id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.026 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080221.8 Arrest- Rolnummer: 26/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-06-29 10:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Water - Oppervlaktewater Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 35quater, § 1, 2°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het Vlaamse decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Fiscaal recht - Vlaams Gewest - Bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging - Heffing op de waterverontreiniging - Berekening van het gemiddeld dagdebiet. Wettelijke bepalingen: Wet - 26-03-1971 - 35quater,§1,2° - 31 ELI link Pub nr 1971B32613 Decreet Vlaamse Raad - 21-12-1990 - 33 ELI link Pub nr 1990030576 Tekst van de beslissing Rolnummer 4183 Arrest nr. 26/2008 van 21 februari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 35quater, § 1, 2°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het Vlaamse decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 20 maart 2007 in zake het Vlaamse Gewest tegen de nv « Boortmalt », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 april 2007, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 35quater, § 1, 2°, van het Decreet van 29 [lees : 21] december 1990 [houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre door de opname van correctiefactor d, continu werkende ondernemingen die meer dan 225 dagen lozen worden geacht niet meer dans 225 kalenderdagen per jaar te lozen, hun jaarlijkse hoeveelheid geloosd afvalwater hierdoor wordt gedeeld door 225 in plaats van 365, hun gemiddeld dagelijks debiet fictief hoger komt te liggen dan dat van ondernemingen die 225 dagen en minder dan 225 dagen werken en er aldus een discriminatie ontstaat tussen beide categorieën van ondernemingen ? ». Memories zijn ingediend door : - de Vlaamse Milieumaatschappij, met zetel te 9320 Erembodegem, A. Van de Maelestraat 96; - de nv « Boortmalt », met maatschappelijke zetel te 2030 Antwerpen, Zandvoort 2; - de Vlaamse Regering. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Boortmalt »; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 16 januari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. S. Libeer, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Milieumaatschappij; . Mr. N. Jonckheere, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de nv « Boortmalt »; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege is een bedrijf waarvan niet wordt betwist dat het, in het kader van een continu productieproces bij de verwerking van malt, een dagelijks constante hoeveelheid afvalwater loost waarvoor het op grond van de in het geding zijnde bepaling heffingsplichtig is. Het bedrijf betwistte de door de Vlaamse Milieumaatschappij gevestigde aanslag omdat de voorgeschreven berekeningswijze het beginsel « de vervuiler betaalt » zou miskennen, waardoor meer zou moeten worden betaald dan op basis van de effectieve lozing. Om het aantal vervuilingseenheden te bepalen diende volgens het bedrijf daarom de (niet betwiste) hoeveelheid geloosd water te worden gedeeld door 365 (dagen) en niet door het vastgestelde 225 (dagen). Het bedrijf heeft het Vlaamse Gewest gedagvaard in verzet tegen het dwangbevel dat aan het bedrijf was betekend. De Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde verklaarde de vordering ontvankelijk en verminderde het aantal vervuilingseenheden op grond waarvan de heffing was vastgesteld. Tegen dat vonnis werd door het Vlaamse Gewest hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Gent, dat vaststelde dat het gemiddelde dagdebiet geloosd afvalwater van het bedrijf hoger is hoewel het 365 dagen loost in vergelijking met bedrijven die 225 dagen - of minder - lozen. Het Hof van Beroep heeft de door de geïntimeerde gesuggereerde prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de Vlaamse Milieumaatschappij, appellante voor het verwijzende rechtscollege A.
- De appellante voor het verwijzende rechtscollege wijst allereerst erop dat de heffing wordt gebaseerd op de analysegegevens van de maand met de grootste bedrijvigheid en dat de ondernemingen met seizoengebonden activiteit die slechts de helft van het jaar in bedrijf waren, zonder de correctiefactor d evenveel zouden moeten betalen als bedrijven die het ganse jaar door werkzaam zijn. Daarom werd, op basis van een aantal factoren, rekening gehouden met het aantal dagen dat ondernemingen - andere dan continubedrijven die 365 dagen lozen - gemiddeld werken, namelijk 225 dagen per jaar – noodgedwongen een forfaitaire benadering, die ertoe leidt dat de factor identiek bleef ongeacht of 225 dagen dan wel 365 dagen water werd geloosd. A.
- De door de heffingsplichtige gewilde berekeningswijze, uitgaande per dag en gebaseerd op 365 kalenderdagen, kan niet worden gecombineerd met het forfaitaire uitgangspunt van de heffingsreglementering die er is gekomen omdat niet alle concrete situaties in de reglementering konden worden geregeld. Die partij wijst trouwens erop dat de in het geding zijnde regeling betreffende de bepaling van het gemiddelde dagdebiet, die ten gronde van toepassing is, een subsidiair systeem is, wat impliceert dat de berekening op basis van de waterbalans slechts moet worden toegepast als de door de decreetgever gewilde berekeningswijze heeft gefaald of wanneer de heffingsplichtige niet heeft gedaan wat van hem kon worden verwacht, namelijk wanneer geen tellers werden geplaatst om de debieten in concreto te meten of indien geen debietgebonden monsternames plaatsvonden. Een forfaitair systeem is per definitie benaderend en om die reden niet ongeoorloofd. De ratio legis van de bepaling was dat men continu lozende bedrijven - meer dan andere - ertoe wou aanzetten debietsproportionele, concrete metingen te doen of tellers te plaatsen, teneinde met concrete cijfers de belasting te kunnen berekenen. Die bedrijven verschillen van de seizoengebonden bedrijven, maar beide bevinden zich in verschillende situaties aangezien het volume geloosd water bij de eerstgenoemde veel groter is en men specifiek ten aanzien van die 4 categorie een ontradend systeem wou toepassen. Om die reden zijn zij niet vergelijkbaar. De maatregel is bovendien niet onevenredig vermits het aantal continu lozende bedrijven zeer klein is. Standpunt van de nv « Boortmalt », geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege A.
- De geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege wijst erop dat bedrijven die continu lozen, voor een gelijke hoeveelheid geloosd water op jaarbasis zwaarder worden belast dan bedrijven die 225 dagen of minder lozen, doordat ook zij, op basis van een fictie, worden verondersteld maximaal 225 dagen vervuild water te lozen. Tevens voert het bedrijf aan dat het steeds aan zijn verplichtingen die in de lozingsvergunning waren opgenomen, heeft voldaan, en dat het subsidiaire systeem waaraan het is onderworpen, mede werd aanvaard door de appellante, die zelf geen debietmetingen kwam uitvoeren. Aangezien in gemeenschappelijk akkoord ervoor werd geopteerd het gemiddelde dagdebiet te berekenen aan de hand van het jaardebiet, berekend op basis van de waterbalans en niet op basis van de door de Vlaamse Milieumaatschappij zelf niet representatief bevonden debietgebonden monsternames, kan het bedrijf niet worden aangerekend dat de heffing op basis van het subsidiaire (en forfaitaire) stelsel wordt berekend. A.
- Het forfaitaire stelsel schendt volgens de nv « Boortmalt » het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie omdat voor de berekening van het dagdebiet van een continu werkend bedrijf de jaarlijkse hoeveelheid geloosd afvalwater wordt gedeeld door 225 - en niet door 365 - en enkel een correctiefactor moet worden toegepast voor bedrijven die minder dan 225 dagen lozen, waardoor continu werkende bedrijven verschillend worden behandeld. Nochtans dient het uitgangspunt voor de heffing te zijn dat een berekeningswijze wordt gehanteerd die aansluit bij de werkelijk geloosde vuilvracht overeenkomstig het principe « de vervuiler betaalt ». De regeling die is ingevoerd voor seizoengebonden en niet-continue activiteiten, mag niet discriminerend zijn ten aanzien van continu lozende bedrijven. De omstandigheid dat voor het heffen van belastingen soms dient te worden gewerkt op forfaitaire basis en op vereenvoudigde en benaderende wijze, rechtvaardigt geenszins het invoeren van forfaits met uitsluiting van de mogelijkheid om de reële gegevens te bewijzen. Het gevolg dat voor continu lozende bedrijven uit de maatregel voortvloeit, waardoor zij, ofschoon ze slechts tien percent van de lozende bedrijven uitmaken, instaan voor een groot deel van de te betalen heffingen, staat buiten verhouding tot het nagestreefde doel, temeer daar er ook nog niet continu lozende bedrijven zijn die toch meer dan 225 dagen lozen. A.
- Voor het aangeklaagde verschil in behandeling is in de parlementaire voorbereiding geen rechtvaardiging terug te vinden. Het aangeklaagde verschil in behandeling ligt in het decreet van 21 december 1990 besloten aangezien slechts is voorzien in een correctie voor bedrijven die minder dan 225 dagen per jaar lozen. Bedrijven die meer dan 225 dagen per jaar lozen, kunnen zich niet op een correctie beroepen, hoewel bij de berekening van hun dagdebiet eveneens gedeeld wordt door 225 en dit - net zomin als voor bedrijven die minder lozen - geen correcte weergave is van de feitelijke toestand, die de decreetgever nochtans nastreefde. Het criterium van onderscheid is niet objectief en redelijk verantwoord omdat niet blijkt waarom een onderscheid dient te worden gemaakt tussen bedrijven die minder en bedrijven die meer dan 225 dagen per jaar afvalwater lozen noch waarom van voormeld principe moet worden afgeweken. Omdat fictief ervan wordt uitgegaan dat zij slechts gedurende 225 dagen per jaar lozen en hun gemiddeld dagdebiet bijgevolg hoger komt te liggen, leidt dit voor de continu werkende bedrijven tot een disproportioneel hoog heffingsbedrag. De nv « Boortmalt » wil bijgevolg verkrijgen dat de discriminatie, die volgens haar besloten ligt in de correctiefactor zoals gedefinieerd, wordt erkend en hieraan het passende gevolg wordt gegeven. Die correctiefactor kan niet worden beschouwd als een soort van « belastingvermindering voor niet-continu werkende ondernemingen », vermits de correctiefactor slechts de toepassing beoogt van het beginsel « de vervuiler betaalt », op grond waarvan dient te worden belast op grond van de reëel geloosde vuilvracht. A.
- De omstandigheid dat de betwisting betrekking heeft op de berekening van het gemiddeld dagdebiet Q1 dat in het besluit van 30 januari 1991 wordt gedefinieerd, sluit niet uit dat het Hof bevoegd is om de discriminatie te beoordelen die voortvloeit uit de daarin gehanteerde correctiefactor bedoeld in artikel 35quater, § 1, 2°, van de wet van 26 maart 1971, zoals nader gedefinieerd in artikel 69 van het decreet van 21 december
- Indien het Hof zou oordelen dat de betwiste definiëring van de correctiefactor discriminerend is, doordat er continu lozende bedrijven zijn die meer dan 225 dagen per jaar lozen, zou de verwijzende rechter een grondwetsconforme interpretatie van de toepasselijke bepalingen moeten hanteren waarbij geen rekening meer kan worden gehouden met een deling door
- 5 Standpunt van de Vlaamse Regering A.
- In hoofdorde werpt de Vlaamse Regering de onbevoegdheid van het Hof op omdat de prejudiciële vraag in wezen betrekking heeft op de toepassing van artikel 1, 1°, c), van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 januari 1991 « houdende vaststelling van nadere regels ter uitvoering van hoofdstuk IIIbis ‘ bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest inzake heffingen op de waterverontreiniging ’ dat in de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging werd ingevoegd door het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 ». Dat artikel vermeldt immers de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater kunnen worden bepaald. Het is op grond van die bepaling dat de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege, als continu werkend bedrijf, oordeelt dat d overeenstemt met 365 gedeeld door 225 en niet 225 gedeeld door 225, waardoor het gemiddelde dagdebiet lager ligt dan indien met de correctiefactor d geen rekening wordt gehouden waardoor het aantal vervuilingseenheden daalt en het bedrag van de verschuldigde heffing lager ligt. Vermits uit de verwijzingsbeslissing duidelijk blijkt dat het enige waarover nog betwisting bestaat, de berekening van het dagdebiet Q1 is en dit - weliswaar onder verwijzing naar de decretale correctiefactor - uitsluitend het gevolg is van een beslissing van de Vlaamse Regering in het uitvoeringsbesluit, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is de prejudiciële vraag onontvankelijk. Het is het verwijzende rechtscollege zelf dat met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, het grondwettigheidsvraagstuk moet oplossen. A.
- In ondergeschikte orde meent de Vlaamse Regering dat de prejudiciële vraag pertinentie mist. Zelfs indien het Hof zich bevoegd zou achten, zou de eventuele ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling slechts tot gevolg hebben dat de correctiefactor niet meer mag worden toegepast, waardoor hij ook niet tot voordeel van continu werkende ondernemingen zoals het betrokken bedrijf zou kunnen strekken. Er anders over oordelen, zou ertoe leiden dat het Hof in feite de voorwaarden voor de toepassing van de correctiefactor zou vaststellen en dat een maatregel wordt toegepast die de decreetgever niet heeft gewild. A.
- In nog meer ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering, ten gronde, aan dat de decreetgever over een discretionaire bevoegdheid beschikt en het Hof zijn beoordeling niet in de plaats van de decreetgever kan stellen. Zij wijst verder erop dat de milieuheffingen belastingen zijn, waardoor met forfaitaire maatstaven moet worden gewerkt. De ratio legis van de in het geding zijnde bepaling is duidelijk omschreven in de parlementaire voorbereiding. Milieuheffingen zijn niet alleen een middel om de collectieve maatregelen ter bestrijding van de milieuverontreiniging geheel of gedeeltelijk te bekostigen, maar ook en vooral een beleidsinstrument om de vervuilers ertoe aan te zetten de door hen veroorzaakte verontreiniging aan de bron te beperken, waartoe de verdere toepassing en de uitbreiding van het beginsel « de vervuiler betaalt » dienstig is. Het Hof heeft reeds gesteld dat de in het geding zijnde heffing een milieuheffing is die werd ingegeven door voormeld beginsel en dat zij in hoofdorde een aanmoedigende en in ondergeschikte orde een herverdelende functie heeft. Daarbij dient volgens het Hof rekening te worden gehouden met de mate waarin elke belastingschuldige aan de hinder bijdraagt, maar, bij de beoordeling van de forfaitaire grondslag, onder meer tevens met het feit dat een verscheidenheid aan toestanden noodzakelijkerwijze moet worden opgevangen in categorieën die met de werkelijkheid slechts op een benaderende wijze overeenstemmen. Aan alle door het Hof gestelde vereisten is door de in het geding zijnde regeling volgens de Vlaamse Regering voldaan. De aanmoedigende functie is evident. Alle nodige maatregelen werden genomen om waar mogelijk het bedrag van de heffing te berekenen op basis van de reële vervuiling, door de beschikbare meetgegevens erbij te betrekken en het beginsel « de vervuiler betaalt » zo goed mogelijk te respecteren, wat uit de parlementaire voorbereiding blijkt. Door de regelgeving wordt de heffingsplichtige aangemoedigd om de vereiste meetgegevens te laten vaststellen, wat blijkt uit de cascaderegeling waarin artikel 1 van het besluit van 30 januari 1991 voorziet. Op grond hiervan wordt immers slechts voor een deelaspect van de heffingsgrondslag met een forfaitair element gewerkt, namelijk indien geen meetgegevens vanwege de toenmalige Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering, de Vlaamse Milieumaatschappij of de heffingsplichtige zelf voorhanden zijn. Dat het gemiddeld dagdebiet bij continu werkende ondernemingen ten aanzien waarvan de forfaitaire regeling wordt toegepast, fictief hoger komt te liggen, heeft alles te maken met de aanmoediging van die bedrijven om de meetgegevens te verkrijgen, desnoods op eigen initiatief, gelet op het feit dat zij mogen worden geacht grotere vervuilers te zijn. Voor niet continu werkende bedrijven is de correctiefactor een vereiste om aan het beginsel « de vervuiler betaalt » te kunnen beantwoorden, waarbij moet worden opgemerkt dat dergelijke bedrijven ook 6 moeten bewijzen dat zij minder dan 225 dagen afvalwater lozen en van hen niet kan worden verwacht dat zij dure meetapparatuur aanschaffen en onderhouden. A.
- De Vlaamse Regering erkent dat voor de navolgende heffingsjaren de forfaitaire regeling nog verder werd verfijnd, waardoor thans met het effectieve aantal dagen waarop afvalwater werd geloosd, rekening wordt gehouden, doch dit houdt geenszins de ongrondwettigheid van de in het geding zijnde regeling in. De keuze voor het cijfer 225 is ten slotte redelijk verantwoord omdat het overeenstemt met wat doorgaans wordt aangenomen als het aantal dagen waarop door bedrijven, op jaarbasis, wordt gewerkt. De continu werkende bedrijven - die meer dan 225 dagen werken - vertegenwoordigen minder dan tien procent van de ondernemingen zodat de forfaitaire regeling, in zoverre ze moet worden toegepast, een beperkt aantal bedrijven treft. -B- B.
- De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 35quater, § 1, 2°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, zoals ingevoegd bij artikel 69 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 21 december 1990 « houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 » (Belgisch Staatsblad, 29 december 1990), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre door de opname van correctiefactor d, continu werkende ondernemingen die meer dan 225 dagen lozen, worden geacht niet meer dan 225 kalenderdagen per jaar te lozen, hun jaarlijkse hoeveelheid geloosd afvalwater hierdoor wordt gedeeld door 225 in plaats van door 365, hun gemiddeld dagelijks debiet fictief hoger komt te liggen dan dat van ondernemingen die 225 dagen en minder werken en er aldus een discriminatie ontstaat tussen beide categorieën van ondernemingen. B.
- De in het geding zijnde bepaling luidt als volgt : « §
- Het aantal vervuilingseenheden (VE) verontreinigende belasting van de afvalwaters dat in aanmerking dient genomen voor de vaststelling van de in artikel 35bis bedoelde heffing voor waterverontreiniging, wordt respectievelijk als volgt berekend : […] 2° voor de in artikel 35bis, § 1, l°, 2° en 4° bedoelde exploitanten en personen, andere dan deze bedoeld in sub l°, alsmede voor de in artikel 35bis, § 1, 3° bedoelde exploitanten : N = (k1xN1) + (k2xN2) + (k3xN3) 7 Met : * N : de verontreinigende belasting van de afvalwaters uitgedrukt in vervuilingseenheden; * N1 = Q1 [a + 0,35xMS + 0,45 (2xBOD+COD)] x (0,40+0,60xd) 180 500 1.350 Waarin : N1 : de verontreinigende belasting veroorzaakt door de beschouwde stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden (VE); Q1 : het gemiddelde debiet, uitgedrukt in liter, van het afvalwater dat door de onderneming, instelling of inrichting wordt geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar; a : - deze factor is gelijk aan 0,20 wanneer het gaat om een aansluiting op een openbare riolering, een openbare prioritaire riolering of op een collector voor transport van openbaar rioolwater; - deze factor is gelijk aan nul wanneer het gaat om een aansluiting op gewone oppervlaktewateren of op kunstmatige afvoerwegen voor regenwater; MS : het gemiddelde gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Q1 betrekking heeft; BOD : de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Q1 betrekking heeft; COD : de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l van het afvalwater waarop Q1 betrekking heeft; d : correctiefactor wanneer het gaat om seizoengebonden activiteiten of niet continu werkende ondernemingen, instellingen en inrichtingen die minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater lozen en hiervan het bewijs leveren; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen tijdens dewelke afvalwater werd geloosd en 225; * N2 = Q2 (Xi+10xYi) 1.000 Waarin : N2 : de verontreinigende belasting van de beschouwde zware metalen uitgedrukt in vervuilingseenheden (VE); Q2 : de gedurende het jaar voorafgaand aan het belastingjaar geloosde hoeveelheid afvalwater, uitgedrukt in m3; Xi : de som van de in het geloosde afvalwater gemeten concentraties, uitgedrukt in mg/l, van de volgende stoffen: arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink; 8 Yi : de som van de in het geloosde afvalwater gemeten concentraties, uitgedrukt in mg/l, van de volgende stoffen: cadmium en kwik; * N3 = Q3 (N+P) 10.000 Waarin : N3 : de verontreinigende belasting van de beschouwde nutriënten uitgedrukt in vervuilingseenheden (VE); Q3 : de gedurende het jaar voorafgaand aan het belastingjaar geloosde hoeveelheid afvalwater, uitgedrukt in m³; N : het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof, uitgedrukt in mg/l; P : het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg/l; * k1,k2 en k3 : - voor de ondernemingen, instellingen, inrichtingen en zuiveringstechnische werken die zijn aangesloten op gewone oppervlaktewateren gelden de coëfficiënten vermeld in de tabel opgenomen in bijlage 2 bij deze wet in functie van de aard van de uitgeoefende activiteit; - voor de overige ondernemingen, instellingen, inrichtingen en woonruimten zijn deze coëfficiënten telkens gelijk aan één ». B.
- Zoals onder meer blijkt uit de talrijke door de partijen aangevoerde feitelijke elementen, in de beoordeling waarvan zij tegenstrijdige standpunten innemen die niet door het Hof maar door het verwijzende rechtscollege dienen te worden beslecht, betreft de betwisting tussen de partijen voor het verwijzende rechtscollege uitsluitend de berekeningswijze van het gemiddelde dagdebiet dat de basis vormt voor de verschuldigde heffing. Die berekeningswijze vormt niet het onderwerp van de in het geding zijnde bepaling doch van artikel 1, 1°, c), van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 januari 1991 « houdende vaststelling van nadere regels ter uitvoering van hoofdstuk IIIbis ‘ bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest inzake heffingen op de waterverontreiniging ’ dat in de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging werd ingevoegd door het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 » (Belgisch Staatsblad, 23 februari 1991). Op grond van die bepaling wordt het gemiddelde dagdebiet, bij ontstentenis van metingen door ambtenaren van de Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering of van de Vlaamse 9 Milieumaatschappij, of van metingen uitgevoerd door of in opdracht van de heffingsplichtige, in zoverre deze door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij als geldig worden aanvaard, als volgt berekend : « c) […], op basis van de door de heffingsplichtige overeenkomstig artikel 5 aan te geven waterbalans van het jaar voorafgaand aan het beschouwde belastingjaar; het gemiddelde dagdebiet Q1 in liter is in dat geval gelijk aan : Q1 = Q2 x 1000 225 x d waarin : - Q2 : de gedurende het jaar voorafgaand aan het belastingjaar geloosde hoeveelheid afvalwater, uitgedrukt in m³, zoals die blijkt uit de door de heffingsplichtige aangegeven waterbalans; - d : de correctiefactor bedoeld in artikel 35quater, § 1, 2° van voormelde wet van 26 maart 1971 ». De vaststelling dat ter beslechting van het bodemgeschil niet de correctiefactor d als dusdanig doorslaggevend is, blijkt niet alleen uit de wijziging van de berekeningswijze in navolgende uitvoeringsbesluiten van 23 juli 1992 (Belgisch Staatsblad, 13 oktober 1992) en 16 februari 1993 (Belgisch Staatsblad, 6 mei 1993), waardoor rekening werd gehouden met het aantal dagen waarop in het jaar voorafgaand aan het beschouwde belastingsjaar afvalwater werd geloosd en waarvan het bewijs wordt geleverd, maar wordt tevens bevestigd door het feit dat het door de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege gewenste resultaat bijvoorbeeld evenzeer kon worden verkregen door in de noemer van de berekeningsformule het getal « 225 » te vervangen door het getal « 365 », wat behoorde tot de beoordelingsbevoegdheid van de Vlaamse Regering. B.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de beweerde discriminerende behandeling niet rechtstreeks voortvloeit uit artikel 35quater, § 1, 2°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, zoals ingevoegd bij artikel 69 van het in B.1 vermelde decreet van het Vlaamse Gewest van 21 december 1990, doch uit artikel 1, 1°, c), van het in B.3 vermelde besluit van de Vlaamse Regering van 30 januari
- Het Hof vermag niet, om de enkele reden dat de correctiefactor die in de in het geding zijnde bepaling is gedefinieerd, ook wordt aangewend in een uitvoeringsbesluit dat een 10 berekeningswijze van het gemiddelde dagdebiet vaststelt, de grondwettigheid van die correctiefactor te beoordelen in de context van de decretale bepaling waaraan hij is ontleend, zonder dat zijn uitspraak ook gevolgen zou sorteren die het doel van de prejudiciële vraagstelling te buiten zouden gaan, namelijk het beslechten van de betwisting nopens een element van de voormelde berekeningswijze. De bestaanbaarheid van de vastgestelde berekeningswijze van het gemiddelde dagdebiet die haar oorsprong vindt in een uitvoeringsbesluit, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is een grondwettigheidsvraagstuk dat, op grond van artikel 159 van de Grondwet, door het verwijzende rechtscollege dient te worden beslecht. B.
- De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 21 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div