← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.038

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.038 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20080304.4 Arrest- Rolnummer: 38/2008 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-03-05 Raadplegingen: 258 - laatst gezien 2026-06-30 12:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 1 en 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Steun OCMW Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 1 en 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht - Maatschappelijke dienstverlening - Bevoegdheid van het OCMW van de gemeente op wier grondgebied zich de persoon bevindt die bijstand behoeft - Uitzonderingen - Personen die verblijven in erkende instellingen - Bevoegdheid van het OCMW van de gemeente van de hoofdverblijfplaats van de persoon die bijstand behoeft. Wettelijke bepalingen: Wet - 02-04-1965 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1965040210 Wet - 02-04-1965 - 2,§1,1° - 01 ELI link Pub nr 1965040210 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4194 Arrest nr. 38/2008 van 4 maart 2008 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 1 en 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 april 2007 in zake Marc Van Eeckhoudt tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Overijse en in aanwezigheid van Jeannine Wyns, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 april 2007, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 1 en 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn het niet-discriminatie- en gelijkheidsbeginsel, doordat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar een erkende instelling gevestigd is, in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet, niet gehouden is tot tussenkomst voor de behoeftige personen die in een dergelijke instelling verblijven, terwijl het openbaar centrum, op wiens grondgebied zich een niet erkende instelling bevindt, wel tot tussenkomst gehouden is, ook al neemt deze instelling personen op die behoren tot dezelfde categorie, of een vergelijkbare categorie, van personen als deze die opgenomen worden door de instellingen opgesomd in artikel 2, § 1, 1°, van de wet ? ». Memories zijn ingediend door : - het OCMW van Overijse; - Jeannine Wyns, wonende te 3090 Overijse, Sint-Annastraat 102; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 19 december 2007 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 16 januari 2008, na de Ministerraad te hebben uitgenodigd zich ter terechtzitting mondeling nader te verklaren over het gegeven dat, voor zover het Hof kon nagaan, enerzijds, artikel 20bis van de wet van 9 juli 1971 « houdende wijziging van de wet van 2 april 1965 tot wijziging van de wet van 27 november 1891 op de openbare onderstand » (Belgisch Staatsblad, 10 september 1971), zoals ingevoegd bij de wet van 7 juni 1974 « tot wijziging van de wet van 9 juli 1971 houdende wijziging van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand » (Belgisch Staatsblad, 17 augustus 1974), nog steeds van kracht is en, anderzijds, tot op heden door de Koning geen datum is vastgesteld vanaf welke ter uitvoering van voormeld artikel 20bis een einde zou kunnen worden gemaakt aan de afwijking, in artikel 2 van de wet van 2 april 1965, ten aanzien van de niet erkende instellingen voor gehandicapten en de niet erkende rustoorden voor bejaarden. Op de openbare terechtzitting van 16 januari 2008 : - zijn verschenen : . Mr. P. Vanderosieren, advocaat bij de balie te Brussel, voor het OCMW van Overijse; 3 . Mr. A. Dubois en Mr. K. Ceymeulen, advocaten bij de balie te Brussel, voor Jeannine Wyns; . Mr. F. Judo loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Marc Van Eeckhoudt is voorlopig bewindvoerder van A.T., die in het psychiatrisch ziekenhuis Sint-Alexius te Grimbergen verbleef. Vanaf augustus 2001 verhuisde A.T. naar « Villa Wijns », te Overijse, een privaat initiatief voor begeleid wonen, uitgebaat door Jeannine Wyns. Toen de invaliditeitsuitkering van A.T. onvoldoende bleek om de verblijfskosten in « Villa Wijns » te betalen, vroeg Marc Van Eeckhoudt namens A.T. aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : OCMW) van Overijse om tegemoet te komen in die kosten. Het OCMW gaat daar niet op in. Marc Van Eeckhoudt vordert voor de Arbeidsrechtbank van Brussel de veroordeling van het OCMW tot betaling van de schulden van A.T. bij Jeannine Wyns. Het OCMW stelt dat het niet bevoegd is om te dezen maatschappelijke steun te verlenen, rekening houdend met de artikelen 1 en 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Volgens die wetsbepalingen staat het in beginsel aan het OCMW van de verblijfplaats van de hulpbehoevende om maatschappelijke steun te verlenen, tenzij wanneer die persoon is opgenomen in één van de instellingen opgesomd in artikel 2, § 1, 1°, in welk geval de steunverlening zaak is van het OCMW van de gemeente waar de betrokkene was ingeschreven op het ogenblik van opneming in een dergelijke instelling. Er wordt niet betwist dat de « Villa Wijns » bij gebrek aan erkenning niet kan worden beschouwd als een van dergelijke instellingen. Het OCMW voert evenwel aan dat er een discriminatie is tussen OCMW’s van een gemeente waar een in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 erkende instelling gevestigd is en OCMW’s van gemeenten met andere instellingen op hun grondgebied waar personen verblijven die zich nochtans in een vergelijkbare situatie bevinden. De Arbeidsrechtbank stelt vast dat de wetgever het criterium van de erkenning in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 niet absoluut toepast, bijvoorbeeld wanneer het gaat om minderjarigen, voor wie de bevoegdheid geldt van het OCMW waar de jongere is ingeschreven in het bevolkingsregister, ook wanneer het gaat om een opvang in eender welke instelling of bij private personen. De Rechtbank beslist dienvolgens de hiervoor geciteerde prejudiciële vraag te stellen. 4 III. In rechte -A- A.

  1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : OCMW) van Overijse doet opmerken dat nog verscheidene vergelijkbare zaken aanhangig zijn voor de arbeidsrechtbank waarvoor het antwoord op de prejudiciële vraag wordt afgewacht. De verwerende partij voor de verwijzende rechter is van oordeel dat het criterium van de erkenning geen redelijke verantwoording biedt voor het aangeklaagde onderscheid. Het OCMW refereert aan het verwijzingsvonnis, waarin de rechter reeds vaststelt dat de wetgever het criterium van de erkenning niet absoluut toepast, bijvoorbeeld wanneer het gaat om minderjarigen. Het OCMW voegt eraan toe dat ook ten aanzien van niet erkende instellingen voor gehandicapten bij de wet van 7 juni 1974 een uitzondering is gemaakt. Nu in de loop der jaren vele uitzonderingen op de algemene regel zijn ingevoerd, ook ten aanzien van niet erkende instellingen, is er volgens het OCMW aanleiding om ook in een uitzondering te voorzien ten aanzien van OCMW’s van gemeenten met niet erkende instellingen op hun grondgebied waar personen verblijven die behoren tot dezelfde of tot een vergelijkbare categorie van personen als die welke zijn opgenomen in instellingen opgesomd in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april
  2. Het OCMW betoogt tot slot dat het criterium van de erkenning geen spreiding mogelijk maakt van de financiële lasten, die bijzonder zwaar wegen op de begroting van de gemeente en waarvoor het OCMW geen enkele terugbetaling van de overheid ontvangt. A.
  3. Na een uiteenzetting van de feiten van de zaak ten gronde doet Jeannine Wyns opmerken dat de prejudiciële vraag voor haar geen belang heeft. Zij heeft niet de tegemoetkoming van het OCMW gevraagd. De procedure voor het Grondwettelijk Hof kan voor Jeannine Wyns enkel meebrengen dat zij kennis zal kunnen nemen van de uitspraak van het Hof. A.3.
  4. De Ministerraad doet opmerken dat op de basisregel dat het OCMW waar de hulpbehoevende verblijft, tegemoet dient te komen, aanvankelijk enkel een uitzondering werd gemaakt ten aanzien van OCMW’s van gemeenten met een « gesloten psychiatrische instelling » op hun grondgebied, omdat de wetgever het niet redelijk achtte om gemeenten met een dergelijke instelling te belasten met de maatschappelijke steunverlening aan personen voor wie het nodig zou zijn om over heel het land op zoek te gaan naar inlichtingen over hun toestand en eventuele onderhoudsplichtigen. De Ministerraad schetst de diverse wijzigingen van de in het geding zijnde bepalingen. Met de wet van 9 juli 1971 werden nieuwe uitzonderingen gemaakt, om tegemoet te komen aan gemeenten met een belangrijke sociale of medische infrastructuur op hun grondgebied, zoals ziekenhuizen, rusthuizen, kindertehuizen, gevangenissen, en dergelijke. Vervolgens werd bij koninklijk besluit nr. 244 van 31 december 1983 aan de Koning de mogelijkheid geboden nog andere instellingen aan te wijzen, mogelijkheid waarvan de Koning gebruik heeft gemaakt ten aanzien van erkende rust- en verzorgingsinstellingen, erkende psychiatrische verzorgingstehuizen en erkende initiatieven van beschut wonen. Ten slotte werden bij wet van 20 mei 1997 de erkende serviceflatgebouwen en wooncomplexen toegevoegd. A.3.
  5. De Ministerraad voert aan dat het OCMW geen belang heeft bij het antwoord op de prejudiciële vraag, nu deze betrekking heeft op een virtuele discriminatie tussen openbare besturen, terwijl het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betrekking heeft op de verhouding tussen de overheid en de burgers. Voor de hulpbehoevende persoon maakt het niet uit welk OCMW territoriaal bevoegd is. De Ministerraad verklaart die exceptie evenwel niet nader uit te werken, onder meer omdat het Hof de prejudiciële vragen moet behandelen los van het belang dat een partij kan hebben bij een middel dat zij in het bodemgeschil aanvoert. A.3.
  6. Volgens de Ministerraad is de erkenning van instellingen een objectief criterium dat eenvoudig is vast te stellen en dat aantoont dat de betrokken instelling beantwoordt aan een aantal vereisten betreffende het personeel, de omkadering, de structuur, de veiligheid, enzovoort. 5 De Ministerraad stelt dat de wetgever, door te voorzien in uitzonderingen, een verlichting wilde brengen ten aanzien van gemeenten met bepaalde categorieën van instellingen op hun grondgebied. Het criterium is volgens de Ministerraad pertinent ten aanzien van de doelstelling van de wetgever, nu niet kan worden ontkend dat het onttrekken van de verplichting tot steunverlening door het OCMW dat normalerwijze bevoegd zou zijn, leidt tot een uitvlakking van de financiële lasten. De Ministerraad is van mening dat er geen sprake is van enige kennelijke onredelijkheid van de maatregel in het licht van de doelstellingen en de gevolgen ervan. Hij voegt eraan toe dat het OCMW niet de minste poging doet om aan te tonen dat er een kennelijke onevenredigheid zou zijn. De Ministerraad doet opmerken dat in de meeste gevallen de erkenning van de instelling vereist is. De door de verwijzende rechter en het OCMW aangehaalde vergelijking wat de situatie van minderjarigen betreft, is volgens de Ministerraad niet pertinent, nu het te dezen niet gaat om een minderjarige. Ten aanzien van minderjarigen wordt geen onderscheid gemaakt tussen erkende en niet erkende instellingen, nu alle instellingen in aanmerking komen, alsook particulieren die minderjarigen huisvesten. De Ministerraad voegt eraan toe dat het loutere feit dat het criterium van de erkenning in de specifieke situatie van de minderjarigen terzijde wordt gelaten, op zich niet volstaat om te besluiten tot een kennelijke onevenredigheid. De context van de opvang van minderjarigen is volgens de Ministerraad dermate verschillend van die van meerderjarigen dat een gedifferentieerde behandeling niet discriminerend is. Wat betreft personen die in de in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 bedoelde instellingen verblijven, moet volgens de Ministerraad worden vastgesteld dat de wetgever steeds heeft gezorgd voor een bepaalde vorm van preventief kwaliteitstoezicht, waardoor enkel instellingen met een bepaalde kwaliteit aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de uitzondering die dat artikel bevat. De Ministerraad betoogt nog dat wanneer de betrokkene zelf de keuze maakt om te verblijven in een van de instellingen die behoren tot de in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 opgesomde categorieën, het criterium van de erkenning (behoudens afwijking door de Koning) steeds speelt. De Ministerraad stelt dat hij niet inziet waarom het onevenredig en tegengesteld aan de doelstelling van de wetgever zou zijn om enkel te voorzien in een tenlasteneming door het OCMW « van herkomst » wanneer een persoon op vrijwillige basis zijn intrek neemt in een erkende instelling. Dankzij het criterium van de erkenning en vrijwilligheid behouden de bevoegde overheden bovendien een overzicht van de opnamecapaciteiten van de betrokken instellingen en van de financiële gevolgen van de verplichting tot tenlasteneming. A.3.
  7. De Ministerraad betoogt in ondergeschikte orde dat, indien het Hof van oordeel zou zijn dat er redenen zijn om ook niet erkende instellingen als uitzondering op te nemen, het aan de Koning toekomt om op basis van het voormelde koninklijk besluit nr. 244 van 31 december 1983 in voorkomend geval andere instellingen aan te wijzen. De aangevoerde discriminatie zou dus in geen geval aan de wet zelf toe te schrijven zijn, zodat de prejudiciële vraag in ieder geval ontkennend moet worden beantwoord. -B– B.
  8. De verwijzende rechter stelt een prejudiciële vraag over de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van de artikelen 1 en 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. 6 B.
  9. Artikel 1 van de wet van 2 april 1965 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° ‘ steunverlenend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ’ : het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn erkend werd en aan wie het centrum steun verleent waarvan de aard en, zo nodig, het bedrag door het centrum beoordeeld en bepaald worden; […] ». Artikel 2, § 1, 1°, van dezelfde wet bepaalt : « §
  10. In afwijking van artikel 1, 1°, is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de betrokkene op het ogenblik van zijn opneming in een nagenoemde instelling of bij een nagenoemd privaat persoon voor zijn hoofdverblijf in het bevolkings- of het vreemdelingenregister of in het wachtregister was ingeschreven, bevoegd om de noodzakelijke steun te verlenen, indien de bijstand vereist is : 1° bij de opneming of gedurende het verblijf van een persoon : hetzij in een psychiatrisch ziekenhuis; hetzij in een erkende instelling voor gehandicapten; hetzij, zo het gaat om een minderjarige, in een instelling voor kinderen of bij een privaat persoon die hem onder bezwarende titel huisvest; hetzij in een erkend rustoord voor bejaarden, hetzij in een serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening, voor zover deze voorzieningen als dusdanig door de bevoegde overheid erkend zijn; hetzij in een instelling van gelijk welke aard, waar die persoon verplicht verblijft in uitvoering van een rechterlijke of administratieve beslissing; hetzij in andere instellingen die de Koning bepaalt; hetzij in een instelling of een inrichting die door de bevoegde overheid erkend is om personen in noodsituaties op te vangen en hen tijdelijk te huisvesten en te begeleiden; hetzij in een erkend rust- en verzorgingstehuis ». B.
  11. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het discriminerend is dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna: OCMW) van de gemeente waar een in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 bedoelde erkende instelling is gevestigd, 7 niet is gehouden tot tegemoetkoming voor de hulpbehoevende personen die in een dergelijke instelling verblijven, terwijl het OCMW van de gemeente op wier grondgebied zich een niet erkende instelling bevindt, wel tot tegemoetkoming is gehouden, ook al neemt die instelling personen op die behoren tot dezelfde categorie, of een vergelijkbare categorie, van personen als die welke worden opgenomen door de instellingen opgesomd in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april
  12. B.4.
  13. De Ministerraad voert als exceptie aan dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op een virtuele discriminatie tussen openbare besturen, terwijl het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie enkel betrekking zou hebben op de verhouding tussen de overheid en de burgers. Het betrokken OCMW zou derhalve geen belang hebben bij het antwoord op de prejudiciële vraag. B.4.
  14. Los van het uitgangspunt dat het in beginsel aan de rechter die een prejudiciële vraag stelt toekomt om te oordelen of het antwoord op die vraag nodig is voor de oplossing van het geschil dat hij moet beslechten, dient te dezen te worden opgemerkt dat ook OCMW’s zich kunnen beroepen op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.4.
  15. De exceptie wordt verworpen. B.
  16. Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op een persoon die na een verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis is verhuisd naar een verblijfsgelegenheid die de rechter kwalificeert als een vorm van « begeleid wonen ». De verwijzende rechter overweegt dat de initiatiefnemer van die verblijfsgelegenheid « niet kan verweten worden geen erkenning te hebben aangevraagd die ze niet kon bekomen ». De verwijzende rechter geeft niet expliciet aan welke categorie van instellingen bedoeld in artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 te dezen aan de orde is. Hij refereert in het verwijzingsvonnis wel aan het koninklijk besluit van 17 maart 1994, dat bepaalt dat « artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 […] van toepassing [is] bij opneming of gedurende het verblijf van een persoon in een psychiatrisch verzorgingstehuis of initiatief van beschut wonen, voor zover deze voorzieningen door de bevoegde overheid erkend zijn », maar stelt een vraag over het gehele artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965, een wetsbepaling waarvoor het Hof bevoegd is. 8 B.
  17. Het antwoord op de prejudiciële vraag, die inzonderheid betrekking heeft op het onderscheid tussen erkende en niet erkende instellingen bedoeld in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965, vergt een onderzoek van de gehele context en de ontstaansgeschiedenis van die wetsbepaling, die herhaaldelijk werd gewijzigd. B.7.
  18. De wet van 2 april 1965 (Belgisch Staatsblad, 6 mei 1965) bepaalt welk OCMW instaat voor de maatschappelijke dienstverlening aan personen en welke instantie de kosten van die tegemoetkoming uiteindelijk ten laste neemt. Met die wet wilde de wetgever een einde maken aan het stelsel van de wet van 27 november 1891 op de openbare onderstand, dat als te ingewikkeld werd beschouwd. De door de wetgever van 1891 aangenomen bepalingen om de lasten zo billijk mogelijk te verdelen over de commissies van openbare onderstand hadden inderdaad vele betwistingen tussen de commissies veroorzaakt en belangrijke administratieve kosten meegebracht (Parl. St., Kamer, 1960-1961, nr. 703/1, p. 2, en Parl. St., Senaat, 1964-1965, nr. 193, p. 1). B.7.
  19. Zoals voorheen, werd krachtens de wet van 2 april 1965 de steun in beginsel verleend door de zogenaamde « steunverlenende commissie » van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft. Op die basisregel werd in het oorspronkelijke artikel 2 één enkele uitzondering gemaakt : wanneer de bijstand was vereist bij de opneming of gedurende het verblijf van een persoon in een gesloten psychiatrische inrichting, bleef de commissie van openbare onderstand van de gemeente waar de opgenomen persoon was ingeschreven in de bevolkingsregisters op het ogenblik van zijn opneming in die inrichting, te beschouwen als de steunverlenende commissie. Die uitzondering werd aangenomen op grond van een amendement op het wetsontwerp en was ingegeven door de zorg om te vermijden dat commissies van gemeenten met een inrichting voor geesteszieken zouden « moeten instaan voor het opmaken van dossiers en het inwinnen van tal van administratieve inlichtingen […] » (Parl. St., Senaat, 1964-1965, nr. 193, p. 3). B.8.
  20. Met artikel 2 van de wet van 2 april 1965, zoals integraal vervangen bij artikel 3 van de wet van 9 juli 1971 « houdende wijziging van de wet van 2 april 1965 tot wijziging van de wet van 27 november 1891 op de openbare onderstand » (Belgisch Staatsblad, 10 september 1971), werden bijkomende uitzonderingen ingevoerd ten aanzien van personen 9 met verblijf in bepaalde instellingen of bij bepaalde personen, ditmaal niet uit administratieve overwegingen maar « met het oog op een meer billijke verdeling van de kosten » ten opzichte van steunverlenende commissies van openbare onderstand van gemeenten op wier grondgebied « zich inrichtingen bevinden zoals ziekenhuizen, materniteiten, rustoorden voor bejaarden, kindertehuizen, strafinrichtingen, enz. » (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 654, p. 2, en Parl. St., Kamer, 1970-1971, nr. 1015/2, p. 3). Het was evenwel niet de bedoeling om « terug te keren tot een verleden dat aan het onderstandsdomicilie de terugbetaling zou opleggen van de kosten voor de onderstand verleend aan de behoeftigen, die geplaatst zijn in de gesloten psychiatrische inrichtingen, in de medico-pedagogische instituten, in de rustoorden en in de kindertehuizen » (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 654, p. 2). B.8.
  21. Artikel 2 van de wet van 2 april 1965, zoals vervangen bij de wet van 9 juli 1971, bepaalde : « §
  22. In afwijking van artikel 1, 1°, is de commissie van openbare onderstand van de gemeente waar de betrokkene op het ogenblik van zijn opneming in een nagenoemde instelling of bij een nagenoemd privaat persoon voor zijn hoofdverblijf in het bevolkings- of het vreemdelingenregister was ingeschreven, bevoegd om de noodzakelijke steun te verlenen, indien de bijstand vereist is : 1° bij de opneming of gedurende het verblijf van een persoon : hetzij in een gesloten psychiatrische instelling; hetzij in een erkende instelling voor gehandicapten; hetzij, zo het gaat om een minderjarige, in een instelling voor kinderen of bij een privaat persoon die hem onder bezwarende titel huisvest; hetzij in een erkend rustoord voor bejaarden; hetzij in een instelling van gelijk welke aard, waar die persoon verplicht verblijft in uitvoering van een rechterlijke of administratieve beslissing; […] ». 10 Artikel 6 van de wet van 2 april 1965, zoals vervangen bij de wet van 9 juli 1971, bepaalde : « Is zonder uitwerking voor het verwerven van een nieuwe onderstandsdomicilie het verblijf, al dan niet als behoeftige, hetzij in een verplegingsinstelling, hetzij in een instelling of bij een privaat persoon bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet ». B.
  23. Toen de minister van Volksgezondheid en van het Gezin, in antwoord op parlementaire vragen, in 1972 had verduidelijkt dat enkel erkende rustoorden onder de toepassing vielen van de voormelde artikelen 2 en 6 van de wet van 2 april 1965, zoals gewijzigd in 1971, werd een wetsvoorstel ingediend omdat die interpretatie volgens de auteur ervan « regelrecht in strijd was met de bedoeling van de wetgever », « bijkomende lasten met zich [zou] [mee]brengen voor de commissies van openbare onderstand op wier grondgebied een niet-erkend rustoord voor bejaarden gevestigd is » en omdat het « veel billijker [zou] geweest zijn te bepalen dat de inrichtingen die over een voorlopige machtiging beschikken eveneens onder de toepassing vallen van de artikelen 2 en 6 […] » (Parl. St., Kamer, 1972-1973, nr. 522/1, p. 2). Op basis van dat wetsvoorstel werd bij wet van 7 juni 1974 (Belgisch Staatsblad, 17 augustus 1974) in de wet 9 juli 1971 een artikel 20bis ingevoegd, dat bepaalt : « In afwijking van de bepalingen van deze wet en tot een door de Koning vastgestelde datum vallen de niet erkende instellingen voor gehandicapten en de niet erkende rustoorden voor bejaarden onder de toepassing van de artikelen 2 en 6 van de wet van 2 april 1965 ». Voormeld artikel 20bis, dat nog steeds van kracht is, heeft nooit het voorwerp uitgemaakt van een koninklijk besluit waarbij de in dat artikel bedoelde datum is bepaald. B.
  24. Artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 244 van 31 december 1983 vult artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 aan met een lid op grond waarvan de Koning nog andere instellingen kan toevoegen aan de in dat artikel vermelde opsomming. Volgens het verslag aan de Koning dat aan het koninklijk besluit nr. 244 voorafgaat, gold de verantwoording die destijds voor de uitzondering vermeld in artikel 2, § 1, 1°, werd aangevoerd, evenzeer voor de OCMW’s « op wier grondgebied o.a. onthaaltehuizen en rust- en verzorgingstehuizen gevestigd zijn » (Belgisch Staatsblad, 25 januari 1984, p. 1030). 11 Het koninklijk besluit van 10 augustus 1984 voegt de erkende instellingen voor opvang van personen in noodsituaties en de erkende rust- en verzorgingstehuizen toe aan de opsomming van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 en dit, volgens de overwegingen in de aanhef van dat koninklijk besluit, « om reden van billijkheid » (Belgisch Staatsblad, 14 september 1984, p. 12720). Het koninklijk besluit van 17 maart 1994 bepaalt dat artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 van toepassing is « bij opneming of gedurende het verblijf van een persoon in een psychiatrisch verzorgingstehuis of initiatief van beschut wonen, voor zover deze voorzieningen door de bevoegde overheid erkend zijn » (Belgisch Staatsblad, 22 april 1994, p. 10814). B.
  25. Ten slotte vervangt de wet van 20 mei 1997 de woorden « gesloten psychiatrische instelling » in het eerste lid van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 door de woorden « psychiatrisch ziekenhuis » en voegt die wet aan het vierde lid toe : « hetzij in een serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening, voor zover deze voorzieningen als dusdanig door de bevoegde overheid erkend zijn » (Belgisch Staatsblad, 21 juni 1997). B.
  26. Het Hof dient na te gaan of het verantwoord is om, op grond van de erkenning van de betrokken instelling in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965, een onderscheid te maken bij het bepalen van het OCMW dat bevoegd is voor de maatschappelijke dienstverlening van personen die verblijven in dergelijke instellingen. B.
  27. Zoals uiteengezet in B.7, heeft de wetgever in 1965 het uitgangspunt van de wet van 27 november 1891 bevestigd dat de maatschappelijke dienstverlening wordt verleend door het OCMW van de gemeente op wier grondgebied zich de persoon bevindt die bijstand behoeft. Aldus is de feitelijke aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van een gemeente in beginsel determinerend voor de territoriale bevoegdheid van het OCMW van die gemeente. In een aantal gevallen is de wetgever gaandeweg van die basisregel afgeweken. In artikel 2, § 1, 1°, heeft hij voorgeschreven dat de maatschappelijke bijstand voor een persoon opgenomen of verblijvend in sommige instellingen of bij bepaalde personen ten laste komt van het OCMW van de gemeente waar de betrokkene op het ogenblik van zijn opneming voor zijn hoofdverblijf was ingeschreven in het bevolkings- of het vreemdelingenregister of in het 12 wachtregister. Behalve voor het eerste lid met betrekking tot de psychiatrische ziekenhuizen, dat, zoals in B.7.2 is aangegeven, om administratieve redenen werd ingevoerd, zijn, zoals ook al is vermeld in B.8.1, de uitzonderingen opgesomd in de daaropvolgende leden van artikel 2, § 1, 1°, ingegeven door billijkheidsoverwegingen, om de OCMW’s van gemeenten met belangrijke instellingen voor opvang niet al te zeer te bezwaren met de maatschappelijke dienstverlening voor de personen die daarop tijdens hun opname of verblijf in die instellingen aanspraak zouden maken. B.
  28. Er kan in redelijkheid worden aangenomen dat het verantwoord is een onderscheid te maken op basis van de aard van de betrokken instelling en in voorkomend geval de erkenning ervan. De bedoelde instellingen zijn door de overheid zelf ingericht of worden als zodanig erkend, in welk geval de erkenning een objectief criterium van onderscheid vormt dat relevant is in zoverre de erkenning doorgaans een zeker niveau van kwaliteit waarborgt. Bij ontstentenis van een objectief criterium, zoals te dezen de erkenning, zou op ongecontroleerde wijze afbreuk kunnen worden gedaan aan de basisregel inzake de verdeling van de lasten van de maatschappelijke dienstverlening onder de OCMW’s. Weliswaar heeft de wetgever met de in B.9 vermelde wet van 7 juni 1974 de Koning gemachtigd tot het vaststellen van een datum tot op welke ook de niet erkende instellingen voor gehandicapten en de niet erkende rustoorden voor bejaarden onder de toepassing vallen van de artikelen 2 en 6 van de wet van 2 april
  29. Het kan de wetgever evenwel niet worden verweten dat die als overgangsmaatregel bedoelde bepaling inmiddels niet heeft geleid tot een koninklijk besluit dat een einde kon maken aan die overgangsmaatregel. Ten slotte is het niet onevenredig om met het oog op een billijker verdeling van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening onder de OCMW’s, en zonder de basisregel zelf in het gedrang te brengen, te voorzien in een aantal uitzonderingen voor OCMW’s van gemeenten waar erkende instellingen zijn gevestigd waarin een groot aantal personen die aanspraak zouden kunnen maken op maatschappelijke dienstverlening, kunnen verblijven. 13 Met de verwijzende rechter moet weliswaar worden opgemerkt dat tevens een uitzondering is gemaakt ten aanzien van minderjarigen (artikel 2, § 1, 1°, derde lid) en dit zonder dat de instelling of de private persoon die voor de huisvesting instaat, daartoe erkend moet zijn. Toch kan worden aangenomen dat de specifieke noden aan opvangmogelijkheden voor minderjarigen en de gehele context waarbinnen de opvang van minderjarigen is geregeld, op dit punt in redelijkheid een uitzondering kunnen verantwoorden. B.
  30. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 1 en 2, § 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 maart
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.