← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.016

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.016 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080214.3 Arrest- Rolnummer: 16/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-02-15 Raadplegingen: 269 - laatst gezien 2026-06-29 10:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid, van dat Wetboek en met artikel 164, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Gerechtelijk recht -

  1. Geschillen die onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken ressorteren - a. Akte van gedinginleiding - Verzoekschrift - b. Kennisgeving bij gerechtsbrief -
  2. Terugvordering van onverschuldigde betalingen inzake gezondheidszorg - a. Akte van gedinginleiding - Verzoekschrift - b. Betekening bij deurwaardersexploot. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 704,alinéa1 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 792,alinéa2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wet - 14-07-1994 - 164,alinéa3 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4179 Arrest nr. 16/2008 van 14 februari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 5 maart 2007 in zake de bvba « Domicura » tegen het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 maart 2007, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid, van hetzelfde wetboek en met artikel 164, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10, tweede lid, en 11 van de gecoördineerde Grondwet, nu voormeld artikel 792, tweede lid, in die zin moet worden begrepen dat de erin bedoelde kennisgeving bij gerechtsbrief van het vonnis door de griffier slechts dient te geschieden in de zaken opgesomd in voormeld artikel 704, eerste lid, dat in een rechtsingang met verzoekschrift voorziet, en niet in de zaken die kunnen ingeleid worden volgens de procedure bepaald bij voormeld artikel 704, eerste lid, krachtens een afzonderlijke wetsbepaling, zoals voormeld artikel 164, derde lid, van de ZIV-Wet van 14 juli 1994, zodat op de rechtzoekenden ten aanzien van wie de wetgever geoordeeld heeft dat beroep kan worden gedaan op de vereenvoudigde wijze van rechtsingang van voormeld artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in het ene geval artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is, en in het andere geval niet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de bvba « Domicura », met zetel te 8940 Geluwe, Pastoor Pypestraat 19; - het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38, en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, met zetel te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 579; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 20 november 2007 : - zijn verschenen : . Mr. S. Sonck, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. H. Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de bvba « Domicura »; . Mr. G. De Maeseneire, advocaat bij de balie te Gent, loco Mr. W. van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een arrest van 27 mei 2005 van het Arbeidshof te Gent werd de bvba « Domicura » veroordeeld tot terugbetaling aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (hierna : LCM) en het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (hierna : NVSM) van ten onrechte uitgekeerde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging. De bvba « Domicura » tekende tegen dat arrest een cassatieberoep aan, waarin onder meer werd aangevoerd dat het Arbeidshof het hoger beroep van de LCM en het NVSM ten onrechte tijdig en ontvankelijk heeft verklaard, aangezien het door de rechter in eerste aanleg gewezen vonnis door de griffier bij gerechtsbrief van 18 september 2003 ter kennis van de partijen werd gebracht en de beroepstermijn ten gevolge daarvan begon te lopen op 19 september 2003, zodat het op 27 oktober 2003 in het kader van het hoger beroep ter griffie neergelegde verzoekschrift laattijdig was. Het Hof van Cassatie stelt vast dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen volgens artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek één maand bedraagt vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, van dat Wetboek. Krachtens die laatste bepalingen brengt de griffier, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen. De terugvordering, krachtens artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : ZIV- wet 1994), van ten onrechte uitgekeerde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging die ten gevolge van een vergissing of bedrog ten onrechte zijn ontvangen, levert, volgens het Hof van Cassatie, geen geschil op als bedoeld in de door artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek aangewezen artikelen. Wanneer de griffier in een dergelijk geschil het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis brengt van de partijen, is de datum van die kennisgeving bijgevolg niet de aanvangsdatum van de termijn om hoger beroep aan te tekenen. Die termijn kan in een dergelijk geval slechts lopen vanaf de betekening van de beslissing. De bvba « Domicura » voert daarbij aan dat artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid, van datzelfde Wetboek en met artikel 164, derde lid, van de ZIV- wet 1994, discriminerend is met betrekking tot de aanvang van de beroepstermijn. De verwijzende rechter acht het nodig om daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
  3. De bvba « Domicura » en de Ministerraad wijzen erop dat het vonnis dat de rechter in eerste aanleg in het bodemgeschil heeft geveld dateert van 12 september 2003 en dat het hoger beroep tegen dat vonnis werd aangetekend op 27 oktober
  4. Het Hof dient bijgevolg de in het geding zijnde bepalingen te beoordelen in de versies ervan die op dat ogenblik van toepassing waren. Wat artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek betreft, gaat het om de versie die toepasselijk was na de wetswijziging van 23 november 1998 en vóór de wetswijzigingen van 13 december 2005 en 27 december
  5. Wat artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek betreft, gaat het om de versie die toepasselijk was na de wetswijziging van 12 juli 1994 en vóór de wetswijzigingen van 24 april 2003 en 13 december
  6. 4 A.
  7. De bvba « Domicura » meent dat de in het geding zijnde bepalingen een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen met betrekking tot de aanvang van de beroepstermijn, tussen twee categorieën van procespartijen, namelijk : - degenen die een vordering kunnen inleiden bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 704, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek omdat die bepaling zelf dit mogelijk maakt, en - degenen die een vordering kunnen inleiden bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 704, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek omdat een andere wetsbepaling verwijst, voor de rechtsingang van de bedoelde geschillen, naar dat artikel 704, eerste lid. Voor de eerste categorie loopt de beroepstermijn vanaf de kennisgeving bij gerechtsbrief van de rechterlijke beslissing. Voor de tweede categorie loopt die termijn vanaf de betekening van de rechterlijke beslissing bij deurwaardersexploot. A.3.
  8. De bvba « Domicura » zet uiteen dat de kennisgeving van een rechterlijke beslissing in beginsel geschiedt door de verzending, bij gewone brief, van een niet-ondertekend afschrift van de beslissing aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. Die kennisgeving is in beginsel zonder invloed op het lopen van de termijnen voor het aanwenden van rechtsmiddelen. De kennisgeving van een rechterlijke beslissing bij gerechtsbrief, zoals bedoeld in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doet daarentegen de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen lopen, maar dit geldt enkel wanneer die kennisgeving bij gerechtsbrief wettelijk is voorgeschreven. Artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kennisgeving bij gerechtsbrief is vereist voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van dat Wetboek. Het voornoemde artikel 704 bepaalt dat in de in dat artikel opgesomde zaken, de vorderingen worden ingeleid bij verzoekschrift, dat kan worden neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of per aangetekende zending worden verstuurd, waarna de griffier de partijen oproept. De artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, waarin de inleiding van de hoofdvordering bij verzoekschrift op tegenspraak wordt geregeld, zijn niet toepasselijk op het verzoekschrift dat wordt ingediend of aangetekend wordt verstuurd met toepassing van artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek. A.3.
  9. Artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, volgens de bvba « Domicura », in een wijze van rechtsingang die eenvoudig, goedkoop en snel is. Om dezelfde redenen van snelheid, kostenbesparing en eenvoud wordt door artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek in dezelfde gevallen voorzien in een kennisgeving van de rechterlijke beslissing bij gerechtsbrief. Indien de wetgever met betrekking tot een bepaald geschil van oordeel is dat de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsingang van toepassing moet zijn, kan hij ofwel de wetsbepaling die de betrokken materie regelt opnemen in de opsomming van dit artikel 704, eerste lid, ofwel in de wetsbepaling die de betrokken materie regelt verwijzen naar dat artikel 704, eerste lid, zoals is gebeurd in artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet
  10. A.
  11. De bvba « Domicura » wijst erop dat volgens artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet 1994, alle terugvorderingen van onverschuldigde betalingen, voortvloeiend uit dat artikel, kunnen worden ingeleid volgens de procedure waarin artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet. Aldus zijn die terugvorderingen onderworpen aan een snelle, eenvoudige en goedkope procedure. Volgens het Hof van Cassatie kan daaruit echter niet worden afgeleid dat tevens de voor die procedures in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven wijze van kennisgeving van de rechterlijke beslissing toepasselijk wordt en dat die kennisgeving de beroepstermijn zou doen lopen. Aldus wordt een onderscheid gemaakt tussen de zaken die worden ingeleid overeenkomstig de bepalingen van artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en waarvan de rechterlijke beslissing vervolgens bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen wordt gebracht, enerzijds, en de zaken die weliswaar worden ingeleid overeenkomstig de bepalingen van artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doch waarvan de rechterlijke beslissing vervolgens niet ter kennis hoeft te worden gebracht van de partijen bij gerechtsbrief, anderzijds. 5 Voor dat onderscheid bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording. Zowel de artikelen 704, eerste lid, en 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek als artikel 164 van de ZIV-wet 1994 hebben dezelfde bedoeling : voorzien in een eenvoudige, snelle en goedkope procedure. Er is geen redelijke verantwoording voor het feit dat die eenvoudige, snelle en goedkope procedure in het ene geval zou moeten eindigen bij de uitspraak van de rechterlijke beslissing, terwijl die procedure in het andere geval doorloopt tot de kennisgeving van de rechterlijke beslissing en haar rechtsgevolgen. In het ene geval is een betekening van de rechterlijke beslissing door een gerechtsdeurwaarder vereist om de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel te doen lopen, wat niet alleen complexer is (aangezien de tussenkomst van de belanghebbende partij en derden is vereist) en trager verloopt (aangezien een uitgifte van de rechterlijke beslissing moet worden verkregen, een gerechtsdeurwaarder moet worden aangeschreven en betekeningsformaliteiten moeten worden vervuld), maar ook duurder is (uitgifte- en deurwaarderskosten). In het andere geval loopt de termijn voor het aanwenden van de rechtsmiddelen vanaf de kennisgeving bij gerechtsbrief, die uit het oogpunt van de belanghebbende partij eenvoudiger is (die partij hoeft niets te ondernemen), sneller verloopt (de kennisgeving door gerechtsbrief geschiedt binnen acht dagen na de rechterlijke beslissing) en goedkoper is (de partij heeft geen kosten). A.
  12. Het NVSM en de LCM zijn van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, aangezien de erin beoogde categorieën van personen onvoldoende vergelijkbaar zijn. De zaken die in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden opgesomd, dienen op de in dat artikel beschreven wijze te worden ingeleid. De in artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet 1994 bedoelde zaken kunnen worden ingeleid volgens de procedure waarin artikel 704, eerste lid, voorziet, maar dit is geen verplichting. In het ene geval is er dus een keuzemogelijkheid, in het andere geval niet. Dit leidt ertoe dat de betrokken categorieën van personen onvoldoende vergelijkbaar zijn. Aangezien artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet 1994 enkel in de mogelijkheid voorziet de vordering in te leiden volgens de procedure waarin artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, bestaat geen enkele juridische grondslag om de kennisgeving van de uitspraak per gerechtsbrief te laten gebeuren wanneer de vorderende procespartij geen gebruik maakt van die keuzemogelijkheid en haar vordering inleidt bij dagvaarding. A.
  13. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op voldoende vergelijkbare categorieën, dient die vraag, volgens het NVSM en de LCM, eveneens ontkennend te worden beantwoord. Voor het door de in het geding zijnde bepalingen gecreëerde verschil in behandeling bestaat immers een objectieve en redelijke verantwoording. Het recht op toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Dit geldt ook voor het aanwenden van rechtsmiddelen. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Het recht op het aanwenden van een rechtsmiddel zou zijn geschonden indien de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Uit rechtspraak van het Hof blijkt dat het behoort tot de beleidsvrijheid van de wetgever om te bepalen op welke wijze het meedelen van akten van rechtspleging dient te gebeuren. Aangezien enkel kan worden afgeweken van de betekening bij gerechtsdeurwaardersexploot (die de algemene regel is in het privaatrecht) in de gevallen die de wet bepaalt, is in beginsel objectief vast te stellen welke wijze van meedelen moet worden aangewend. De keuze voor een gerechtsbrief kan worden verantwoord, onder meer door de zorg om de kosten van de rechtspleging te drukken of om de vooruitgang ervan te bespoedigen. A.
  14. De zaken waarvoor de wetgever niet alleen in een vereenvoudigde inleiding maar ook in een kennisgeving per gerechtsbrief heeft voorzien, die de termijn doet lopen binnen welke een eventueel beroep moet worden ingesteld, hebben, volgens het NVSM en de LCM, behalve wat betreft de administratieve sancties en geldboeten ingevolge de miskenning van bepaalde sociaalrechtelijke voorschriften, betrekking op rechten en verplichtingen van de begunstigden van socialezekerheidsprestaties of prestaties in het kader van sociale bijstand. Het gaat om administratieve beslissingen die het « privilège du préalable » genieten, die vaak een belangrijke impact hebben op het basisinkomen van de rechtzoekende en zijn gezin en vaak onontbeerlijk zijn om op een menswaardige manier deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Het is dan ook van groot belang voor de betrokken individuen dat de inkomsten, uitkeringen en tegemoetkomingen waarop zij recht hebben en de procedures die daarmee verband houden, op een eenvoudige, snelle, doorzichtige en juridisch correcte wijze worden afgehandeld. Overigens vallen de kosten van de procedure ingesteld door of tegen een gerechtigde, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, volgens artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de overheid of de instelling die is belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 1° tot 17°, en 581, 1° en 2°, van dat Wetboek. 6 De zaken waarvan sprake in artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet 1994 hebben betrekking op de terugvordering van de rechthebbende of de zorgverlener van ten onrechte betaalde prestaties in de verzekering voor geneeskundige verzorging, de uitkeringsverzekering of de moederschapsverzekering. Wanneer de vordering niet is gericht tegen de rechthebbende zelf, in welk geval artikel 580, 2° of 3°, van het Gerechtelijk Wetboek toepassing zou vinden en de rechterlijke beslissing derhalve per gerechtsbrief ter kennis van de partijen zou moeten worden gebracht, handelt het geschil niet over een recht of een verplichting van een begunstigde van een socialezekerheidsprestatie of een prestatie in het kader van de sociale bijstand, maar over een onverschuldigde betaling aan een zorgverlener, dienst of inrichting. A.
  15. Het NVSM en de LCM wijzen erop dat het tweede en het derde lid van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werden ingevoerd bij de wet van 12 januari 1993 houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving. Met die wet beoogde de wetgever, in het voordeel van de rechtzoekenden die in een ongunstige financiële situatie verkeren, te komen tot

(1)een vereenvoudiging van de procedure van betekening van vonnissen en arresten;
(2)een goedkopere procedure, gerealiseerd door het voorkomen van gerechtsdeurwaarderskosten; en
(3)een versnelling van de behandeling van geschillen en een snelle tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken. De kennisgeving per gerechtsbrief is een kosteloze, snelle en soepele rechtspleging en vormt bijgevolg een pertinente maatregel in het licht van de nagestreefde doelstellingen. Het formalisme van het gemeen recht wordt vermeden, terwijl de op straffe van nietigheid voorgeschreven vermeldingen bepaald in artikel 792, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een waarborg vormen voor het informeren van de rechtzoekenden. Wat de administratieve geldboetes en sancties betreft, streefde de wetgever naar een snelle tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraken in het kader van de bestrijding van inbreuken op sociaalrechtelijke regelgeving. De zorgverleners, diensten of inrichtingen van wie ten onrechte betaalde prestaties worden teruggevorderd met toepassing van artikel 164 van de ZIV-wet 1994, verkeren doorgaans niet in een financieel ongunstige situatie. Het geschil heeft ook geen betrekking op hun inkomen. Evenmin heeft de vordering de effectieve bestrijding of sanctionering tot doel van het niet naleven van sociaalrechtelijke regelgeving. Het gaat louter om de terugvordering van een onverschuldigde betaling. A.
  1. Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van de verschillende procedures gaat overigens, volgens het NVSM en de LCM, te dezen niet gepaard met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen. Het recht om een rechtsmiddel aan te wenden wordt voor de rechtzoekenden die zijn betrokken in een geding dat wordt ingeleid volgens de procedure bepaald in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, maar aan wie de beslissing niet per gerechtsbrief ter kennis wordt gebracht, niet op onevenredige wijze beperkt doordat de termijn waarbinnen het rechtsmiddel moet worden aangewend pas begint te lopen bij de betekening van de rechterlijke uitspraak. Er is bovendien geen sprake van rechtsonzekerheid. De wettelijke bepalingen geven immers duidelijk aan in welke gevallen een vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de procespartijen moet worden gebracht, en in welke gevallen dat niet moet. A.10.
  2. Ook de Ministerraad verwijst naar de rechtspraak van het Hof, naar luid waarvan een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures in verschillende omstandigheden, op zich geen discriminatie inhoudt. Volgens die rechtspraak zou van discriminatie slechts sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen. A.10.
  3. Volgens de Ministerraad leidt de niet-toepasselijkheid van de in artikel 792, tweede lid, juncto artikel 1051, van het Gerechtelijk Wetboek, vervatte regel betreffende de aanvang van de beroepstermijn niet tot een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen. De niet-toepasselijkheid van de betrokken regel heeft tot gevolg dat de gemeenrechtelijke regeling van toepassing is, die inhoudt dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen pas begint te lopen bij de betekening van het vonnis bij gerechtsdeurwaarderexploot. De Ministerraad ziet niet in op welke wijze de gemeenrechtelijke regeling betreffende de aanvang van de beroepstermijn de rechten van een partij op onevenredige wijze zou kunnen beperken. 7 A.10.
  4. De Ministerraad is het niet eens met de stelling van de bvba « Domicura » dat in geschillen waarvoor door artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een goedkope, snelle en eenvoudige wijze van rechtsingang werd gecreëerd, de rechtzoekenden in het ene geval ook een snelle, goedkope en eenvoudige kennisgeving van de rechterlijke beslissing die het gevolg ervan is, kunnen genieten, en in het andere geval niet. Alle partijen genieten een snelle, eenvoudige en kostenbesparende kennisgeving van het vonnis, hetzij bij gerechtsbrief (artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek), hetzij bij gewone brief (artikel 792, eerste lid, van dat Wetboek). Weliswaar doet de kennisgeving slechts in een beperkt aantal gevallen, namelijk die bedoeld in artikel 704, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ook de termijn om hoger beroep aan te tekenen, lopen. Die omstandigheid is echter vreemd aan de mogelijkheid om op een snelle, eenvoudige en kostenbesparende wijze kennis te krijgen van het vonnis. De partijen ondervinden geen nadeel van de - zeer relatieve - complexiteit van de betekening bij deurwaardersexploot, aangezien die handeling gebeurt door de gerechtsdeurwaarder. Een betekening bij deurwaardersexploot duurt bovendien niet noodzakelijk langer dan een kennisgeving bij gerechtsbrief, aangezien de belanghebbende partij reeds op de dag van de uitspraak de uitvoerbare uitgifte van het vonnis of arrest kan verkrijgen en laten betekenen. De kosten die zijn verbonden aan een betekening bij deurwaardersexploot zijn ten slotte geenszins buitensporig en komen in beginsel ten laste van de verliezende partij. Het enige werkelijke gevolg van de toepassing van de gemeenrechtelijke regeling is dat de beroepstermijn in de zaak die hangende was voor de verwijzende rechter niet was verstreken. Een dergelijk gevolg kan bezwaarlijk als een onevenredige beperking van de rechten van een procespartij worden beschouwd. Het ontvankelijk verklaren van een hoger beroep heeft immers enkel tot gevolg dat alle partijen de gelegenheid krijgen hun stelling met alle waarborgen van een op tegenspraak gevoerd debat opnieuw voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter te doen gelden. A.
  5. De Ministerraad meent bovendien dat een ongrondwettigverklaring van artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, op grond van de door de bvba « Domicura » aangevoerde motieven, een onevenredige beperking van de rechten van een procespartij tot gevolg zou hebben. Uit de verwerping door het Hof van Cassatie van het eerste onderdeel van het middel dat werd aangevoerd door de bvba « Domicura », volgt immers dat het NVSM en de LCM de wet correct hebben geïnterpreteerd door ervan uit te gaan dat de betrokken kennisgeving de beroepstermijn niet heeft doen lopen. Volgens de Ministerraad betreurt de bvba « Domicura » in wezen dat de in artikel 164 van de ZIV-wet 1994 geregelde procedure niet wordt vermeld bij de zaken opgesomd in artikel 704, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De Ministerraad is daarbij van oordeel dat niet zou kunnen worden verantwoord dat een wettelijke leemte tot gevolg zou hebben dat een beroepstermijn is verstreken, terwijl de betrokken partij niet kon weten dat die termijn een aanvang heeft genomen. Indien de beroepstermijn een aanvang zou nemen op het ogenblik dat het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis wordt gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ongeacht of de wetgever in het betrokken geval al dan niet een dergelijk gevolg zou hebben gewild, zou opnieuw een discriminatie ontstaan. In die hypothese zou de aanvang van de beroepstermijn immers volledig afhankelijk worden gemaakt van de keuze die de griffier maakt bij de kennisgeving van het vonnis. De rechtszekerheid zou aldus op onevenredige wijze in het gedrang komen. -B– B.1.
  6. De prejudiciële vraag betreft artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid, van dat Wetboek en met artikel 164, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : ZIV-wet 1994). 8 B.1.
  7. Artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie zoals van toepassing op het geschil voor de verwijzende rechter, luidt : « Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis zendt de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis aan elke partij, of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. Op straffe van nietigheid vermeldt deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet worden ingesteld evenals de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen. In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3 ». B.1.
  8. Artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie zoals van toepassing op het geschil voor de verwijzende rechter, luidt : « In de zaken genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2° , 3°, 6° , 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, 581, 2°, 582, 1° en 2°, en 583, worden de vorderingen ingeleid bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of bij aangetekende brief gezonden aan die griffie; de partijen worden door de griffier opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering. De bepalingen van het Vierde Deel, Boek II, titel Vbis, met de artikelen 1034bis tot 1034sexies, zijn niet van toepassing. […] ». B.1.
  9. Artikel 164 van de ZIV-wet 1994, in de versie zoals van toepassing op het geschil voor de verwijzende rechter, luidt : « Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 141, §§ 2, 6 en 146, is hij die, ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging, van de uitkeringsverzekering of van de moederschapsverzekering, verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. De waarde van de aan een rechthebbende ten onrechte uitgekeerde prestaties wordt terugbetaald door de zorgverlener, die niet over de vereiste kwalificatie beschikt of zich niet aan de wets- of verordeningsbepalingen heeft gehouden. Indien evenwel de erelonen met betrekking tot de ten onrechte uitgekeerde prestaties niet werden betaald, zijn de zorgverlener en de rechthebbende aan wie de verzorging werd verstrekt hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte uitgekeerde prestaties. De prestaties vermeld op getuigschriften, facturen of magnetische 9 dragers, die niet werden ingediend of verbeterd overeenkomstig de in de terzake door de Koning of bij verordening vastgestelde modaliteiten, worden beschouwd als ten onrechte uitgekeerde prestaties en dienen derhalve te worden terugbetaald door de betrokken zorgverlener, dienst of inrichting. De ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging die langs de derdebetalersregeling zijn betaald, moeten terugbetaald worden door de zorgverstrekker die de wets- of verordeningsbepalingen niet heeft nageleefd. Indien een natuurlijke persoon of een rechtspersoon de prestaties voor eigen rekening heeft geïnd, is deze samen met de zorgverlener hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling ervan. De Koning legt de regels vast waarop de ten onrechte uitbetaalde prestaties, die betrekking hebben op het in artikel 87 van de wet op de ziekenhuizen bedoeld budget van financiële middelen voor de ziekenhuizen, en die begrepen zijn in de bedragen die door de verzekeringsinstellingen in twaalfden worden uitbetaald, worden vastgelegd, aangerekend, teruggevorderd en geboekt. Alle terugvorderingen van onverschuldigde betalingen, voortvloeiend uit dit artikel, kunnen ingeleid worden volgens de procedure voorzien bij artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij genieten het voorrecht bedoeld in artikel 19, 4°, eerste lid, van de hypotheekwet van 16 december
  10. […] ». B.
  11. Het Hof van Cassatie vraagt of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre ze een verschil in behandeling in het leven roepen tussen : - rechtzoekenden ten aanzien van wie de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsingang met een verzoekschrift, krachtens artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet 1994, van toepassing is, maar niet de in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek geregelde kennisgeving bij gerechtsbrief, en - rechtzoekenden ten aanzien van wie de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsingang met een verzoekschrift, krachtens dat artikel zelf, van toepassing is, en tevens de in artikel 792, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek geregelde kennisgeving bij gerechtsbrief. B.3.
  12. Het Hof bepaalt de omvang van de prejudiciële vraag rekening houdend met het onderwerp van het voor de verwijzende rechter hangende geschil en met de motivering van het verwijzingsarrest. 10 B.3.
  13. Uit de feiten van het voor de verwijzende rechter hangende geschil en uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat de prejudiciële vraag de situatie beoogt van zorgverleners van wie door een verzekeringsinstelling, op grond van artikel 164 van de ZIV-wet 1994, de terugbetaling wordt gevorderd van ten onrechte uitgekeerde prestaties. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot de vraag of de in het geding zijnde bepalingen al dan niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre ze betrekking hebben op een geschil waarbij een verzekeringsinstelling, op grond van artikel 164 van de ZIV-wet 1994, van een zorgverlener de terugbetaling vordert van ten onrechte uitgekeerde prestaties. B.4.
  14. Volgens artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden de vorderingen in de zaken bedoeld in de in dat artikel opgesomde artikelen ingeleid bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of bij aangetekende brief gezonden aan die griffie, waarna de partijen door de griffier worden opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek opgenomen regel vormt een uitzondering op de in artikel 700 van dat Wetboek vervatte regel, volgens welke hoofdvorderingen in beginsel bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht. De in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek geregelde procedure van rechtsingang verschilt van de dagvaarding, voornamelijk doordat geen optreden van een gerechtsdeurwaarder is vereist. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, gaat het om een vereenvoudigde wijze van rechtsingang. B.4.
  15. Volgens artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet 1994 kunnen alle terugvorderingen van onverschuldigde betalingen, voortvloeiend uit dat artikel, worden ingeleid volgens de procedure waarin artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet. Die bepaling maakt bijgevolg de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek geregelde procedure van rechtsingang toepasselijk op de erin bedoelde geschillen. 11 B.5.
  16. Volgens artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek brengt de griffier, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van dat Wetboek, binnen acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. Die kennisgeving vermeldt, op straffe van nietigheid, de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke die moeten worden ingesteld, alsmede de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om kennis ervan te nemen (artikel 792, derde lid). De in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vervatte regeling vormt een uitzondering op de in de artikelen 791 en 792, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vervatte gemeenrechtelijke regeling, betreffende het meedelen van rechterlijke beslissingen. Volgens artikel 791 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de uitgifte van de rechterlijke uitspraak door de griffier afgegeven aan de partijen in het geding die erom verzoeken en dit met het oog op de betekening en de uitvoering van die uitspraak. Volgens artikel 792, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zendt de griffier, binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis, bij gewone brief een niet-ondertekend afschrift van het vonnis aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. De in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vervatte regeling verschilt van de gemeenrechtelijke regeling, doordat de erin bedoelde kennisgeving, enerzijds, gebeurt door de griffier bij gerechtsbrief, en, anderzijds, de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke die moeten worden ingesteld, en de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om kennis ervan te nemen, moet vermelden. In de gemeenrechtelijke regeling zendt de griffier weliswaar een niet-ondertekend afschrift van het vonnis aan de partijen of hun advocaten, maar het komt toe aan de belanghebbende partij om de uitgifte van de rechterlijke uitspraak bij de griffier op te vragen en die bij deurwaardersexploot te laten betekenen aan de overige partijen. B.5.
  17. De prejudiciële vraag en de motivering van het verwijzingsarrest doen ervan blijken dat artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet worden geïnterpreteerd in die zin dat de erin bedoelde kennisgeving bij gerechtsbrief slechts dient te geschieden in de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van dat Wetboek, en niet in de zaken die kunnen 12 worden ingeleid volgens de procedure bepaald bij voormeld artikel 704, eerste lid, krachtens een afzonderlijke wetsbepaling, zoals artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet
  18. B.
  19. De wijze waarop een rechterlijke beslissing moet worden medegedeeld aan de partijen is bepalend voor de aanvang van de termijn waarbinnen hoger beroep kan worden aangetekend. Volgens artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, van dat Wetboek. In de gevallen waarin de rechterlijke uitspraak ter kennis moet worden gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, loopt de beroepstermijn bijgevolg vanaf de kennisgeving bij gerechtsbrief, die wordt gedaan door de griffier. In de overige gevallen loopt die termijn vanaf de betekening van het vonnis bij deurwaardersexploot. B.
  20. De in het geding zijnde bepalingen creëren een verschil in behandeling onder rechtzoekenden ten aanzien van wie de wetgever heeft geoordeeld dat een beroep kan worden gedaan op de vereenvoudigde wijze van rechtsingang van artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, naargelang artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek al dan niet toepasselijk is. Voor de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde zaken is zowel de in dat artikel beschreven vereenvoudigde wijze van rechtsingang toepasselijk als de in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving bij gerechtsbrief. Voor de in artikel 164, derde lid, van de ZIV-wet 1994 bedoelde zaken, kan een beroep worden gedaan op de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek geregelde vereenvoudigde wijze van rechtsingang, maar is de in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving bij gerechtsbrief niet toepasselijk. 13 B.
  21. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
  22. De door een verzekeringsinstelling op grond van artikel 164, derde lid, van de ZIV- wet 1994 tegen een zorgverlener ingestelde vordering tot terugbetaling van onverschuldigde prestaties verschilt van de in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde rechtszaken, doordat die laatste zaken, behoudens wat de in artikel 583 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde zaken betreft, betrekking hebben op geschillen tussen, enerzijds, natuurlijke personen die van oordeel zijn dat zij recht hebben op bepaalde prestaties die in het kader van de sociale zekerheid of de sociale bijstand worden georganiseerd, en, anderzijds, de instelling of de overheid die de betreffende prestaties verleent. De in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde zaken betreffen dus, in tegenstelling tot een door een verzekeringsinstelling tegen een zorgverlener ingestelde vordering, geschillen waarbij de uitspraak van de rechter een belangrijke invloed kan hebben op het basisinkomen en de persoonlijke levensomstandigheden van de betrokken personen. De door een verzekeringsinstelling tegen een zorgverlener ingestelde vordering tot terugbetaling van onverschuldigde prestaties verschilt eveneens van de in artikel 583 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde zaken. Die zaken hebben immers betrekking op de toepassing van administratieve sancties ingevolge de miskenning van bepaalde sociaalrechtelijke voorschriften. Gelet op die verschillende omstandigheden is het op zich niet discriminerend dat verschillende procedureregels worden toegepast. B.
  23. Het Hof dient nog te onderzoeken of het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels al dan niet een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich meebrengt. 14 B.11.
  24. Ofschoon het juist is dat artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in een rechtspleging die, op het vlak van het meedelen van rechterlijke uitspraken en het aantekenen van hoger beroep, voor alle procespartijen eenvoudiger is dan de gemeenrechtelijke regeling, blijkt niet dat die gemeenrechtelijke regeling op onevenredige wijze de rechten van de daarbij betrokken personen zou beperken. De gemeenrechtelijke regeling biedt de betrokkenen afdoende waarborgen om op korte termijn en zonder onoverkomelijke inspanningen kennis te kunnen nemen van de rechterlijke beslissingen die hen aanbelangen. De omstandigheid dat het toekomt aan de belanghebbende partij om de rechterlijke beslissing te laten betekenen bij deurwaardersexploot, kan daarbij niet worden beschouwd als een onevenredige beperking van haar rechten. Aangezien enkel kan worden afgeweken van de betekening bij deurwaardersexploot in de gevallen die de wet bepaalt, is bovendien objectief vast te stellen op welke wijze een rechterlijke beslissing ter kennis moet worden gebracht. B.11.
  25. De omstandigheid dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen in het ene geval loopt vanaf de kennisgeving bij gerechtsbrief en in het andere geval vanaf de betekening bij deurwaardersexploot is evenmin van dien aard dat de rechten van de daarbij betrokken personen op onevenredige wijze worden beperkt. Aangezien de wijze van meedelen van rechterlijke beslissingen die moet worden aangewend objectief is vast te stellen, is het eveneens objectief vast te stellen op welk ogenblik de termijn om hoger beroep aan te tekenen begint te lopen. B.
  26. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid, van dat Wetboek en met artikel 164, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 februari
  27. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.016 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.