← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.014

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.014 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080214.6 Arrest- Rolnummer: 14/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-02-15 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-06-29 10:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1675/19, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Collectieve schuldenregeling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Gerechtelijk recht - Collectieve schuldregeling - Schuldbemiddelaar - Erelonen en kosten - Beschikking van de beslagrechter - Ontstentenis van hoger beroep. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/19 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de beslissing Rolnummer 4160 Arrest nr. 14/2008 van 14 februari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 februari 2007 in zake Luc Boelpaepe tegen Véronique Chambaz, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 maart 2007, heeft het Hof van Beroep te Luik aan het Hof voorgelegd : « De vraag naar de grondwettigheid van artikel 1675/19, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en/of naar de grondwettigheid van de interpretatie van dat artikel, in zoverre het de schuldbemiddelaar belet hoger beroep in te stellen tegen een beslissing van de beslagrechter over zijn kosten en erelonen, terwijl alle andere gerechtelijke mandatarissen, en in het bijzonder de faillissementscurator, die mogelijkheid wel hebben ». Memories zijn ingediend door : - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden-Vlieslaan 65, en de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148; - de Ministerraad. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Orde van Vlaamse balies hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 december 2007 : - zijn verschenen : . Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Orde van Vlaamse balies; . Mr. S. Naeije loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Luc Boelpaepe, bemiddelaar in de collectieve schuldenregeling van Véronique Chambaz, heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de beslagrechter van 23 augustus 2006 waarbij de laatstgenoemde zijn erelonen begrootte na de beschikking waarbij werd vastgesteld dat Véronique Chambaz afstand deed van de bemiddelingsprocedure. Hij verweet de eerste rechter zijn erelonen onterecht te hebben verminderd en verzocht het Hof van Beroep, alvorens over de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep uitspraak te doen, aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen te stellen over het discriminerende karakter van de bepaling van de wet betreffende de collectieve schuldenregeling die het ingestelde hoger beroep onontvankelijk maakt. Uit een strikte interpretatie van artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek, vloeit volgens Luc Boelpaepe een verschil in behandeling voort tussen schuldbemiddelaars onderling. Wanneer de erelonen van de schuldbemiddelaar worden vastgesteld in de beschikking waarbij een minnelijke aanzuiveringsregeling wordt gehomologeerd of in de beschikking waarbij een gerechtelijke aanzuiveringsregeling wordt opgelegd, zou wel hoger beroep mogelijk zijn. Enkel wanneer de beschikking van de beslagrechter op verzoek van de schuldbemiddelaar is genomen, zou geen hoger beroep mogelijk zijn. De verwijzende rechter volgt die strikte interpretatie niet en is van oordeel dat hoger beroep is uitgesloten tegen elke beschikking waarbij de erelonen van de schuldbemiddelaar worden vastgesteld. Aangezien er aldus geen verschil in behandeling is tussen schuldbemiddelaars onderling, stelt hij daarover geen prejudiciële vraag. Volgens Luc Boelpaepe doet de in het geding zijnde bepaling ook een verschil in behandeling ontstaan tussen, enerzijds, de schuldbemiddelaars en, anderzijds, de andere gerechtelijke mandatarissen zoals de faillissementscurator. Het komt de verwijzende rechter voor dat « het uitzonderlijke karakter van de wet op de overmatige schuldenlast, de noodzakelijke eenvormigheid van de erelonen […] en de noodzaak om onaanvaardbare vertragingen van de procedure door toedoen van een gerechtsdienaar te voorkomen, gelet op het doel van die procedure, artikel 1675/19, derde lid, vereisen en verantwoorden, in een billijke verhouding en met een juiste eerbiediging en evenwicht van de in het geding zijnde belangen ». Hij stelt echter vast dat het tot de uitsluitende bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof behoort om over dat verschil in behandeling uitspraak te doen. Alvorens uitspraak te doen, stelt hij de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A– Standpunt van de Ministerraad A.

  1. De Ministerraad is van mening dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. Hij verwijst naar de arresten nrs. 23/2005 en 175/2005, zaken waarin hij een vergelijkbare stelling heeft verdedigd. De bemiddelaar heeft volgens hem, in tegenstelling tot de faïllissementscurator, geen opdracht van vereffening, maar gewoon een opdracht van verdeling, onder de schuldeisers, van de schulden van de schuldenaar die aan het hoofd van zijn vermogen blijft. De Ministerraad besluit dat om die reden dient te worden beschouwd dat de vraag zonder voorwerp is. In elk geval en in onderschikte orde is de Ministerraad van mening dat de betwiste regel redelijk verantwoord is, daar de keuze van de wetgever erin bestaat een vereenvoudigde procedure in te stellen voor het verkrijgen van een bevel tot tenuitvoerlegging voor de betaling van een voorschot of van de erelonen van de bemiddelaar. 4 Standpunt van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (OBFG) en van de Orde van Vlaamse balies (OVB) A.2.
  2. De OBFG en de OVB verantwoorden hun belang om in de zaak tussen te komen door het feit dat hun taak erin bestaat te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke professionele belangen van hun leden. Te dezen behoren de advocaten tot de personen die, luidens artikel 1675/17, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, als bemiddelaar kunnen worden aangewezen. In die zin zijn beide orden betrokken bij het bedrag van de erelonen die aan de advocaten worden toegekend. A.2.
  3. Na eraan te hebben herinnerd dat zowel de beslissing tot toekenning van erelonen aan een faillissementscurator als die welke er toekent aan een voorlopige bewindvoerder, een voogd of een gerechtelijk raadsman voor hoger beroep vatbaar zijn, verwonderen de twee tussenkomende partijen zich erover dat alleen de bemiddelaars geen recht op een dubbele aanleg genieten. Een en ander lijkt hun des te meer voor kritiek vatbaar daar dezelfde bepaling voorschrijft dat, in voorkomend geval, de bemiddelaar mogelijk niet zal zijn gehoord bij de vaststelling van die erelonen. A.2.
  4. In hun memorie van antwoord weerleggen de tussenkomende partijen in de eerste plaats de stelling van de Ministerraad volgens welke de in het geding zijnde categorieën van personen niet vergelijkbaar zouden zijn. Zij zijn overigens van mening dat het Hof tot hetzelfde oordeel is gekomen in de twee arresten waarnaar de Ministerraad verwijst. De tussenkomende partijen verklaren vervolgens dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is, waarbij in de parlementaire voorbereiding van de betwiste bepaling overigens ook niet wordt uitgelegd waarom er geen beroepsmogelijkheid bestaat. Zelfs indien de wetgever de schuldbemiddelaar en de faillissementscurator een opdracht zou hebben toevertrouwd die, in sommige opzichten, niet vergelijkbaar zou zijn – en dat is niet het geval daar het wellicht gaat om de twee opdrachten van gerechtelijk mandataris die het meest aan elkaar verwant zijn -, toch verantwoordt niets het aangeklaagde verschil in behandeling tussen, enerzijds, de schuldbemiddelaars en, anderzijds, de faillissementscuratoren, maar ook alle andere gerechtelijke mandatarissen, ten aanzien van de hier in het geding zijnde kwestie van de ontstentenis van beroepsmogelijkheden tegen de beslissing waarbij de rechter die ze aanwijst, hun erelonen, emolumenten en kosten vaststelt. De tussenkomende partijen besluiten dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. -B- B.1.
  5. Op het ogenblik van het instellen van het beroep voor de verwijzende rechter bepaalde artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek : « De regels en barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald. De Koning oefent deze bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers tot wier bevoegdheid Justitie en Economische Zaken behoren. De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald. Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in artikel 1675/10, § 5, in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of 5 ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd. In voorkomend geval en op verzoek van de schuldbemiddelaar, beslist de rechter welk gedeelte van de erelonen, emolumenten en kosten de schuldbemiddelaar ten laste kan leggen van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast ». B.1.
  6. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het derde lid van de voormelde bepaling en meer bepaald op de derde zin van dat lid, die de beschikking van de rechter waarbij hij een bevel tot tenuitvoerlegging verleent inzake de erelonen, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar, uitsluit van verzet of hoger beroep. B.1.
  7. Artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek werd gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I). Het vroegere derde lid werd echter ongewijzigd overgenomen in paragraaf 3 van het nieuwe artikel 1675/
  8. B.
  9. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij de schuldbemiddelaar belet hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de beslagrechter over zijn kosten en erelonen, terwijl andere gerechtelijke mandatarissen, in het bijzonder de faillissementscurator, die mogelijkheid wel hebben. B.3.
  10. De Ministerraad werpt op dat de situatie van de schuldbemiddelaars niet kan worden vergeleken met de situatie van de andere gerechtelijke mandatarissen en met name die van de curatoren. B.3.
  11. De bewering volgens welke de situaties niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan niet ertoe strekken dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet van toepassing zouden zijn. Zij kan enkel tot gevolg hebben dat de bewijsvoering van een bestaanbaarheid met die bepalingen 6 wordt ingekort wanneer de situaties dermate verschillend zijn dat het onmiddellijk duidelijk is dat geen vaststelling van discriminatie zou kunnen voortvloeien uit de nauwgezette vergelijking ervan. B.4.
  12. Het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de opdracht van de betrokken gerechtelijke mandatarissen : de schuldbemiddelaar treedt op in het kader van de collectieve regeling van de schulden van een natuurlijke persoon met overmatige schuldenlast die de wet wil beschermen tegen het gevaar dat hij geen menswaardig leven zou kunnen leiden, terwijl de curator, die de boedel vertegenwoordigt, het faillissement van een handelaar (natuurlijke of rechtspersoon) in het belang van zowel alle schuldeisers als de gefailleerde beheert. Het Hof moet evenwel nagaan of dat verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.4.
  13. Het ereloon van de curator wordt bepaald in verhouding tot het belang en de complexiteit van zijn opdracht. Het mag niet uitsluitend worden uitgedrukt in een procentuele vergoeding op basis van de gerealiseerde activa. De regels en barema’s tot vaststelling van het ereloon worden door de Koning bepaald. Hierbij bepaalt de Koning welke prestaties en kosten door het ereloon worden gedekt. De Koning kan tevens bepalen welke kosten afzonderlijk worden vergoed en op welke wijze ze worden begroot (artikel 33, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997). Het ereloon van de curator bestaat in beginsel in een proportionele vergoeding per schijf berekend op grond van de teruggeïnde en gerealiseerde activa (artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 « houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de curatoren »). De rechtbank van koophandel kan op grond van een met redenen omklede beslissing het ereloon vermeerderen of verminderen aan de hand van een correctiecoëfficiënt die varieert van 0.8 tot 1.
  14. Dat kan gebeuren op basis van verscheidene factoren zoals de omvang en de complexiteit van de zaak, het tewerkgestelde personeel, het aantal schuldvorderingen, de realisatiewaarde van het actief, de spoed waarmee het faillissement wordt afgewikkeld en de 7 bevoorrechte schuldeisers worden betaald, alsook de waarde die voor bepaalde, zelfs minder belangrijke activa wordt gekregen (artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit). Bepaalde prestaties van de curator die geen deel uitmaken van de normale vereffening van de failliete boedel en die ertoe hebben bijgedragen of redelijkerwijs ertoe hadden moeten bijdragen het actief van het faillissement te bewaren of te vergroten of het passief ervan te beperken, kunnen aanleiding geven tot betaling van een buitengewoon ereloon. Het gaat hierbij onder meer om de voortzetting van de handelsactiviteit door de curator of om buitengewone opdrachten voortvloeiend uit het aantal schuldeisers of uit de versnippering van het vermogen van de gefailleerde (artikel 7 van hetzelfde koninklijk besluit). B.4.
  15. De regels en barema’s tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden eveneens door de Koning bepaald (artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek). Het ereloon en de emolumenten bestaan uit forfaitaire vergoedingen (artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 december 1998 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar). De Koning heeft niet voorzien in de vergoeding van buitengewone ambtsverrichtingen. B.5.
  16. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.5.
  17. Behalve in strafzaken bestaat er geen algemeen beginsel waarbij de dubbele aanleg wordt gewaarborgd. Bovendien laat het voormelde reglementaire kader de rechter 8 weinig of geen beoordelingsruimte bij het vaststellen van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar. B.5.
  18. Daaruit volgt dat de onmogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechter geen onevenredige beperking inhoudt van de rechten van de schuldbemiddelaars. B.
  19. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1675/19, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 februari
  20. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.