id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.024 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080221.6 Arrest- Rolnummer: 24/2008 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-06-29 10:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin geïnterpreteerd dat het in geen enkel geval toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Bedrijfsvoorheffing PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelasting - Beroepsinkomsten - Niet verrekende bedrijfsvoorheffingen - Terugbetaling - Afwezigheid van toekenning van moratoriumintresten. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 418 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 418,alinéa1 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Wet - 15-03-1999 - 43 - 31 ELI link Pub nr 1999003180 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4177 Arrest nr. 24/2008 van 21 februari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 maart 2007 in zake Wilhelm Petersen en Jurriana Van Dijck tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 maart 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de versie die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, zo geïnterpreteerd dat het toestaat dat enkel moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingen, met uitsluiting van terugbetalingen van - bij gebrek aan inkohiering van de inkomstenbelasting - niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling teweegbrengt tussen de belastingplichtige als schuldeiser van de fiscus aan wie een onterecht betaalde belasting wordt terugbetaald en de belastingplichtige als schuldeiser van de fiscus aan wie een onterecht betaalde bedrijfsvoorheffing wordt terugbetaald ? ». Memories zijn ingediend door : - Wilhelm Petersen en Jurriana Van Dijck, die keuze van woonplaats doen te 1150 Brussel, Tervurenlaan 270; - de Ministerraad. Wilhelm Petersen en Jurriana Van Dijck hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 december 2007 : - zijn verschenen : . Mr. H. Van den Keybus, advocaat bij de balie te Brussel, voor Wilhelm Petersen en Jurriana Van Dijck; . Mr. K. Van de Velde loco Mr. F. Colpaert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil W. Petersen, eerste eiser voor de verwijzende rechter, was in 1992 werkzaam als vennoot bij een commanditaire vennootschap naar Nederlands recht die in België over een vaste inrichting beschikte. Hij ontving van die vaste inrichting een vergoeding waarop bedrijfsvoorheffing werd ingehouden. Voor het aanslagjaar 1993 heeft de eiser een nihil-aangifte in de belasting der niet-inwoners ingediend. De fiscale administratie heeft geen ambtshalve aanslag in de belasting der niet-inwoners gevestigd. Op 1 september 1998 heeft de eiser een bezwaarschrift ingediend met het oog op de terugbetaling van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Bij een administratieve beslissing van 22 juni 2004 werd de teruggave bevolen van de voor het aanslagjaar 1993 ingehouden bedrijfsvoorheffing. De toekenning van moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) werd uitdrukkelijk afgewezen. Op 21 september 2004 heeft de eiser een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de verwijzende rechtbank. De vordering strekt ertoe de Belgische Staat te veroordelen tot het betalen van de wettelijke moratoriuminteresten op de ontheven bedrijfsvoorheffing. In ondergeschikte orde verzoekt de eiser een prejudiciële vraag te stellen. Met verwijzing naar de arresten nrs. 35/99, 113/2001, 85/2004 en 20/2007 is de verwijzende rechter van oordeel dat het Hof de door de eiser gesuggereerde prejudiciële vraag nog niet heeft beantwoord. De verwijzende rechter merkt op dat te dezen de vennootschap waarin de eiser werkzaam was, niet spontaan méér heeft betaald dan hetgeen verschuldigd was, dat de terug te betalen bedrijfsvoorheffing niet moet worden verdeeld onder verschillende belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd en dat de administratie niet ontkent kennis te hebben van de datum waarop de vennootschap de ingehouden bedrijfsvoorheffing heeft betaald. In de veronderstelling dat de door het Hof uiteengezette beginselen met betrekking tot de niet verrekende roerende voorheffing en de belastingverhoging eveneens van toepassing zouden zijn op de aan de belastingplichtige terug te betalen, niet verrekende bedrijfsvoorheffing, zou de eiser aanspraak kunnen maken op de toekenning van moratoriuminteresten vanaf de maand volgend op de datum van betaling van die voorheffing. Indien zulks niet het geval zou zijn, zou de eiser enkel aanspraak kunnen maken op een rente, berekend op basis van de wettelijke rentevoet. De verwijzende rechter besluit dat het antwoord op de door de eisers gesuggereerde prejudiciële vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil dat voor hem aanhangig is en stelt bijgevolg de voormelde vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de eisers in het bodemgeschil A.1.
- Artikel 418 van het WIB 1992, in de redactie zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1993, schendt volgens de eisers in het bodemgeschil het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat zonder objectieve en redelijke verantwoording een onderscheid wordt gemaakt tussen twee categorieën van belastingplichtigen, namelijk de belastingplichtigen aan wie door de fiscus een onterecht betaalde belasting wordt terugbetaald, enerzijds, en de belastingplichtigen aan wie door de fiscus een onterecht betaalde bedrijfsvoorheffing wordt terugbetaald, bij ontstentenis van inkohiering, anderzijds. Enkel aan de eerste categorie van belastingplichtigen worden moratoriuminteresten toegekend. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 juli 1953 « tot invoering van maatregelen om de invordering der directe belastingen te bespoedigen », onderzoeken de eisers in het bodemgeschil het door de wetgever nagestreefde doel om moratoriuminteresten toe te kennen in het geval van terugbetaling van belastingen (artikel 418 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1993) en 4 om in een uitzondering te voorzien in het geval van terugbetaling van voorheffingen (artikel 419, eerste lid, 2°, van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1993). Hoewel de wetgever uitgaat van het billijkheidsbeginsel dat moratoriuminteresten moeten worden toegekend telkens wanneer de Staat belastingen terugbetaalt, is de enige reden waarom in een uitzondering op het vlak van de voorheffingen is voorzien, aldus die parlementaire voorbereiding, gelegen in de materiële moeilijkheden waarop de betaling van moratoriuminteresten in dat geval zou stuiten : het zou nagenoeg onmogelijk zijn de moratoriuminteresten over de werkelijke belastingplichtigen te verdelen, enerzijds, en de terugbetaling zou worden toegekend, niet aan de werkelijke begunstigden van de inkomsten, doch aan de schuldenaar van de voorheffing, namelijk de vennootschap die die voorheffing heeft ingehouden, anderzijds. A.1.
- Vervolgens betogen de eisers in het bodemgeschil dat er geen objectieve en redelijke verantwoording voorhanden is om geen moratoriuminteresten toe te kennen op de terugbetaling van bedrijfsvoorheffing wanneer er geen inkohiering is gebeurd. In dat verband wijzen zij op de eigen kenmerken van de bedrijfsvoorheffing. Een bedrijfsvoorheffing is slechts een voorschot op de later te bepalen belastingschuld. De belasting is slechts verschuldigd wanneer zij binnen de wettelijke aanslagtermijn wordt gevestigd. Die vestiging geschiedt door of ten gevolge van de inkohiering van de belasting en niet door de inning van de voorheffingen. Het feit dat de bedrijfsvoorheffing slechts een voorschot is op de definitief verschuldigde belasting impliceert dat de invordering van de bedrijfsvoorheffing slechts zin heeft wanneer zij met de definitieve belasting kan worden verrekend. Indien geen verrekening in de personenbelasting mogelijk is, moet ontheffing van de betaalde bedrijfsvoorheffing worden verleend, wat in de zaak voor de verwijzende rechter is gebeurd. De in het geding zijnde maatregel kan volgens hen niet objectief en redelijk worden verantwoord ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling, aangezien te dezen de voormelde materiële moeilijkheden, waarvan sprake in de parlementaire voorbereiding, niet rijzen : enerzijds is W. Petersen de enige belastingplichtige, zodat vaststaat wie de werkelijke begunstigde is; anderzijds wordt de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing door de genieter van de inkomsten gevraagd en niet door de vennootschap die de bedrijfsvoorheffing heeft ingehouden. De eisers in het bodemgeschil zijn dan ook van oordeel dat de inkohiering van de personenbelasting waarmee de bedrijfsvoorheffing moet worden verrekend, geen pertinent criterium van onderscheid is voor het al dan niet toekennen van moratoriuminteresten op de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing. A.1.
- De eisers in het bodemgeschil verwijzen naar de arresten nrs. 35/99, 113/2001 en 20/2007 inzake de toekenning van moratoriuminteresten. Hoewel die arresten betrekking hebben op de terugbetaling van voorschotten van roerende voorheffing en niet op de terugbetaling van voorschotten van bedrijfsvoorheffing, moeten dezelfde beginselen die in die arresten werden uiteengezet, in de thans voorliggende zaak worden toegepast. Zij verwijzen tevens naar het arrest nr. 85/2004, waarin het Hof uitspraak doet over de toekenning van moratoriuminteresten op de terugbetaling van belastingverhogingen. De vraag die in dat arrest werd gesteld is mutatis mutandis dezelfde als die welke thans aan de orde is. Overeenkomstig de principes die in dat arrest worden uiteengezet, dienen ook in het huidige geval moratoriuminteresten op de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing te worden toegekend. In de voormelde arresten heeft het Hof criteria uitgewerkt aan de hand waarvan kan worden nagegaan of het al dan niet is geoorloofd om moratoriuminteresten toe te kennen. Uit die rechtspraak volgt dat kan worden verantwoord dat er geen enkele interest is verschuldigd bij terugbetalingen van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij is verschuldigd of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten een aanvang nemen die onder verschillende belastingplichtigen moeten worden verdeeld. Volgens de eisers in het bodemgeschil zijn de gevallen waarin het Hof heeft geoordeeld dat geen interest moet worden toegekend in de huidige zaak niet toepasselijk : de vennootschap heeft niet spontaan méér betaald dan zij wettelijk verschuldigd was, het is mogelijk om de datum te bepalen waarop de interesten een aanvang nemen en de interesten moeten niet onder verschillende belastingplichtigen worden verdeeld, aangezien W. Petersen de enige belastingplichtige is. De eisers in het bodemgeschil verwijzen nog naar arresten van de Hoven van Beroep te Brussel en te Gent waarin de lering van het arrest nr. 35/99 werd uitgebreid tot de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing. 5 Standpunt van de Ministerraad A.
- Artikel 418 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1993, kent enkel moratoriuminteresten toe bij de terugbetaling van belastingen. Artikel 419, eerste lid, 2°, van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1993, sluit de toekenning van moratoriuminteresten uit bij de terugbetaling van het overschot van voorheffingen aan de betrokken belastingplichtige. De Ministerraad verwijst naar de arresten nrs. 35/99 en 20/
- In het arrest nr. 35/99 sluit het Hof niet uit dat het in bepaalde gevallen kan worden verantwoord geen moratoriuminteresten toe te kennen bij de terugbetaling van voorheffingen aan de genieter van de inkomsten. Ook in het arrest nr. 20/2007 stelt het Hof dat kan worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij de terugbetaling van het overschot van bedrijfsvoorheffingen wanneer zij niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering op naam van de belastingplichtige. In dat arrest omschrijft het Hof de omstandigheden waarin de niet-betaling van moratoriuminteresten wel een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie uitmaakt, namelijk wanneer de belastingplichtige geen recht heeft op moratoriuminteresten op overschotten van roerende voorheffing die ingevolge een vergissing van de administratie niet zijn vastgesteld bij de globale inkohiering en die niet zijn terugbetaald binnen de normale termijn van twee maanden vanaf de inkohiering. Vermits die omstandigheden zich te dezen niet voordoen, kan volgens de Ministerraad het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet zijn geschonden. De verwijzende rechter kan niet worden gevolgd in zijn redenering volgens welke - in de veronderstelling dat de door het Hof uiteengezette beginselen met betrekking tot de niet verrekende roerende voorheffing en de belastingverhoging eveneens van toepassing zouden zijn op de aan de belastingplichtige terug te betalen, niet verrekende bedrijfsvoorheffing - W. Petersen aanspraak zou kunnen maken op de toekenning van moratoriuminteresten vanaf de maand volgend op de datum van betaling. Antwoord van de eisers in het bodemgeschil A.
- Tot op heden heeft het Hof nog niet geoordeeld over de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing aan de belastingplichtige. In het arrest nr. 35/99 heeft het Hof enkel gesteld dat het overschot van bedrijfsvoorheffingen, wanneer zij niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering op naam van de belastingplichtige - hetgeen te dezen het geval is -, een mogelijk geval is waarbij geen moratoriuminteresten moeten worden toegekend. Daarbij had het Hof enkel het geval voor ogen waarbij de bedrijfsvoorheffing werd terugbetaald aan de schuldenaar van de voorheffing, namelijk de vennootschap. Te dezen evenwel vindt de terugbetaling plaats aan de belastingplichtige. Wat het arrest nr. 20/2007 betreft, betogen de eisers in het bodemgeschil dat de Ministerraad ten onrechte aanvoert dat de laattijdige terugbetaling van de ontheven bedrijfsvoorheffing geen vergissing van de administratie zou zijn. Er is te dezen wel degelijk sprake van een vergissing van de administratie. Bovendien kan ook de datum waarop de interesten beginnen te lopen, worden bepaald. Ten slotte is de termijn van twee maanden vanaf de inkohiering, waarvan sprake in het voormelde arrest, te dezen niet van toepassing, aangezien artikel 419, eerste lid, 2°, van het WIB 1992 van toepassing is, zoals het gold voor het aanslagjaar 1993 : in de toenmalige redactie van die bepaling was niet voorzien in een termijn van twee maanden vanaf het verstrijken van de aanslagtermijn. Wat de zienswijze van de Ministerraad betreft dat de verwijzende rechter niet kan worden gevolgd in zijn redenering volgens welke W. Petersen in voorkomend geval aanspraak zou kunnen maken op de toekenning van moratoriuminteresten vanaf de maand volgend op de datum van betaling van de bedrijfsvoorheffing, benadrukken de eisers in het bodemgeschil dat zulks te dezen niet relevant is, vermits niet het Hof, maar de verwijzende rechter bevoegd is om zich uit te spreken over de vraag vanaf wanneer de eisers in het bodemgeschil aanspraak op moratoriuminteresten kunnen maken. Overigens heeft de prejudiciële vraag betrekking op het verschil in behandeling van belastingplichtigen naargelang zij al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering, en niet naar gelang van het tijdstip waarop moratoriuminteresten verschuldigd zijn. 6 -B- B.
- De artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals zij van toepassing waren voor het aanslagjaar waarop het geschil voor de verwijzende rechter betrekking heeft, dus vóór de wijziging ervan bij de artikelen 43 en 44 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (Belgisch Staatsblad, 27 maart 1999), bepaalden : « Art.
- Bij terugbetaling van belastingen worden moratoriuminteresten toegekend tegen een rentevoet van 0,8 pct. per kalendermaand. De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen. Die interesten worden berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere duizendtal; de maand waarin de betaling is geschied wordt niet medegerekend, doch de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som te zijner beschikking stelt, wordt voor een gehele maand geteld ». « Art.
- Geen interest wordt toegekend bij terugbetaling : 1° van de bedrijfsvoorheffingen als bedoeld bij de artikelen 270 tot 275, die ten voordele van de schuldenaar van die voorheffingen geschiedt; 2° van het overschot van voorheffingen en voorafbetalingen als bedoeld bij artikel 304, § 2, die ten voordele van de betrokken belastingplichtige geschiedt; 3° van de overbelastingen als bedoeld bij artikel 376, §§ 1 en 2, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt; 4° van de verminderingen als bedoeld bij artikel 376, § 3, 2°, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt. Evenmin wordt moratoriuminterest toegekend wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt ». B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het voormelde artikel 418, eerste lid, in die zin geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten enkel worden toegekend bij terugbetaling van belastingen, met uitsluiting van terugbetalingen van niet verrekende bedrijfsvoorheffingen. 7 Sinds de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, bepaalt artikel 418, eerste lid, van het WIB 1992 : « Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, wordt moratoriuminterest toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalenderjaar ». B.
- De artikelen 418 en 419 van het WIB 1992 vinden hun oorsprong in artikel 74, vijfde en zesde lid, van de gecoördineerde wetten van 15 januari 1948 betreffende de inkomstenbelastingen, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 27 juli
- Nadat die bepalingen het beginsel hadden gesteld van de betaling van moratoriuminteresten door de Staat in geval van terugbetaling van belasting, voorzagen zij in een uitzondering, met name wanneer de terugbetaling « aan de bron verschuldigde belastingen » betrof, thans « voorheffingen » genoemd. De memorie van toelichting van de wet van 27 juli 1953 stelt dat « deze bepaling, die dateert van de wet van 28 februari 1924, was gesteund op redenen van billijkheid » (Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, p. 9) en dat, zoals de nalatige belastingplichtigen verwijlinteresten moeten betalen aan de Staat, « om dezelfde redenen […] het dan ook billijk [is] moratoire interesten aan de belastingplichtigen toe te kennen telkens de Staat een gekweten belasting terugbetaalt […] » (ibid., p. 10). De uitzondering, inzonderheid in verband met de terugbetaling van de aan de bron verschuldigde belastingen, thans overeenstemmende met het overschot van voorheffing, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet als volgt gemotiveerd : « […] de terugbetaling [kan] voortspruiten namelijk uit vergissingen begaan door de schuldenaar van het inkomen die verantwoordelijk is voor de storting van de belasting in de Schatkist maar deze last niet zelf draagt of niet geacht wordt hem zelf te dragen, uit de toepassing van artikel 52, waarbij maatregelen voorzien worden ten einde de dubbele belasting van dezelfde inkomsten in hoofde van dezelfde belastingplichtige te vermijden, en ten slotte uit de regularisatie van de fiscale toestand van de wedde-, loon-, pensioentrekkenden, enz., wanneer het bedrag van de bij de bron ingehouden belasting hoger is dan dit der belastingen werkelijk vorderbaar op het geheel der bedrijfsinkomsten van de belastingplichtige. De toekenning van moratoire interesten in voormelde gevallen zou doorgaans op aanzienlijk materiële moeilijkheden stuiten, en zulks zonder werkelijk nut. Zij zou anderdeels ongerechtvaardigd zijn wanneer zij het gevolg is van vergissingen in de storting der bij de 8 bron verschuldigde belastingen, of van de toepassing van artikel 52, vermits in het eerste geval, het de schuldenaar van de belasting practisch onmogelijk zou zijn de moratoire interesten te verdelen over de werkelijke belastingplichtigen, te weten de begunstigden der belastbare inkomsten en, in de tweede onderstelling, de terugbetaling niet toegestaan wordt aan de werkelijke begunstigden van de inkomsten, doch aan de vennootschap die de last van de mobiliënbelasting niet zelf droeg of niet geacht wordt die last te hebben gedragen » (ibid., p. 10). B.4.
- Zoals het Hof in zijn arresten nrs. 35/99, 113/2001 en 20/2007 heeft geoordeeld, kan het worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd was of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. Zulks is met name het geval voor het overschot van bedrijfsvoorheffingen wanneer zij niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering op naam van de schuldenaar. Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (arresten nrs. 35/99 en 20/2007). Het is evenmin verantwoord moratoriuminteresten te weigeren wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de terugbetaling ervan noodzakelijk wordt gemaakt door het verstrijken van de wettelijke aanslagtermijn zodat het onmogelijk is ze aan te rekenen op de belasting en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (arrest nr. 113/2001). Een bijkomend onderscheid invoeren, naargelang de voorheffing het voorwerp heeft uitgemaakt van een inkohiering, berust op een objectief criterium maar is niet pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel (arresten nrs. 35/99 en 20/2007). B.4.
- In zijn arrest nr. 85/2004 oordeelt het Hof dat het niet verantwoord blijkt moratoriumintresten toe te kennen in het geval van terugbetaling van een belasting en niet in het geval van een belastingverhoging. In beide gevallen gaat het immers om het terugbetalen van een door de Staat onterecht ontvangen som, die door de belastingadministratie is ingehouden en die aan de belastingplichtigen interesten ontzegt op de sommen die hun 9 onterecht zijn ontnomen. De eigen kenmerken van de belasting en van de belastingverhoging zijn niet relevant om te verantwoorden dat de terugbetaling ervan het voorwerp zou zijn van een verschillende behandeling wat de moratoriumintresten betreft. Ten gevolge van dat arrest werd een beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 418, eerste lid, van het WIB 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart
- Bij het arrest nr. 52/2006 werd dat beroep verworpen, nu het artikel 418 van het WIB 1992 (vroeger artikel 308 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964), vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen. B.
- In de voormelde arresten heeft het Hof de elementen aangegeven aan de hand waarvan kan worden nagegaan of het al dan niet toekennen van moratoriuminteresten bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Weliswaar hebben die arresten betrekking op de terugbetaling van roerende voorheffingen en belastingverhogingen en niet, zoals te dezen, op niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, toch dienen dezelfde beginselen die in die arresten in aanmerking werden genomen, op de thans voorliggende aangelegenheid te worden toegepast. Daaruit volgt dat het kan worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van niet verrekende bedrijfsvoorheffing wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd is of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie, en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen die niet moeten worden verdeeld tussen verschillende belastingplichtigen. 10 B.
- Het staat aan de verwijzende rechter te onderzoeken of de voormelde omstandigheden waarin, inzake niet verrekende bedrijfsvoorheffing, al dan niet moratoriuminteresten moeten worden toegekend, al dan niet voorhanden zijn in het geschil dat voor hem aanhangig is. Overigens is de verwijzende rechter - en niet het Hof - bevoegd om zich uit te spreken over de vraag vanaf welke datum de eisers in het bodemgeschil in voorkomend geval aanspraak op moratoriuminteresten kunnen maken. Die aangelegenheid is trouwens vreemd aan de prejudiciële vraag, zoals die door de verwijzende rechter is gesteld. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin geïnterpreteerd dat het in geen enkel geval toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 21 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.024 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div