id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.027 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080228.2 Arrest- Rolnummer: 27/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-28 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-29 10:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Gas Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 9, derde lid, tweede zin, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Economie - Gasmarkt - Kosten voor het verplaatsen van installaties - Gasvervoerinstallaties - Kosten ten laste van de beheerders van installaties - Onontvankelijkheid van de prejudiciële vraag - Geen vergelijkbare categorieën van personen. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - Contradictoir karakter van de rechtspleging. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 9,lid2 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Tekst van de beslissing Rolnummer 4155 Arrest nr. 27/2008 van 28 februari 2008 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 9, derde lid, tweede zin, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 februari 2007 in zake het Waalse Gewest tegen de nv « Total Belgium » en de nv « Air Liquide Industries Belgium », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 maart 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 9, derde lid, tweede zin, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, in die zin geïnterpreteerd dat het de exploitant ertoe verplicht de kosten voor de verplaatsing van de leidingen ten laste te nemen, enerzijds, ongeacht de openbare weg waarvan het belang wordt aangevoerd en, anderzijds, ongeacht de graad van voorzienbaarheid van de reden voor de verplaatsing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gekoppeld aan het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten, door de houders van een verplichting tot het vervoeren van gasachtige producten en andere verschillend te behandelen ten opzichte van de andere houders van een vergunning voor het beheer van een installatie waarvan de aanwezigheid een erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt, of ten opzichte van alle personen die aan openbare lasten zijn onderworpen, doordat het exploitatierecht van die houders aldus zou worden uitgehold ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Total Belgium », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1040 Brussel, Handelsstraat 93, en de nv « Air Liquide Industries Belgium », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1160 Brussel, Vorstlaan 280; - de Ministerraad; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 18 december 2007 : - zijn verschenen : . Mr. D. Verhoeven, tevens loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « Total Belgium » en de nv « Air Liquide Industries Belgium »; - Mr. J.-F. De Bock, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. S. Vernaillen, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Federale ministeriële besluiten van 20 oktober 1999 hebben de vennootschappen « Total Belgium » en « Air Liquide Industries Belgium » ertoe verplicht leidingen te verplaatsen waarvoor zij houder zijn van een erfdienstbaarheid van openbaar nut op grond van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. Volgens die besluiten was die verplaatsing vereist in het belang van de openbare weg, overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de wet van 12 april
- Die bepaling schrijft voor dat, met name in die hypothese, de verplaatsingskosten worden gedragen door degene die de gasvervoersinstallatie exploiteert. Twee besluiten van de Waalse Regering van 24 maart 1999 hebben uitdrukkelijk bepaald dat, te dezen, de verplaatsingskosten voor rekening waren van de vennootschappen « Total Belgium » en « Air Liquide Industries Belgium ». Die vennootschappen betwisten dat zij de voormelde kosten ten laste moeten nemen om reden dat, enerzijds, de wet van 12 april 1965 met de woorden « het belang van de openbare wegen » alleen het belang zou beogen van de bijzondere verkeersweg waar de in het geding zijnde leiding van openbaar nut is gelegen, en niet het belang van alle verkeerswegen in het algemeen, en, anderzijds, de wegenwerken die het noodzakelijk maken de leidingen te verplaatsen, te dezen onvoorzienbaar zouden zijn, terwijl de verplichting van de exploitant van de installatie om de verplaatsingskosten ten laste te nemen, zou steunen op een vermoeden van voorzienbaarheid. De exploitant zou die kosten dus alleen moeten dragen wanneer de werkzaamheden die de verplaatsing met zich meebrengen, konden worden vermeden door een bedachtzamer beheer. De Rechtbank heeft erop gewezen dat, volgens een arrest van het Hof van Cassatie van 20 april 1978, aan het begrip « belang van de wegen » geen beperkende interpretatie dient te worden gegeven volgens welke alleen de wegen zouden worden beoogd waar de in het geding zijnde installaties zich bevinden, met uitsluiting van de andere bestaande of aan te leggen openbare wegen. Anderzijds, maakt de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening het, nog steeds volgens het verwijzingsvonnis, niet mogelijk de verplichting om de kosten van de verplaatsing ten laste te nemen, te koppelen aan het begrip « voorzienbaarheid » ervan op het ogenblik dat de installatie wordt geplaatst. De Rechtbank is evenwel ingegaan op het ondergeschikte verzoek van de twee vennootschappen en heeft de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de verwerende partijen voor de verwijzende rechter A.
- De nv « Total Belgium » en de nv « Air Liquide Industries Belgium » wijzen op een aantal verschillen in behandeling ten opzichte van de andere houders van een vergunning voor het beheer van een installatie waarvan de aanwezigheid een erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt. Zij merken eerst op dat alleen de houders van een vergunning voor het vervoer van aardgas ertoe gehouden zijn de kosten voor de verplaatsing van hun installatie ten laste te nemen, met uitsluiting van de beheerders van installaties voor de distributie van aardgas. Voorts merken zij een verschil in behandeling op ten opzichte van de exploitanten van leidingen voor gasachtige producten of koolwaterstoffen die in de in het geding zijnde wet niet worden beoogd. Ten slotte voeren de verwerende partijen aan dat een verschil in behandeling bestaat ten opzichte van de exploitanten van andere soorten van installaties die zich bevinden op openbaar domein (distributie van gas en elektriciteit, watertoevoer, riolen, telefoon, teledistributie) waarop, bij ontstentenis van specifieke bepalingen, het gemeen recht van toepassing is, waarbij met andere woorden de aannemer die de werken uitvoert, de kosten ten laste neemt. 4 De in het geding zijnde maatregel is volgens de verwerende partijen niet adequaat ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk dat de vervoersinstallaties op openbaar domein geen hinderpaal vormen voor maatregelen van openbaar nut. De maatregel die erin bestaat vervoersinstallaties te verplaatsen, mag immers niet worden verward met die welke erop neerkomt de kosten van die verplaatsing door de exploitant te laten dragen. De in het geding zijnde maatregel is eveneens onevenredig, temeer omdat er een belangenvermenging zou zijn bij de overheid, die niet zowel het risico vooraf als het risico achteraf zou mogen beoordelen. Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is. Zij maakt het het Hof immers niet mogelijk het voorgelegde verschil in behandeling vast te stellen en de gestelde vraag te beantwoorden. De Ministerraad onderstreept dat de « andere houders van een vergunning voor het beheer van een installatie waarvan de aanwezigheid een erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt » niet worden gepreciseerd, zodat het bestaan en de werkelijkheid van een verschil in behandeling niet kunnen worden beoordeeld. De categorie van « alle personen die aan openbare lasten zijn onderworpen » zou overigens moeilijk te definiëren zijn. Bovendien zou de prejudiciële vraag alleen kunnen worden beantwoord indien het verwijzingsvonnis aangaf : - in welke zin de categorieën die geen houder van een vervoersvergunning zijn, ervan zouden zijn vrijgesteld de kosten voor de verplaatsing van de leidingen ten laste te nemen wanneer de verplaatsing gebeurt in het belang van een andere weg dan die waar die installaties zich bevinden, of wanneer die geen zekere graad van voorzienbaarheid vertoont; - in welke zin de behandeling van de exploitanten van een installatie voor het vervoer van gas hun recht zou uithollen. Standpunt van de Vlaamse Regering A.
- De Vlaamse Regering voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, in zoverre zij het niet mogelijk maakt te weten tussen welke categorieën van personen een discriminatie wordt aangevoerd. Memorie van antwoord van de verwerende partijen A.
- De verwerende partijen zijn van mening dat de formulering van de vraag (« in dertien regels ») en de elementen van het geding volstaan om het onderwerp van de prejudiciële vraag te bepalen en dat overigens het feit dat zowel de Ministerraad als de Vlaamse Regering in ondergeschikte orde hebben kunnen antwoorden, aantoont dat zij de draagwijdte van de prejudiciële vraag hebben begrepen. Memorie van antwoord van de Ministerraad A.
- De Ministerraad formuleert enkele opmerkingen over de onontvankelijkheid van de prejudiciële vraag. Ten eerste voeren de vennootschappen « Total Belgium » en « Air Liquide Industries Belgium » in hun eigen memorie een discriminatie aan waarvan zij het slachtoffer zouden zijn, ten opzichte van sommige categorieën van personen die in de prejudiciële vraag niet uitdrukkelijk waren beoogd. De vennootschappen « Total Belgium » en « Air Liquide Industries Belgium » kunnen de draagwijdte van de vraag aldus niet wijzigen. 5 Vervolgens zou, volgens de laatstgenoemden, de situatie van de exploitanten van andere soorten installaties op openbaar domein zijn geregeld bij artikel 25 van de algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken, als bijlage bij het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. Zij besluiten dat het « gemeen recht » dat die installaties regelt, zou inhouden dat de kosten voor de verplaatsing van kabels en leidingen normaal ten laste komen van de aannemer die belast is met de uitvoering van een opdracht en dus van de gemeenschap door de kosten voor die verplaatsing op te nemen in de prijs van de opdracht. De kosten zouden alleen door de eigenaars van de kabels en leidingen ten laste worden genomen wanneer een bijzondere en afwijkende bepaling daarin voorziet. Memorie van antwoord van de Vlaamse Regering A.
- Na eraan te hebben herinnerd dat zij in hoofdorde van mening was dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk was, herhaalt de Vlaamse Regering dat in ondergeschikte orde dient te worden beschouwd dat de vraag geen antwoord behoeft. -B- B.
- De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel ondervraagt het Hof in de volgende bewoordingen : « Schendt artikel 9, derde lid, tweede zin, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, in die zin geïnterpreteerd dat het de exploitant ertoe verplicht de kosten voor de verplaatsing van de leidingen ten laste te nemen, enerzijds, ongeacht de openbare weg waarvan het belang wordt aangevoerd en, anderzijds, ongeacht de graad van voorzienbaarheid van de reden voor de verplaatsing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gekoppeld aan het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten, door de houders van een verplichting tot het vervoeren van gasachtige producten en andere verschillend te behandelen ten opzichte van de andere houders van een vergunning voor het beheer van een installatie waarvan de aanwezigheid een erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt, of ten opzichte van alle personen die aan openbare lasten zijn onderworpen, doordat het exploitatierecht van die houders aldus zou worden uitgehold ? ». B.
- De Ministerraad en de Vlaamse Regering zijn van mening dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, enerzijds, in zoverre daarin niet wordt gepreciseerd wie de andere houders zijn van een vergunning voor het beheer van een installatie waarvan de aanwezigheid een erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt en, anderzijds, in zoverre daarin, door « alle personen die aan openbare lasten zijn onderworpen » te beogen, wordt verwezen naar een nog ruimere en moeilijker te definiëren categorie van personen. 6 B.3.
- De aan het Hof toevertrouwde toetsing van wetskrachtige normen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereist dat een welbepaalde categorie van personen ten aanzien van wie een mogelijke discriminatie wordt aangevoerd, het voorwerp uitmaakt van een pertinente vergelijking met een andere categorie. Wanneer noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden opgemaakt welke categorieën van personen met elkaar dienen te worden vergeleken, en wanneer daaruit evenmin kan worden afgeleid op welke wijze de in het geding zijnde bepaling een schending zou inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, bevat de prejudiciële vraag niet de noodzakelijke elementen op grond waarvan het Hof uitspraak moet kunnen doen. B.3.
- Te dezen wordt in de vraag niet gepreciseerd wie de andere houders zijn van een vergunning voor het beheer van een installatie waarvan de aanwezigheid een erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt of wordt daarin verwezen naar de te ruime, onbepaalde en onbepaalbare categorie van alle personen die aan openbare lasten zijn onderworpen. Volgens het verwijzingsvonnis zouden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel voor de openbare lasten, eventueel zijn geschonden, in zoverre artikel 9, derde lid, van de wet van 12 april 1965 de exploitanten van installaties voor het vervoer van gas ertoe verplicht de verplaatsingskosten ten laste te nemen, enerzijds, ongeacht de openbare weg waarvan het belang wordt aangevoerd en, anderzijds, ongeacht de graad van voorzienbaarheid van de reden van de verplaatsing, wat tot gevolg zou hebben dat het exploitatierecht van de exploitanten van installaties voor het vervoer van gas zou zijn uitgehold. Niet alleen is de definitie van beide categorieën van personen waarnaar de beslissing verwijst onnauwkeurig, maar bovendien wordt daarin niet aangegeven in welke zin die categorieën ervan zijn vrijgesteld de kosten voor de verplaatsing van de installaties ten laste te nemen wanneer die verplaatsing gebeurt in het belang van bepaalde wegen, noch hoe zij ervan zijn vrijgesteld wanneer die verplaatsing geen zekere graad van voorzienbaarheid vertoont, noch in welke zin de beweerde behandeling van de exploitanten van een installatie voor het vervoer van gas hun exploitatierecht zou uithollen. B.
- Het staat niet aan het Hof een verschil in behandeling te onderzoeken met betrekking tot hetwelk het zelf de met elkaar te vergelijken categorieën zou moeten preciseren, en bovendien zou het toelaten van zulk een prejudiciële vraag ertoe leiden dat het 7 tegensprekelijk karakter van de rechtspleging voor het Hof in het gedrang wordt gebracht, nu de partijen die in voorkomend geval in de zaak voor het Hof wensen tussen te komen, niet in de gelegenheid worden gesteld zulks op een doeltreffende wijze te doen. Dat geldt inzonderheid voor de partijen die zouden opkomen voor de verdediging van de in het geding zijnde bepaling en alsdan geen dienstig verweer zouden kunnen voeren. B.
- De prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 28 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div