische opleiding te geven aan 12 een onbeperkt aantal studenten, om redenen van omstandigheden die niets te maken hebben met het onderwijs (aantal bevallingen, beschikbaarheid van de praktijkbeoefenaars om de stagiairs op te vangen, enz.). Bovendien zou de invoering van een numerus clausus in alle in het bestreden decreet bedoelde cursussen op termijn in de Franse Gemeenschap tot een tekort van actieve beroepsmensen leiden en zulks in alle betrokken sectoren. A.4.2.
  50. De Regering weigert bovendien om voor de betrokken cursussen de kandidaten te selecteren op grond van kennis die niet in verband staat tot die cursussen, teneinde een groter slaagpercentage te bewerkstelligen van de personen die in de Franse Gemeenschap verblijven. Zij is eveneens van mening dat een verbetering van de opleiding van laatstgenoemden - die de Belgische overheden ertoe zou brengen in dezelfde voorwaarden van toegang tot die cursussen te voorzien als in Frankrijk - het niet mogelijk zal maken het probleem op te lossen, gelet op de omvang van de Franse populatie in verhouding tot de populatie van de Franse Gemeenschap en het aantal beschikbare plaatsen in Frankrijk. De Regering concludeert daaruit dat dat probleem enkel kan worden opgelost door toepassing van de regels van het bestreden decreet. A.4.2.
  51. De Regering brengt ten slotte in herinnering dat de vrijwaring van de kwaliteit van het onderwijs een doelstelling is die moet worden verenigd met de zorg om, met inachtneming van de gelijkheid van kansen, de populatie van de Franse Gemeenschap « de vrije en democratische toegang tot het onderwijs » te waarborgen. A.4.
  52. De verzoekende partijen die statistieken voorleggen die zijn opgemaakt door de Franse administratie in verband met de inschrijvingen in de opleidingen tot de « beroepen in de gezondheidszorg » gedurende het jaar 2004, antwoorden dat de inschrijvingsquota in Franse scholen niet worden bereikt en merken inzonderheid op dat de personen die cursussen podologie wensen te volgen in België komen studeren op basis van een academische keuze. A.4.
  53. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat die statistieken geen gewag maken van studenten die niet zijn geslaagd voor de vergelijkende examens die bij het begin van die opleidingen worden georganiseerd en die zich bijgevolg in België komen inschrijven. Zij leidt daaruit af dat de omstandigheid dat niet alle quota bereikt zouden zijn, te dezen niet relevant is. Wat betreft de cursus podologie, merkt de Regering op dat, bij het begin van het academiejaar 2006-2007, veertien plaatsen voorbehouden waren voor niet-verblijvende studenten, dat tien studenten van dat type - allen Fransen en zonder getuigschrift van secundair onderwijs in België - zich hebben aangemeld voor inschrijving in een van de twee hogescholen die dat soort cursus organiseren, zodat geen enkele loting moest worden georganiseerd. Wat betreft het derde onderdeel A.5.1.
  54. Het derde onderdeel van het eerste middel betreft artikel 4, tweede lid en derde lid, eerste zin, en artikel 8, tweede lid en derde lid, eerste zin, van het decreet van 16 juni
  55. De verzoekende partijen zijn van mening dat de keuze voor het vastgestelde percentage niet wordt gemotiveerd en niet evenredig is met het nagestreefde doel, temeer omdat die limiet wordt berekend in verhouding tot het aantal ingeschrevenen van het voorgaande academiejaar. A.5.1.
  56. De verzoekende partijen merken op dat die limiet is vastgesteld op basis van het gegeven dat die drie keer hoger ligt dan het Europese gemiddelde van het aantal studenten die hun studie in het buitenland volgen. Volgens de verzoekende partijen wordt die limiet niet verantwoord door andere objectieve elementen waardoor zij als adequaat en evenredig met de nagestreefde doelstellingen zou kunnen worden beschouwd. Zij voegen eraan toe dat niets erop wijst dat de uitgesloten niet-verblijvende studenten door verblijvende studenten zullen worden vervangen. A.5.1.
  57. Met cijfervoorbeelden ter ondersteuning wijzen de verzoekende partijen vervolgens erop dat, indien het totale aantal studenten niet toeneemt en de uitgesloten niet-verblijvende studenten niet worden vervangen door verblijvende studenten, het aantal niet-verblijvende studenten elk jaar geleidelijk zal afnemen. Zij onderstrepen dat, ook al leidt de daling van het aantal niet-verblijvende studenten tot een stijging van het 13 aantal verblijvende studenten - wat, zo benadrukken de verzoekende partijen, niet is aangetoond -, de gevolgen van de bekritiseerde maatregel alleen zouden worden geneutraliseerd indien die stijging even groot is als de voormelde daling. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat, in die hypothese - die volgens hen weinig waarschijnlijk is -, het totale aantal studenten niet zou afnemen en de maatregel geen enkel effect zou hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Zij leiden hieruit af dat, indien de bekritiseerde maatregel niet onevenredig is, hij inadequaat is. De verzoekende partijen merken ten slotte op dat die maatregel het aantal buitenlandse studenten in die mate zal doen afnemen dat het lager zal liggen dan het Europese gemiddelde van tien procent, waarnaar is verwezen om de vastgestelde limiet te verantwoorden, zodat die maatregel in elk geval onevenredig is. A.5.2.
  58. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat, bij de parlementaire voorbereiding van het decreet van 16 juni 2006, zij aan de hand van cijfergegevens de keuze van een percentage van 30 procent objectief heeft verantwoord. Met verwijzing naar de tweede zin van artikel 4 van dat decreet, brengt zij in herinnering dat dat percentage kan worden opgetrokken. Zij merkt eveneens op dat dat percentage een veel hogere « mobiliteitsgraad van de studenten » toelaat dan in de andere lidstaten van de Europese Unie en dat het aantal niet-verblijvende studenten ingeschreven in de cursussen diergeneeskunde of kinesitherapie proportioneel duidelijk hoger zal liggen dan het totaal aantal studenten dat in die materies is opgeleid in Frankrijk en Nederland. A.5.2.
  59. De Regering betwist vervolgens de relevantie van de gegevens in het cijfervoorbeeld dat door de verzoekers wordt aangereikt alsmede de conclusies die ze daaruit trekken. Ze merkt op dat laatstgenoemden geen rekening houden met het feit dat de beperking van het aantal niet-verblijvende studenten eveneens ertoe strekt de verblijvende studenten in staat te stellen gelijke kansen te genieten bij de toegang tot de betrokken cursussen. Zij onderstreept dat de berekening van de verzoekende partijen slechts op twee jaar betrekking heeft, terwijl het vermenigvuldigingseffect van het beperkingsmechanisme zich pas stabiliseert tijdens de volgende jaren. Het zou ten slotte onmogelijk zijn om onder het Europese gemiddelde van niet-verblijvende studenten - 2 pct. - te gaan, vermits het decreet voorziet in een minimumpercentage van 30 procent. A.5.3.
  60. De verzoekende partijen antwoorden dat niet wordt aangetoond dat de positieve werking van de aanwezigheid van buitenlandse studenten zou worden verlamd zodra hun aantal twintig procent zou overschrijden. Ze merken in dat verband op dat het bestreden decreet een verhoging van dat percentage mogelijk maakt, zodat de vrijwaring van de kwaliteit van het onderwijs niet kan verantwoorden dat voor dat percentage werd geopteerd. In verband met de relevantie van de door de verzoekende partijen voorgelegde cijfergegevens zou niet zijn aangetoond dat de minste vermindering van het totale aantal studenten bij het begin van het academiejaar 2006- 2007 te wijten zou zijn aan een door het decreet veroorzaakte toename van het aantal verblijvende studenten. Die kleinere daling zou met name te verklaren zijn door de aanwezigheid van studenten die zittenblijven en studenten die afkomstig zijn uit andere onderwijsinstellingen of andere cursussen. A.5.3.
  61. De Franse Gemeenschapsregering bevestigt dat het percentage van 30 pct. een maatregel vormt die evenredig is met alle in het decreet van 16 juni 2006 nagestreefde doelstellingen. Zij merkt in dat verband op dat de verhouding niet-Franse studenten die in Frankrijk de betrokken richtingen volgen minder dan 3 pct. bedraagt. Zij leidt bovendien uit de meest recente cijfergegevens af dat er een verband bestaat « tussen het vermijden van een massale aanwezigheid van niet-verblijvende studenten in bepaalde cursussen van het hoger onderwijs en het aanzienlijke aantal inschrijvingen van nieuwe studenten ». Wat betreft het vierde onderdeel A.6.1.
  62. Het vierde onderdeel van het eerste middel betreft de artikelen 5 en 9 van het decreet van 16 juni 2006 en bekritiseert het verschil tussen, enerzijds, de niet-verblijvende studenten die door loting worden geselecteerd en, anderzijds, de niet-verblijvende studenten die zich, na die loting, niet kunnen inschrijven voor de door hen gekozen studie. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepalingen het recht van de niet- verblijvende personen om de opleiding van hun keuze te volgen en hun recht op vrij verkeer op niet- 14 voorzienbare wijze beperken, wat bijgevolg een onevenredige beperking van hun fundamentele rechten vormt en een discriminerend verschil in behandeling teweegbrengt. A.6.1.
  63. De verzoekende partijen herinneren eraan dat die selectiewijze tijdens de parlementaire voorbereiding het systeem « eerst aangekomene, eerst ingeschrevene » heeft vervangen dat, volgens de Franse Gemeenschapsregering, de motivatie van de studenten nochtans beter waarborgde. De verzoekende partijen onderstrepen in de eerste plaats dat de beperkingen van de fundamentele vrijheden, zoals het vrij verkeer en de vrije toegang tot het onderwijs - alsook de afwijking van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie - voorzienbaar moeten zijn, terwijl het gekozen systeem op toeval is gebaseerd. Vervolgens zijn zij van mening dat het voormelde verschil in behandeling berust op een criterium van onderscheid dat niet relevant noch adequaat is, omdat de selectie steunt op toeval en niet op de bekwaamheid van de studenten, die nochtans een bepalend element is voor de kwaliteit van het onderwijs, waarvan de vrijwaring een van de doelstellingen van het decreet is. Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat dat criterium van onderscheid niet evenredig is, omdat het de betrokken studenten niet in staat stelt te gelegener tijd te weten of zij voor het onderwijs van hun keuze zullen worden toegelaten en of zij bijgevolg moeten overwegen zich op het grondgebied van het Rijk te vestigen of hun academische plannen te herbekijken. Zij verwijzen in dat opzicht naar het vijfde lid van de artikelen 5 en 9 van het bestreden decreet. A.6.2.
  64. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat de loting slechts een modaliteit is van de maatregelen die werden ingevoerd bij het decreet van 16 juni 2006 en dat ze enkel betrekking heeft op de niet- verblijvende studenten, zodat ze « niets te maken heeft met het Europese beginsel van niet-discriminatie ». Zij merkt vervolgens op dat een vernietiging van dat punt geen gevolgen zou hebben voor de andere bepalingen, in het bijzonder diegene die voorziet in het principe van beperking. A.6.2.
  65. De Regering voegt daaraan toe dat de loting de minst slechte oplossing is. Zij merkt op dat het systeem « wie eerst komt eerst wordt ingeschreven » - dat scherp werd bekritiseerd door de afdeling wetgeving van de Raad van State, ondanks het veelvuldig gebruik ervan in andere sectoren van het onderwijs - evenmin aan het toeval ontsnapt, vermits de volgorde van aankomst steeds afhangt van het ogenblik waarop de concurrent aankomt. Hetzelfde geldt voor een selectie op grond van het diploma, vermits de toegang van een kandidaat tot het onderwijs zou afhangen van de kwaliteit van de diploma’s van de andere kandidaten van hetzelfde jaar. De Regering voert ook aan dat een selectie van de niet-verblijvende studenten op grond van de diploma’s - net zoals de selectie die is gebaseerd op de « motivatie » van de kandidaten - de deur openzet voor willekeur en « auditoria met twee snelheden » in het leven zou roepen. Na lange besprekingen zou zijn geopteerd voor de loting teneinde een selectie te vermijden die is gebaseerd op een voorafgaande opleiding, die onverenigbaar is met de doelstellingen « van democratisering, vrije keuze en ruime toegang tot het hoger onderwijs ». Die keuze zou de kwaliteit van het onderwijs niet in het gedrang brengen en zou het meest bruikbare systeem zijn waarbij verstoring van de openbare orde veroorzaakt door het systeem « wie eerst aankomt eerst wordt bediend » zou worden vermeden. A.6.2.
  66. De Regering merkt vervolgens op dat de loting geen enkel verschil in behandeling in het leven roept, vermits die selectiewijze aan alle niet-verblijvende studenten dezelfde kansen van inschrijving garandeert. Zij voert aan dat de selectie die is gebaseerd op de volgorde van aankomst of op het diploma evenmin voorspelbaar is voor de kandidaten voor inschrijving, rekening houdend met het toeval dat bij die hiervoor beschreven systemen speelt. Zij merkt ook op dat er geen enkele nationale of internationale regel bestaat die de student het recht garandeert om vóór een bepaalde datum te worden ingeschreven, dat het verbod om meer dan één aanvraag tot inschrijving in te dienen ertoe strekt de doeltreffendheid van het systeem te garanderen en dat het decreet van 16 juni 2006 de niet-verblijvende kandidaat voor inschrijving niet verhindert andere aanvragen in die zin in te dienen in het land waar hij verblijft of « in een andere gemeenschap van België ». 15 Het middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 12, eerste alinea, 18, 149 en 150, lid 2, derde streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap A.7.1.
  67. Het tweede middel betreft de artikelen 1, 4 en 8 van het decreet van 16 juni 2006, in zoverre zij, op zijn minst indirect, een discriminatie op grond van de nationaliteit invoeren voor de toegang tot sommige door de Franse Gemeenschap georganiseerde studierichtingen. De verzoekende partijen voeren aan dat, volgens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, discriminatie op grond van de nationaliteit verboden is op het gebied van de toegang tot het onderwijs, beoogd in de artikelen 149 en 150, lid 2, derde streepje, van dat Verdrag, zodat het ingevoerde verschil in behandeling een discriminatie vormt op het vlak van het genot van de rechten die dat Verdrag toekent aan de onderdanen van de Europese Unie, discriminatie die objectief noch redelijk verantwoord is en bovendien niet evenredig is met het nagestreefde doel. A.7.1.
  68. De verzoekende partijen merken op dat het bestreden decreet tot doel heeft een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol hoger onderwijs voor de bevolking van de Franse Gemeenschap te waarborgen en dat het zou steunen op de vaststelling dat meer dan 70 procent van de studenten die zich voor sommige in dat decreet beoogde cursussen hebben ingeschreven, van Franse nationaliteit zijn, wat volgens de wetgever drie gevolgen zou hebben : de toegang tot die studie verhinderen voor de studenten die hun diploma secundair onderwijs in de Franse Gemeenschap hebben behaald; de kwaliteit van het onderwijs in het gedrang brengen, door een stijging van het aantal studenten boven de opvangcapaciteit van de betrokken instellingen; en een tekort veroorzaken in de betrokken beroepen, « in het bijzonder mocht men een numerus clausus invoeren ». A.7.1.
  69. De verzoekende partijen verwijzen naar verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en merken vervolgens op dat artikel 12, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap niet alleen, in beginsel, de openlijke discriminaties verbiedt die rechtstreeks steunen op de nationaliteit, maar ook alle verhulde vormen van discriminatie die in feite, indirect, tot hetzelfde resultaat leiden door op andere criteria van onderscheid te steunen. Uit de parlementaire voorbereiding en het bij het verzoekschrift gevoegde persdossier leiden zij met name af dat het decreet een dergelijke indirecte discriminatie vormt, vermits de omschrijving van het nagestreefde doel uitsluitend steunt op het aandeel Franse studenten. Zij voegen eraan toe dat dit decreet ook indruist tegen de doelstellingen van de Europese Gemeenschap vervat in de artikelen 149, lid 1 en lid 2, tweede streepje, en 150, lid 2, derde streepje, van het voormelde Verdrag. De verzoekende partijen erkennen evenwel dat het verbod van die discriminaties niet absoluut is. Zij stellen vast dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verschillen in behandeling aanvaardt op voorwaarde dat zij steunen op objectieve overwegingen, die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn met de door de nationale reglementering nagestreefde wettige doelstelling (HvJ, 24 november 1998, Bickel en Franz, C-274/96; HvJ, 11 juli 2002, D’Hoop, C-224/98; HvJ, 2 oktober 2003, Garcia Avello, C-148/02). Zij preciseren dat het Hof van Justitie in een arrest van 7 juli 2005 bovendien lijkt te vereisen dat de situatie van de lidstaat die aan een dergelijke discriminerende maatregel ten grondslag ligt, kenmerkend is voor die lidstaat en niet met andere lidstaten van de Europese Unie wordt gedeeld (HvJ, 7 juli 2005, Commissie t. Oostenrijk, C-147/03). De verzoekende partijen onderstrepen dat de bewijslast berust op de lidstaat die een discriminerende maatregel wil aannemen. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen leiden zij af dat de nationale overheden die afwijken van het fundamentele beginsel van het vrij verkeer van personen in elk geval moeten aantonen dat hun reglementeringen ten aanzien van het nagestreefde doel noodzakelijk en evenredig zijn en dat een analyse - op grond van nauwkeurige en controleerbare elementen - van de doeltreffendheid en de evenredigheid van de beperkende maatregel hun motieven moet ondersteunen (HvJ, 13 november 2003, Lindman, C-42/02; HvJ, 18 maart 2004, Leichtle, C-8/02). A.7.1.
  70. Volgens de verzoekende partijen is het in A.7.1.2 vermelde doel niet wettig, vermits het in strijd is met de doelstellingen en opdrachten van de Europese Gemeenschap, zoals die met name voortvloeien uit de artikelen 149 en 150 van het voormelde Verdrag. Het zou overigens discriminerend zijn, vermits het ertoe strekt de bevolking van de Franse Gemeenschap te bevoordelen ten koste van de « Europese bevolking ». De wettigheid van de wens om een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol onderwijs te waarborgen, zou het niet mogelijk maken die waarborg voor te behouden aan de bevolking van een lidstaat, zonder in strijd te 16 zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zo nodig in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet, met artikel 12 van het voormelde Verdrag en in het bijzonder met de artikelen 149 en 150 van dat Verdrag. A.7.1.
  71. De verzoekende partijen zijn van mening dat, om dezelfde redenen, het argument dat is afgeleid uit het gegeven dat het grote aantal niet-verblijvende - in het bijzonder Franse - studenten de toegang zou belemmeren van de verblijvende - in het bijzonder Belgische - studenten, niet ontvankelijk of op zijn minst niet aangetoond is voor de andere studierichtingen dan die welke leiden tot de graad van « bachelor in de diergeneeskunde » en die in het bestreden decreet worden beoogd. Het gevaar dat de kwaliteit van het onderwijs afneemt, zou evenmin worden aangetoond en lijkt bovendien door de feiten te worden tegengesproken. Sommige van de voormelde cursussen zouden immers tot de beste van Europa behoren, terwijl het grote aantal buitenlandse studenten een oud fenomeen is. Dat zou die studierichtingen zelfs in staat hebben gesteld een internationaal academisch en wetenschappelijk netwerk uit te bouwen dat aan de basis van de kwaliteit van dat onderwijs ligt. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat het risico van een tekort voor de betrokken beroepen evenmin is aangetoond en dat het slechts denkbaar is indien een numerus clausus wordt ingevoerd. A.7.1.
  72. De verzoekende partijen merken ten slotte op dat, ook al is het nagestreefde doel gewettigd en zijn de vaststellingen waarop het steunt, ontvankelijk en bewezen, de Franse Gemeenschapsregering geen enkel bewijselement aanvoert voor het evenredige en adequate karakter van de aangenomen maatregel. De verzoekende partijen verwijzen naar de uiteenzettingen in A.5.1.1 tot A.5.1.3 en hebben in dat opzicht vragen bij de relevantie van het percentage van 30 procent. A.7.2.
  73. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat het tweede middel bepaalde argumenten herhaalt die in het eerste middel werden aangevoerd. Zij verwijst in zoverre naar de weerlegging van het eerste middel. A.7.2.
  74. Zij voert vervolgens aan dat bij het uitwerken van het decreet van 16 juni 2006 nauwgezet rekening werd gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Zij verwijst in dat verband naar het onderzoek of het ontwerpdecreet - dat het bestreden decreet is geworden - bestaanbaar is met het Europees recht waarnaar in de memorie van toelichting bij dat ontwerp wordt verwezen. A.7.2.
  75. De Regering preciseert dat het voornaamste verwijt ten aanzien van het tweede middel - dat indirect betrekking heeft op het « criterium van verblijfplaats en verblijf » - het voorwerp uitmaakt van de weerlegging van het derde middel waarnaar ze verwijst. Bovendien betoogt zij dat de verwijten in verband met de bewijsvoering, door de wetgever, betreffende het verantwoorde karakter van de afwijking van het vrije verkeer van personen reeds in het onderzoek naar de gegrondheid van het eerste middel werden onderzocht. A.7.2.
  76. De Franse Gemeenschapsregering erkent dat het bestreden decreet een maatregel van vrijwaring is die afwijkt van het « mobiliteitsbeginsel », het vrije verkeer van de Europese studenten en die tot doel heeft « de populatie die op het grondgebied van de Franse Gemeenschap verblijft » een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol hoger onderwijs te garanderen. Die doelstelling zou in overeenstemming zijn met de doelstellingen afgekondigd in de preambule van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, alsmede in de artikelen 3.1, q), en 149.1 van dat Verdrag. Zij onderstreept dat, teneinde die doelstelling te bereiken, de wetgever het criterium van de nationaliteit heeft verkozen boven dat van de verblijfplaats en het verblijf, die in andere aangelegenheden in aanmerking worden genomen, omdat het op adequate wijze de realiteit van een concrete band met een bepaald grondgebied uitdrukt. Beweren dat het bestreden decreet voornamelijk de Franse nationaliteit beoogt, zou erop neerkomen te stellen dat het in Frankrijk verstrekte secundair onderwijs wordt voorbehouden aan de Fransen. A.7.2.
  77. Volgens de Franse Gemeenschapsregering blijkt uit de door haar voorgelegde parlementaire voorbereiding en uit « statistische en administratieve elementen » dat het door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen jegens de Oostenrijkse wetgeving geformuleerde verwijt in de punten 63 tot 66 van het arrest van 7 juli 2005, niet kan worden toegestuurd aan het adres van de Franse Gemeenschap. 17 De Regering beklemtoont dat de feiten en de wetgeving die aan de oorsprong liggen van dat arrest zeer verschillend zijn van de feiten en de wetgeving die het Hof aanbelangen in de onderhavige zaak. Zij merkt inzonderheid op dat de wetgeving van de Franse Gemeenschap een aanzienlijk aantal studenten dat afkomstig is uit andere lidstaten ertoe machtigt zich in te schrijven voor de in het decreet van 16 juni 2006 beoogde cursussen, zelfs wanneer zij geen toegang hebben tot die studies in hun land van oorsprong. Zij preciseert ook dat het bestreden decreet is aangenomen na een experiment van drie jaar dat zou hebben aangetoond dat het vergelijkend toelatingsexamen niet in staat is het homogene karakter van het open onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap te vrijwaren. De nagestreefde doelstelling zou verantwoorden dat wordt afgeweken van het beginsel van het vrije verkeer van de studenten teneinde hun de vrije toegang tot het onderwijs van de Franse Gemeenschap te garanderen « door de mobiliteit van de studenten te vrijwaren ». Zij voegt daaraan toe dat het decreet van 16 juni 2006 enkel tot doel heeft het aantal van een bepaalde categorie van studenten te beperken. De Regering is bovendien van mening dat inbreuk wordt gepleegd op het vrije verkeer van personen, wanneer wordt geoordeeld dat een lidstaat die - omdat hij een veel ruimere toegang tot het hoger onderwijs mogelijk maakt dan diegene die in de naburige lidstaat bestaat - wordt geconfronteerd met een buitengewone toestroom van studenten uit andere lidstaten, geen andere keuze heeft dan de voorwaarden van toegang tot zijn onderwijs te verstrakken. Zij merkt ten slotte op dat het bestreden decreet een maatregel van vrijwaring vormt, vermits de mobiliteit van de studenten die door de Europese Unie wordt gestimuleerd, niet tot doel heeft een massale emigratie van studenten mogelijk te maken, waarbij afbreuk wordt gedaan aan een redelijk beleid van contingentering dat zowel in hun land van oorsprong als in het land waar ze naartoe gaan om te studeren, wordt gevoerd. De Regering beveelt in dat verband de invoering van een Europees solidariteitsmechanisme aan ten voordele van de lidstaten die « netto-invoerders van studenten » in het hoger onderwijs zijn, een mechanisme dat door de Franse Gemeenschap wordt voorgesteld sinds de jaren 1990, teneinde de lidstaten ertoe aan te zetten een grotere mobiliteit van de studenten te bevorderen. A.7.3.
  78. De verzoekende partijen antwoorden dat, zoals in het derde middel is uiteengezet, de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen het niet mogelijk maakt het decreet van 16 juni 2006 te verantwoorden. De verzoekende partijen betogen vervolgens dat de in het geding zijnde maatregel onbestaanbaar is met het Europees recht, zodat die niet kan worden beschouwd als zijnde de enige mogelijke maatregel om de toegang tot het hoger onderwijs te regelen. Zij merken op dat, bij gebrek aan een bewijselement in de parlementaire voorbereiding en rekening houdend met de onjuistheden en leemten in de door de Franse Gemeenschap voorgelegde statistieken, die maatregel niet wordt verantwoord ten aanzien van de vereisten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. A.7.3.
  79. De verzoekende partijen preciseren dat ofschoon de numerus clausus ook de toegang tot het onderwijs en het vrije verkeer beperkt, hij het Europees beginsel van niet-discriminatie niet schendt, indien hij wordt toegepast op alle kandidaten ongeacht hun verblijfplaats of hun nationaliteit. A.7.3.
  80. De verzoekende partijen die onderstrepen dat het niet zeker is dat alle buitenlandse studenten hun beroep in het buitenland zullen uitoefenen, zijn van oordeel dat het risico van een tekort aan beroepsmensen - dat door de Franse Gemeenschap wordt aangevoerd en dat voortvloeit uit de federale reglementering waarbij het aantal kinesitherapeuten dat « toegang heeft tot de tegemoetkoming van de verplichte ziekteverzekering » wordt beperkt - niet wordt aangetoond. A.7.
  81. De Franse Gemeenschapsregering preciseert dat, met de verwijzing naar artikel 56 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de memorie van toelichting van het ontwerpdecreet dat het decreet van 16 juni 2006 is geworden, artikel 46 van het genoemde Verdrag beoogt. Bovendien merkt zij op dat in 2005 en 2006 de federale overheid niet is moeten overgaan tot een selectie onder de Franstalige kinesitherapeuten die de « toegang tot de tegemoetkoming van de verplichte ziekteverzekering » wensten te verkrijgen en dat zulks hetzelfde zou moeten zijn in
  82. De Regering onderstreept ten slotte dat de numerus clausus een selectiewijze is die in de praktijk ertoe strekt « verblijvende studenten » te weren ten voordele van « niet-verblijvende studenten ». 18 Het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 24 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 3, lid 1, sub q), 12, eerste alinea, 18, lid 1, 149, lid 1 en lid 2, tweede streepje, en 150, lid 1 en lid 2, derde streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap A.8.1.
  83. De verzoekende partijen zijn van mening dat de artikelen 10 tot 15 van het decreet van 16 juni 2006 dienen te worden vernietigd, in zoverre zij het onmiddellijke verlengde vormen van de artikelen 1 tot 9 van hetzelfde decreet, die in het middel worden beoogd. Zij zijn van mening dat die laatste bepalingen de toegang tot het onderwijs beperken van de niet- verblijvende - in het bijzonder Franse - studenten die niet behoren tot het in het decreet vastgestelde quotum. Zij zouden het fundamentele recht van die studenten op het vrij verkeer van de studenten op onevenredige wijze beperken en een indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit tot stand brengen, zodat zij hun recht op het volgen van het onderwijs en de beroepsopleiding van hun keuze op discriminerende wijze zouden beperken. A.8.1.
  84. De verzoekende partijen preciseren dat dat middel het bestreden decreet bekritiseert, in zoverre het een onevenredige beperking vormt van het recht op onderwijs dat in artikel 24, §§ 3 en 4, van de Grondwet wordt gewaarborgd. Uit die bepaling, artikel 191 van de Grondwet, B.5.4 van het arrest nr. 106/2003, artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens alsook uit artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten leiden zij af dat iedere persoon, al dan niet verblijfhouder, recht heeft op onderwijs met inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden, in het bijzonder die welke zijn opgenomen in de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap die in het middel worden beoogd en die het onderwijs en de beroepsopleiding betreffen. Zij verwijzen naar de arresten nrs. 32/97 (B.4.2), 35/98 (B.4.2) en 47/97 (B.3.2) en herinneren eraan dat de wetgever, bij het regelen van de toegang tot het onderwijs, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in acht moet nemen dat in de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet wordt gewaarborgd. Zij voeren ook aan dat elke schending van een grondrecht dat door een internationaalrechtelijke norm die België bindt, is erkend, ipso facto een schending van dat beginsel inhoudt. De te dezen bekritiseerde maatregel zou een discriminatie vormen op grond van de nationaliteit, alsook een discriminerende belemmering van het vrij verkeer van personen en een onevenredige beperking van het recht van de niet-verblijvende studenten dat in artikel 24 van de Grondwet wordt gewaarborgd. A.8.1.
  85. De verzoekende partijen merken op dat, volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de voorwaarden inzake de toegang tot de beroepsopleiding vallen onder het toepassingsgebied van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (HvJ, 13 februari 1985, Gravier, C-293/83), en dat de discriminaties op grond van de nationaliteit, verboden bij artikel 12 van dat Verdrag, de uitoefening van het vrij verkeer van personen belemmeren. Zij verwijzen ook naar twee arresten van dat Hof betreffende de toegang tot het hoger onderwijs (HvJ, 11 juli 2002, D’Hoop, C-224/98; HvJ, 7 juli 2005, Commissie t. Oostenrijk, C-147/03). Vervolgens voeren zij aan dat het recht op vrij verkeer van personen en het verbod van elke discriminatie op grond van de nationaliteit fundamentele rechten zijn die door hetzelfde Verdrag worden gewaarborgd. Volgens de verzoekende partijen beperkt de bestreden maatregel in wezen het vrij verkeer van de Franse niet-verblijvende studenten en voert hij bijgevolg een verschil in behandeling in op grond van de nationaliteit. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 16 juni 2006 zou blijken dat die maatregel een verkapte vorm van discriminatie is die tot hetzelfde resultaat leidt door andere criteria van onderscheid dan de nationaliteit aan te wenden. De verzoekende partijen zijn van mening dat die indirecte discriminatie niet in overeenstemming is met de vereisten van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ, 24 november 1998, Bickel en Franz, C-274/96; HvJ, 11 juli 2002, D’Hoop, C-224/98; HvJ, 7 juli 2005, Commissie t. Oostenrijk, C-147/03). A.8.1.4.
  86. De verzoekende partijen tonen vervolgens aan dat de bekritiseerde maatregel bijdraagt tot het nastreven van een onrechtmatig doel. Zij zijn van mening dat het waarborgen van een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol hoger onderwijs voor alleen de bevolking van de Franse Gemeenschap niet 19 verenigbaar is met het Europees recht. Zij voegen eraan toe dat de wil om de studenten die geen deel uitmaken van die bevolking, met andere woorden de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie, te benadelen, in strijd is met de voormelde fundamentele rechten. De verzoekende partijen weigeren om, zoals de auteurs van de bestreden tekst, aan te nemen dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met zijn voormelde arrest van 7 juli 2005, voor de lidstaten van de Europese Unie zelfs impliciet het recht heeft erkend de toegang tot het hoger onderwijs te beperken tot de personen die werkelijk in hun samenleving zijn geïntegreerd. Zij voeren aan dat de uitzonderingen op het vrij verkeer van de studenten die het Hof van Justitie in zijn arrest van 15 maart 2005 (HvJ, 15 maart 2005, Bidar, C-209/03) heeft aanvaard, alleen betrekking hebben op het domein van de volksgezondheid en niet op het gebied van onderwijs kunnen worden aangevoerd. In dat opzicht merken zij op dat het arrest van 7 juli 2005 geen betrekking had op een reglementering die verblijfsvoorwaarden bevatte en dat het, ondanks het antwoord dat het op de argumenten van Oostenrijk geeft, in het rechtstreekse verlengde ligt van de vroegere rechtspraak, die met name werd gekenmerkt door een arrest van 1 juli 2004 (HvJ, Commissie t. België, 1 juli 2004, C-65/03). De verzoekende partijen bekritiseren ten slotte de wil om de « omzeilingsmobiliteit » te bestrijden. Zij onderstrepen dat de student die toegang wenst te hebben tot een soepeler onderwijsstelsel in een buurland teneinde de door zijn lidstaat van oorsprong opgelegde beperkingen te vermijden - met de intentie er terug te keren om er na zijn studies te werken -, zijn vrijheid van verkeer uitoefent en over dezelfde rechten beschikt als diegene die in het buitenland gaat studeren om reden van de kwaliteit van de studie die er wordt aangeboden. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005 zou blijken dat het hier niet gaat om een misbruik van de uitoefening van die vrijheid. A.8.1.4.
  87. De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat de bestreden maatregel niet op relevante criteria van onderscheid berust. Zij bekritiseren in de eerste plaats het criterium dat steunt op het gegeven dat, in de cursussen die in het decreet van 16 juni 2006 wordt beoogd, meer dan 40 procent van de studenten die voor de eerste keer zijn ingeschreven, hun diploma secundair onderwijs in het buitenland hebben behaald. Zij voeren aan dat, in zoverre hij betrekking heeft op de cursussen die leiden tot de in de artikelen 3, 1°, en 7 van dat decreet beoogde academische graden en niet alleen de diergeneeskunde beoogt, die maatregel van preventieve aard is en niet verenigbaar is met de in het middel beoogde bepalingen. Ze zijn van mening dat de wetgever geen enkel nauwkeurig element voorlegt om aan te tonen dat de stijging van het aantal studenten die gebruik maken van het vrij verkeer dat in het voormelde Verdrag wordt gewaarborgd, leidt tot een daling van de kwaliteit van die studie en tot een tekort aan beroepsmensen in de Franse Gemeenschap. Zij betwisten ook de verantwoording die steunt op het gegeven dat de niet-verblijvende studenten de plaats innemen van de verblijvende studenten in de cursussen die leiden tot de graden van de paramedische categorie. De verzoekende partijen klagen vervolgens de criteria aan die worden aangewend om de verblijvende studenten te onderscheiden van de niet-verblijvende studenten. Zij voeren aan dat het voorbehoud dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gemaakt bij artikel 1, eerste lid, 7°, van het decreet van 16 juni 2006, geldt voor de andere categorieën van studenten die in artikel 1 van dat decreet worden gedefinieerd, omdat het decreet ervan uitgaat dat de vrije toegang tot de hogere studie die het beoogt, niet kan worden gewaarborgd aan al wie geen werkelijke band met de Belgische samenleving vertoont. De verzoekende partijen herinneren eraan dat niet kan worden aanvaard dat de overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 2005 betreffende de volksgezondheid ook gelden op het gebied van onderwijs. De verzoekende partijen beweren ten slotte dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de niet- verblijvende studenten die door loting zijn geselecteerd en, anderzijds, de niet-verblijvende studenten die door loting niet zijn geselecteerd, berust op een criterium van onderscheid dat objectief noch relevant is. Het percentage van dertig procent zou op willekeurige wijze zijn vastgesteld en niet op redelijke wijze zijn verantwoord. Zij onderstrepen dat de loting de volgorde bepaalt van de studenten die wensen deel uit te maken van het quotum van 30 procent en dat die selectiewijze niet beantwoordt aan de vereiste van voorzienbaarheid van een beperking van het recht op het vrij verkeer van de niet-verblijvende studenten, vermits de betrokken studenten zullen moeten wachten tot de eerste werkdag die volgt op 2 september om te weten of zij zich kunnen inschrijven voor een van de in het decreet beoogde cursussen. A.8.1.4.
  88. De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat de in het geding zijnde maatregel niet noodzakelijk is om het voormelde doel te bereiken en dat hij dus van preventieve aard is. 20 De wetgever zou geen precieze cijfermatige gegevens hebben voorgelegd zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat vereist. Volgens de verzoekende partijen betreft het enige nuttige cijfer dat is voorgelegd, de samenstelling van de voor de betrokken cursussen ingeschreven studentenpopulatie. De noodzaak van de maatregel, in zoverre die de paramedische studie beoogt, zou daarentegen niet verantwoord zijn, aangezien de daling van de kwaliteit van het onderwijs niet is aangetoond en het tekort aan stageplaatsen voor elk van de beoogde afdelingen niet is bewezen. Hetzelfde geldt voor het risico van een tekort aan beroepsmensen in de Franse Gemeenschap. De verzoekende partijen wijzen in dat opzicht op de ontstentenis van cijfermateriaal betreffende het aantal gediplomeerden die hun beroep in hun Staat van oorsprong uitoefenen. A.8.1.4.
  89. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de in het geding zijnde maatregel niet evenredig is met het nagestreefde doel. Zij verwijzen naar de argumenten die in A.5.1.1 tot A.5.1.3 en in A.7.1.1 tot A.7.1.6 zijn uiteengezet. Zij voegen eraan toe dat de onvoorzienbaarheid van een afwijking van het grondrecht van het vrij verkeer van personen niet aanvaardbaar is, ermee rekening houdend dat de niet-verblijvende studenten regelingen moeten kunnen treffen naar gelang van de voorwaarden waarin zij tot het onderwijs van hun keuze toegang kunnen hebben. Zij merken ten slotte op dat de in het geding zijnde maatregel de toegang tot het onderwijs beperkt in het stadium van de inschrijving en dat de onmogelijkheid voor een niet-verblijvende student om zich, ondanks die beperking, in te schrijven door zelf in te staan voor de financiering van de studie die hij wenst te volgen (door hoger collegegeld, door een beurs, enz.), die student op discriminerende wijze uitsluit. A.8.1.
  90. De verzoekende partijen leiden uit hetgeen voorafgaat af dat de bestreden maatregel een discriminatie inhoudt die door het gemeenschapsrecht verboden is en bijgevolg een onevenredige beperking is van het recht op onderwijs dat door de Grondwet wordt gewaarborgd. A.8.2.
  91. De Franse Gemeenschapsregering weerlegt dat het derde middel zich niet fundamenteel onderscheidt van de twee andere middelen, zodat zij naar de voorafgaande uiteenzettingen verwijst wat betreft het onderscheid tussen de richting dierengeneeskunde en de andere paramedische richtingen, het verschil in behandeling tussen de verblijvende studenten en de niet-verblijvende studenten alsmede het verschil wat betreft het percentage van 30 percent en de loting. A.8.2.
  92. De Regering leidt uit het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 2005 af dat het Europees recht zich niet verzet tegen elk criterium van verblijfplaats waarbij het vrije verkeer van de studenten en hun toegang tot de beroepsopleiding wordt beperkt. De Regering voert aan dat met dit arrest het Hof van Justitie de toepassingssfeer van het beginsel van niet- discriminatie uitbreidt tot de beurzen om in het levensonderhoud te voorzien, maar daarbij erkent dat dat beginsel zich noch verzet tegen « een gezond en verantwoord beheer van het onderwijs », noch tegen een reglementering waarbij de toekenning van hulp afhankelijk wordt gemaakt van de inachtneming van een voorwaarde van verblijfplaats die voornamelijk de onderdanen van andere lidstaten dreigt te benadelen. Zij merkt op dat het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling kan worden verantwoord door objectieve overwegingen, die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn met het nagestreefde doel. A.8.2.
  93. De Regering betoogt ook dat het arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 2005 betrekking heeft op de aangelegenheid onderwijs en beroepsopleiding en dat met dat arrest het Hof van Justitie, zoals inzake volksgezondheid, aanvaardt dat het vrije verkeer van de studenten het voorwerp uitmaakt van afwijkingen. Zij stelt bovendien vast dat met het arrest van 7 juli 2005 het Hof van Justitie impliciet aanneemt dat een lidstaat een maatregel van vrijwaring invoert inzake onderwijs, voor zover die verantwoord is en dat, met het arrest van 15 maart 2005, het Hof een uitzondering op het vrije verkeer aanvaardt die op de verblijfplaats is gebaseerd. A.8.2.
  94. De Regering merkt ten slotte op dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit het decreet van 16 juni 2006 niet gebaseerd is op de nationaliteit - van de studenten of van hun diploma - maar op het enkele criterium van de verblijfplaats. De Regering die erkent dat de toepassing van dat criterium veeleer de studenten die onderdaan zijn van andere lidstaten zal weren dan Belgische studenten, merkt op dat de redenen voor de keuze van dat criterium los staan van elke overweging van nationaliteit, vermits alle Europese burgers geacht worden de voorwaarde van verblijfplaats te vervullen. 21 Zij leidt ten slotte uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 2005 af dat de Franse Gemeenschap, rekening houdend met de doelstellingen van het bestreden decreet, de waarborg van de vrije toegang tot het hoger onderwijs op wettige wijze kan beperken tot personen die « een reële band met de Belgische samenleving aantonen ». Zij is van mening dat het in artikel 1 van het decreet van 16 juni 2006 gedefinieerde criterium van verblijfplaats de vrije toegang garandeert aan allen die sinds meer dan drie jaar hun hoofdverblijfplaats in België hebben alsmede aan diegenen wier ouders of partner in België verblijven teneinde er een beroepsactiviteit uit te oefenen en aan diegenen die een band hebben met de Franse Gemeenschap die losstaat van de studies. Zij is van mening dat, meer nog dan de andere studenten, die personen de bedoeling hebben om in België een beroep uit te oefenen waartoe de toegang niet beperkt hoeft te zijn. De Regering besluit daaruit dat het verschil in behandeling tussen de verblijvende studenten en de andere studenten op een relevant en objectief criterium berust dat niets te maken heeft met de nationaliteit, een wettige doelstelling van algemeen belang nastreeft en evenredig is met de verwezenlijking van die doelstelling rekening houdend met het gewaarborgde percentage van 30 percent voor niet-verblijvende studenten. Zij preciseert dat het criterium van verblijfplaats werd verkozen boven het criterium van oorsprong van het diploma van secundair onderwijs om twee redenen. Ten eerste zou dat criterium ondoeltreffend zijn geweest vermits het in de laatste jaren van het secundair onderwijs studenten zou hebben aangetrokken van andere lidstaten - voornamelijk Fransen - die de studies van hun keuze zonder beperking wensen voort te zetten in de Franse Gemeenschap. Ten tweede zou de toepassing van dat criterium van de oorsprong van het diploma afbreuk doen aan het recht op toegang tot de studies, dat in de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » wordt gewaarborgd aan de kinderen van de personen die afkomstig zijn uit andere lidstaten en die in België werken of er een recht van permanent verblijf hebben. A.8.3.
  95. De verzoekende partijen antwoorden dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 2005 de lidstaten niet ertoe machtigt de toegang tot het onderwijs te beperken door een vereiste van een voldoende mate van inburgering in de maatschappij van het gastland. De verzoekende partijen die de conclusies van de advocaat-generaal citeren die het arrest van 15 maart 2005 voorafgaan, die de eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie aanhalen in verband met de aan de toegang tot de studies verbonden kosten en die verwijzen naar artikel 3 van de richtlijn 93/96/EEG van 29 oktober 1993 « inzake het verblijfsrecht voor studenten » - opgeheven bij de richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 - verzoeken het Hof een onderscheid te maken tussen overheidshulp in verband met schoolkosten en hulp voor onderhoudskosten van de studenten. Zij merken op dat eerstgenoemde kosten rechtstreeks verbonden zijn met de toegang tot de opleiding terwijl, rekening houdend met de artikelen 1 en 24 van de richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004, laatstgenoemde als dusdanig geen voorwaarde van toegang tot de studies vormen. A.8.3.
  96. Zij leiden vervolgens uit het arrest van het Hof van Justitie van 7 juli 2005 (punt 70) af dat de « omzeilingsmobiliteit » op zich geen « misbruik » vormt en stellen vast dat richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 zich evenmin verzet tegen dat type van mobiliteit wanneer zij de voorwaarden van dat verblijfsrecht van de studenten definieert. A.8.
  97. De Franse Gemeenschapsregering herbevestigt dat het arrest van 15 maart 2005 betrekking heeft op het beroepsonderwijs en dat, ondanks de argumenten die de verzoekende partijen afleiden uit de artikelen 7 en 24 van de richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 en uit artikel 3 van de richtlijn 93/96/EEG van 29 oktober 1993, dat arrest erkent dat het criterium van verblijfplaats inzake vrij verkeer van de studenten bestaanbaar is met het Europees recht, in het bijzonder met artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Zij toont ook aan dat de in het arrest van 15 maart 2005 onder de loep genomen nationale reglementering niet in verband staat met het verblijfsrecht. Het verzoek tot prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen A.9.
  98. De verzoekende partijen merken op dat de drie middelen van het verzoekschrift betrekking hebben op de inachtneming, in het decreet van 16 juni 2006, van verscheidene bepalingen van het Europees recht. Zij stellen vast dat de Franse Gemeenschapsregering het Europees recht niet op dezelfde wijze interpreteert als 22 zijzelf. Zij zijn van mening dat de beslissing van het Grondwettelijk Hof in onderhavige zaak zal afhangen van de wijze waarop het Hof het Europees recht zal interpreteren wat betreft de mogelijkheid voor een lidstaat om de toegang tot het hoger onderwijs te beperken. In het geval waarin het Hof niet de door de verzoekende partijen voorgestelde interpretatie van het Europees recht zou delen, verzoeken laatstgenoemden het Hof bijgevolg in ondergeschikte orde om aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag te stellen, met toepassing van artikel 234, derde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap : « Verzetten het Europees recht en in het bijzonder de artikelen 3, § 1, 1, q, 12, 18, 149 en 150 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zich ertegen dat nationale bepalingen, zoals het decreet ‘ tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs ’, afgekondigd op 16 juni 2006 en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 6 juli 2006, het aantal niet- verblijvende studenten op het grondgebied van een lidstaat beperken - en dus met name studenten die onderdaan zijn van andere lidstaten - die zich in één of meer studierichtingen kunnen inschrijven, door het opleggen van een criterium van verblijfplaats zoals gedefinieerd in artikel 1 van het bestreden decreet, waarbij aldus een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen de verblijvende studenten en de niet-verblijvende studenten wat betreft het genot van de in voormelde bepalingen van het gemeenschapsrecht gewaarborgde rechten en in feite ertoe leiden dat de studenten met een andere nationaliteit, en in het bijzonder de studenten met Franse nationaliteit, discriminerend worden behandeld ? ». A.9.
  99. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen reeds blijkt dat, wat de bestanddelen van het decreet van 16 juni 2006 betreft, dat decreet in overeenstemming is met het Europees recht, zodat het haar niet noodzakelijk blijkt een prejudiciële vraag te stellen om te oordelen dat dat decreet wel degelijk in overeenstemming is met het Europees recht. In de ondergeschikte orde stelt de Regering voor om een eventuele prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te formuleren als volgt : « Verzet het Europees recht, en in het bijzonder de artikelen 3.1.q., 12, 16, 18, 148 en 150 van het EG-Verdrag, in samenhang gelezen met de preambule, zich ertegen dat de wetgeving van een lidstaat een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de verblijvende studenten, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het decreet van 16 juni 2006 tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs, die in onbeperkt aantal toegang hebben tot het hoger onderwijs, en anderzijds, andere studenten die onbeperkt toegang hebben tot het hoger onderwijs met uitzondering van sommige cursussen van de eerste cyclus waartoe zij worden toegelaten ten belope van dertig procent van het totale aantal studenten die voor de eerste maal in die cursus zijn ingeschreven in de loop van het voorgaande academiejaar, terwijl die lidstaat dat verschil in behandeling verantwoordt door overwegingen van algemeen belang, te dezen de kwaliteit van het hoger onderwijs en de volksgezondheid, die in de parlementaire voorbereiding bij die wetgeving worden aangevoerd ? ». Ten aanzien van de zaak nr. 4093 Onderwerp van het beroep A.
  100. Het beroep tot vernietiging beoogt de artikelen 1 tot 10 en 15 van het decreet van 16 juni 2006, of althans de artikelen 1, 2, 3, 2°, 4 tot 6, 7, 1°, 2°, 4° en 5°, en 8 tot 10 ervan. Het belang A.11.1.
  101. Céline Chaverot, Marine Guiet, Floriane Poirson en Laura Soumagne bevestigen dat zij de Franse nationaliteit hebben en tot geen enkele van de in artikel 1 van het decreet van 16 juni 2006 beoogde categorieën behoren. Die eerste vier verzoekende partijen doen hun belang bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepalingen van dit decreet blijken door aan te voeren dat zij een inschrijving hebben gevraagd aan de « Haute Ecole Libre de Bruxelles – Ilya Prigogine » (HELB-IP) teneinde er gedurende het academiejaar 2006-2007 de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de academische graad « bachelor-vroedvrouw », en dat de loting 23 die in die inrichting moest worden georganiseerd op 4 september 2006, overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 16 juni 2006, niet gunstig was voor hen. Zij preciseren dat zij zich vervolgens bij diezelfde instelling hebben ingeschreven teneinde er, gedurende hetzelfde academiejaar, de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de academische graad van « bachelor- verpleging ». Zij voegen daaraan toe dat zij hun inschrijving aan die hogeschool opnieuw zullen aanvragen, teneinde er gedurende het academiejaar 2007-2008 de cursus te volgen die leidt tot de academische graad van « bachelor-vroedvrouw ». A.11.1.
  102. Elodie Hamon, Benjamin Lombardet, Julie Mingant en Marthe Simon doen van hun belang blijken bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepalingen van het decreet van 16 juni 2006, door aan te voeren dat zij de cursus wensen te volgen die leidt tot de uitreiking van de academische graad « bachelor- vroedvrouw », maar dat zij hun inschrijving in die cursus niet hebben aangevraagd, omdat zij door dat decreet werden ontmoedigd. De vijfde, zesde, zevende en achtste verzoekende partij hebben zich daarentegen ingeschreven aan de HELB-IP teneinde er gedurende het academiejaar 2006-2007 het eerste jaar te volgen van de cursus die leidt tot de uitreiking van de academische graad van « bachelor-verpleging ». Zij preciseren dat, na afloop van die drie jaar durende cursus, zij als verblijvend student in de zin van artikel 1 van het bestreden decreet hun inschrijving zullen aanvragen bij een hogeschool, teneinde er de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de academische graad « bachelor-vroedvrouw » die vier studiejaren telt. Zij voegen daaraan toe dat, gewapend met hun diploma van bachelor in de verpleging, zij de toekenning van vrijstellingen zullen vragen waardoor zij de cursus voor de opleiding tot vroedvrouw in drie jaar zullen kunnen volgen. Zij merken op dat de vernietiging van het decreet van 16 juni 2006 hun in staat zou stellen zich reeds vanaf het academiejaar 2007-2008 te heroriënteren in de afdeling « Vroedvrouw ». A.11.1.
  103. Charlyne Ficek en Anaïs Serrate doen van hun belang bij de vordering van de vernietiging van de decreetsbepalingen blijken door aan te voeren dat zij hun inschrijving bij de HELB-IP hebben aangevraagd teneinde er gedurende het academiejaar 2006-2007 de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de academische graad van « bachelor-kinesitherapie » en dat de loting die in die inrichting moest worden georganiseerd op 4 september 2006 overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 16 juni 2006 niet gunstig was voor hen, zodat zij zich hebben ingeschreven in een voorbereidende opleiding van één jaar. De negende en de tiende verzoekende partij voegen daaraan toe dat zij hun inschrijving in de voormelde cursus opnieuw zullen aanvragen voor het academiejaar 2007-2008, hetzij als verblijvende studenten - indien zij een arbeidsovereenkomst hebben weten af te sluiten die zij zullen kunnen doen gelden - hetzij, bij ontstentenis van een dergelijke overeenkomst, als niet-verblijvende studenten. A.11.1.
  104. Sandrine Jadaud, die als kinesitherapeute haar beroep in Frankrijk uitoefent, doet van haar belang bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepalingen van het decreet van 16 juni 2006 blijken door aan te voeren dat zij zich wenst in te schrijven bij de HELB-IP teneinde er gedurende het academiejaar 2007-2008 de cursus te volgen die leidt tot de uitreiking van de academische graad van « bachelor podologie-podotherapie ». De elfde verzoekende partij preciseert dat zij niet de voorwaarden van artikel 1 van dit decreet vervult, zodat haar inschrijving dreigt te worden geweigerd ingevolge een loting. A.11.1.
  105. Als leden van het administratief personeel of het opvoedend hulppersoneel van de HELB-IP, doen Patricia Barbier, Laurence Coulon, Renée Hollestelle, Jacqueline Ghion, Pascale Schmitz, Sophie Thirion, Céline Vandeuren en Isabelle Compagnion van hun belang bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden bepalingen van het decreet van 16 juni 2006 blijken door aan te voeren dat die tekst hun betrekking ernstig bedreigt of hun arbeidsomstandigheden substantieel kan wijzigen om reden van de personeelsvermindering die eruit zal voortvloeien. Isabelle Compagnion behoort tot het opvoedend hulppersoneel terwijl de zeven andere verzoekende partijen binnen het administratief personeel de functie van opsteller bekleden « op een totaal van 17 bedienden in de hogeschool ». Zij werd in vast verband aangeworven en « heeft de tweede hoogste dienstanciënniteit op een totaal van vier ». De betrekking van de vijftiende en zeventien verzoekende partij - die tijdelijk werden aangeworven - zou op termijn bedreigd zijn. 24 Die acht verzoekende partijen preciseren dat de ontslagen eerst de tijdelijk aangeworven bedienden zullen raken alvorens de in vast verband aangeworven personen te raken, in beide gevallen volgens stijgende volgorde van anciënniteit. A.11.2.
  106. De Franse Gemeenschapsregering wijst in de eerste plaats naar de algemene overwegingen die zij heeft geformuleerd in de door haar in de zaak nr. 4034 neergelegde memorie van wederantwoord. A.11.2.
  107. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de vijfde, zesde, zevende en achtste verzoekende partij. De Regering erkent dat de in sommige hogescholen toegepaste kwalitatieve selectie vóór de inwerkingtreding van het decreet van 16 juni 2006 ontmoedigend was en is van mening dat het vooruitzicht van een loting niet van dien aard is dat een inschrijving in één van de in het bestreden decreet beoogde cursussen wordt ontraden, vermits de inschrijving in één van de niet in dat decreet beoogde cursussen mogelijk blijft indien het resultaat van de loting niet gunstig is. Zij is van oordeel dat die verzoekende partijen zich zelf in een ongunstige situatie hebben geplaatst. A.11.2.
  108. De Regering merkt bovendien op dat de « gelijkwaardigheidsbeslissing » die bij het verzoekschrift van de negende verzoekende partij is gevoegd niet definitief is. A.11.2.
  109. Zij is van mening dat het belang van de elfde verzoekende partij « louter hypothetisch » is. Zij brengt in herinnering dat, bij het begin van het academiejaar 2006-2007, er minder aanvragen waren tot inschrijving in de cursus die leidt tot de uitreiking van de graad van « bachelor podologie-podotherapie » dan het aantal plaatsen dat werd voorbehouden aan de niet-verblijvende studenten, zodat geen enkele loting moest worden georganiseerd. Zij merkt bovendien op dat de door de elfde verzoekende partij voorgelegde brief van 13 oktober 2006 teneinde haar bedoeling te bewijzen om zich in die cursus in te schrijven, niet de identiteit van de adressaat vermeldt en slechts een vage voorwaardelijke bedoeling weergeeft. Zij voegt daaraan toe dat de verzoekende partij geen gelijkwaardigheidsbeslissing voorlegt. A.11.2.
  110. Ten slotte betwist de Franse Gemeenschapsregering het belang van de acht andere verzoekende partijen, om redenen die worden aangehaald in de memorie en de memorie van wederantwoord, neergelegd in de zaak nr. 4034 in verband met het belang van de verzoekende leerkrachten. Zij is van mening dat eventuele en indirecte repercussies op hun situatie in dat verband niet volstaan. A.11.3.
  111. De negende verzoekende partij voegt aan de memorie van antwoord een kopie toe van de definitieve gelijkwaardigheidsbeslissing. A.11.3.
  112. De elfde verzoekende partij weerlegt dat de ontstentenis van loting in verband met de cursus podologie in september 2006 niet aantoont dat een dergelijke loting niet zal moeten worden georganiseerd in september
  113. Zij onderstreept ook dat, rekening houdend met de berekeningswijze van het quotum niet- verblijvende studenten, de bij het begin van het academiejaar 2006-2007 vastgestelde vermindering van het aantal inschrijvingen het aantal beschikbare plaatsen voor die studenten zal verminderen gedurende het academiejaar 2007-
  114. Zij preciseert ten slotte dat zij, als houder van een diploma in de kinesitherapie uitgereikt door een inrichting van de Franse Gemeenschap, met toepassing van artikel 22, 3°, van het decreet van 5 augustus 1995 « houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in de hogescholen » toegang heeft tot het eerste jaar van de eerste cyclus van de cursus betreffende de studies in de podologie, zonder een gelijkwaardigheidsbeslissing te moeten verkrijgen. De middelen A.12.1.
  115. De drie middelen zijn identiek met die welke werden aangevoerd in de zaak nr.
  116. De verzoekende partijen verwijzen ook naar de uiteenzetting in die zaak. A.12.1.
  117. De verzoekende partijen onderstrepen bovendien dat de meest recente cijfergegevens die door de Franse Gemeenschapsregering worden voorgelegd met de nodige omzichtigheid moeten worden gelezen. Zij 25 merken op dat de door de Franse Gemeenschap gemaakte vergelijking tussen het aantal inschrijvingen voor het academiejaar 2005-2006 in de in het decreet van 16 juni 2006 bedoelde cursussen en het aantal in verband met het academiejaar 2006-2007 niet relevant is. Zij merken ook op dat een vermindering van het aantal inschrijvingen van buitenlandse studenten voor het academiejaar 2006-2007 op zich niet verrassend is, vermits het om de door het bestreden decreet nagestreefde doelstelling zou gaan. De verzoekende partijen voeren aan dat de door de Franse Gemeenschap voorgelegde gegevens erop wijzen dat de toename van het aantal verblijvende studenten bij het begin van het academiejaar 2006-2007 - dat ten belope van een derde betrekking heeft op de cursus diergeneeskunde - niet volstaat om de vermindering van het aantal niet-verblijvende studenten te compenseren. A.12.1.
  118. De verzoekende partijen leiden vervolgens uit de uittreksels van het door het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën op 31 januari 2006 gewezen advies af dat de aanneming van het bestreden decreet niet werd voorafgegaan door een toereikende becijferde analyse van de situatie, noch door een ernstige studie van de doeltreffendheid van de genomen maatregelen, én plaatsvond vóór het einde van het door de Europese autoriteiten aangevatte « ruling »-proces. A.12.1.
  119. De verzoekende partijen merken bovendien op dat de Europese Commissie op 24 januari 2007 beslist heeft om aan de Belgische Regering, op grond van artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, een ingebrekestelling te sturen waarin ze wordt verzocht haar opmerkingen in verband met de bestaanbaarheid van het decreet van 16 juni 2006 met het Europees recht mede te delen. Zij leiden daaruit af dat de Europese Commissie het bestreden decreet onbestaanbaar acht met het Europees recht en dat die ingebrekestelling volstaat om de gegrondheid van het beroep tot vernietiging aan te tonen. A.12.1.
  120. De verzoekende partijen formuleren ten slotte enkele opmerkingen in verband met de bestaanbaarheid van het decreet van 16 juni 2006 met het Europees recht. Zij merken op dat niet wordt aangetoond dat de aan het bestreden decreet voorafgaande situatie voor elke van de beoogde cursussen een gevaar voor de volksgezondheid betekende. De verzoekende partijen preciseren ook dat noch de Europese wetgever, noch het Hof van Justitie in afwijkingen van het gelijkheidsbeginsel hebben voorzien wat betreft de hulp in verband met de toegang tot het onderwijs, naar het voorbeeld van wat inzake levensonderhoud wordt bepaald in artikel 24.2 van de richtlijn 2004/38/EG van 29 april
  121. Zij merken op dat de bestreden wetgeving veeleer aansluit bij de regeling inzake steun voor de kosten van toegang tot de studies. Zij merken op dat artikel 24 van die richtlijn van toepassing is op alle studenten die steun voor levensonderhoud aanvragen voor studies, ongeacht de reden waarom zij gebruik maken van het vrije verkeer. A.12.2.
  122. De Franse Gemeenschapsregering verwijst in de eerste plaats naar de argumenten die zij heeft uiteengezet in de zaak nr.
  123. A.12.2.
  124. De Regering antwoordt ook dat de omstandigheid dat één vierde van de toename van het aantal verblijvende studenten betrekking heeft op de studies diergeneeskunde, wordt verklaard door het feit dat precies in die cursus de aanwezigheid van niet-verblijvende studenten het hoogst was vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet. Zij brengt bovendien in herinnering dat, rekening houdend met het aantal personen dat, zonder het bestreden decreet, heeft deelgenomen aan de loting, het aantal niet-verblijvende studenten met meer dan 25 percent zou zijn gestegen. A.12.2.
  125. De Franse Gemeenschapsregering betwist de door de verzoekende partijen gesuggereerde lezing van het advies van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën. Zij is van mening dat de parlementaire voorbereiding van het decreet van 16 juni 2006 en de in de zaak nr. 4034 voorgelegde documenten aantonen dat dat decreet werd voorafgegaan door een ernstig onderzoek en een becijferde analyse van de situatie van de beoogde cursussen. Zij merkt op dat, ofschoon de precieze budgettaire gevolgen van dat decreet - die afhangen van het gedrag van de studenten - moeilijk voorspelbaar 26 waren, de wetgever heeft voorzien in mechanismen om een mogelijke te sterke daling van het aantal studenten te compenseren. De Regering stelt vervolgens dat de Franse Gemeenschap permanent in dialoog treedt met de Europese overheden, dat zij in een aanpassing van het decreet heeft voorzien en dat zij zich ertoe heeft verbonden dat decreet te herzien in geval van een gewijzigde houding van de buurlanden, de Franse Republiek in het bijzonder. Zij onderstreept ten slotte dat de Franse Gemeenschap niet overhaast te werk is gegaan en dat het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiën heeft opgemerkt dat zij op korte termijn geen andere keuze had. A.12.2.
  126. De Franse Gemeenschapsregering verbaast zich niet over de ingebrekestelling vanwege de Europese Commissie, rekening houdend met het originele karakter van de reglementering vervat in het decreet van 16 juni 2006, die werd opgesteld op grond van de evolutieve rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Zij is van mening dat het bestreden decreet de weg opent naar een type van dossier op basis waarvan de Commissie haar visie van het beleid van de Europese Unie inzake beroepsopleiding wil opbouwen. De Regering voert aan dat een ingebrekestelling die uitgaat van de Commissie het niet mogelijk maakt te gissen of het Hof van Justitie het decreet van 16 juni 2006 bestaanbaar acht met het Europees recht. Zij preciseert dat het nog niet zeker is dat de Commissie een met redenen omkleed advies zal uitbrengen in de zin van artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en dat bovendien dat advies wel eens enkel betrekking zou kunnen hebben op een beperkt aspect van het bestreden decreet. A.12.2.
  127. De Regering is ten slotte van mening dat, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie, het niet langer nuttig is om voor de overheidssteun een onderscheid te maken naargelang die steun betrekking heeft op de schoolkosten of op de kosten voor levensonderhoud, vermits voortaan alle steun onderworpen is aan het Europese principe van niet-discriminatie. Zij leidt uit de conclusies van de advocaat- generaal die het arrest van het Hof van Justitie van 7 juli 2005 voorafgaan af dat het arrest van 15 maart 2005 niet enkel betrekking heeft op maatschappelijke hulp en van dien aard is dat het de hele rechtspraak in verband met het beroepsonderwijs beïnvloedt. Het verzoek tot prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen A.13.
  128. De verzoekende partijen formuleren hetzelfde verzoek als in de zaak nr. 4034 om dezelfde redenen. A.13.
  129. De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar het antwoord dat ze heeft geformuleerd in de zaak nr.
  130. -B- B.
  131. De beroepen tot vernietiging beogen het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 « tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs », zoals het was geformuleerd vóór de wijziging ervan bij de artikelen 18 tot 20 van het decreet van 25 mei 2007 « houdende verschillende maatregelen inzake hoger onderwijs ». Het bestreden decreet luidt als volgt : 27 « HOOFDSTUK I. – Definitie Artikel
  132. Onder verblijvende student in de zin van dit decreet, dient verstaan te worden de student die, op het ogenblik van zijn inschrijving in een inrichting voor hoger onderwijs, het bewijs levert dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en dat hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet : 1° het recht hebben in België permanent te verblijven; 2° zijn hoofdverblijfplaats in België hebben sedert minstens 6 maanden op het ogenblik van de inschrijving in een inrichting voor hoger onderwijs, en er een al dan niet bezoldigde beroepsactiviteit uitoefenen of er een vervangingsbezoldiging genieten die door een Belgische openbare dienst toegekend wordt; 3° ertoe gemachtigd zijn voor een onbepaalde duur te verblijven op basis van de artikelen 9 en 10 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; 4° ertoe gemachtigd zijn in België te verblijven als gevolg van de erkenning als vluchteling krachtens artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, of een adhoc aanvraag; 5° ertoe gemachtigd zijn in België te verblijven met de tijdelijke bescherming van artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 6° als vader, moeder, wettelijke voogd of echtgenoot(-ote) een persoon hebben die aan een van deze voorwaarden voldoet; 7° zijn hoofdverblijfplaats in België hebben sedert minstens drie jaar op het ogenblik van de inschrijving in een inrichting voor hoger onderwijs; 8° houder zijn van een attest van beursstudent uitgereikt in het raam van de ontwikkelingssamenwerking voor het academiejaar en voor de studies waarvoor de aanvraag om inschrijving ingediend wordt. Onder ‘ recht om permanent te verblijven ’ in de zin van het eerste lid, dient verstaan te worden voor de staatsburgers van een andere lidstaat van de Europese Unie, het recht erkend krachtens de artike

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.