← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.030

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.030 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080228.5 Arrest- Rolnummer: 30/2008 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-02-28 Raadplegingen: 233 - laatst gezien 2026-06-30 12:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 50, tweede lid, en 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Termijn hoger beroep PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 50, tweede lid, en 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Termijn voor hoger beroep -

  1. Termijn die tijdens de gerechtelijke vakantie ingegaan is of verstrijkt - Verlenging -
  2. Termijn die begint te lopen op de dag vóór of verstrijkt de dag na de gerechtelijke vakantie - Ontstentenis van verlenging. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 50,lid2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1051,lid2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4208 Arrest nr. 30/2008 van 28 februari 2008 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 50, tweede lid, en 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 10 mei 2007 in zake Oscar Meuleman tegen de nv « AXA Belgium », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 mei 2007, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de gecombineerde toepassing van de artikelen 1051, tweede lid, en 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij uitsluitend in een verlenging van de termijn van hoger beroep voorziet wanneer die termijn begint te lopen en ook verstrijkt binnen de gerechtelijke vakantie, zodat die verlenging inzonderheid tot gevolg heeft dat de termijn van hoger beroep op 1 september verstrijkt wanneer het vonnis is betekend op 1 augustus, terwijl die termijn van hoger beroep wordt verlengd tot 15 september wanneer die betekening bijvoorbeeld de dag voordien, zijnde op 31 juli, gebeurde ? ». Memories zijn ingediend door : - Oscar Meuleman, wonende te 7070 Le Roeulx, Clos Saint-Feuillien 19; - de nv « AXA Belgium », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan 25; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 18 december 2007 : - zijn verschenen : . Mr. A. Ghilain-Pierard, advocaat bij de balie te Bergen, voor Oscar Meuleman; - Mr. P. Bosser, tevens loco Mr. J. Bosser, advocaten bij de balie te Bergen, voor de nv « AXA Belgium »; . Mr. Q. Peiffer loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Oscar Meuleman heeft op 13 september 2005 hoger beroep ingesteld tegen een vonnis gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi op 25 maart
  3. Aangezien het vonnis op 1 augustus 2005 is betekend, is de verwijzende rechter van mening dat het beroep uiterlijk op 1 september 2005 had moeten worden ingesteld, krachtens artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De verlenging van de termijn - tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar - voorgeschreven bij artikel 50, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, kan niet worden aangevoerd vermits de termijn, die een aanvang neemt tijdens de gerechtelijke vakantie, tijdens die vakantie niet is verstreken. De verwijzende rechter is van mening dat artikel 1051, tweede lid, dat bepaalt dat de termijn van hoger beroep eveneens loopt vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen, niet van toepassing is op de appellant die de persoon is aan wie het verwijzend vonnis is betekend, maar aangeeft dat de appellant aanvoert dat gecombineerde toepassing van die bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat zij tot gevolg heeft dat de termijn van hoger beroep op 1 september verstrijkt wanneer het vonnis is betekend op 1 augustus, terwijl die termijn van hoger beroep wordt verlengd tot 15 september wanneer die betekening de dag voordien, dus op 31 juli, gebeurde. Hij merkt op dat de oorspronkelijke formulering van artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek - dat voorzag in een verlenging wanneer de termijn van hoger beroep verstreek tijdens de gerechtelijke vakantie - werd gewijzigd om enkel in een verlenging te voorzien wanneer de termijn een aanvang neemt en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie en zulks om te vermijden dat hij een gerechtelijk verwijl van twee en een halve maand impliceert. Hij is van mening dat, hoewel artikel 50, tweede lid, het mogelijk maakt de rechtzoekenden te beschermen die met vakantie zouden zijn, dat artikel op een storende wijze ertoe leidt die rechtzoekenden het voordeel te ontzeggen van de verlenging van de termijn wanneer die begint te lopen vóór de gerechtelijke vakantie of verstrijkt na die vakantie; zulks zou het geval zijn wanneer de betekening plaatsvindt op 29 juni, omdat de rechtzoekende dan over slechts één dag beschikt om een hoger beroep op te stellen en in te dienen, terwijl de rechtzoekende aan wie een « verzoekschrift tot hoger beroep » (lees : « een vonnis ») wordt betekend tussen 30 juni en 31 juli, niet alleen zou beschikken over de termijn van één maand en de laatste dagen van de gerechtelijk vakantie maar ook over de verlenging van de termijn. Rekening houdend met het feit dat spitsvondige pleiters de risico’s van hoger beroep zouden kunnen willen beperken door de vonnissen aan de tegenpartij te laten betekenen kort vóór 1 juli of kort na 31 juli, stelt de verwijzende rechter zich vragen over het bestaan van een discriminatie en over de evenredigheid ervan in het licht van de wens van de wetgever om de gerechtelijke procedures te versnellen. Derhalve stelt hij aan het Hof de voormelde vraag. III. In rechte -A- A.
  4. Oscar Meuleman herinnert aan de feiten van de zaak en stigmatiseert de houding van de rechtzoekende die systematisch de rechterlijke beslissingen betekent op 1 augustus van elk jaar teneinde het recht op hoger beroep tijdens de gerechtelijke vakantie te beperken. Hij verwijst naar zijn argumentatie voor de verwijzende rechter, waarin hij aanvoerde, enerzijds, dat volgens artikel 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de termijn van één maand loopt vanaf de dag van de betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen en, anderzijds, dat artikel 54 van hetzelfde Wetboek erin voorziet dat de in maanden bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste, zodat het in het geding zijnde hoger beroep ontvankelijk moet worden verklaard, vermits de termijn is beginnen te lopen en is verstreken tijdens de gerechtelijke vakantie. Hij voerde het arrest nr. 170/2003 aan, dat de wetgever niet toestaat de rechtsplegingstermijnen te doen lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van het gedrag van de partijen. Hij was van mening dat, vermits hij duidelijk zijn bedoeling kenbaar had gemaakt om tegen de beslissing hoger beroep in te stellen vóór de betekening, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden door een beslissing die het hoger 4 beroep tegen de partij die het vonnis op 1 augustus heeft doen betekenen, onontvankelijk zou verklaren, overwegende dat er geen aanleiding zou zijn tot de verlenging voorgeschreven bij artikel 50, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl artikel 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijn loopt vanaf de dag van een betekening op 1 augustus, veeleer dan tijdens de maand juli en meer bepaald op 31 juli. Krachtens de gelijkheid van de rechtzoekenden is er geen discriminatie naargelang de betekening gebeurt op 31 juli of 1 augustus, aangezien de gerechtelijke vakantie eindigt op 31 augustus. Die regel houdt sedert decennia duidelijk geen rekening met de gelijkheid van de Belgische burgers en hun rechtszekerheid en indien men die beide voorschriften in ieders voordeel zou moeten beschouwen, dan zou ofwel de regel van de verlenging van de termijn tot 15 september moeten worden geschrapt, ofwel zou die regel moeten worden toegekend aan eenieder aan wie tijdens de gerechtelijke vakantie een rechterlijke beslissing wordt betekend. Hij verzoekt het Hof aan het Parlement en aan de volgende Regering te vragen ervoor te zorgen dat artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek de gelijkheid van de burgers en hun rechtszekerheid zou waarborgen. Dat verzoek stemt bovendien overeen met de bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, inzonderheid met artikel 4 ervan. A.2.
  5. De nv « AXA Belgium » herinnert aan de feiten van de zaak en stelt dat zij, sedert de uitspraak van het vonnis van 25 maart 2005, dat in hoger beroep bij de verwijzende rechter aanhangig is gemaakt, Oscar Meuleman herhaaldelijk heeft ondervraagd teneinde zijn bedoelingen te kennen. Bij een brief van 9 mei 2005 zou laatstgenoemde hebben laten weten dat hij een verzoekschrift voorbereidde dat in de daaropvolgende dagen zou worden neergelegd. Aangezien de nv « AXA Belgium » geen nieuws kreeg vanwege Oscar Meuleman, heeft die partij hem opnieuw geïnterpelleerd op 27 mei en ten slotte op 30 juni en hem laten weten dat, indien zij zijn verzoekschrift tot hoger beroep binnen twee weken niet zou hebben gekregen, de beslissing zou worden betekend, wat werd gedaan op 1 augustus
  6. A.2.
  7. De nv « AXA Belgium » beweert dat krachtens de artikelen 52, 53, eerste lid, 54 en 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek het hoger beroep uiterlijk op 1 september 2005 moest worden ingesteld. Oscar Meuleman kan volgens haar artikel 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet aanvoeren, vermits niet hij het vonnis heeft doen betekenen. Zij voert aan dat de artikelen 50 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek geen enkele discriminatie teweegbrengen, vermits zij op identieke wijze van toepassing zijn op alle rechtzoekenden die zich in dezelfde situatie bevinden. Artikel 50, tweede lid, voorziet in een regel die afwijkt van die van de termijn van één maand die is voorgeschreven bij artikel 1051 en die dus strikt moet worden geïnterpreteerd. Indien men, zoals Oscar Meuleman suggereert teneinde de aangeklaagde discriminatie weg te werken, de vervaldag zou verschuiven naar 15 september voor alle termijnen die tijdens de gerechtelijke vakantie verstrijken zonder de dubbele vereiste te handhaven dat de termijn moet aanvangen en verstrijken tijdens de gerechtelijke vakantie, zou zulks tot een vertraging van alle procedures leiden, terwijl de gerechtelijke hervorming ertoe strekt de zaken sneller af te handelen. De in A.2.1 vermelde elementen tonen aan dat Oscar Meuleman over meer dan een voldoende termijn beschikte om zijn verzoekschrift tot hoger beroep neer te leggen. A.3.
  8. De Ministerraad herinnert aan de feiten van de zaak, aan het onderwerp van de in het geding zijnde bepalingen en aan de totstandkoming ervan. Hij zet in dat verband uiteen dat de wet van 24 juni 1970 het gerechtelijk verwijl van twee en een halve maand heeft afgeschaft (dat het gevolg was van het vroegere artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) vanwege de nadelen die uit een zo lange termijn voortvloeien. A.3.
  9. De Ministerraad beweert dat het in het geding zijnde verschil in behandeling, dat wel degelijk betrekking heeft op vergelijkbare categorieën van situaties, voortvloeit uit bepalingen die beantwoorden aan de wettige doelstelling een einde te maken aan de moeilijkheden die voortvloeien uit het verstrijken van de termijn van hoger beroep tijdens de gerechtelijke vakantie en daarbij te vermijden dat de afhandeling van alle zaken nodeloos en voor een te lange periode wordt vertraagd. Het verschil in behandeling is objectief en berust op het relevante en redelijke criterium dat de termijn van hoger beroep al dan niet een aanvang neemt en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie. Artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek beperkt niet op onevenredige wijze de rechten van de partijen, vermits zij minstens over een termijn van één maand beschikken om hoger beroep in te stellen, met inbegrip van minimum één dag buiten de gerechtelijke vakantie. Bovendien kunnen de partijen die in een gerechtelijke procedure verwikkeld zijn, de nodige maatregelen nemen om hun rechten te vrijwaren. 5 -B- B.
  10. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 50, tweede lid, en 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De artikelen 50 en 1051, eerste en tweede lid, van dat Wetboek bepalen : « Art.
  11. De termijnen, op straffe van verval gesteld, mogen niet worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald. Indien de termijn van hoger beroep of verzet voorzien in de artikelen 1048, 1051 en 1253quater, c) en d) binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar ». « Art.
  12. De termijn om hoger beroep aan te tekenen is één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Deze termijn loopt eveneens vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen ». B.
  13. Naar luid van het tweede lid van artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de termijn van hoger beroep, bepaald in artikel 1051 van hetzelfde Wetboek, verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar indien hij begint te lopen en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie. B.
  14. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij tussen de rechtzoekenden die hoger beroep instellen, een verschil in behandeling teweegbrengen naar gelang van de datum waarop de beslissing die zij hervormd wensen te zien, hun is betekend en waarop bijgevolg de termijn van hoger beroep begint te lopen : terwijl de rechtzoekenden voor wie de termijn van hoger beroep aanvangt en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie, de verlenging genieten die is voorgeschreven bij artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geldt zulks niet voor de rechtzoekenden voor wie die termijn begint te lopen op de dag vóór die vakantie of, wanneer die minder dan een maand vóór het einde van die vakantie is beginnen te lopen, verstrijkt de dag na die vakantie, zodat zij ertoe gehouden kunnen zijn hun verzoekschrift tot hoger beroep op te stellen en in te dienen in een periode van een maand die grotendeels kan zijn gesitueerd tijdens de gerechtelijke vakantie. 6 B.
  15. De betekening bij deurwaardersexploot doet de termijn ingaan op de datum van afgifte van de akte aan de persoon of op diens woonplaats of op een van de plaatsen vermeld in artikel 37 van het Gerechtelijk Wetboek, dat wil zeggen op de datum waarop de betrokkene kennis heeft genomen of kennis heeft kunnen nemen van de betekende akte. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, is artikel 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de termijn van hoger beroep doet lopen vanaf de dag van de betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen, niet van toepassing op de appellant en zou het trouwens ertoe leiden, indien het toch van toepassing zou zijn, dat tegen hem een termijn begint te lopen waarvan het aanvangspunt een akte zou zijn waarvan hij geen kennis zou hebben. B.
  16. In de oorspronkelijke redactie ervan bepaalde artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek dat indien « de termijn van hoger beroep of verzet [verstrijkt] gedurende de gerechtelijke vakantie of binnen acht dagen daarna, [hij] dan wordt […] verlengd tot de vijftiende dag van het gerechtelijk jaar ». Die bepaling was een nieuwigheid vermits de vorige wetsbepalingen niet in dergelijke verlenging voorzagen (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 11, p. 3). Die bepaling werd gewijzigd bij de wet van 24 juni 1970 (waaruit het in het geding zijnde artikel 50, tweede lid, is voortgekomen), rekening houdend met het feit dat zij leidde tot « het invoeren van een gerechtelijk verwijl van twee en een halve maand, waarbij alle tenuitvoerleggingen worden vertraagd, terwijl de gerechtelijke hervorming de vluggere afwikkeling van de zaken tot doel had » (Parl. St., Senaat, ibid., pp. 2 en 3). Sommigen merkten in dat verband op dat « een vonnis betekend, bv. op 3 juni, slechts na 15 september in kracht van gewijsde kan worden geacht » (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 138, p. 2). Er werd beslist niet naar de vroegere situatie terug te keren, maar te voorzien in een verlenging die niet tot een dergelijke vertraging in de afwikkeling van de rechtsplegingen zou leiden (Parl. St., Kamer, 1969-1970, nr. 582/3, p. 3). B.
  17. De wetgever heeft aldus de bekommernis om de rechtzoekende in staat te stellen zich te verdedigen, en daarbij te vermijden dat een betekening tijdens de gerechtelijke 7 vakantie hem zou overvallen omdat zij onvoldoende bekend zou zijn, enerzijds, (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 138, p. 2), willen verenigen met de bekommernis om de gerechtelijke procedures niet te vertragen, anderzijds. De verscheidenheid van de gevallen is evenwel van die aard dat sommige rechtzoekenden die zich in situaties bevinden die relatief sterk op elkaar lijken, het voorwerp uitmaken van een verschillende behandeling. Dat is echter het onvermijdelijke gevolg van de door de wetgever gemaakte keuze, die, wanneer die keuze kan worden verantwoord, ertoe noopt dat ergens een grens wordt getrokken. Te dezen is die keuze verantwoord door de reeds vermelde bekommernis om de gerechtelijke procedures niet te vertragen. B.
  18. De aldus door de wetgever gemaakte keuze heeft geen onevenredige gevolgen rekening houdend, enerzijds, met het algemene rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepalingen niet zijn afgeweken en, anderzijds, met het feit dat de betrokkenen, die de rechtspleging hebben ingesteld en derhalve worden geacht alle dienstige maatregelen tot vrijwaring van hun rechten te nemen (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 11, p. 3), niet ertoe zijn gehouden hun verdediging te organiseren in omstandigheden die onredelijk moeilijk zouden moeten worden geacht. De wetgever heeft trouwens opgemerkt dat de termijnen van hoger beroep in strafzaken « nog korter » waren en geen aanleiding hadden gegeven tot moeilijkheden (ibid.). B.
  19. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 50, tweede lid, en 1051, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 28 februari
  20. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.