id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.018 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080214.5 Arrest- Rolnummer: 18/2006 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-02-15 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-29 10:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof stelt vast dat de prejudiciële vragen zonder voorwerp zijn. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Strafvordering - Bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksmethoden - Observatie en infiltratie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling - Vertrouwelijk dossier - Afwezigheid van rechtsmiddel. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 09-12-1808 - 235ter,§6 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de beslissing Rolnummers 4222, 4223, 4224, 4225 en 4232 Arrest nr. 18/2008 van 14 februari 2008 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij twee arresten van 5 juni 2007 inzake I.V., waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 13 juni 2007, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat deze wetsbepaling geen enkel cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de controle van de regelmatigheid over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, in zoverre daartoe de controle van het vertrouwelijk dossier is vereist, terwijl artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering een onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de toepassing van onder meer artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 407, 408, 409, 413 en 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering cassatieberoep toelaten tegen elk eindarrest of eindvonnis ? ». b. Bij arresten van 29 mei en 5 juni 2007 inzake respectievelijk T.R. en M.D., waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 13 juni 2007, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat deze wetsbepaling geen enkel cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de controle van de regelmatigheid over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, in zoverre daartoe de controle van het vertrouwelijk dossier is vereist, terwijl artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering een onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de toepassing van, onder meer, artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 407, 408, 409, 413 en 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering cassatieberoep toelaten tegen elk eindarrest of eindvonnis ? ». c. Bij arrest van 13 juni 2007 in zake A.Y., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 juni 2007, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het geen cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende de controle, op basis van het vertrouwelijk dossier, van de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, terwijl artikel 416, tweede lid, van dat Wetboek een onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet met toepassing van artikel 235bis van het voormelde Wetboek ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4222, 4223, 4224, 4225 en 4232 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend. 3 Op de openbare terechtzitting van 20 november 2007 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz loco Mr. J. Bourtembourg, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaken nrs. 4222, 4223 en 4224 werd cassatieberoep ingesteld tegen arresten van de kamers van inbeschuldigingstelling te Gent en te Brussel, waarbij deze zich op grond van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering hebben uitgesproken over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode van observatie en hebben vastgesteld dat die regelmatig is verlopen. Die arresten wijzen het stellen van een prejudiciële vraag af. De verwijzende rechter gaat in op het verzoek van de eisers in cassatie om een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In de zaak nr. 4225 werd cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent. De beslissing is genomen met toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling controle uitoefent op de toegepaste bijzondere opsporingsmethode van observatie op grond van het vertrouwelijke dossier. De verwijzende rechter stelt vast dat krachtens artikel 235ter, § 6, van het voormelde Wetboek tegen de controle van het vertrouwelijke dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel - en dus geen cassatieberoep - openstaat. De verwijzende rechter gaat in op het verzoek van de eiseres in cassatie om daarover een prejudiciële vraag te stellen. In de zaak nr. 4232 werd cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel waarbij deze zich op grond van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering heeft uitgesproken over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie en heeft vastgesteld dat die regelmatig zijn verlopen. De verwijzende rechter stelt vast dat krachtens artikel 235ter, § 6, van het voormelde Wetboek tegen de controle van het vertrouwelijke dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen cassatieberoep openstaat en stelt vervolgens de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. In alle voormelde zaken verwijst de Ministerraad naar het arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007. 4 -B- B.1. Vóór de gedeeltelijke vernietiging ervan bij het arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 bepaalde artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 27 december 2005 : « § 1. De kamer van inbeschuldigingstelling is belast met de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie. De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt, op vordering van het openbaar ministerie, de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie bij het afsluiten van het opsporingsonderzoek waarin deze methoden werden toegepast en alvorens het openbaar ministerie tot rechtstreekse dagvaarding overgaat. De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings overzendt krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, op vordering van het openbaar ministerie, de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die werden toegepast in het kader van het gerechtelijk onderzoek of in het daaraan voorafgaande opsporingsonderzoek. § 2. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de vordering van het openbaar ministerie. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien één van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal. Zij hoort, op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur vóór de zitting per faxpost of bij een ter post aangetekende brief wordt gedaan. De griffier stelt hen in dezelfde post eveneens ter kennis dat het strafdossier tijdens deze periode op de griffie in origineel of in kopie ter inzage ligt. Zij kan, met betrekking tot de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de onderzoeksrechter en de in de artikelen 47sexies, § 3, 6° en 47octies, § 3, 6° bedoelde officier van gerechtelijke politie afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen horen. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de onderzoeksrechter gelasten de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie en infiltratie en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger te horen met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter. Zij kan beslissen bij het verhoor door de onderzoeksrechter aanwezig te zijn of één van haar leden daartoe af te vaardigen. 5 § 3. Het openbaar ministerie legt aan de voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling het vertrouwelijk dossier voor bedoeld in de artikelen 47septies, § 1, tweede lid, of 47novies, § 1, tweede lid, dat betrekking heeft op het opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek bedoeld in § 1. Enkel de magistraten van de kamer van inbeschuldigingstelling hebben het recht dit vertrouwelijk dossier in te zien. De voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling neemt de nodige maatregelen ter beveiliging van het vertrouwelijk dossier. Hij bezorgt het vertrouwelijk dossier, na kennisname ervan, onmiddellijk aan het openbaar ministerie terug. § 4. In het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling mag geen gewag worden gemaakt van de inhoud van het vertrouwelijk dossier, noch van enig element dat de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie of infiltratie en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kan brengen. § 5. Er wordt verder gehandeld overeenkomstig artikel 235bis, §§ 5 en 6. § 6. Tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling staat geen rechtsmiddel open ». B.2. Paragraaf 6 van die bepaling werd bij het voormelde arrest nr. 105/2007 vernietigd. B.3. Vanwege die vernietiging zijn de prejudiciële vragen zonder voorwerp geworden. 6 Om die redenen, het Hof stelt vast dat de prejudiciële vragen zonder voorwerp zijn. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 februari 2008. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.